Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ7705

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
R06/056HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AV1944
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ7705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verenigingsrecht; wijzigingsverzoek ex art. 23 Handelsregisterwet. Lidmaatschap van gewone vereniging ondanks een ontbrekend toelatingsbesluit?, toepasselijkheid van de vertrouwensleer (art. 3:35 jo. 59 BW); belanghebbendebegrip als bedoeld in art. 23 Hrw.

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 1996 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 476
NJ 2007, 421 met annotatie van J.M.M. Maeijer
RvdW 2007, 632
RO 2007, 68
NJB 2007, 1594
Ondernemingsrecht 2007, 139 met annotatie van G.J.C. Rensen
JRV 2007, 484
JWB 2007/240
JOR 2007/228
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/056HR

Mr. Timmerman

Parket, 26 januari 2007

conclusie inzake:

- De vereniging VERENIGING OUD VOLENDAM,

- [Eiser 2],

- [Eiser 3],

- [Eiseres 4],

- [Eiser 5],

- [Eiser 6],

- [Eiseres 7](1),

- [Eiser 8],

- [Eiser 9],

verzoekers tot cassatie in het princiaal beroep

tevens verweerders in het incidenteel beroep

tegen

- De vereniging, VERENIGING OUD VOLENDAM,

- De stichting, STICHTING VOLENDAMS MUSEUM,

- [Verweerder 3],

- [Verweerder 4],

- [Verweerder 5],

- [Verweerder 6],

- [Verweerder 7],

- [Verweerder 8],

- [verweerder 9],

verweerders in cassatie in het principaal beroep

tevens verzoekers tot cassatie in het incidenteel beroep

Kamer van Koophandel,

belanghebbende(2)

1. Feiten en procesverloop(3)

1.1 Op 27 januari 1967 is de vereniging Oud Volendam (hierna: de vereniging) opgericht. In de ledenvergadering van 20 maart 1967 zijn statuten vastgesteld. Deze zijn niet notarieel vastgelegd. De vereniging werd niet in enig register ingeschreven. De statuten bepalen onder meer dat de vereniging bestaat uit gewone leden, ereleden en donateurs. Gewone leden zijn zij die zich bij het bestuur hebben gemeld en door het bestuur zijn toegelaten(4). Gewone leden en ereleden hebben stemrecht in de algemene ledenvergadering. De leden verbinden zich tot het betalen van een bedrag dat in het huishoudelijk reglement is bepaald. Donateurs zijn personen die de vereniging financieel steunen.

1.2 Het doel van de vereniging is het karakteristieke van de gemeenschap Volendam voor het nageslacht te bewaren en toegankelijk te maken. De vereniging tracht dit doel onder meer te bereiken door het bestuderen, verzamelen en vastleggen van de plaatselijke geschiedenis en folklore, het beschermen van historisch en architectonisch waardevolle en beeldbepalende monumenten en het verkrijgen en in goede staat brengen en houden van roerende zaken, betrekking hebbende op de Volendammer geschiedenis en folklore, welke zoveel mogelijk zullen worden ondergebracht in een op te richten Volendams museum.

1.3 Het bestuur bestaat uit ten minste zeven leden die door de leden worden gekozen. De leden van het bestuur worden benoemd voor de duur en op de wijze bij het huishoudelijk reglement te bepalen. Jaarlijks wordt een ledenvergadering gehouden. Daarnaast dienen ledenvergaderingen plaats te vinden op een tijdstip door het bestuur te kiezen of wanneer ten minste tien leden daartoe een gemotiveerd, schriftelijk verzoek aan het bestuur doen. In dat geval is het bestuur verplicht binnen drie weken een ledenvergadering bijeen te roepen. Als het bestuur daarmee in gebreke blijft, kunnen de bedoelde leden zelf overgaan tot het bijeenroepen van een ledenvergadering.

1.4 De vereniging had in 1967 ongeveer 150 leden. Aan de leden werd jaarlijks, na het betalen van de contributie, een bewijs van lidmaatschap verstrekt. Ook ontvingen de leden jaarlijks een door de vereniging uitgegeven premiefoto(5). Tussen 1971 en 1975 heeft de vereniging geen activiteiten ontplooid. In de periode na 1975 heeft een werkgroep onder leiding van [verweerder 4] (verweerder in cassatie sub 4 in het principaal beroep) zich ingezet voor de totstandkoming van een Volendams museum, waartoe de Stichting Volendams Museum is opgericht(6). Het museum is op 12 maart 1977 geopend.

1.5 [Verweerder 4] heeft in die tijd contact opgenomen met de toenmalige bestuursleden van de vereniging. Deze hebben hun bestuursfunctie neergelegd. [Verweerder 4] heeft daarop een bestuur van de vereniging (hierna: [verweerder] c.s.) samengesteld(7). Hij maakt daarvan zelf deel uit. Na 1977 zijn geen algemene ledenvergaderingen gehouden. Het zittende verenigingsbestuur is tevens het bestuur van de Stichting Volendams Museum. De vereniging draagt financieel in belangrijke mate bij aan de stichting.

1.6 Sinds 1967 geeft de vereniging, met uitzondering van de jaren 1972, 1973 en 1976, jaarlijks een premiefoto uit. Belangstellenden kunnen deze foto tegen betaling verwerven.

1.7 In 2003 is er een conflict ontstaan rond de vereniging(8). Dit conflict bleek niet op te lossen. In een brief van 1 februari 2004 is onder meer door enkelen van de thans eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) aan het zittende bestuur verzocht een algemene ledenvergadering te houden. Aan dat verzoek heeft het bestuur geen gehoor gegeven.

1.8 Op 23 februari 2004 hebben [verweerder] c.s. de vereniging doen inschrijven in het register van de Kamer van Koophandel. Op 7 april 2004 heeft een vergadering plaats gehad waarbij uitsluitend de leden van het zittende bestuur aanwezig waren. Bij die gelegenheid is besloten tot wijziging van de statuten en neerlegging daarvan in een notariële akte, overeenkomstig de concept-akte opgesteld door notaris mr. F.R. Wardenaar te Schagen. Met ingang van 28 april 2004 hebben [verweerder] c.s. de gewijzigde statuten doen inschrijven in het handelsregister.

1.9 Op 2 juni 2004 heeft op initiatief van [eiser] c.s. een bijeenkomst plaats gehad van ruim honderd personen, voornamelijk afnemers van de premie-foto onder de motto's "tijd voor een positieve frisse wind" en "wij, volendammers, moet nu ingrijpen". Daartoe was een oproep geplaatst in een plaatselijke krant. Van de bijeenkomst zijn notulen opgesteld. Deze notulen maken melding van het ontslag van het zittende bestuur en de benoeming van een nieuw bestuur. Beide besluiten zijn, volgens de notulen, tot stand gekomen doordat de aanwezige leden door handopsteking massaal voor stemden. [eiser] c.s. hebben het ontslag van het zittende bestuur en de benoeming van het nieuwe bestuur op 28 juni 2004 met ingang van 2 juni 2004 doen inschrijven in het handelsregister.

1.10 [Verweerder] c.s. hebben de kantonrechter verzocht de Kamer van Koophandel te gelasten deze inschrijvingen ongedaan te maken. Zij hebben aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat de door [eiser] c.s. op 2 juni 2004 gehouden vergadering niet kan worden aangemerkt als algemene ledenvergadering van de vereniging, omdat de aanwezigen op deze vergadering geen leden zijn. De aanwezigen zijn weliswaar afnemers van de premiefoto, maar hebben geen stemrecht. Afname van de premiefoto geschiedt jaarlijks op vrijwillige basis. Er is geen sprake (meer(9)) van een jaarlijkse afnameverplichting. [Verweerder] c.s. stellen zich dan ook op het standpunt dat aan het meest wezenlijke kenmerk van een lidmaatschapsverhouding, te weten het hebben van zeggenschap, niet is voldaan. Verder is er geen geformaliseerde toetreding of opzegging.

1.11 [Eiser] c.s. hebben betoogd dat [verweerder] c.s. ten onrechte het lidmaatschap van de deelnemers aan de bijeenkomst van 2 juni 2004 betwisten. De afnemers van de premiefoto zijn door de jaren heen als lid aangemerkt. Van deze personen is een ledenbestand aangelegd. Zij zijn als lid geadministreerd. De "contributie" werd en wordt jaarlijks gelijktijdig met de overhandiging aan de leden van de premiefoto geïnd. In de financiële verslaglegging van de vereniging zelf werd gesproken over achterstallige contributies: deze kunnen slechts bestaan als er sprake is van een verplichting om contributies te betalen.

1.12 [Eiser] c.s. hebben vervolgens de kantonrechter verzocht de doorhaling te gelasten van de inschrijving, met ingang van 28 april 2004, van de op 7 april 2004 vastgestelde statuten. De statutenwijziging van 28 april 2004 is -zo stellen [eiser] c.s.- een nietig besluit ex art. 2:14 BW.

1.13 De kantonrechter heeft als kern van het geschil aangemerkt het antwoord op de vraag of de afnemers van de premiefoto dienen te worden aangemerkt als leden van de vereniging. Een ontkennende beantwoording van die vraag doet volgens de kantonrechter aan de op 2 juni 2004 door [eiser] c.s. gehouden bijeenkomst het karakter van een rechtsgeldige ledenvergadering ontvallen. Het verzoek van [verweerder] c.s. komt dan volgens de kantonrechter voor inwilliging in aanmerking. [Eiser] c.s. zullen dan volgens de kantonrechter niet-ontvankelijk worden verklaard in hun tegenverzoek tot doorhaling van de statutenwijziging van 28 april 2004. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] c.s. niet als belanghebbenden in de zin van artikel 23 van de Handelsregisterwet kunnen worden aangemerkt, voor zover zij geen leden van de vereniging zijn.

1.14 De kantonrechter heeft het standpunt van [verweerder] c.s. gevolgd. Hoewel de wet geen definitie geeft van wat een lid van de vereniging is, kan volgens de kantonrechter wel het een en ander over de inhoud van het lidmaatschap van een vereniging worden gezegd. Het lidmaatschapsbegrip kent twee aspecten, te weten een formeel en een materieel aspect. Het formele aspect ziet op het totstandkomen en het bestaan van het lidmaatschap. Het materiële aspect betreft de rechten en verplichtingen die uit het lidmaatschap voortvloeien. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de toetreding tot een vereniging weliswaar van vrijwillige aard is, maar de wijze van toetreding (het formele aspect) en de inhoud van het lidmaatschap (het materiële aspect) ingevuld worden aan de hand van de statuten en de reglementen van de vereniging.

1.15 De kantonrechter heeft geoordeeld dat er onvoldoende grond bestaat om de hier in geding zijnde verhouding tussen de vereniging en de afnemers van de premiefoto te kwalificeren als lidmaatschap. [eiser] c.s. hebben weliswaar met recht gesteld dat de kopers van de premiefoto lange tijd als leden van de vereniging zijn aangemerkt, doch daar staat tegenover dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat hieraan in het organisatorisch verband van een vereniging formeel dan wel materieel wezenlijke invulling is gegeven. De kantonrechter acht dan ook -anders dan [eiser] c.s. stellen- niet aangetoond dat de kopers van de premiefoto hebben kunnen en mogen begrijpen dat zij in juridische zin als lid van de vereniging konden en moesten worden aangemerkt.

1.16 De kantonrechter heeft over de vraag hoe de jaarlijkse aanbieding van de premiefoto moet worden geduid overwogen dat [eiser] c.s. naar zijn oordeel onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de jaarlijkse aanbieding niet op vrijwillige basis plaatsvond. [Verweerder] c.s. hebben onweersproken gesteld dat, wanneer iemand op enig moment aangaf geen interesse meer te hebben in de premiefoto, deze geen verplichting had om de premiefoto af te nemen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een met de betaling van contributie op één lijn te stellen lidmaatschapsverplichting.

1.17 In het onderhavige geschil ligt volgens de kantonrechter niet ter beoordeling voor of het verenigingsrechtelijk handelen van (het door de jaren heen zittende bestuur van) de vereniging -bijvoorbeeld het niet houden van algemene ledenvergaderingen- overeenkomstig de wettelijke en statutaire bepalingen is geweest. Het karakter van deze procedure laat volgens de kantonrechter niet toe dat hij daarover een oordeel geeft.

1.18 Bij beschikking van 15 februari 2005 heeft de kantonrechter het verzoek van [verweerder] c.s. toegewezen en [eiser] c.s. in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

1.19 [Eiser] c.s. hebben hoger beroep ingesteld en zeven grieven opgeworpen tegen de beschikking van de kantonrechter. [Verweerder] c.s. hebben de grieven bestreden.

1.20 Ook het hof heeft bij de beoordeling van het beroep de vraag voorop gesteld of de afnemers van de premiefoto zijn aan te merken als leden van de vereniging. Het gaat daarbij volgens het hof om afnemers die niet op de bij de statuten van 20 maart 1967 voorziene wijze lid van de vereniging zijn geworden. Deze statuten bepalen dat het als lid toetreden tot de vereniging alleen kan geschieden met toestemming van het bestuur. De toegelaten leden hebben zich verbonden tot het jaarlijks betalen van een bedrag.

1.21 [Eiser] c.s. hebben betoogd dat de afnemers van de premiefoto zijn aan te merken als leden. Zij hebben erop gewezen dat sinds 1971 geen andere leden (dan de afnemers) tot de vereniging zijn toegetreden, de afnemers in het jaarboekje van de vereniging alsmede in andere publicaties afkomstig van de vereniging worden aangeduid als "leden" en de opbrengst van de premiefoto in de exploitatierekening van de vereniging door het zittende bestuur wordt aangemerkt als "leden contributies".

1.22 Het hof heeft geoordeeld dat het [eiser] c.s. niet kan volgen in hun betoog. In 1971 beschikte de vereniging over ongeveer 150 leden, die op de statutair voorgeschreven wijze tot de vereniging waren toegetreden, aan wie een lidmaatschapskaart was verstrekt en verplicht waren de bij huishoudelijk reglement vastgestelde contributie jaarlijks te voldoen. Het hof heeft verder geoordeeld dat de statutaire voorschriften voor het verwerven van het lidmaatschap van de vereniging hun geldigheid niet op enig moment hebben verloren. Dat het zittende bestuur de opbrengst van de premiefoto in voorkomende gevallen aanduidt als contributies, betekent niet dat degenen die de premiefoto's kopen en betalen, daarmee als lid toetreden. Bij dit oordeel komt volgens het hof met name betekenis toe aan het onweersproken feit dat het degeen aan wie jaarlijks de premiefoto wordt aangeboden vrijstaat van afname af te zien. Daarmee heeft het betalen voor de foto niet het karakter van de op de leden van de vereniging rustende verplichting tot het jaarlijks betalen van contributie. Het hof heeft geoordeeld dat de afnemers van de premiefoto niet zijn aan te merken als leden van de vereniging, aangezien zij niet als zodanig door het zittende bestuur zijn toegelaten en zij niet verplicht zijn tot het betalen van een jaarlijkse bijdrage aan de vereniging.

1.23 Het hof heeft verder overwogen dat de grieven I, II en VII betrekking hebben op het besluit van het zittend bestuur van 7 april 2004 (ingeschreven in het handelsregister per 28 april 2004) dat strekt tot wijziging van de statuten. [Eiser] c.s. hebben daarin onder meer betoogd dat zij in hun verzoek tot doorhaling van de inschrijving wel degelijk kunnen worden ontvangen. Het hof heeft geoordeeld dat dit betoog doel treft. [Eiser] c.s. zijn vaste afnemers van de premiefoto en dragen bij aan een belangrijke, zo niet de belangrijkste, bron van inkomsten van de vereniging. Hoewel zij geen lid zijn geworden van de vereniging, zijn zij naar het oordeel van het hof wel aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 23 van de Handelsregisterwet 1996 en dit betekent dat zij in hun verzoek kunnen worden ontvangen.

1.24 Het hof heeft vervolgens geoordeeld over het door [eiser] c.s. ingediende verzoek tot doorhaling van de inschrijving die op 28 april 2004 heeft plaatsgevonden. Op de laatstgenoemde datum zijn de gewijzigde statuten van de vereniging bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. [Eiser] c.s. hebben aangevoerd dat het besluit van het bestuur d.d. 7 april 2004 waarbij de statutenwijziging is vastgesteld, vernietigbaar is omdat een dergelijk besluit op grond van artikel 11 van de statuten van 20 maart 1967 en artikel 2:42 BW dient te worden genomen door de daartoe bijeengeroepen algemene ledenvergadering. Het hof heeft met betrekking tot dit verzoek overwogen dat het feit dat sinds 1971 geen algemene ledenvergadering meer is gehouden en de omstandigheid dat het voor het bestuur in april 2004 niet duidelijk was of er nog leden van de vereniging waren en zo ja, om welke personen het daarbij ging, het bestuur niet ontsloeg van zijn statutaire en wettelijke plicht om bij een voorstel tot het wijzigen van de statuten een algemene ledenvergadering uit te schrijven. Vervolgens heeft het hof overwogen dat er twijfel bestaat of het bestuur aan deze verplichtingen heeft voldaan. Tijdens de zitting van 20 december 2005 is gebleken dat er waarschijnlijk nog leden zijn die in het bezit zijn van een lidmaatschapskaart, die geen deel uitmaken van het zittende bestuur en die niet voor de vergadering van 7 april 2004 zijn uitgenodigd. Dat deze vergadering in de notulen(10) wordt aangeduid als een algemene ledenvergadering heeft de twijfel bij het hof niet weggenomen. Volgens het hof staat vast dat voor die vergadering uitsluitend de leden van het zittende bestuur zijn uitgenodigd. Naar het voorlopig oordeel van het hof is er alle aanleiding voor de veronderstelling dat het onderhavige besluit tot goedkeuring van het voorstel tot wijziging van de statuten van de vereniging vernietigbaar is.

1.25 [Eiser] c.s. hebben in hun beroepschrift (sub 6) gesteld dat zij bij dagvaarding van 2 mei 2005 bij de rechtbank te Haarlem een vordering tegen de vereniging hebben ingesteld tot vernietiging van het bedoelde besluit. [Eiser] c.s. hebben tijdens de mondelinge behandeling van het beroep bij het hof medegedeeld dat de rechtbank te Haarlem nog geen eindbeslissing heeft genomen(11). Het hof heeft overwogen de beslissing op het verzoek van [eiser] c.s. voor onbepaalde tijd aan te houden, totdat [eiser] c.s. aan de griffie van het hof hebben laten weten dat de rechtbank te Haarlem een vonnis heeft gewezen waarbij op de vordering tot vernietiging van het besluit een eindbeslissing is genomen.

1.26 De grieven III tot en met VI hebben betrekking op de bijeenkomst van 2 juni 2004. Zij strekken ten betoge dat deze bijeenkomst is aan te merken als algemene ledenvergadering van de vereniging alsmede dat in die vergadering rechtsgeldig is besloten het zittende bestuur te ontslaan en een nieuw bestuur te benoemen. Het hof is van oordeel dat de afnemers van de premiefoto niet zijn aan te merken als leden. Het hof heeft dan ook geoordeeld dat op de bijeenkomst van 2 juni 2004 geen besluiten konden worden genomen met rechtsgevolgen voor de vereniging en/of het zittende bestuur alsmede dat de grieven III tot en met VI falen.

1.27 Het hof heeft in zijn beschikking van 2 februari 2006 de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd voor wat betreft de toewijzing van het verzoek van [verweerder] c.s. tot doorhaling van de vermeldingen in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel dat [verweerder] c.s. per 1 juni 2004 als bestuur van de vereniging zijn ontslagen en [eiser] c.s. met ingang van 2 juni 2004 zijn benoemd tot bestuur van de vereniging en heeft de verdere behandeling van het beroepschrift aangehouden totdat [eiser] c.s. hebben laten weten dat de rechtbank te Haarlem een eindbeslissing heeft genomen op de vordering tot vernietiging van het bestuursbesluit van 7 april 2004. Op 22 juni 2006 heeft het hof op verzoek van [verweerder] c.s. nog een beschikking gegeven waarin het beslist dat beroep in cassatie kan worden ingesteld tegen het deel van de beschikking dat een tussenbeschikking is. Het gaat hierbij om de beslissing die het hof over de ontvankelijkheid van [eiser] c.s. heeft genomen in hun verzoek tot doorhaling van de inschrijving van de statutenwijziging van de vereniging (zie onderdeel 1.23 van deze conclusie).

1.28 [Eiser] c.s. hebben tijdig(12) en regelmatig een verzoekschrift tot cassatie ingediend. [Verweerder] c.s. hebben in hun verweerschrift in cassatie geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. [Eiser] c.s. hebben vervolgens een verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep ingediend.

2. Bespreking van het principale cassatieberoep

2.1 Het verzoekschrift in het principale cassatieberoep bevat één middel met vier onderdelen. Het cassatiemiddel is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.12 tot en met 2.15 en rechtsoverweging 2.26 en bevat samengevat een gemengde klacht tegen het oordeel van het hof dat de afnemers van de premiefoto niet zijn aan te merken als leden van de vereniging. Het middel bevat verder de klacht dat het hof een aantal essentiële stellingen van [eiser] c.s. heeft gepasseerd.

2.2 Of cassatieberoep openstaat van een deelbeschikking is een kwestie van openbare orde(13). Derhalve is het van belang ambtshalve vast te stellen of cassatieberoep van de bestreden beschikking mogelijk is(14). De beschikking van het hof is een zogenaamde deeluitspraak en bevat een tussenuitspraak(-gedeelte) en een einduitspraak(-gedeelte). In eerste aanleg hebben [verweerder] c.s. doorhaling in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel verzocht van de vermeldingen dat [verweerder] c.s. per 1 juni 2004 als bestuur van de vereniging zijn ontslagen en [eiser] c.s. met ingang van 2 juni 2004 zijn benoemd tot bestuur van de vereniging zijn benoemd. Het hof heeft de toewijzing van dit verzoek door de kantonrechter -in het dictum- bekrachtigd. In de bestreden beschikking is aan een gedeelte van het verzochte door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt. In zoverre is de bestreden beschikking een einduitspraak waartegen onmiddellijk cassatieberoep dient te worden ingesteld(15). Het principale cassatieberoep is gericht tegen dit -gedeelte van het- oordeel.

2.3 Opgemerkt moet wel worden dat de vereniging in zijn principale cassatieberoep niet-ontvankelijk is, omdat [eiser] c.s. er in hun cassatieberoep geen bezwaar hebben gemaakt dat het hof de vereniging als geintimeerde heeft beschouwd. [Eiser] c.s. kunnen dan niet de vereniging aan hun zijde laten procederen.

2.4 In het eerste onderdeel wordt betoogd dat het hof heeft miskend dat ook sprake kan zijn van het verwerven van het lidmaatschap van een vereniging indien de betrokken persoon op grond van een verklaring of gedraging van de vereniging, respectievelijk het bestuur van de vereniging, heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen dat sprake was van een besluit, in enigerlei vorm, tot het accepteren van de betrokkene als lid, ook indien geen sprake is van een expliciet (op de individuele betrokkene gericht) besluit.

2.5 De statutaire regeling van de vereniging houdt in dat personen die lid willen worden zich dienen aan te melden bij het bestuur, waarna het bestuur over de toelating beslist (art. 3 van de statuten uit 1967). Of een melding en toelating van een lid hebben plaatsgevonden, is m.i. in belangrijke mate een feitelijke vraag. In rov. 2.15 heeft het hof geoordeeld dat degenen die een premiefoto afnamen niet als lid door het bestuur zijn toegelaten. Tegen zo'n in hoge mate feitelijk oordeel kan in cassatie alleen in uitzonderingsgevallen met succes worden opgekomen. Het is m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof tot dit feitelijke oordeel is gekomen, gelet op de omstandigheden die het hof in rov. 2.14 van zijn bestreden arrest in aanmerking heeft genomen. Juist rov. 2.14 wijst erop dat het hof zich heeft beperkt tot een nogal formele feitelijke vaststelling, maar ook bijkomende omstandigheden in aanmerking heeft willen nemen bij het beantwoorden van de vraag of een afnemer van de premiefoto lid van de vereniging is geworden. Middelonderdeel 1 dient m.i. te falen.

2.6 In het tweede middelonderdeel wordt betoogd dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is, omdat een aantal essentiële stellingen van [eiser] c.s. onbesproken zijn gelaten. De belangrijkste stellingen luiden:

- uit documentatie blijkt dat de vereniging ten minste enige duizenden leden heeft die jaarlijks contributie betalen en dat het oude bestuur het lidmaatschap van deze leden in woord en geschrift heeft erkend;

- degenen die vanaf de oprichting van de vereniging tot eind 2003 door het bestuur zelf als lid zijn aangemerkt, van wie als zodanig een ledenbestand is aangelegd en die jaarlijks hun contributie hebben betaald, zijn lid van de vereniging omdat zij, nadat zij te kennen hadden gegeven lid te willen worden, als zodanig zijn erkend door het bestuur van de vereniging. Deze leden hebben (na een oproep in perspublicaties om lid te worden voor fl. 10,- en zodoende in het bezit te komen van het jaarboek) hun adresgegevens opgegeven en zijn door de vereniging als lid geadministreerd. Jaarlijks kregen zij bezoek van vrijwilligers die hen de premiefoto en het jaarboek bezorgden en contributie inden.

2.7 Het hof heeft de hierboven weergegeven stellingen van [eiser] c.s. kort samengevat in rov. 2.13. De stellingen zijn door [verweerder] c.s. weersproken, waarna het hof heeft geoordeeld de zienswijze van [verweerder] c.s. te onderschrijven. Het hof heeft in rov. 2.14 uitdrukkelijk geoordeeld [eiser] c.s. niet te volgen in hun betoog en is van oordeel dat de stellingen van [verweerder] c.s. dienen te worden onderschreven. Verder heeft het hof in rov. 2.15 geoordeeld dat de afnemers van de premiefoto niet zijn aan te merken als leden van de vereniging, aangezien zij niet als zodanig door het zittende bestuur zijn toegelaten. Ik kan niet inzien dat het hof hiermee aan essentiele stellingen van [eiser] c.s. is voorbij gegaan. Ook het tweede onderdeel dient te falen.

2.8 Het derde middelonderdeel klaagt dat de lezing door het hof in rov. 2.14 van de processtukken onbegrijpelijk is(16). Het onderdeel bestaat uit drie -volgens [eiser] c.s.- onjuist geïnterpreteerde feiten:

- de stelling dat de vereniging in de jaren 1971 - 1975 geen activiteiten heeft ontplooid is geen stelling van [eiser] c.s.;

- [eiser] c.s. hebben nimmer aangevoerd dat de statutaire voorschriften voor het verwerven van het lidmaatschap hun gelding hadden verloren;

- [eiser] c.s. hebben de stelling niet onweersproken gelaten dat degene die jaarlijks de premiefoto wordt aangeboden van afname kan afzien.

2.9 De eerste stelling is afkomstig van [verweerder] c.s. en terug te vinden in het inleidende verzoekschrift, nummer 15. Dat het hof in rov. 2.14 heeft geoordeeld [eiser] c.s. niet te kunnen volgen, betekent niet dat hieruit dient te worden afgeleid dat de daarop volgende overwegingen van het hof in zijn bestreden beschikking alleen zijn gebaseerd op stellingen van [eiser] c.s. De eerste subklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Voor de tweede stelling geldt hetzelfde. Ook de tweede subklacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De derde stelling ziet op de overweging van het hof dat onweersproken zou zijn dat het degene die jaarlijks de premiefoto wordt aangeboden vrijstaat van afname af te zien. [Eiser] c.s. hebben betoogd dat zij deze stelling wel degelijk hebben weersproken en twee verwijzingen gegeven naar het procesdossier: de eerste verwijzing leidt naar het beroepschrift, sub 27 en de tweede verwijzing betreft het beroepschrift, bladzijde 11, vijfde alinea (in samenhang met het verslag van de kascommissie van 6 augustus 2001, inleidend verzoekschrift, prod. 19). Het beroepschrift van [eiser] c.s., sub 27 luidt:

"(...) De terminologie van het "afnemen" van een foto wordt door appellanten niet gevolgd. Appellanten hebben erop gewezen dat achterstallige contributie wordt geïnd. Dit is in strijd met de volgens de kantonrechter onweersproken gelaten bewering. Appellanten betwisten dat vrijwilligers in de praktijk de betaling van het lidmaatschapsgeld en de uitreiking van de foto facultatief stelden. Voor zover dat toch mocht zijn voorgekomen, hebben appellanten erop gewezen dat de opzegging van het lidmaatschap vormvrij is en volgens de statuten tot twee maanden na het kalenderjaar kan plaatsvinden. Niet valt in te zien waarom de verklaring van een lid dat hij met ingang van enig jaar niet meer wil betalen (...) niet kan worden gezien als een opzegging van zijn lidmaatschap."

Het verschil tussen de stellingen van [eiser] c.s. en het oordeel van het hof is m.i. terug te voeren op een verschil in kwalificatie van de feiten. De feiten, zoals deze zich hebben voorgedaan, in het bijzonder de verklaringen aan de deur van personen die de premiefoto pleegden af te nemen en dat nu niet meer wensen te doen, worden door [eiser] c.s. geïnterpreteerd als opzegging van het lidmaatschap. Door deze opzegging eindigt uiteraard eveneens de verplichting om contributie te betalen aan de vereniging. Het hof heeft de betrokken feiten in zijn bestreden beschikking anders gekwalificeerd. Ik vind ook uitgaande de door [eiser] c.s. voorgestane kwalificatie van de feiten niet onbegrijpelijk dat het hof onweersproken acht dat degeen aan wie een premiefoto wordt aangeboden daarvan kan afzien. De kern is m.i. dat een afnemer van een foto jaar voor jaar kan beslissen of hij de foto wil afnemen. Het hof zegt dat hij dit als pure afnemer kan, [eiser] c.s. als lid die zijn lidmaatschap kan opzeggen. Middel 3 kan niet slagen.

2.10 Het vierde middelonderdeel richt een gemengde klacht tegen de overweging dat er geen verplichting zou bestaan tot het jaarlijks betalen van contributie (rov. 2.14 en 2.15), omdat uit het procesdossier (onder meer een verklaring van de oud-secretaris) het tegendeel zou zijn gebleken.

2.11 Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat er voor leden van de vereniging geen verplichting bestond om contributie te betalen. Wel heeft het hof geoordeeld dat degenen die de premiefoto's hebben gekocht en betaald, daarmee niet als lid zijn toegetreden tot de vereniging en op die grond niet gehouden waren jaarlijks contributie te voldoen. Dit oordeel heeft het voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ik verwijs naar rov. 2.14. Het middelonderdeel faalt.

3. Bespreking van het incidentele cassatieberoep

3.1 Het middel in het incidenteel ingestelde cassatieberoep is gericht tegen de rov. 2.17 tot en met 2.19. Het hof heeft hierin geoordeeld dat [eiser] c.s. ontvankelijk zijn in hun verzoek tot doorhaling van de inschrijving van de op 28 april 2004 verleden notariële akte, houdende wijziging van de statuten van de Vereniging.

3.2 [Eiser] c.s. hebben in cassatie betoogd dat [verweerder] c.s. niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun incidentele cassatieberoep omdat zij slechts opkomen tegen het interlocutoire gedeelte van de bestreden uitspraak, waarbij verwezen wordt naar relevante jurisprudentie. Aan de werking van art. 401 lid 2 Rv., de uitsluiting van beroep tegen een tussenuitspraak, zou bij het honoreren van het cassatieberoep worden ontkomen, zo stellen [eiser] c.s.

3.3. Ik wijs erop dat het hof bij beschikking van 22 juni 2006 aan [verweerder] c.s. verlof heeft verleend om cassatieberoep aan te tekenen tegen interlocutaire deel van de bestreden beschikking van hof. Hierbij overweegt het hof:

"[Eiser] c.s. hebben de griffier van het hof laten weten dat zij zich ten aanzien van de beslissing op dit verzoek refereren aan het oordeel van het hof".

[Eiser] c.s. merken in het verweerschrift in incidenteel cassatieberoep dat het betrokken verzoek tot het verlenen van verlof tot instellen van cassatie, gelet op enige arresten van de Hoge Raad, te laat is gevraagd. Ik meen deze kwestie te mogen daarlaten. In een geval als het onderhavige is het [verweerder] c.s. toegestaan om zonder verlof van de rechter een cassatieverzoek te mogen instellen. Ik citeer Veegens-Korthals Altes-Groen, p. 130-131:

"Voor 2002 was het stelsel van de Hoge Raad geworden dat tegen alle in een interlocutoir vervatte beslissingen kon worden opgekomen of terstond of tegelijk met het beroep tegen het eindvonnis, in het laatste geval voor zover niet bij het interlocutoir aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde is gemaakt. Tegen het gedeelte dat slechts als tussenuitspraak kon worden beschouwd, was eveneens terstond beroep in cassatie mogelijk, ook als de rechter tussentijds cassatieberoep had uitgesloten....Deze regels hebben hun gelding behouden".

In het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2004, NJ 2005, 511, rov. 3.2 is dezelfde regel te lezen. Voor de duidelijkheid citeer ik ook dit arrest:

"Naar het thans geldende procesrecht ......moet worden aangenomen dat dit wettelijk verbod om tussentijds beroep in te stellen wordt doorbroken in een geval....waarin tussen dezelfde partijen meer vorderingen ter beoordeling stonden en de in eerste aanleg oordelende rechter aan een gedeelte van het geschil door een uitdrukkelijk dictum een einde had gemaakt, maar voor een ander gedeelte een interlocutoir tussenvonnis wees. In een zodanig geval moet ook naar het thans geldende recht worden aangenomen dat tussentijds beroep tegen dit vonnis, ook voor betreft het interlocutaire gedeelte daarvan, steeds mogelijk is omdat een ander stelsel ten gevolge kan hebben dat de berechting van met elkaar samenhangende vorderingen zou worden opgesplitst, hetgeen onwenselijk is, onder andere omdat dit kan leiden tot tegenstrijdige beslissingen".

[Verweerder] c.s. kunnen m.i. worden ontvangen in hun incidentele cassatieverzoek.

3.4 Het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep richt een gemengde klacht tegen de rov. 2.17 tot en met 2.19 en betoogt dat, uitgaande van de premisse dat [eiser] c.s. geen leden van de vereniging zijn, niet, althans niet zonder meer, valt in te zien dat zij niettemin als belanghebbenden in de zin van art. 23 Handelsregisterwet kunnen worden aangemerkt. Het oordeel van het hof luidt kort gezegd dat [eiser] c.s. vaste afnemers zijn van de premiefoto en vaststaat dat de jaarlijkse opbrengst van de verkoop van de premiefoto een belangrijke, zo niet de belangrijkste, bron van inkomsten van de vereniging zijn, hetgeen naar het oordeel van het hof maakt dat [eiser] c.s. als belanghebbenden in de zin van art. 23 van de Handelsregisterwet 1996 zijn aan te merken.

3.5 Artikel 23 van de Handelsregisterwet 1996 bepaalt:

"1. Indien een Kamer of een andere belanghebbende [cursivering van mij, LT] van mening is dat de inschrijving van een onderneming of rechtspersoon onjuist, onvolledig of in strijd met de openbare orde of de goede zeden is of dat een onderneming of een rechtspersoon ten onrechte niet is ingeschreven, kan de belanghebbende [idem, LT] zich bij het verzoekschrift wenden tot de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waar de inschrijving is geschied of zou moeten geschieden, met het verzoek de doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene of de inschrijving van de onderneming of rechtspersoon te gelasten."

In de parlementaire geschiedenis wordt vermeld dat deze bepaling grotendeels overeenkomt met de verzoekschriftprocedure van artikel 28 van de (oude) Handelsregisterwet 1918(17). De (oude) Handelsregisterwet 1918 bevatte in 1954, bij de toenmalige wijzigingen, artikel 20 dat luidde:

"1. Indien de Kamer van Koophanden en Fabrieken oordeelt, dat een opgaaf voor inschrijving ten onrechte is gedaan, of onvolledig of onjuist is, of in strijd met de openbare orde of de goede zeden, wendt zij zich bij verzoekschrift tot de rechter van het kanton, waar de inschrijving is geschied, met het verzoek, al naar de omstandigheden, doorhaling, aanvulling of wijziging van het ingeschrevene te gelasten.

2. Iedere belanghebbende [cursivering van mij, LT], die oordeelt, dat daartoe een der in het eerste lid genoemde gronden aanwezig is, kan het in het eerste lid bedoelde verzoek doen."

De memorie van toelichting van het toenmalige wetsontwerp vermeldt(18):

"De bevoegdheid om tegen onjuiste inschrijving te opponeren komt volgens het ontwerp aan iedere belanghebbende [cursivering van mij, LT] toe, niet slechts aan hen ten aanzien van wie de inschrijving onjuist is. Bovendien is de aansprakelijkheid voor onjuiste inschrijvingen uitgebreid tot allen, die de opgave doen (...); deze wijziging bleek in de practijk gewenst. Door deze verbeteringen wordt de betrouwbaarheid der inschrijvingen bevorderd, zonder dat het aan de wet ten grondslag liggende lijdelijkheidsbeginsel wordt aangetast.

Voorts wordt voorgesteld een meer sluitende regeling van de rechtsgevolgen der inschrijving. Uitgangspunt van de bestaande regeling was, dat men op het handelsregister moest kunnen bouwen als op een rots. In de geldende regeling wordt dit niet bereikt (...). Wil het handelsregister volledig zijn waarde hebben, dan dienen de ingeschreven gegevens volledig te gelden tegenover de eigenaar van de onderneming en tegenover hem die de opgave tot inschrijving gedaan heeft."

De Handelsregisterwet 1996 bevat geen definitie van het begrip belanghebbende. In de parlementaire geschiedenis van deze wet, maar ook van de voorgaande Handelsregisterwet (1918)(19) heb ik evenmin een toelichting aangetroffen met betrekking tot het begrip belanghebbende. De vraag is dan ook hoe dient te worden bepaald of iemand als belanghebbende in het kader van deze wettelijke regeling kwalificeert.

3.6 Mevrouw Boekman heeft betoogd dat, indien in een wetsbepaling de verzoeker slechts met het algemene begrip "belanghebbende" wordt aangeduid -en dat is in art. 23 Handelsregisterwet 1996 het geval- , de invulling van dat begrip dient worden gezocht in:

1- de ratio van de wettelijke bepaling;

2- of er sprake is van een eigen recht, een eigen verplichting of een bijzondere taak van de verzoeker;

3- een eigen belang van de verzoeker, dat uit meer bestaat dan ergernis of emotionele betrokkenheid(20).

Hieruit volgt dat het begrip belanghebbende een flexibel begrip dient te zijn. Ik zou menen dat ook met de omstandigheden van het geval rekening gehouden dient te worden en met zoiets, als de maatschappelijke werkelijkheid waarin het geschil zich afspeelt. De Hoge Raad staat in een beschikking uit 1991(21) ook een betrekkelijk flexibele invulling van het begrip belanghebbende voor. In die beschikking overwoog de Hoge Raad:

"Uit art. 429n lid 2 Rv volgt dat het recht van hoger beroep van voor hoger beroep vatbare beslissingen behalve aan de verzoeker ook toekomt aan "belanghebbenden". Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor ieder type verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid"

In een beschikking van 10 november 2006, RvdW 2006, 105(22) heeft de Hoge Raad zijn benadering nog enigszins uitgewerkt in rov. 3.4.2:

"Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 2:298 BW niet in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang [cursivering van mij, LT] kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest [idem, LT] bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang [idem, LT] is gelegen om in de procedure te verschijnen. [idem, LT]"

3.7 Uit rov. 2.3 van de bestreden beschikking van het hof blijkt dat de vereniging in het dorp Volendam een bepaalde maatschappelijke functie vervult. De vereniging draagt immers financieel bij aan instandhouding van het Volendamse erfgoed en aan een stichting die het Volendams Museum beheert. Daarbij heeft het hof in rov. 2.19 vastgesteld dat de opbrengst van de verkoop van de premiefoto's een belangrijke, zo niet de belangrijkste, inkomstenbron van de vereniging is. Deze inkomsten wordt voor een belangrijk deel opgebracht door de afnemers van de premiefoto's. Daarbij heeft het hof overwogen dat [eiser] c.s. vaste afnemers zijn van de premiefoto. In deze omstandigheden vind ik het niet onbegrijpelijk te oordelen dat de vaste afnemers van de premiefoto's, zoals [eiser] c.s., juist vanwege hun regelmatige financiele bijdrage zo'n nauwe betrokkenheid bij de vereniging hebben dat deze rechtvaardigt dat zij er belang bij hebben om te bewerken dat er op het handelsregister geldige statuten van de vereniging zijn te vinden. De beslissing van het hof dat [eiser] c.s. als vaste afnemers van de premiefoto belanghebbenden zijn in de zin van art. 23 Handelsregister 1996 acht ik tegen deze achtergrond verdedigbaar. Het incidentele beroep dient m.i. te falen.

4. Conclusie

Deze sterkt tot verwerping van het principale cassatieberoep en van het incidentele cassatieberoep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ik heb in de conclusie de namen gebruikt, zoals deze in hoger beroep ook zijn gehanteerd. Partijen gebruiken in cassatie de naam [eiser] c.s. in plaats van [eiser] c.s.

2 De Kamer van Koophandel heeft in cassatie geen verweerschrift(-en) ingediend.

3 Zie de bestreden beschikking van 2 februari 2006, rov. 2.2 tot en met 2.9 en de beschikking in eerste aanleg van 15 februari 2005, rov. 1 t/m 9, gepubliceerd in JOR 2005/59.

4 Zie voor deze statuten prod. 1 bij het inleidend verzoekschrift.

5 De premiefoto bestond uit een op A4-formaat afgedrukte oude foto en een bijbehorende beschrijving met tekst en uitleg, zie beschikking in eerste aanleg d.d. 15 februari 2005, rov. 3 laatste alinea. Zie prod. 16 a t/m f bij het inleidende verzoekschrift waarin enkele voorbeelden van de premiefoto's zijn te vinden.

6 Op 11 maart 1977, zie prod. 3 bij het inleidend verzoekschrift.

7 Dit was in 1977, zie de beschikking van de rechtbank van 15 februari 2005, rov. 4.

8 Zie productie 4, 5, 6 en 7 bij het inleidende verzoekschrift.

9 Tot 1971 was dat anders, zie rov. 13 van de beschikking van de rechtbank.

10 Beroepschrift, productie 14.

11 Inmiddels is mij via rechtspraak.nl gebleken dat de rb. Haarlem op 19 juli 2006 vonnis heeft gewezen. Zij heeft het besluit tot statutenwijziging vernietigd.

12 Art. 426 Rv: de bestreden beschikking dateert van 2 februari 2006 en het cassatieverzoekschrift is op 2 mei 2006 op de griffie ontvangen.

13 Zie HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS, rov. 3.3, tweede al.;

14 Zie ook HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510, rov. 3.2.

15 Art. 426, lid 4 jo. art. 401a, lid 2 Rv. Zie ook B. Winters, T&C Rv, 2005, art. 426 Rv, aantek. 1d en art. 401a Rv. aantek. 8.

16 De Hoge Raad beschouwt de uitleg van processtukken als feitelijk. De uitleg die het hof heeft gegeven aan stellingen in de procedure is dus eveneens feitelijk, zie W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2003, par. 4.7.3.4, blz. 49, derde al.

17 23 970, Kamer II, 1994-'95, nr. 3, art. 24, blz. 15.

18 2503, Kamer II, 1951-'52, MvT, nr. 3, blz. 9 ad. d.

19 Zie eveneens 2503, Kamer II, 1951-'52, nr. 3, blz. 9, ad. d. Bij het toenmalige wetsontwerp werd in art. 20 lid 2 bepaald dat "iedere belanghebbende" een verzoekschrift op grond van het toenmalige eerste lid kon indienen.

20 S. Boekman, De verzoekschriftprocedure, 1996, par. 2.3, blz. 14.

21 HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149 nt. Ma, rov. 4.2.

22 LJN nr.: AY8290; JOL 2006, 691.