Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ7116

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum conclusie
23-01-2007
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
01067/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ7116
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bedreiging (art. 285.1 Sr), vernieling, meermalen gepleegd (art. 350.1 Sr), poging zware mishandeling door op anderhalve meter afstand met kracht volle fles wijn richting hoofd van hotelmedewerker te gooien (art. 302.1 Sr) en dragen van wapen (art. 27.1 WWM) 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. dragen van wapen, art. 427.2 Sv. 2. Bewijsklacht poging zware mishandeling. Opzet op toebrengen zwaar lichamelijk letsel? 3. Bewijsklacht vernieling. Behelzen voor bewijs gebruikte verklaringen van medewerker advocatenkantoor en stratenmaker ongeoorloofde meningen, gissingen dan wel gevolgtrekkingen?

Ad 1. Hof heeft verdachte t.z.v. dragen van wapen, een overtreding (art. 27.1 WWM) veroordeeld tot geldboete van € 150, subsidiair 3 dagen hechtenis. In zoverre kan verdachte, gelet op art. 427.2 Sv niet in zijn beroep in cassatie worden ontvangen.

Ad 2. en 3. HR: art. 81.1 RO.

Samenhang met 01037/06 (niet gepubliceerd, art. 81.1 RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01067/06

Zitting: 23 januari 2007

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens 1. ‘’bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’’; 2 en 5. Telkens ‘’opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen’’; 4. ‘’poging tot zware mishandeling’’; en 3. ‘’handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’’ veroordeeld tot – ter zake van de feiten 1, 2, 4, en 5 – tot vijf maanden gevangenisstraf, en – ter zake van feit 3 – een geldboete van € 150,- subsidiair drie dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een door de Politierechter te Leeuwarden aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één maand.

2. Deze zaak hangt samen met de zaak met nummer 01037/06 in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen merk ik het volgende op. Terzake van de overtreding (feit 3) staat op grond van art. 427 Sv geen beroep in cassatie open. In zoverre is het cassatieberoep dan ook niet-ontvankelijk.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het onder 4 bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.

6. Als vierde feit heeft het Hof ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

‘’hij op 28 september 2004 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht een fles wijn in de richting van het hoofs van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid’’.

7. De door het Hof in de bestreden uitspraak gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer het volgende in (bewijsmiddelen 8 t/m 10):

- de verdachte meldde zich op 28 september 2004 in het Oranjehotel te Leeuwarden en vroeg een hotelmedewerker om een kamer van de nacht;

- toen de hotelmedewerker de verdachte vertelde dat er geen kamer vrij was, ontstak de verdachte plotseling in woede;

- de verdachte pakte (toen) een volle fles wijn van de balie, bracht deze naar achteren, en gooide deze met een forse worp in de richting van de hotelmedewerker;

- de verdachte bevond zich ten tijde van het gooien van de fles op ongeveer anderhalve meter afstand van de hotelmedewerker;

- de hotelmedewerker kon de fles net ontwijken waardoor deze achter hem op een bureau kapot viel;

- als de hotelmedewerker de fles niet had ontweken dan had deze hem op zijn hoofd of bovenlichaam getroffen.

8. Nu de bewijsmiddelen niet inhouden dat de verdachte de hem verweten gedraging willens en wetens op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gericht, moet worden aangenomen dat het Hof heeft aangenomen dat er sprake is van opzet in de voorwaardelijke vorm.

9. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier zwaar lichamelijk letsel – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het gevolg zak intreden.1 In de onderhavige zaak stelt het middel de vraag aan de orde of er in het onderhavige geval sprake is van een aanmerkelijke kans. De steller van het middel betoogt dat dit niet het geval is, nu de fles de hotelmedewerker mogelijk op het bovenlichaam zou hebben geraakt, en het bewijs niets inhoudt omtrent de kracht waarmee de fles is gegooid.

10. Om van een aanmerkelijke kans te kunnen spreken zal het moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.2 De vraag is daarom: is de kans dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer zou veroorzaken naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen? Alvorens deze vraag te beantwoorden merk ik op dat uit de bewijsmiddelen – in tegenstelling tot wat de steller van het middel betoogt – wel degelijk kan worden afgeleid dat de verdachte de fles met kracht in de richting van het slachtoffer heeft gegooid. De bewijsmiddelen houden immers in dat de verdachte de fles naar achteren bracht en met een ‘’forse voorwaartse worp’’ gooide (bewijsmiddel 8). Mede gelet op deze omstandigheid beantwoord ik de hiervoor bedoelde vraag bevestigend. De kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt doordat er van anderhalve meter afstand met kracht een volle wijnfles in de richting van zijn bovenlichaam of hoofd wordt gegooid, kan naar mijn mening naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk worden genoemd. Uit de verklaring van het slachtoffer dat als de fles hem had geraakt, de fles hem dan op zijn hoofd of bovenlichaam zou hebben geraakt (bewijsmiddel 9), kan worden afgeleid dat de kans dat de fles het slachtoffer op zijn hoofd zou treffen, op het moment van gooien aanmerkelijk genoemd kan worden. Dat is beslissend. Een kans is niet eerst dan aanmerkelijk als achteraf met zekerheid kan worden vastgesteld dat die kans zich zou hebben verwezenlijkt als het slachtoffer zich niet had verroerd. Ook als de fles het slachtoffer dan niet zou hebben getroffen, maar rakelings langs diens hoofd zou zijn gezoefd, is sprake van een poging en wel omdat vooraf de kans op een voltreffer op het hoofd aanmerkelijk was. Dat de fles het slachtoffer mogelijk op de borst zou hebben geraakt, doet aan de aanmerkelijkheid van de kans op hoofdletsel dus niet af.

11. Het middel faalt.

12. In het tweede middel wordt aangevoerd dat de door het Hof ter zake van het vijfde bewezenverklaarde feit gebezigde bewijsmiddelen ongeoorloofde meningen, gissingen dan wel gevolgtrekkingen behelzen.

13. De steller van het middel heeft het oog op de volgende door het Hof gebezigde bewijsmiddelen:

(i) een proces-verbaal van 28 september 2004 van [verbalisant 1], voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 11):

‘’Van een medewerkster van mijn kantoor hoorde ik dat de mij bekende [verdachte] op 28 september 2004 rond 13:20 ons kantoor bezocht. Ik hoorde ook dat hij even later ons kantoor geïrriteerd had verlaten.’’

(ii) een proces-verbaal van 28 september 2004 van [verbalisant 2] , voorzover inhoudende als verklaring van stratenmaker [betrokkene 2] (bewijsmiddel 13):

‘’Ik zag dat deze persoon, nadat hij mij gepasseerd was, voor ongeveer tien minuten voor een aldaar gevestigd pand bleef staan. Dit bleek later een advocatenkantoor te zijn. Daarna hoorde ik plotseling glasgerinkel en ik zag dat er een ruit van dat advocatenkantoor was ingegooid. Het kan niet anders dan dat die persoon die ik u beschreef deze ruit heeft ingegooid, daar er verder niemand in de buurt van die plaats aanwezig was.’’

14. Eerst de klacht over de onder 13(i) opgenomen verklaring. Volgens de steller van het middel behelst de mededeling van de medewerkster van het advocatenkantoor dat de verdachte ‘’geïrriteerd’’ is vertrokken een ongeoorloofde gissing. Ik kan de steller van het middel hierin niet volgen. Volgens mij gaat het hier niet om een mening, gissing of conclusie, maar om een waarneming van een (geuite) emotie. Dat iemand geïrriteerd is, lijkt mij zeer wel voor waarneming vatbaar. Reeds daarom faalt deze klacht.

15. Dan de klacht over de onder 13(ii) weergegeven verklaring voorzover inhoudende: ‘’Het kan niet anders dan dat die persoon die ik u beschreef deze ruit heeft ingegooid, daar er verder niemand in de buurt van die plaats aanwezig was’’. Is hier sprake van een ongeoorloofde conclusie? Naar mijn mening moet deze vraag ontkennend worden beantwoord. Ik wijs daarbij op de nadere bewijsoverweging die het Hof aan het bewezenverklaarde heeft gewijd en waarin onder meer het volgende wordt gesteld:

‘’Op grond van de omstandigheid dat verdachte kort voor de vernieling van de ruit van het advocatenkantoor op het Hofplein dat pand geïrriteerd had verlaten en daarnaast de omstandigheid dat het de verdachte is geweest die volgens [betrokkene 2] als enige in de buurt van de vernielde ruit aanwezig was op het moment waarop die ruit werd vernield, acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die dit feit heeft gepleegd.’’

16. Uit deze overweging blijkt dat het Hof de conclusie van de stratenmaker tot de zijne heeft gemaakt. Ik merk daarbij op dat het Hof allesbehalve blind is gevaren op het gezag van de stratenmaker. Het Hof baseerde zich op de door deze getuige waargenomen feiten, combineerde die met het feit dat de verdachte kort tevoren het advocatenkantoor geïrriteerd had verlaten, en trok uit dat geheel van feiten zelf de conclusie dat de verdachte de dader was.

17. Ook dit middel faalt.

18. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

19. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

20. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voorzover betreffende de in rubriek 1 vermelde overtreding (feit 3), en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552 m.nt. YB.

2 Idem rov. 3.6.