Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6720

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-04-2007
Datum publicatie
27-04-2007
Zaaknummer
R06/036HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6720
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak; procesrecht. Ontvankelijkheid van tegen deelvonnis gericht cassatieberoep; art. 3 Cassatieregeling, strekking, bedoeling rijkswetgever; concordantiebeginsel. Prospective ruling voor cassatieberoepen tegen vanaf 1 juni 2007 uitgesproken deelvonnissen en deelbeschikkingen van het GemHvJNAA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 299
RvdW 2007, 457
NJ 2008, 121
NJB 2007, 1063

Conclusie

Rekestnr. R06/036HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 19 januari 2007 (Antillenzaak)

Conclusie inzake:

1. Wakawa Ltd.

2. [Eiseres 2]

tegen

1. [Verweerster 1]

en

de erven van [betrokkene 1]:

2. [Verweerder 2]

3. [Verweerster 3]

4. [Verweerder 4]

Deze zaak betreft de uitleg van art. 3 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba met betrekking tot de vraag of ook voor de Nederlandse Antillen de regel geldt dat van het eindvonnisgedeelte uit een deelvonnis binnen de cassatietermijn beroep in cassatie moet worden ingesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid.

1. Procesverloop(1)

1.1 Bij inleidend verzoekschrift, op 14 juni 1995 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao (GEA) ingediend, hebben eiseressen tot cassatie, Wakawa en [eiseres 2] (hierna gezamenlijk aangeduid als: Wakawa c.s.) gevorderd dat verweerster in cassatie onder 1 (hierna aangeduid als: [verweerster 1]) wordt veroordeeld tot betaling aan [eiseres 2] de som van NAf 1.838.815,43 vermeerderd met rente, en tot betaling aan Wakawa de som van NAf 2.231.296,-- vermeerderd met rente. Voorts hebben Wakawa c.s. de vanwaardeverklaring van de in onderhavige zaak gelegde conservatoire beslagen gevorderd(2).

1.2 Bij incidentele conclusie van eis tot voeging heeft [betrokkene 1] het GEA verzocht haar toe te laten als gevoegde partij in de hoofdzaak aan de zijde van [verweerster 1]. Wakawa c.s. hebben zich niet tegen dit verzoek verzet.

Bij vonnis van 4 maart 1996 heeft het GEA de verzochte voeging toegestaan.

1.3 Bij (afzonderlijke) conclusie van antwoord tevens eis in reconventie hebben [verweerster 1] en [betrokkene 1] de vorderingen van Wakawa c.s. gemotiveerd bestreden en in reconventie de opheffing gevorderd van de door Wakawa c.s. gelegde beslagen binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis, op verbeurte van een dwangsom.

1.4 Bij akte van 20 mei 1996(3) hebben Wakawa c.s. hun vordering vermeerderd met de in die akte omschreven vorderingen.

1.5 [Betrokkene 1] is tijdens de procedure in eerste aanleg(4) overleden, waarna haar erfgenamen, verweerders in cassatie onder 2 tot en met 4 (hierna aangeduid als: de erven [van betrokkene 1]), de procedure hebben overgenomen.

1.6 Na een uitvoerige procedure en nog een zestal tussenvonnissen heeft het GEA bij eindvonnis van 2 oktober 2000 in conventie [verweerster 1] en de erven [van betrokkene 1] veroordeeld om aan Wakawa Naf 12.157,-- te betalen, te vermeerderen met rente, en aan [eiseres 2] de som van Naf 1.410.798,32 te vermeerderen met rente. Het GEA heeft daarnaast in conventie de op 7 en 8 juni 1995 gelegde conservatoire derdenbeslagen van waarde verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft het GEA het gevorderde afgewezen.

1.7 Wakawa c.s. zijn van het eindvonnis van het GEA van 2 oktober 2000 in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijk hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Bij memorie van grieven hebben zij hun appel uitgebreid tot de tussenvonnissen van 21 juli 1997, 10 november 1997 en 10 januari 2000, acht grieven aangevoerd en toegelicht, en hun vorderingen vermeerderd als weergegeven in het vonnis van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001.

1.8 [Verweerster 1] en de erven [van betrokkene 1] (hierna gezamenlijk aangeduid als: [verweerder] c.s.) hebben bij memorie van antwoord de grieven bestreden en incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.9 Op de voor pleidooi bepaalde dag hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities overgelegd en vervolgens vonnis gevraagd.

1.10 Bij vonnis van 11 september 2001 heeft het Gemeenschappelijk hof het incidenteel appel gegrond verklaard en heeft het hof het bestreden eindvonnis van 2 oktober 2000 vernietigd voorzover [verweerder] c.s. uitvoerbaar bij voorraad zijn veroordeeld om aan [eiseres 2] de som van NAf 1.410.798,32 vermeerderd met rente te betalen. Het hof heeft voorts in het principale appel de vorderingen in hoger beroep onder (2), (3), (5) en (6)(5) afgewezen en - onder gegrondbevinding van de principale grief onder 5a - [verweerder] c.s. bevolen binnen twee maanden na dit vonnis aan Wakawa c.s. opgave te doen van betaalde gelden en boeken open te leggen. Het hof heeft zijn vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard, iedere verdere beslissing aangehouden en de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door Wakawa c.s.

1.11 Na aktewisseling heeft het Gemeenschappelijk hof bij tussenvonnis van 4 februari 2003 geoordeeld dat een deskundigenonderzoek aangewezen is en heeft het de zaak, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, naar de rol verwezen voor het gelijktijdig nemen van een akte waarin partijen zich kunnen uitlaten over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen.

1.12 Nadat partijen akte hadden genomen en wederom vonnis hadden gevraagd, heeft het Gemeenschappelijk hof bij vonnis van 27 mei 2003, een deskundigenbericht gelast en de zaak naar de zitting van 2 december 2003 verwezen voor het door partijen gelijktijdig nemen van een conclusie na deskundigenbericht. Het hof heeft ook in dit vonnis iedere verdere beslissing aangehouden.

1.13 De door het hof benoemde deskundige heeft zijn rapport op 6 september 2004 ter griffie ingediend, waarna partijen een akte uitlating deskundigenbericht respectievelijk een conclusie na deskundigenbericht hebben genomen.

Daarop heeft het Gemeenschappelijk hof bij eindvonnis van 13 december 2005 het bestreden vonnis bevestigd, voorzover dit niet bij vonnis van 11 september 2001 was vernietigd en de vorderingen in hoger beroep onder (1) en (7)(6) alsmede het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

1.14 Bij verzoekschrift tot cassatie, ingekomen ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden op 13(7) maart 2006, hebben Wakawa c.s. (tijdig(8)) cassatieberoep ingesteld tegen de vonnissen van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001, 4 februari 2003, 27 mei 2003 en 13 december 2005.

1.15 Bij verweerschrift hebben [verweerder] c.s. geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van Wakawa c.s. in hun cassatieberoep tegen het vonnis van 11 september 2001 voorzover het hof in dit vonnis de vorderingen in hoger beroep onder (2), (3), (5) en (6) heeft afgewezen, en voorts geconcludeerd tot verwerping van het beroep tegen de vonnissen van 11 september 2001 voor het overige, 4 februari 2003, 27 mei 2003 en 13 december 2005.

1.16 Bij brief van 3 juli 2006 hebben partijen bij monde van hun advocaten te kennen gegeven de voorkeur te geven aan het uitprocederen van het preliminaire geschil inzake de ontvankelijkheid door middel van een namens Wakawa c.s. in te dienen verweerschrift op dat punt, alvorens in de hoofdzaak over te gaan tot het geven van schriftelijke toelichtingen(9).

1.17 Wakawa c.s. hebben een verweerschrift tegen het beroep op niet-ontvankelijkheid ingediend.

2. Ontvankelijkheid

2.1 Het ontvankelijkheidsverweer komt er - samengevat - op neer dat het hof in zijn vonnis van 11 september 2001 in het dictum de "vorderingen in hoger beroep sub (2), (3), (5) en (6)" heeft afgewezen, zodat dit (gedeelte van het vonnis) een eindvonnis is in de zin van art. 3 Cassatieregeling, waartegen Wakawa c.s. op grond van art. 4 Cassatieregeling binnen drie maanden cassatieberoep hadden moeten instellen.

2.2 Bij Rijkswet van 20 juli 1961, houdende de "Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen"(10), in werking getreden op 1 maart 1965, is het rechtsmiddel van cassatie voor rechtszaken in de Nederlandse Antillen ingevoerd. Als voornaamste voordelen daarvan worden in de Memorie van Toelichting genoemd de grotere rechtswaarborgen voor de justitiabelen in de Nederlandse Antillen en de concordantie van rechtspraak, welke een complement is van de concordantie van wetgeving, die daardoor wordt bevorderd(11).

2.3 De Memorie van Toelichting vermeldt voorts het belang van aansluiting van deze regeling bij de Nederlandse cassatiepraktijk en bovendien dat afwijking van de Nederlandse cassatieregeling slechts dan gerechtvaardigd is indien afwijkende omstandigheden in de Nederlandse Antillen daartoe nopen(12). Naar het oordeel van de toenmalige minister van Justitie, Beerman, zou de aansluiting bij de in Nederland geldende regeling van de cassatie het beste worden gewaarborgd door de regeling voor Nederlandse zaken in beginsel ook op Antilliaanse zaken van toepassing te verklaren, terwijl voor het overige dan kan worden volstaan met een omschrijving van de afwijking van de in Nederlandse zaken geldende regeling(13).

2.4 Reden voor afwijking van het Nederlandse systeem waarin beroep in cassatie van provisionele arresten (steeds) en van incidentele en interlocutoire uitspraken (onder bepaalde omstandigheden) mogelijk is, zijn volgens het algemeen gedeelte van de Memorie van Toelichting de "inconveniënten van het rechtsmiddel van cassatie", te weten:

"de langere tijd, die heen kan gaan alvorens een rechterlijke beslissing ten uitvoer kan worden gelegd, en de meerdere kosten, welke aan de procedure kunnen zijn verbonden. Deze inconveniënten zijn met betrekking tot zaken in de Nederlandse Antillen door de grote afstand tussen dit land en de zetel van de Hoge Raad ernstiger dan met betrekking tot zaken in Nederland. In verband daarmede verdient een zekere beperking van het recht tot het instellen van beroep in cassatie aanbeveling."(14)

2.5 Art. 3 van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen luidt als volgt:

"Van beslissingen, welke aan het eindvonnis of de eindbeschikking voorafgaan, mag, ook indien zij een eindbeslissing inhouden, beroep in cassatie slechts ingesteld worden tegelijk met zodanig beroep van het eindvonnis of de eindbeschikking. Voor berusting in eerstgenoemde beslissingen wordt niet gehouden de tenuitvoerlegging ervan zonder voorbehoud van degene, die er zich mee bezwaard acht."

2.6 Het voorschrift is als volgt toegelicht:

Artikel 3. Ingevolge artikel 399 juncto artikel 377 Rv. kan beroep in cassatie van provisionele vonnissen steeds en beroep in cassatie van incidentele en interlocutoire vonnissen onder bepaalde omstandigheden worden ingesteld voordat het eindvonnis is geslagen. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad moeten tussenvonnissen, voor zover zij in een uitdrukkelijk dictum aan een deel van het geschil een einde maken, voor dat deel als eindvonnis worden beschouwd, zodat voor dat deel de beroepstermijn zelfstandig volgens artikel 398 Rv. moet worden bepaald.

Een overeenkomstige regeling geldt ingevolge artikel 428 Rv. met betrekking tot beschikkingen, die aan de eindbeschikking voorafgaan.

Toepassing van deze voorschriften zou in Antilliaanse zaken tot een ongerechtvaardigde en ongewenste vertraging van de procedure kunnen leiden. In verband daarmede wordt voorgesteld te bepalen, dat het beroep in cassatie van de aan het eindvonnis of de eindbeschikking voorafgaande beslissingen slechts tegelijk met het beroep van het eindvonnis of de eindbeschikking kan worden ingesteld, zelfs wanneer die beslissingen eindbeslissingen zouden inhouden. Het feit dat bij een vonnis een schadevergoeding is toegekend, nader op te maken bij staat (curs. MvT), ontneemt aan een dergelijk vonnis niet het karakter van een eindbeslissing (...)(15).

Nadere toelichting, met name van het begrip 'eindbeslissing' ontbreekt.

2.7 Nog vóór de inwerkingtreding van de Cassatieregeling hebben verschillende schrijvers zich over de betekenis van art. 3 uitgelaten.

In de januari-aflevering van Justicia 1965 worden de begrippen vonnis, eindvonnis en beslissing door Sjiem Fat besproken naar Nederlands en Nederlands-Antilliaans recht(16). Volgens Sjiem Fat dient een onderscheid te worden gemaakt tussen eindvonnissen in de hoofdzaak en eindvonnissen op incidenten en wordt in art. 263 RvNA gedoeld op een eindvonnis in de hoofdzaak. Een eindvonnis is een definitieve beslissing in de hoofdzaak en alle preparatoire, interlocutoire, provisionele en andere incidentele vonnissen gaan aan de definitieve beslissing vooraf.

De systematiek van het RvNA is dan - en hier wijkt het Antilliaanse procesrecht af van het Nederlandse - dat alleen van het eindvonnis in de hoofdzaak zelfstandig geappelleerd kan worden. Ook in art. 3 van de Cassatieregeling is z.i. doelbewust afgeweken van het Nederlandse systeem "dat beroep in cassatie van een provisioneel, een interlocutoir of een incidenteel vonnis reeds kan worden ingesteld voordat het eindvonnis geslagen is."

Het begrip 'deelvonnis' wordt door Sjiem Fat in deze bijdrage niet omschreven, maar wel genoemd in het door Wakawa c.s. genoemde citaat: "Blijkens artikel 3 van de Cassatieregeling en de toelichting daarop, wil de rijkswetgever ook niet weten van afzonderlijk cassatieberoep van zog. eindbeslissingen of van deelvonnissen, maar is dit beroep pas mogelijk met dat van de einduitspraak." De zinsnede komt echter min of meer uit de lucht vallen(17).

2.8 Bondam daarentegen is heel stellig op dit punt. In een artikel in het februarinummer van het NJB uit 1965 betoogt hij dat wanneer een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum wordt afgedaan, art. 3 niet toepasselijk is en dat terstond beroep in cassatie kan worden gedaan. Hij voegt daaraan toe dat de Memorie van Toelichting een en ander met zoveel woorden zegt(18). Ten aanzien van deelvonnissen blijft volgens hem "dus gelden de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, welke trouwens de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie in de Nederlandse Antillen met betrekking tot art. 263 Ant. Rv. is."

De zinsnede in art. 3 van de cassatieregeling "ook indien zij een eindbeslissing inhouden" onderstreept naar de mening van Bondam nog eens hetgeen z.i. overigens uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voortvloeit, namelijk dat het enkele feit dat in een vonnis een eindbeslissing voorkomt, dat vonnis in zoverre nog niet tot een eindvonnis met betrekking tot de hogere voorziening maakt omdat dit eerst het geval is wanneer een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum wordt afgedaan(19). Hij acht het gebruik van het begrip 'eindbeslissing' in de in de toelichting opgenomen zin "dat het feit dat bij een vonnis een schadevergoeding is toegekend nader op te maken bij staat, aan een dergelijk vonnis niet het karakter van een eindbeslissing ontneemt", minder gelukkig uitgevallen omdat het er juist om gaat dat scherp onderscheid wordt gemaakt tussen eindbeslissingen en eindvonnissen. Z.i. dient in plaats van eindbeslissing "natuurlijk" te worden gelezen: eindvonnis.

2.9 De Cassatieregeling wordt voorts nog besproken door Boom in het tijdschrift Justicia van april 1965(20). Boom geeft als achtergrond van art. 3 het voorkómen van vertraging in de procedure. Door de regeling van art. 3 kunnen de in de Nederlandse rechtspraktijk gesignaleerde moeilijkheden dat van bijna ieder tussenvonnis afzonderlijk beroep of cassatie openstaat, zich z.i. gelukkig niet voordoen. Uit zijn beschrijving van de voorstellen van de commissie Gratama wordt duidelijk dat hij hierbij doelt op incidentele, interlocutoire en preparatoire vonnissen(21) en dus niet op deelvonnissen.

2.10 Volgens Bondam is art. 3 van de Cassatieregeling, behoudens de daarin ingelaste woorden "ook indien zij een eindbeslissing inhouden" ontleend aan art. 263 RvNA dat een letterlijk gelijkluidende regeling bevat met betrekking tot appel op het Gemeenschappelijk hof van vonnissen die in eerste aanleg zijn gewezen. Ook Sjiem Fat constateert dat de rijkswetgever kennelijk aansluiting heeft gezocht bij art. 263 RvNA(22).

Art. 263 lid 1 RvNA bepaalt dat van de vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan, behoudens het bepaalde in de art. 109 en 263a RvNA slechts hoger beroep mag worden ingesteld tegelijk met het beroep van het eindvonnis. In art. 263a lid 1 RvNA is - kort gezegd - opgenomen dat afzonderlijk hoger beroep mag worden ingesteld ingeval daartoe door het Gemeenschappelijk hof vergunning is verleend.

2.11 Met betrekking tot de vraag of onder het regiem van de art. 263 en 263a RvNA tussentijds appel kan/moet worden ingesteld van een deelvonnis en zo ja, van welke gedeelten, heb ik uitvoerig geconcludeerd in de ook door partijen genoemde zaak R02/006HR (HR 11 juli 2003, NJ 2003, 564). Ik heb in die conclusie uiteengezet dat de zinsnede "vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan" uit art. 263 RvNA zijn oorsprong vindt in een procesregeling die indertijd voor de residentiegerechten op Java en Madoera gold en dat Monte na een uitvoerige analyse van de ontstaansgeschiedenis van de regeling concludeert dat op de Antillen onder "vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan" die beslissingen dienen te worden verstaan die geen eindvonnissen zijn, dat wil zeggen vonnissen die een eind maken aan de processen in een bepaalde instantie(23).

2.12 Ten aanzien van de vraag of art. 263 RvNA er aan in de weg staat dat van een deelvonnis in zijn geheel wordt geappelleerd, stelt Monte het volgende:

"Komt nu de eerste rechter, nadat in de loop van het geding reeds verschillende tussenuitspraken zijn gewezen, tot een eindvonnis met betrekking tot een bepaalde vordering of tot een deel daarvan, terwijl ten aanzien van de resterende vorderingen nog voort moet worden geprocedeerd, dan lijkt het mij, dat alleen van dat eindvonnis en de daarmee nauw samenhangende tussenbeslissingen hoger beroep kan worden ingesteld. Met het beroep van die tussenuitspraken, welke nauw samenhangen met het nog verder te wijzen eindvonnis dient men te wachten totdat het betrokken eindvonnis is gewezen en wel omdat zij aan dat eindvonnis moeten "voorafgaan""(24).

2.13 Uit deze passage leidde ik in gemelde conclusie af dat Monte art. 263 lid 1 RvNA aldus interpreteert dat appel van het gehele deelvonnis, dus ook van het tussenvonnisgedeelte, mogelijk is(25).

Naar Nederlands recht is dat door de Hoge Raad beslist in zijn arrest van 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS. In dat arrest ging het om een deelvonnis waaraan de kantonrechter een appelverbod in de zin van art. 337 (oud) Rv. had verbonden. Op het tegen dat deelvonnis ingestelde hoger beroep oordeelde de rechtbank - volgens de Hoge Raad terecht - allereerst dat het eindvonnisgedeelte niet door het appelverbod werd getroffen. Voorts oordeelde de rechtbank dat ook het beroep gericht tegen het interlocutoire gedeelte van het vonnis, niettegenstaande het appelverbod, ontvankelijk was. Ook dat oordeel was volgens de Hoge Raad juist.

2.14 In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003, NJ 2003, 564 had het Gemeenschappelijk hof onder verwijzing naar het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad uit 1990 beslist dat het in art. 263 RvNA neergelegde appelverbod van interlocutoire vonnissen op gelijke wijze wordt doorbroken. Dit oordeel achtte de Hoge Raad juist. Daarmee bevestigde de Hoge Raad de opvatting dat ingevolge art. 263 RvNA van in ieder geval de eindvonniscomponent uit een deelvonnis van het GEA binnen de termijn appel moet worden ingesteld.

2.15 Volgens Tillema is voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zaken nog niet met zoveel woorden uitgemaakt of hetzelfde geldt ten aanzien van cassatieberoep tegen deelvonnissen van het Gemeenschappelijk hof(26).

Strikt genomen is dit juist: in geen van de aan de Raad voorgelegde gevallen was sprake van een tussenvonnis van het Gemeenschappelijk hof dat tegelijk aan enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde maakte.

2.16 De door de Hoge Raad tot nu toe gekozen bewoordingen in zijn beslissingen over art. 3 van de Cassatieregeling geven aanleiding tot verschillende interpretaties.

In zijn arrest van 6 oktober 1967, NJ 1968, 50 heeft de Hoge Raad met betrekking tot het cassatieberoep van een provisioneel vonnis beslist dat art. 3 Cassatieregeling blijkens de Memorie van Toelichting op alle beslissingen slaat die in tijdsvolgorde voorafgaan aan de einduitspraak(27). Sjiem Fat leidt uit deze bewoordingen af dat ook de Hoge Raad van oordeel is dat het gaat om de einduitspraak over het gehele geding, zodat van een einduitspraak van het Gemeenschappelijk hof over een onderdeel van de rechtsstrijd geen cassatie kan worden ingesteld(28).

2.17 In zijn arrest van 10 juni 1983, NJ 1984, 294 hanteerde de Hoge Raad een andere terminologie. Het betrof een incidentele vordering om zich te mogen voegen in een rechtsgeding hangende tussen andere partijen. Volgens de Hoge Raad komt het voor de vraag of sprake is van een eindvonnis of een eindbeschikking in de zin van art. 3 van de Cassatieregeling aan op de plaats die de uitspraak in de hangende procedure inneemt. Nu door de uitspraak op het incident de hangende procedure niet werd beëindigd noch door een uitdrukkelijk dictum in het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde werd gemaakt (in welk geval de uitspraak in zoverre als een einduitspraak zou zijn aan te merken), is, aldus de Hoge Raad, van een eindvonnis of eindbeschikking in de zin van art. 3 geen sprake. De uitspraak moet dus worden aangemerkt als een beslissing die aan het eindvonnis of de eindbeschikking voorafgaat, als bedoeld in art. 3 zodat van die uitspraak beroep in cassatie slechts kon worden ingesteld tegelijk met het beroep van de einduitspraak (rov. 3.5).

2.18 Voor Heemskerk in zijn noot onder het arrest bestaat geen twijfel. Z.i. heeft de Hoge Raad in dit arrest beslist dat een deelvonnis als een eindvonnis is aan te merken, dat wil zeggen niet als een "beslissing, welke aan het eindvonnis voorafgaat", zodat daarvan dus dadelijk cassatieberoep moet worden ingesteld binnen de termijn van art. 4.

Ook A-G Bakels heeft in zijn conclusie vóór HR 28 november 1997, NJ 1998, 165 met verwijzing naar deze beslissing uit 1983 gesteld dat, anders dan de toelichting op art. 3 impliceert, de rechtspraak van de Hoge Raad meebrengt dat cassatie wél openstaat en zelfs noodzakelijk is voorzover sprake is van een deelvonnis(29).

2.19 Haaks op deze uitspraak lijkt het arrest van de Hoge Raad van 13 april 1984, NJ 1984, 719 m.nt. WLH (Great Kern/Aachener Leipziger) te staan. In de zaak die leidde tot dit arrest waren de oorspronkelijke eisers in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard op grond van een arbitraal beding. Het Gemeenschappelijk hof vernietigde dit vonnis in appel en verwees de zaak terug om alsnog een beslissing ten principale te nemen. A-G Franx bestempelde dit vonnis als een eindvonnis en achtte het cassatieberoep ontvankelijk. De Hoge Raad oordeelde dat art. 3 naar zijn strekking de mogelijkheid van tussentijdse cassatie in procedures die voor de feitelijke rechter nog niet uitgeprocedeerd zijn, afsnijdt en dat het bestreden vonnis van het hof een beslissing is die aan het eindvonnis of de eindbeschikking voorafgaat.

2.20 In zijn noot onder dit arrest vatte Haardt de drie tot dan toe over art. 3 van de Cassatieregeling gewezen uitspraken van de Hoge Raad als volgt samen: "de tijdrovende en verre stap naar de overzeese cassatierechter mag niet gezet worden, zolang er in de procedure door de Antilliaanse rechter nog iets te beslissen valt." (30).

2.21 Ook in de zaak die heeft geleid tot HR 10 november 2000, NJ 2001, 229, viel er, nadat het Gemeenschappelijk hof in een latere uitspraak had uitgemaakt dat een nieuwe appeltermijn was gaan lopen, (als)nog iets te beslissen in de zaak waarin door de eerdere uitspraak van het Gemeenschappelijk hof aanvankelijk een definitief einde was gemaakt, waarmee beroep in cassatie zou hebben opengestaan. Door de nieuwe appeltermijn hing de hoofdzaak echter opnieuw bij de feitelijke rechter en was het cassatieberoep niet-ontvankelijk.

2.22 In Asser-Korthals Altes-Groen wordt eerst opgemerkt dat tussenvonnissen die in een uitdrukkelijk dictum aan een deel van het gevorderde een einde maken, volgens de Memorie van Toelichting tot art. 3 van de Cassatieregeling onder de regel begrepen zijn en wordt vervolgens uit het hiervoor onder 2.14 genoemde arrest HR 11 juli 2003, NJ 2003, 564 de conclusie getrokken dat van het gedeelte van een arrest [vonnis W-vG] waarmee aan enig deel van het gevorderde in het dictum een eind wordt gemaakt, terstond in cassatie moet (curs. auteurs) worden gekomen(31).

2.23 Nu art. 3 van de Cassatieregeling (bijna geheel) is gebaseerd op art. 263 RvNA meen ik allereerst dat de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot appel van deelvonnissen voor het cassatieberoep van deelvonnissen van het Gemeenschappelijk hof dient te worden doorgetrokken.

2.24 Deze opvatting is, anders dan Wakawa c.s. betogen, m.i. niet in strijd met de toelichting op art. 3. De tekst daarvan dwingt m.i. niet tot de opvatting dat de in het tweede gedeelte van de toelichting voorgestelde breuk met de Nederlandse regeling ook ziet op de uiteenzetting in het eerste gedeelte van de in Nederland geldende regeling ten aanzien van deelvonnissen.

2.25 In de tweede plaats wordt op deze wijze, zoals de bedoeling was van de Memorie van Toelichting tot de Cassatieregeling, aangesloten bij de regeling die voor cassatie in Nederlandse zaken geldt, nu er geen afwijkende omstandigheden in de Nederlandse Antillen zijn die tot afwijking van de Nederlandse cassatieregeling nopen.

De tegenwerping van Wakawa c.s. dat aldus zou worden miskend dat het Antilliaanse cassatieprocesrecht nu eenmaal niet overeenstemt met het Antilliaanse appelprocesrecht, stuit af op grond van hetgeen hierboven over de samenhang van art. 263 RvNA en art. 3 Cassatieregeling is opgemerkt(32).

2.26 Wakawa c.s. betogen ten slotte dat sprake is van strijd met het fair trial-beginsel uit art. 6 EVRM, nu Wakawa c.s. "de dupe worden van een minderheidsredenering en/of geheel impliciete uitspraak in afwijking van de tot dan toe heersende leer, zoals gebaseerd op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie van de Hoge Raad."(33)

Nog daargelaten dat blijkens de hiervoor gegeven schets van de opvattingen niet van een heersende leer ten faveure van het standpunt van Wakawa c.s. kan worden gesproken, brengt enkele omstandigheid dat de Hoge Raad zich niet eerder expliciet over de thans aan de orde zijnde vraag heeft uitgelaten, niet mee dat sprake is van strijd met art. 6 EVRM indien de beslissing ongunstig voor Wakawa c.s. uitvalt(34).

2.27 Het partiële niet-ontvankelijkheidsberoep van [verweerder] c.s. slaagt mitsdien.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van Wakawa c.s. in hun cassatieberoep tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001 voorzover daarin de vorderingen in hoger beroep onder (2), (3), (5) en (6) zoals bij vonnis van 11 september 2001 bepaald, zijn afgewezen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Nu thans uitsluitend de behandeling van het (partiële) ontvankelijkheidsverweer aan de orde is, volsta ik met een - verkorte - beschrijving van het procesverloop. Zie daarvoor de vonnissen van het GEA, zittingsplaats Curaçao van 2 oktober 1995, 4 maart 1996, 4 november 1996, 21 juli 1997, 10 november 1997, 16 november 1998, 22 maart 1999, 10 januari 2000 en 2 oktober 2000, alsmede de vonnissen van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001, 4 februari 2003, 27 mei 2003 en 13 december 2005.

2 Zie het vonnis van het GEA van 2 oktober 1995, p. 1.

3 Zie ook het tussenvonnis van 4 november 1996 onder 1.

4 In februari 1998, zie het vonnis van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001 onder 3.1.

5 Zoals weergegeven in het vonnis van het Gemeenschappelijk hof van 11 september 2001 onder 1.2.

6 Zie noot 6.

7 In het griffiedossier bevinden zich een copie van het fax-journaal van de fax op de civiele griffie van de Hoge Raad, die voor het ingekomen cassatieverzoek als tijdstip van ontvangst 14 maart 0.00 uur aangeeft, de brief van mr. R.S. Meijer van 15 maart 2006 hierover en het proces-verbaal opgemaakt door de griffier, waarin wordt geconstateerd dat de tijdsregistratie van hiergenoemde fax 36 seconden vooruit loopt op de tijd die wordt aangegeven door de radiografisch bestuurde klok type Techno Line Radio Controlled Time and Date WS-8001, gebaseerd op een Cesium Atomic Klok van de Physikalisch Technische Bundesanstalt Braunschweig, uitgezonden vanuit Mainfligen bij Frankfurt via frequentiesignaal DCF-77 met een bereik van ongeveer 1500 km.

8 De cassatietermijn bedraagt drie maanden (zie art. 4 Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en Aruba in verbinding met art. 264 RvNA oud).

9 Blijkens de rolkaart uit het griffiedossier heeft de rolraadsheer zich met deze gang van zaken accoord verklaard.

10 Stb. 212.

11 Zitting 1959-1960, 5959 (R194), nr. 3, p. 3 (rechterkolom).

12 Zitting 1959-1960, 5959 (R194), nr. 3, p. 4 (linkerkolom).

13 Zitting 1959-1960, 5959 (R194), nr. 3, p. 4 (linkerkolom).

14 Zitting 1959-1960, 5959 (R194), nr. 3, p. 3 (rechterkolom).

15 Zitting 1959-1960, 5959 (R194), nr. 3, p. 4 (rechterkolom).

16 P.V. Sjiem Fat, Vonnis, eindvonnis en beslissing, Justicia, januari 1965, p. 3-16.

17 Ook zijn verwijzing in nt. 1 op p. 15 naar Star Busmann, Scheltema, Monte en Veegens biedt geen opheldering.

18 P.A.C. Bondam, De cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, NJB 1965, p. 201-209.

19 T.a.p., p. 207.

20 W.R. Boom, de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, Justicia, april 1965, p. 29-38.

21 T.a.p., p. 33.

22 P.V. Sjiem Fat, De Algemene Maatregel van Rijksbestuur ter uitvoering van de Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen, Justicia (1), april 1965, p. 43.

23 E. Monte, Antilliaans Procesrecht, diss. Leiden 1955, blz. 102. Hij stelt vast dat de Antilliaanse wetgever niet heeft aangegeven wat men onder vonnissen en beschikkingen, welke aan het eindvonnis voorafgaan, dient te verstaan (blz. 99).

24 Monte, a.w., blz. 103.

25 Onder 3.5.

26 M.M. Tillema, TAR-Justicia 2003, p. 242 e.v. Zie ook A-G Langemeijer in zijn conclusie vóór HR 15 oktober 2004, NJ 2004, 623.

27 Tevens gepubliceerd in Justicia 1967, nr. 32.

28 T.a.p., p. 135.

29 Onder 3.6. Z.i. heeft elke uitspraak van de Antilliaanse appelrechter waarmee in het dictum aan de procedure nog niet geheel of gedeeltelijk een einde wordt gemaakt, te gelden als een beslissing die aan het eindvonnis of de eindbeschikking voorafgaat in de zin van art. 3 Cassatieregeling.

30 Te weten HR 6 oktober 1967, NJ 1968, 50, HR 10 juni 1983, NJ 1984, 294 en HR 13 april 1984, NJ 1984, 719.

31 Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen ( 2005) nr. 62, p. 136-137.

32 Zie voorts ook mijn conclusie vóór HR 11 juli 2003, NJ 2003, 564, onder 3.11-3.17.

33 Verweerschrift tegen het beroep op niet-ontvankelijkheid onder 2.3.27.

34 Dat Wakawa c.s. op dit punt reeds bepaalde vermoedens hadden, blijkt uit het feit dat zij bij akte na het eerste tussenvonnis bij het hof op herroeping van de gegeven beslissingen hebben aangedrongen.