Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ7611

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-05-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
C05/218HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ7611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Reële executie. Niet-ontvankelijk hoger beroep tegen vonnis met veroordeling tot medewerking aan eigendomsoverdracht van onroerende zaken nu het niet tijdig in rechtsmiddelenregister (art. 433 Rv.) is ingeschreven; strekking art. 3:301 lid 2 BW; ambtshalve toetsing; onjuiste adressering van poststukken aan gerecht in beginsel voor risico van (advocaat van) procespartij.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 433
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 140
JOL 2007, 325
RAV 2007, 15
RvdW 2007, 482
NJB 2007, 1115
JWB 2007/184
JBPR 2007/60 met annotatie van J. Dammingh
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C05/218HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 26 januari 2007

Conclusie inzake

1. [Eiser 1]

2. [Eiser 2]

tegen

[Verweerder]

Inleiding

1. In deze zaak staat - evenals in de zaak onder rolnummer C05/262 waarin ik heden concludeer - de bepaling van art. 3:301 lid 2 BW centraal. Het hof heeft appellanten (thans eisers tot cassatie) niet ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen het vonnis in eerste aanleg voorzover dat vonnis ziet op hun veroordeling tot medewerking aan de overdracht van die percelen aan geïntimeerde (thans verweerder in cassatie) met de bepaling dat bij gebreke van die medewerking het vonnis in de plaats treedt van de akte van levering; zulks op de grond dat niet is voldaan aan het in art. 3:301 lid 2 BW opgenomen voorschrift dat het rechtsmiddel van hoger beroep op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen daarvan moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister als bedoeld in art. 433 Rv. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de brief aan de griffier van de rechtbank waarin om inschrijving werd verzocht, als bijlage was gevoegd bij de aan de griffier van het hof gerichte brief, die - aldus het hof -hoegenaamd geen enkele aanwijzing voor de griffier betreffende de wens tot inschrijving van het rechtsmiddel in het register bij de rechtbank bevatte, doch volstond met een enkele verwijzing naar de inhoud van de bijgevoegde brief. Het hof heeft geoordeeld dat de griffier van het hof de verwijzing in redelijkheid kon aanmerken als een enkele kennisgeving van het feit dat inmiddels om inschrijving was verzocht bij de griffier van de rechtbank, zodat het feit dat het rechtsmiddel niet tijdig is ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de rechtbank niet - mede - is te wijten aan een fout van de griffier van het hof en de conclusie dan ook moet zijn dat appellanten niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep voorzover dat ziet op hun veroordeling tot medewerking aan de eigendomsoverdracht. Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten tegen 's hofs oordeel op.

2. De vaststaande feiten die verband houden met het achterliggende geschil van partijen - over de verdeling van twee aan hen gezamenlijk in (onverdeelde) eigendom toebehorende percelen grond - zijn voor de beoordeling van het cassatieberoep van ondergeschikt belang. Kort samengevat gaat het om het volgende. Partijen, die broers van elkaar zijn, hebben in onverdeelde eigendom een tweetal percelen gelegen aan de [a-straat] te [plaats] kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie [A], nummers [001 en 002] met een gezamenlijke oppervlakte van 0.57.00 hectare. Thans eisers tot cassatie - hierna: [eisers] - hebben het perceel deels voorzien van een asfaltlaag. [eiser 1] heeft ter plaatse dennenbomen aangeplant. Voor het een en ander hebben zij van hun broer - hierna: [verweerder] - geen instemming gevraagd of verkregen.

3. In dit geding hebben [eisers] primair de verdeling van de bedoelde zaken gevorderd conform een eerder aan [verweerder] gedaan schriftelijk voorstel, inhoudend dat de percelen aan hen worden toegescheiden tegen betaling aan [verweerder] van € 3.240,-; dit bedrag bestaat uit het aandeel van [verweerder] in de waarde van de percelen zijnde 1/3 van € 15.218,76 minus zijn aandeel in de - door [eisers] sedert 1998 voldane kosten (o.m. waterschapsbelasting, onderhoud alsmede de kosten van de bestrating en de beplanting) ad € 1.833,-. Zij hebben daartoe onder meer gesteld dat [verweerder] al jaren niet meer naar de percelen heeft omgekeken en dat [eiser 1] de percelen nodig heeft voor zijn nabijgelegen boomkwekerij.

[Verweerder] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarbij hij onder meer heeft bestreden te zijn gehouden tot het bijdragen aan de kosten voor de bestrating en beplanting. Hij heeft op zijn beurt in reconventie gevorderd de verdeling van de onroerende zaken vast te stellen, primair in drie gelijke gedeelten en subsidiair op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze; hij heeft voorts gevorderd bij deze vaststelling te bepalen dat het vonnis in de plaats komt van de medewerking van [eisers] aan de effectuering van de verdeling.

4. De rechtbank te Arnhem heeft, na bij tussenvonnis van 29 augustus 2002 een comparitie te hebben gelast, in haar tussenvonnis d.d. 22 januari 2003 een deskundige benoemd die vervolgens de waarde van het perceel heeft getaxeerd op f 30.000,-. In haar eindvonnis van 8 oktober 2003 heeft de rechtbank, kort samengevat, overwogen dat zij de bepaling door de deskundigen van de waarde als haar oordeel overneemt en voorts dat naar billijkheid rekening houdend met alle relevante belangen en omstandigheden aanleiding wordt gezien de percelen grond op de voor de waardering van het gemeenschappelijk goed meest gunstige wijze te verdelen, namelijk door toedeling aan [verweerder] tegen vergoeding van € 10.000,- aan [eisers]. De rechtbank heeft voorts overwogen dat tussen partijen vaststaat dat [verweerder] de gevorderde kosten voor waterschapslasten en onroerende zaakbelasting inmiddels heeft voldaan en dat de overige kosten voor rekening van [eisers] dienen te blijven. De rechtbank heeft vervolgens [eisers] veroordeeld mee te werken aan de (notariële) overdacht van de eigendom van hun respectieve aandelen in de eigendom van de litigieuze percelen tegen betaling door [verweerder] van een bedrag van € 10.000,- aan ieder van hen; zij heeft voorts bepaald dat bij gebreke van medewerking door [eisers] aan het opmaken van de transportakte dit vonnis in de plaats treedt van de akte van levering; zij heeft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. [Eisers] hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Zij hebben voorts een incidentele vordering ingesteld tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank; het hof heeft deze incidentele vordering bij tussenarrest van 13 januari 2004 afgewezen.

In een volgend tussenarrest - d.d. 31 augustus 2004 - heeft het hof overwogen dat ingevolge art. 3:301 lid 2 BW het hoger beroep tegen een vonnis waarvan de rechter op de voet van art. 3:300 lid 2 BW heeft bepaald dat het in de plaats treedt van een (deel van een) tot levering van een registergoed bestemde akte, op straffe van niet-ontvankelijkheid dient te worden ingeschreven in de registers bedoeld in art. 433 Rv. en dat is gesteld noch gebleken dat [eisers] aan dat voorschrift hebben voldaan. Het hof heeft [eisers] vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich bij akte erover uit te laten of die inschrijving heeft plaatsgevonden en om eventueel een verklaring van de griffier van de rechtbank Arnhem in het geding te brengen waaruit volgt dat aan het in art. 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan.

6. In zijn eindarrest d.d. 22 maart 2005 heeft het hof vooropgesteld dat uit de door [eisers] genomen akte en bijbehorende producties het volgende blijkt:

De advocaat van [eisers], mr. J.F.H. Hulshuizen te Rosmalen, heeft bij brief van 30 oktober 2003, gericht aan de rechtbank te Arnhem, postbus 9030 EM te Arnhem, verzocht de meegezonden appeldagvaarding te doen inschrijven in het register als bedoeld in artikel 433 Rv. Hij heeft deze brief evenwel niet verzonden naar de rechtbank, maar naar zijn procureur, mr. Kaal te Arnhem, met het verzoek deze brief aan de griffier te doen toekomen. De procureur diende vervolgens de van de griffier van de rechtbank te verkrijgen akte van inschrijving over te leggen aan het hof in verband met de bepaling van artikel 3:301 lid 2 BW. Mr. Kaal heeft als procureur van [eisers] op 31 oktober 2003 een brief verzonden naar de griffier van het hof, luidende, voor zover van belang:

"Bijgaand zend ik u de brief* d.d. 30 oktober jl. van mijn correspondent de heer mr. J.F.H. Hulshuizen te Rosmalen.

Naar de inhoud verwijs ik kortheidshalve.

Tevens zend ik u bijgaand een afschrift* van de dagvaarding uit de eerste aanleg alsmede van het vonnis waartegen beroep is ingesteld. De zaak staat op de rol van 4 november a.s."

Bij deze brief was - onder meer - gevoegd voormelde brief van mr. Hulshuizen van 30 oktober 2003. De brief van mr. Kaal is blijkens een daarop geplaatst stempel ter griffie van het hof binnengekomen op 3 november 2003. [Eisers] hebben voorts overgelegd een kopie van de brief van mr. Kaal van 31 oktober 2003 die blijkens een daarop geplaatst stempel op 31 oktober 2003 is binnengekomen bij de Centrale Informatie Balie (C.I.B.) van de Gerechtelijke Diensten te Arnhem.

Het hof heeft daarop overwogen dat uit het voorgaande volgt dat namens mr. Kaal diens brief van 31 oktober 2003 met - zo moet worden aangenomen - daarbij gevoegd de brief van mr. Hulshuizen van 30 oktober 2003 of een kopie daarvan, op (vrijdag) 31 oktober 2003 is aangeboden aan de Centrale Informatie Balie en dat deze de brief, conform de adressering op die brief, heeft doorgezonden naar de griffie van het hof, waar beide brieven zijn ingekomen op (maandag) 3 november 2003. Vaststaat derhalve, aldus het hof, dat mr. Kaal de brief van mr. Hulshuizen - abusievelijk - niet heeft doorgeleid naar de griffier van de rechtbank, doch - al dan niet in kopie en gevoegd bij enkele andere stukken die (wel) bestemd waren voor het hof - naar de griffier van het hof; vaststaat eveneens dat de brief van mr. Kaal met bijlagen is gevoegd in het griffiedossier van het hof.

Het hof heeft verder overwogen dat mr. Hulshuizen naar aanleiding van het tussenarrest bij de griffie van de rechtbank heeft geïnformeerd naar de inschrijving van het rechtsmiddel en dat de griffier van de rechtbank hem bij brief van 6 oktober 2004 heeft medegedeeld dat een verzoek tot inschrijving nooit bij de griffie van de rechtbank is ingekomen maar dat een onderzoek zijnerzijds heeft uitgewezen dat de brief van mr. Kaal van 31 oktober 2003 en de bijbehorende originele brief van mr. Hulshuizen van 30 oktober 2003 zich in het griffiedossier van het hof bevonden. Het hof heeft hierbij opgemerkt dat, waar de griffier van de rechtbank heeft vermeld dat de originele brief van mr. Hulshuizen zich in het griffiedossier van het hof zou bevinden, thans alleen een kopie van die brief in het griffiedossier is opgenomen. Het hof heeft voorts overwogen dat de griffier van de rechtbank op verzoek van mr. Hulshuizen op 19 oktober 2004 alsnog het rechtsmiddel heeft ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de rechtbank.

Het hof heeft vervolgens het standpunt van [eisers] verworpen dat de brief met het verzoek om inschrijving tijdig is aangeboden en ingekomen bij de C.I.B. van justitie te Arnhem en dat het op de weg van de griffier van het hof had gelegen om die brief door te sturen naar de griffie van de rechtbank en dat het rechtsmiddel derhalve door een fout van de griffier niet tijdig is ingeschreven, hetgeen niet aan ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg mag staan. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:

2.7(...) Hoewel het in de praktijk gebruikelijk is dat poststukken die binnenkomen bij een onder justitie Arnhem ressorterende dienst, maar daarvoor niet bestemd zijn, worden doorgestuurd naar de juiste dienst, doet dat niet eraan af dat het primair de verantwoordelijkheid is van partijen (meer in het bijzonder de advocaat en/of procureur) om poststukken zorgvuldig te adresseren. In het onderhavige geval was het kennelijk voor de griffier van het hof niet aanstonds duidelijk dat de brief van mr. Hulshuizen niet was bestemd voor het hof, maar voor de rechtbank en hoefde zulks ook niet zonder meer duidelijk te zijn. Immers, de brief was een bijlage bij een brief van de procureur die wel was gericht aan het hof. De brief van de procureur vermeldde voorts dat werd meegezonden een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg alsmede het vonnis waarvan beroep, zoals voorgeschreven in het rolreglement bij het aanbrengen van een nieuwe zaak (de appèlzaak werd geïntroduceerd op de rolzitting van 4 november 2003). Deze brief van de procureur bevatte hoegenaamd geen enkele aanwijzing voor de griffier betreffende de wens tot inschrijving van het rechtsmiddel in het register bij de rechtbank, doch volstond met een enkele verwijzing naar de brief van mr. Hulshuizen. De griffier kon deze verwijzing, gezien bovenvermelde context, in redelijkheid aanmerken als een enkele kennisgeving van het feit dat inmiddels om inschrijving was gevraagd bij de griffier van de rechtbank.

2.8 Het feit dat het rechtsmiddel niet tijdig is ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de rechtbank is derhalve niet - mede - te wijten aan een fout van de griffier van het hof. Het feit dat de griffiers van rechtbank en hof voor de ontvangst van brieven gebruik maken van dezelfde adressen en loketten maakt dit niet anders, nu het niet-tijdig bezorgen van de brief van mr. Hulshuizen bij de griffier van de rechtbank niet is veroorzaakt door een nalatigheid bij de doorzending daarvan.

De conclusie moet dan ook zijn dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep, voor zover dat ziet op hun veroordeling tot medewerking aan de eigendomsoverdracht. Dat in het onderhavige geval niet is gebleken van (benadeling van) belangen van derden die bescherming zouden vinden in artikel 3:301 lid 2 BW, is niet van belang daar de werking van deze bepaling daarvan niet afhankelijk is gesteld.

Ten slotte heeft het hof [eisers] niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep voorzover dat is gericht tegen de door de rechtbank in haar eindvonnis gegeven veroordeling tot medewerking aan de eigendomsoverdracht van de percelen.

7. [Eisers] hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van 31 augustus 2004 en het eindarrest van 22 maart 2005. [verweerder] is in cassatie niet verschenen; tegen hem is verstek verleend. Uit de gedingstukken blijkt dat [eisers] het cassatieberoep - tijdig - hebben doen inschrijven in het in art. 433 Rv. bedoelde register.

Het cassatiemiddel

8. Middelonderdeel 2 - het eerste onderdeel bevat slechts een inleiding - verwijt het hof te hebben miskend dat het bij gebreke van een (tijdig) beroep van [verweerder] op het bepaalde bij art. 3:301 lid 2 BW geen ambtshalve taak meer toekwam om de ontvankelijkheid van appellanten in verband met die wetsbepaling te toetsen. Het betoogt dat in het feit dat [verweerder] is verschenen en in zijn memories (in het incident en de hoofdzaak) geen niet-ontvankelijkheidsverweer maar alleen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, ligt besloten dat [verweerder] erin heeft toegestemd dat de zaak wat hem betreft kan worden behandeld zonder dat van het instellen van het beroep (tijdig) aantekening is gedaan in het in art. 433 Rv. bedoelde register. Om die reden en omdat in deze zaak niet is gebleken van (benadeling van) door art. 3:301 lid 2 BW beschermde belangen van derden, verdient dit voorschrift - waarvan de Hoge Raad heeft overwogen dat het een beperkte strekking heeft - geen toepassing, aldus dit onderdeel.

9. Art. 3:301 BW bevat enkele procedurele voorschriften met betrekking tot uitspraken waarin de rechter - op de voet van art. 3:300 lid 2 - heeft bepaald dat zij in de plaats treden van een (deel van) van een tot levering van een registergoed bestemde akte. Het eerste en het derde lid zien op de inschrijving in de openbare registers als voorwaarde voor de eigendomsovergang (art. 3:89 BW). Het eerste lid bepaalt dat een zodanige uitspraak slechts kan worden ingeschreven indien zij is betekend aan degene die tot levering is veroordeeld en a. in kracht van gewijsde is gegaan of b. uitvoerbaar bij voorraad is en een termijn van veertien dagen of zoveel langer of korter als in de uitspraak is bepaald sedert de betekening van de uitspraak is verstreken. Met betrekking tot de in art. 3:89 BW vereiste inschrijving bepaalt art. 25 lid 1 Kadasterwet onder meer dat ter inschrijving van een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW een expeditie van die uitspraak wordt aangeboden alsmede, indien de rechterlijke uitspraak slechts inschrijfbaar is nadat zij in kracht van gewijsde is gegaan, een verklaring van de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, inhoudende dat daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. In verband met de "technische moeilijkheid" dat de gewone formaliteiten van verzet, hoger beroep en cassatie niet waarborgen dat na het verstrijken van de voor die rechtsmiddelen gestelde termijn met zekerheid kan worden vastgesteld dat van de bevoegdheid om het rechtsmiddel aan te wenden geen gebruik is gemaakt, is in het in deze zaak aan de orde zijnde lid 2 van art. 3:301 bepaald dat verzet, hoger beroep en cassatie tegen de zojuist bedoelde uitspraken op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen acht dagen na het instellen van het rechtsmiddel moeten worden ingeschreven in de registers, bedoeld in art. 433 Rv. Ingevolge laatstgenoemde bepaling maakt de griffier van het gerecht dat de bestreden uitspraak heeft gedaan een aantekening van het instellen van het rechtsmiddel in een daartoe bestemd register, onder vermelding van de namen van partijen, de dagtekening van het vonnis en die van het verzet, het hoger beroep of het beroep in cassatie. Aldus kan aan de hand van bedoeld register (door de griffier) worden beoordeeld of nog een gewoon rechtsmiddel openstaat. In de parlementaire geschiedenis bij art. 3:301 BW (Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1400-1401) wordt aangetekend dat in het eerste lid van art. 3:301 is vastgehouden aan de maatstaf van kracht van gewijsde aangezien hier de rechtsovergang door de inschrijving van de uitspraak rechtstreeks tot stand wordt gebracht zonder dat nog medewerking van de veroordeelde nodig is, doch dat daarnaast moeilijk kan worden gemist de mogelijkheid van inschrijving als de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

Zoals uw Raad overwoog in zijn arrest van 24 december 1999, NJ 2000, 495, m.nt. HJS, strekt het bepaalde in art. 3:301 lid 2 ertoe, zoals ook naar voren komt uit de parlementaire geschiedenis, dat bij inschrijving van de uitspraak op de voet van art. 3:89 lid 1 BW zoveel mogelijk buiten twijfel wordt gesteld dat op het tijdstip waarop de beroepstermijn verstreek, geen rechtsmiddel is ingesteld. Zulks is van belang met betrekking tot de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid. De bepaling bewerkstelligt dat de griffier van het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan bij de afgifte van de in art. 25 Kadasterwet bedoelde verklaring dat hem niet van het instellen van een gewoon rechtsmiddel is gebleken, kan afgaan op het in art. 433 Rv. bedoelde register. Zulks is - aldus uw Raad - niet alleen van belang in de in art. 25 lid 1 onder a en b Kadasterwet genoemde gevallen maar ook in dat waarin de in art. 3:300 lid 2 bedoelde uitspraak bij voorraad uitvoerbaar is verklaard; zou de termijn voor het instellen van beroep in cassatie zijn verstreken nadat van de bevoegdheid om de uitspraak bij voorraad uit te voeren gebruik is gemaakt, dan zal alsnog een verklaring van de griffier als bedoeld in art. 25 Kadasterwet kunnen worden ingeschreven om buiten twijfel te stellen dat geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat tegen de reeds ingeschreven uitspraak. Uw Raad is in genoemd arrest tot de slotsom gekomen dat uit een en ander volgt dat het bepaalde bij art. 3:301 lid 2 een beperkte strekking heeft en dat de niet-ontvankelijkheid als sanctie op het niet naleven van de inschrijvingsverplichting zich beperkt tot het gedeelte van de uitspraak dat blijkens het dictum op de voet van art. 3:300 lid 2 in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte; zie HR 24 december 1999, NJ 2000, 495, m.nt. HJS. Deze beperkte strekking is voorts de reden dat de bepaling geen toepassing dient te vinden in het - door de wettekst ook niet bestreken - geval van een cassatieberoep tegen een uitspraak in hoger beroep waarbij - met vernietiging van de uitspraak in eerste aanleg - alsnog wordt geweigerd te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de leveringsakte: HR 19 november 2004, NJ 2006, 216, m.nt. HJS. Zie over de bepaling voorts: Asser-Mijnssen-De Haan, 3-I, 2006, nr. 262 en 399 en: H.C.F. Schoordijk, Vermogensrecht in het algemeen naar Boek 3 NBW, 1986, p. 415-417.

10. Uit de ratio van art. 3:301 lid 2 BW dat met zijn voorschrift dat verzet, hoger beroep en cassatie op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingeschreven in het daarvoor bestemde register ertoe strekt de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op het ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid te waarborgen, moet worden afgeleid dat de bepaling van openbare orde is, zodat - anders dan het middel betoogt - de rechter zonodig ambtshalve dient vast te stellen of aan het inschrijvingsvereiste is voldaan. Vgl. HR 27 oktober 2000, NJ 2003, 328. Voorzover al in de omstandigheid dat [verweerder] is verschenen en in zijn memories (in het incident en de hoofdzaak) niet op dit punt maar alleen inhoudelijk verweer heeft gevoerd, ligt besloten dat hij erin heeft toegestemd dat de zaak wat hem betreft kan worden behandeld zonder dat van het instellen van het beroep (tijdig) aantekening is gedaan in het in art. 433 Rv. bedoelde register, is zulks een onvoldoende grond om de sanctie van niet-ontvankelijkheid buiten toepassing te laten, zoals het middel verdedigt met een verwijzing naar art. 66 Rv. (een exploot is slechts nietig wanneer de geadresseerde door het vormverzuim onredelijk is benadeeld) en HR 22 april 2005, NJ 2006, 502, m.nt. HJS, waarin het verzuim van inschrijving ter rolle van de aangezegde rechtsdag werd hersteld doordat in de proceshouding van de wederpartijen lag besloten dat zij erin hadden toegestemd dat de zaak op een latere datum is aangebracht. Bij het bepaalde in art. 3:301 lid 2 BW gaat het immers, anders dan in vorenbedoelde gevallen, niet, althans niet primair, om de belangen van de processuele wederpartij maar om de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op het ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid en de belangen van derden, zodat geen plaats is voor het buiten toepassing laten van de sanctie van niet-ontvankelijkheid op de grond dat de processuele wederpartij daarmee instemt. Daaraan doet niet af dat art. 3:301 lid 2 een beperkte strekking heeft, zoals uw Raad overwoog in zijn door het middel aangehaalde arrest van 24 december 1999. Het beperkte karakter vloeit immers uit de ratio zelve - de betrouwbaarheid van de openbare registers - voort en houdt in dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat de in deze bepaling voorziene niet-ontvankelijkheid als sanctie op het niet naleven van de inschrijvingsverplichting het beroep ook treft voorzover dit klachten richt tegen oordelen die niet betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat blijkens het dictum in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte.

De strekking van art. 3:301 lid 2 - het waarborgen van de betrouwbaarheid van de openbare registers met het oog op de ten aanzien van de verkrijging van registergoederen vereiste rechtszekerheid - brengt eveneens mee dat geen uitzondering op de sanctie van niet-ontvankelijkheid kan worden toegelaten in het door het middel bedoelde geval dat van benadeling van derden niet is gebleken. In het door het middel voorgestane systeem hangt het antwoord op de vraag of het hoger beroep nog ontvankelijk is en daarmee het antwoord op de vraag of de uitspraak waarvan de rechter heeft bepaald dat deze in de plaats treedt van de akte in kracht van gewijsde krijgt, mede daarvan af of de appellant na een tijdig ingesteld beroep en een verzuim dat beroep binnen acht dagen in het rechtsmiddelenregister in te schrijven, in staat is (geweest) dat beroep alsnog in te schrijven voordat van benadeling van derden sprake is geweest of is gebleken, daargelaten of afwezigheid van benadeling van derden eenvoudig valt vast te stellen. Dit systeem strookt naar mijn oordeel niet met de strekking van de regeling die omwille van de rechtszekerheid, erin voorziet dat in ieder geval acht dagen na het verstrijken van de beroepstermijn door middel van het rechtsmiddelenregister duidelijkheid kan worden verkregen omtrent de vraag of nog een gewoon rechtsmiddel openstaat, zulks mede met het oog op de aan de inschrijving van de betrokken uitspraak door art. 3:301 en art. 25 Kadasterwet gestelde eisen. De stelling van het middel dat het hof omtrent een mogelijke benadeling nadere inlichtingen zou moeten inwinnen, verdraagt zich overigens ook niet met het gegeven dat het inschrijvingsvereiste een op [eisers] rustende verplichting is en dat het aan hen was om aan te tonen dat aan het in art. 3:301 lid 2 BW gestelde voorschrift is voldaan (zie: HR 24 december 1999, NJ 2000, 495, m.nt. HJS). Bij dit alles verdient aantekening dat de wetgever de strenge sanctie van niet-ontvankelijkheid bij deze bepaling met haar beperkte strekking welbewust heeft opgenomen om verzuim van het inschrijvingsvereiste tegen te gaan: Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6, p. 1402.

De slotsom is dat onderdeel 2 in zijn geheel moet worden verworpen.

11. De middelonderdelen 3 en 4 hebben betrekking op 's hofs oordeel in rechtsoverweging 2.7 en 2.8 dat aan het vereiste van tijdige inschrijving niet is voldaan. Deze onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof zijn taak als appelrechter heeft misverstaan door de essentiële stelling dat de bewuste brief in ieder geval tijdig is aangeboden aan en ingekomen bij de Centrale Informatie Balie van Justitie te Arnhem onbehandeld te laten. De onderdelen 3.2 en 3.3 formuleren klachten voor het geval dit verwijt niet zou opgaan en het hof geacht moet worden bedoelde stelling te hebben verworpen.

Onderdeel 3.2 klaagt dat het oordeel van het hof dat de brief niet tijdig bij de griffier van de rechtbank is bezorgd onjuist is in het licht van de vaststaande feiten, waaronder vooral het gegeven dat de brief tijdig is aangeboden en binnengekomen bij de C.I.B. dat fungeert als loket voor (de griffies van) zowel de rechtbank als het hof die daartoe gebruik maken van dezelfde adressen (postnummers), telefoon- en faxnummers en loketten. Mede gelet op art. 1 en 2 Regeling Aantekening Rechtsmiddelen is de bewuste brief op 31 oktober 2003 ingediend door feitelijke afgifte aan (en ontvangst door) het (gemeenschappelijk) loket van de civiele griffie van rechtbank en hof, aldus dit onderdeel.

Onderdeel 3.3 noemt het althans onjuist of onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het primair de verantwoordelijkheid is van partijen om poststukken zorgvuldig te adresseren en dat het hof daaraan in het onderhavige geval de consequentie verbindt dat [eisers] (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk zijn in hun hoger beroep nu het feit dat het rechtsmiddel niet tijdig is ingeschreven in het daartoe bestemde register van de rechtbank niet - mede - te wijten is aan een fout van de griffier van het hof. Subonderdeel 3.3.1 voert hiertoe aan dat de brief van 31 oktober 2003 en (daarbij gevoegde) brief van 30 oktober 2003 waren geadresseerd aan het gemeenschappelijke postbusnummer en ingediend ter c.q. aangeboden aan het gemeenschappelijk loket van rechtbank en hof (de C.I.B.). Onderdeel 3.3.2 voegt hieraan toe dat, indien het oordeel dat de adressering van de poststukken minder zorgvuldig is geweest en dit de verantwoordelijkheid van partijen is, het hof niettemin heeft miskend dat op het gekozen uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Onder verwijzing naar HR 1 juli 1997, NJ 1997, 652 respectievelijk HR 10 juni 1994, NJ 1995, 284, m.nt. HJS wordt hiertoe aangevoerd dat op een (overkoepelende) organisatie als de C.I.B. een scherpere plicht tot en/of controle op adressant en onverwijlde doorzending rust dan op een willekeurige derde en/of dat het aan de gerechten is om deze overkoepelende organisatie met het oog op indiening van poststukken aan een voor rechtbank en hof gemeenschappelijk loket zodanig in te richten dat óók ten aanzien van deze wijze van indienen enerzijds in voldoende mate rekening wordt gehouden met de bij de rechtszekerheid betrokken belangen van onder meer de wederpartij van de rechtzoekende maar anderzijds de aan deze ter beschikking staande termijnen niet worden verkort.

Middelonderdeel 4.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat (juist) waar de griffiers van rechtbank en hof voor de ontvangst van brieven gebruik maken van dezelfde adressen en loketten en waar het in de praktijk gebruikelijk is dat poststukken die binnenkomen bij een onder justitie ressorterende dienst, maar daarvoor niet zijn bestemd, worden doorgestuurd, op de griffier van het hof een scherpere plicht rust tot adresverificatie en doorzending dan op een willekeurige derde en dat de omstandigheid dat dit niet is geschied niet voor risico van appellant mag komen.

Onderdeel 4.2 noemt het oordeel van het hof feitelijk onjuist of onbegrijpelijk, omdat de brief van de procureur geen andere uitleg toelaat dan dat deze - mede - een aanbiedingsbrief is van de brief van mr. Hulshuizen; hiertoe wordt gewezen op de uitdrukkelijke verwijzing naar de inhoud in de brief van de procureur alsmede op het gegeven dat - zoals [eisers] onbestreden hebben gesteld - de brief van mr. Hulshuizen in origineel was bijgevoegd. Gelet hierop is, aldus dit onderdeel, onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de griffier de verwijzing naar de inhoud van de brief van mr. Hulshuizen in redelijkheid kon aanmerken als een enkele kennisgeving van het feit dat inmiddels om inschrijving was gevraagd. Het onderdeel klaagt dat voorzover het hof - vanwege zijn in rechtsoverweging 2.4 genoemde observatie dat het griffiedossier thans slechts een kopie van de brief bevat - ervan is uitgegaan dat een kopie was bijgevoegd, zijn oordeel reeds op die grond onbegrijpelijk is.

Middelonderdeel 4.3 klaagt dat het hof in rechtsoverweging 2.8 heeft miskend dat er, gelet op de beperkte strekking die aan art. 3:301 lid 2 BW toekomt, onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat in deze bepaling voorziene niet-ontvankelijkheid het appel ook treft indien de met aard en strekking van het voorschrift verband houdende belangen van derden niet zijn of worden benadeeld, althans daarvan niet is gebleken.

12. Het middel strekt aldus ten betoge dat het hof heeft miskend dat weliswaar als hoofdregel geldt dat wie een stuk verkeerd adresseert, of zich bedient van personen die zulks doen, en vertrouwt op onverwijlde doorzending, dit in beginsel op eigen risico doet, doch dat onder omstandigheden een uitzondering op deze regel gerechtvaardigd is en dat daarvoor met name plaats is in een geval als het onderhavige nu op een (overkoepelende) organisatie als de C.I.B. een scherpere plicht tot en controle op adressant en onverwijlde doorzending rust dan op een willekeurige derde. Het middel verwijst in dit verband naar HR 1 juli 1997, NJ 1997, 652 (en naar HR 10 juni 1994, NJ 1995, 284, m.nt. HJS, waarin indiening van een verzoekschrift per postbus werd toegelaten indien een gerecht bekend heeft gemaakt dat het een bepaalde postbus heeft); zie voorts HR 24 maart 2000, NJ 2000, 314. In eerstgenoemde beschikking was een appelschrift, enkele dagen voor het verstrijken van de appeltermijn, niet ter griffie van het gerechtshof te Amsterdam aan de Prinsengracht maar op het adres van de directie van de gerechtelijke ondersteuning aan de Parnassusweg waaronder de griffie van het hof functioneel ressorteert, bezorgd. Het hof oordeelde dat het appelschrift niettemin geacht kon worden op tijd te zijn ingediend op grond van bijzondere omstandigheden, waaronder die dat het beroepschrift is bezorgd bij een overkoepelende administratieve organisatie waarop een scherpere plicht rust tot onverwijlde doorzending dan op een willekeurige derde. Dat oordeel gaf volgens uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In de beschikking van 24 maart 2000 ging het om een cassatierekest dat was ingediend bij de centrale balie van het paleis van Justitie te 's-Gravenhage. Uw Raad oordeelde dat de door verzoekers gestelde omstandigheden (het stuk was door een bode abusievelijk verkeerd bezorgd, hetgeen de advocaat eerst na het verstrijken van de cassatietermijn heeft bemerkt, waarna hem is toegezegd dat het stuk alsnog zou worden doorgezonden hetgeen eerst een dag later na een herhaald verzoek is gedaan) niet van dien aard zijn dat zij een uitzondering op de hoofdregel rechtvaardigen, waarbij werd overwogen dat ten opzichte van de griffie van de Hoge Raad de centrale balie van het paleis van Justitie te 's-Gravenhage niet als een overkoepelende of functionele organisatie is te zien. Voorts werd nog overwogen dat voor een analogische toepassing van het in art. 6:15 Awb bepaalde (doorzendplicht bij indiening bij een onbevoegd bestuurorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter) geen grond aanwezig is, omdat het door genoemd artikel gewaarborgd belang dat burgers hun bezwaar- of beroepschriften bij de juiste instantie indienen, in de onderhavige procedure tot terugvordering van kosten van bijstand bij de burgerlijke rechter, voldoende wordt gewaarborgd door de voor die procedures voorgeschreven verplichte procesvertegenwoordiging. Vermelding verdient voorts HR 31 mei 2002, NJ 2003, 357, m.nt. HJS, waarin een abusievelijk aan de sector bestuursrecht van de rechtbank gericht verzoekschrift binnen de beroepstermijn bij die sector was ingekomen doch eerst een week later - toen de termijn was verstreken - de sectie familie en jeugdrecht bereikte voor wie het was bestemd. De Hoge Raad oordeelde dat het verzoekschrift tijdig was ingediend en dat daaraan niet kon afdoen dat bij de adressering een verkeerde sector was vermeld.

13. Uit deze rechtspraak zou kunnen worden afgeleid dat de hoofdregel - de regel dat wie een stuk op een verkeerd adres bezorgt of verkeerd adresseert, of zich bedient van personen die zulks doen, en vertrouwt op onverwijlde doorzending, dit op eigen risico doet - dient te wijken wanneer sprake is van een bezorging bij een overkoepelende organisatie of loket. Dit betekent echter niet dat ook in het onderhavige geval plaats is voor een uitzondering op de hoofdregel op de enkele grond dat de litigieuze brief die was bestemd voor de griffier van de rechtbank en als bijlage was gevoegd bij de brief bestemd voor de griffier van het hof, bij de C.I.B. van justitie te Arnhem, de Centrale Informatie Balie van de Gerechtelijke Diensten te Arnhem, is binnenkomen. De zojuist bedoelde uitzondering berust immers op de vooronderstelling dat (voldoende) kenbaar is voor wie het stuk (wél) is bestemd. In het onderhavige geval heeft het hof geoordeeld dat de griffier van het hof aan wie de brief met daarbij als bijlage gevoegd de brief aan de griffier van de rechtbank conform de adressering op die brief was doorgezonden, niet aanstonds duidelijk was dat de als bijlage bijgevoegde brief niet voor het hof was bestemd en dat zulks ook niet zonder meer duidelijk behoefde te zijn nu de voor het hof bestemde brief van de procureur hoegenaamd geen enkele aanwijzing betreffende de wens tot inschrijving bevatte en de griffier, in deze context, deze verwijzing in redelijk kon aanmerken als een enkele kennisgeving van het feit dat inmiddels om inschrijving was gevraagd. Het hof heeft daarbij laten meewegen dat de brief van de procureur voorts vermeldde dat werd meegezonden een afschrift van de dagvaarding in eerste aanleg alsmede het vonnis waarvan beroep, zoals voorgeschreven in het rolreglement bij het aanbrengen van een nieuwe zaak. 's Hofs oordeel is - anders dan middelonderdeel 4.2 betoogt - niet onbegrijpelijk. De uitdrukkelijke verwijzing in de brief aan de griffier van het hof naar de inhoud van de bijgevoegde brief aan de griffier van de rechtbank en het gegeven dat deze brief in origineel was bijgevoegd, behoefden het hof niet tot een ander oordeel te leiden. 's Hofs - op de uitleg van de gedingstukken gebaseerde - oordeel is verder in cassatie niet op juistheid te toetsen. Anders dan het middelonderdeel veronderstelt kan uit 's hofs in rechtsoverweging 2.4 genoemde observatie dat het griffiedossier thans slechts een kopie van de bewuste brief bevat, niet worden afgeleid dat het hof bij zijn gewraakte oordeel ervan is uitgegaan dat slechts een kopie van de bewuste brief was bijgevoegd.

Het hof is op grond van zijn - door het middel tevergeefs als onbegrijpelijk bestreden - oordeel dat de griffier van het hof de verwijzing naar de als bijlage aangehechte brief gericht aan de griffier van de rechtbank in redelijkheid kon aanmerken als een enkele kennisgeving van het feit dat inmiddels om inschrijving was gevraagd, tot de slotsom gekomen dat [eisers] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep, aangezien het feit dat het rechtsmiddel niet tijdig is ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de rechtbank niet - mede - is te wijten aan een fout van de griffier van het hof en het feit dat de griffiers van rechtbank en hof voor de ontvangst van brieven gebruik maken van dezelfde adressen en loketten dit niet anders maakt, nu het niet-tijdig bezorgen van de brief bij de griffier van de rechtbank niet is veroorzaakt door een nalatigheid bij de doorzending daarvan. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; het hof heeft met name niet miskend dat uitgangspunt is dat de op een overkoepelende functionele organisatie rustende strengere doorzendplicht mede een zekere onderzoeksplicht insluit en dat griffiemedewerkers bij het bestaan van een gezamenlijk griffieadres bedacht dienen te zijn op de mogelijkheid dat zo'n loket het gecombineerd versturen van stukken bestemd voor beide instanties uitlokt. Dat een gezamenlijk griffieadres het gecombineerd verzenden van stukken kan "uitlokken" laat immers onverlet dat wie stukken al dan niet gecombineerd naar dat gezamenlijke adres verstuurt, ervoor dient zorg te dragen dat ook voor de medewerker op wie een zekere onderzoeksplicht rust, voldoende duidelijk is voor wie de stukken zijn bestemd. Naar het oordeel van het hof was dat in casu niet het geval.

De slotsom is dat de middelonderdelen 3 en 4 falen, waarbij aantekening verdient dat middelonderdeel 4.3 met zijn klacht dat het hof in rechtsoverweging 2.8 heeft miskend dat er onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat in deze bepaling voorziene niet-ontvankelijkheid het appel ook treft indien de met aard en strekking van het voorschrift verband houdende belangen van derden niet zijn of worden benadeeld, althans daarvan niet is gebleken, zelfstandige betekenis mist naast middelonderdeel 2.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden