Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6719

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
R04/144HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6719
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over omgangsrecht. Feitelijke en niet-onbegrijpelijke beslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 221
RvdW 2007, 361
NJB 2007, 834
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnummer R04/144HR

Parket 19 januari 2007

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Conclusie inzake

[De moeder]

tegen

[De vader]

Inleiding

1. In dit geding, waarin aan thans verweerder in cassatie (verder ook: de vader) het gezag over de minderjarige dochter van partijen is toegekend, komt thans verzoekster tot cassatie (verder ook: de moeder) op tegen 's hofs oordeel dat aan haar het recht op omgang moet worden ontzegd op de voet van art. 1:377a lid 3 BW.

2. Tussen partijen staat onder meer het volgende vast (zie voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten rechtsoverweging 2.1-2.4 van de tussenbeschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 7 augustus 2003 en rechtsoverweging 2.2 van de eindbeschikking van dat hof van 30 september 2004):

i) Uit een affectieve relatie tussen partijen is geboren op [geboortedatum] 1998 [de dochter] ([de dochter]), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenden. Sinds het uiteengaan van partijen in mei 2000 verblijft [de dochter] bij haar vader.

ii) De vader woont thans samen met zijn partner, [betrokkene 1]. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2003 een dochter geboren. Zij vormen met [de dochter] en twee kinderen van [betrokkene 1] uit een eerdere relatie een gezin.

3. Bij dit geding inleidend verzoekschrift, op 14 juni 2000 ingekomen ter griffie van de rechtbank te Amsterdam, heeft de vader verzocht hem te belasten met het uitsluitend gezag over [de dochter] en te bepalen dat de gewone verblijfplaats van [de dochter] bij hem zal zijn; hij heeft voorts verzocht een omgangsregeling te treffen tussen de moeder en [de dochter], met dien verstande dat de omgang uitsluitend zal plaatsvinden onder toezicht van een door de rechtbank aan te wijzen persoon. De moeder heeft een verweerschrift, tevens zelfstandig verzoekschrift ingediend waarin zij primair verzoekt haar met het uitsluitend gezag over [de dochter] te belasten en de vader te veroordelen tot betaling van een maandelijkse onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de dochter]. Subsidiair, voor het geval dat de vader met het uitsluitend gezag over [de dochter] wordt belast, verzoekt de moeder de rechtbank te bepalen dat zij voor onbepaalde tijd het onvoorwaardelijk omgangsrecht met haar dochter mag uitoefenen op de dagen en uren als door haar aangegeven in haar zelfstandig verzoekschrift.

4. Nadat tussen partijen een tweetal kort geding-procedures hadden plaatsgevonden waarin onder meer is beslist dat [de dochter] bij de vader verblijft voor de duur van de onderhavige procedure en waarin ten laste van de moeder een straatverbod is uitgesproken voor de duur van zes maanden, heeft de rechtbank bij beschikking van 27 februari 2002 bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [de dochter] bij de vader zal zijn en dat de vader de moeder eenmaal per drie maanden op de hoogte zal houden van het functioneren en de ontwikkeling van [de dochter]; voorts heeft de rechtbank de Raad voor de Kinderbescherming verzocht aanvullende rapportage uit te brengen omtrent de omgangsregeling met de moeder en de door beide partijen verzochte gezagswijziging.

De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Lelystad, heeft op 13 juni 2002, onder verwijzing naar rapportages van 9 mei 2001 en 24 januari 2002, een rapport (met advies) uitgebracht omtrent de mogelijkheden voor een omgangsregeling tussen de moeder en [de dochter], alsmede omtrent de door de vader verzochte gezagswijziging.

Bij beschikking van 15 januari 2003 heeft de rechtbank de vader belast met het (eenhoofdig) gezag; zij heeft bepaald dat de moeder omgang zal hebben met [de dochter] zolang de inmiddels door de rechtbank Zwolle bij beschikking d.d. 25 juli 2002 voor de duur van één jaar uitgesproken ondertoezichtstelling voortduurt, waarbij de vorm en omvang daarvan zal worden vastgesteld door of namens de door de gezinsvoogdij-instelling aan te wijzen gezinsvoogd.

5. Tegen de beschikkingen van 27 februari 2002 en 15 januari 2003 heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De moeder verzocht het hof te bepalen primair haar zelfstandig verzoek tot eenhoofdig gezag alsnog toe te wijzen en subsidiair een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en [de dochter] als bij zelfstandig verzoekschrift door haar in eerste aanleg verzocht.

De vader heeft een verweerschrift ingediend; hij heeft onder meer aangevoerd omgang tussen de moeder en [de dochter] ongewenst en onverantwoord te achten.

6. Bij beschikking van 7 augustus 2003 heeft het hof - nadat de zaak op 16 juni 2003 ter zitting was behandeld - de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2003 bekrachtigd voorzover het de uitoefening van het gezag over [de dochter] betreft. Ten aanzien van de door de moeder verzochte omgangsregeling heeft het hof de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Amsterdam, verzocht een nader onderzoek door FORA te laten verrichten, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de persoonlijkheid van de moeder en haar mogelijkheden de omgang met [de dochter] gestalte te geven.

De Raad heeft de FPD verzocht een onderzoek in te stellen en de door het hof in zijn tussenbeschikking geformuleerde vragen te beantwoorden. De FPD heeft verslag gedaan in de vorm van een psychiatrisch rapport dat [betrokkene 2], kinder- en jeugdpsychiater, op 4 maart 2004 met betrekking tot de moeder heeft uitgebracht en dat als bijlage is gevoegd bij het rapport dat de Raad op 2 juni 2004 aan het hof heeft uitgebracht.

Nadat op 19 augustus 2004 een mondelinge behandeling voor het hof had plaatsgevonden, heeft het hof bij beschikking van 30 september 2004 de beschikking van de rechtbank van 15 januari 2003 vernietigd voorzover deze betrekking heeft op het vaststellen van een omgangsregeling, en heeft het hof, in zoverre opnieuw rechtdoende, het verzoek van de moeder tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen. Het hof heeft daartoe overwogen als volgt:

"2.2. De Raad heeft de FPD verzocht een onderzoek in deze zaak in te stellen en de door dit hof in de meergenoemde tussenbeschikking geformuleerde vragen te beantwoorden. De FPD heeft verslag uitgebracht in de vorm van een als bijlage bij het rapport van de Raad d.d. 2 juni 2004 gevoegd psychiatrisch rapport van [betrokkene 2] van 4 maart 2004 met betrekking tot de moeder. Ten aanzien van het persoonlijk functioneren van de moeder wordt door [betrokkene 2], samenvattend geconcludeerd dat sprake is van chronische problematiek gekenmerkt door psychosociaal disfunctioneren, obsessief en chaotisch gedrag en een volledige identificatie met de slachtofferrol. De moeder heeft blijk gegeven van nog onverwerkte problemen wat betreft haar communicatie met de vader. Er is sprake van een verstoorde communicatie tussen beiden, waarvoor moeder de vader verantwoordelijk houdt. Er bestaat nog steeds geen rustig en veilig klimaat om het contact tussen de moeder en [de dochter] te kunnen herstellen. Volgens [betrokkene 2] dient de moeder te leren dat zij haar rol als directe opvoedster van [de dochter] is kwijtgeraakt en dat zij aan haar rol als biologische moeder van [de dochter] opnieuw invulling moet geven.

2.3. In het rapport van [betrokkene 2] staat voorts vermeld, dat de moeder zich, wat haar beleving betreft, nog niet los heeft gemaakt van de situatie zoals die in 2000 was. Zij lijkt zich niet goed te realiseren dat [de dochter] vanaf eind 2000 bij de vader verblijft en door hem verzorgd en opgevoed wordt. De (psychologische) afstand tussen de moeder en [de dochter] is in de loop der tijd groter geworden. Zolang de moeder [de dochter] ervaart als een "gestolen kind"dat bij haar terug moet komen, lijkt er geen gezonde basis voor een succesvolle omgangsregeling aanwezig. Het is de verwachting dat de moeder voor dit acceptatieproces professionele hulpverlening en ondersteuning nodig zal hebben en dat het aan haar is, te beslissen of zij daarvan gebruik wenst te maken.

(...)

3.5. Aan de stelling van de moeder dat het onderzoek van de Raad te beperkt is gaat het hof voorbij. Uit de bevindingen van de Raad en het FPD onderzoek, blijkt dat in voldoende mate en in het bijzonder aandacht is besteed aan de persoonlijkheid van de moeder en haar mogelijkheden de omgang met [de dochter] gestalte te geven. Dat het onderzoek niet door FORA is uitgevoerd, doet daar niet aan af. De beantwoording in het rapport van de Raad sluit aan op de vraagstelling zoals in de beschikking van het hof van 7 augustus 2003 staat geformuleerd.

3.6. Uit het rapport van de Raad en het rapport van [betrokkene 2] blijkt dat de relatie tussen de vader en de moeder reeds lange tijd zeer gespannen is en dat er geen of nauwelijks enige communicatie tussen hen mogelijk is. Duidelijk is dat de moeder haar verleden met de vader nog niet heeft kunnen verwerken. Het hof is van oordeel, dat nu er geen communicatie tussen de ouders is en de moeder onvoldoende in staat is haar eigen rol in de conflictsituatie met de vader te onderkennen, een omgangsregeling niet haalbaar en ook niet in het belang is van [de dochter].

Gelet op de nog altijd voortdurende grote spanningen tussen de ouders, kan van de vader niet worden gevergd, dat hij onder die omstandigheden zijn medewerking aan een omgangsregeling tussen de moeder en [de dochter] zal verlenen.

Het realiseren van proefcontacten acht het hof niet in het belang van [de dochter], nu de moeder nog teveel met problematiek uit het verleden bezig is en het risico te groot is dat [de dochter] teveel in de strijd, die de moeder tegen de vader voert, zal worden betrokken. Zolang deze strijd voortduurt kunnen proefcontacten niet aan de orde zijn.

Op basis van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat omgang tussen de moeder en [de dochter] zal leiden tot spanningen van dien aard, dat daarmee de zwaarwegende belangen van [de dochter] worden getroffen zoals bedoeld in artikel 1:377a, derde lid onder d BW.

Het verzoek van de moeder moet dan ook worden afgewezen."

7. Tegen de eindbeschikking van het hof heeft de moeder cassatieberoep ingesteld. De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

De cassatiemiddelen

8. Middel 1 klaagt dat het hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op het psychiatrische rapport dat [betrokkene 2] met betrekking tot de moeder heeft opgemaakt en dat als bijlage is gevoegd bij het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 juni 2004. Het middel betoogt dat nu [betrokkene 2] blijkens het rapport een kinder- en jeugdpsychiater is, de vragen rijzen of een kinder- en jeugdpsychiater de geschikte persoon is om een volwassene te beoordelen, of deze voldoende onbevooroordeeld is jegens een volwassene en bijgevolg wat de intrinsieke waarde is van het rapport. Het middel klaagt dat het hof zijn beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd door deze vragen niet te beantwoorden.

9. Het middel faalt. Het hof heeft zich blijkens zijn hiervoor geciteerde rechtsoverweging gebaseerd op bevindingen uit zowel het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 2 juni 2004 als het als bijlage daarbij gevoegde rapport van [betrokkene 2], welke bevindingen inhouden - aldus het hof in rechtsoverweging 3.6 - dat de relatie tussen de vader en de moeder reeds lange tijd zeer gespannen is, dat er geen of nauwelijks communicatie tussen hen mogelijk is, dat de moeder haar verleden met de vader nog niet heeft kunnen verwerken en onvoldoende in staat is haar eigen rol in de conflictsituatie met de vader te onderkennen. Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof ervan uitgegaan dat [betrokkene 2] als kinder- en jeugdpsychiater over voldoende deskundigheid beschikte om verantwoord tot zijn bevindingen te kunnen komen. Het hof behoefde dat oordeel niet (nader) te motiveren. Daarbij zij bedacht dat de waardering van het deskundigenrapport is overgelaten aan het hof als rechter die over de feiten oordeelt en dat het hof overigens ingevolge het bepaalde in art. 810 lid 1 Rv. bevoegd maar niet verplicht was het advies van de Raad voor de Kinderbescherming in te winnen. Het hof is tevens kennelijk en niet onbegrijpelijk ervan uitgegaan dat [betrokkene 2] over voldoende professionaliteit beschikte om onbevooroordeeld te onderzoeken of en in hoeverre eventueel bij de moeder aanwezige problematiek belemmerend zou kunnen werken in het pedagogisch en affectief handelen van de moeder tijdens een omgangsregeling met [de dochter] (zie de vraagstelling in het rapport, p. 5 bovenaan). Ook dit oordeel behoefde het hof niet (nader) te motiveren bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel.

10. Middel 2 komt op tegen de eerste alinea van rechtsoverweging 3.6 (hiervoor onder 6 geciteerd). Het middel betoogt dat het hof in zijn bestreden rechtsoverweging drie redenen noemt op grond waarvan het de omgangsregeling niet haalbaar oordeelde en ook niet in belang van [de dochter], te weten (i) dat uit het rapport van [betrokkene 2] blijkt dat de relatie tussen de vader en de moeder gespannen is en dat tussen hen geen communicatie mogelijk is, (ii) dat de moeder haar verleden met de vader nog niet heeft kunnen verwerken en (iii) dat de moeder onvoldoende is staat is haar eigen rol in de conflictsituatie met de vader te onderkennen. Het middel formuleert vervolgens een "drieledige" klacht.

Het middel klaagt onder a dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande art. 1:377a lid 3 BW, althans dat het hof zijn beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd, nu geen van de drie door het hof genoemde redenen wordt genoemd in het derde lid van art. 1:377a BW. Het middel klaagt vervolgens onder b dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande art. 1:377a lid 3 en/of art. 1:253n BW, althans dat het hof zijn beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd. Het betoogt daartoe dat de door het hof genoemde redenen voor de ontzegging van de omgangsregeling overeenkomen met de redenen die kunnen leiden tot beëindiging van het gezamenlijk gezag op de voet van art. 1:253n BW. Het klaagt vervolgens dat de redenen die nopen tot beëindiging van gezamenlijk gezag juist niet kunnen nopen tot afwijzing van de verzochte omgangsregeling nu het bij het gezamenlijk gezag gaat om de prestatie van (en niet de relatie tussen) twee volwassenen, en bij de omgang om de relatie tussen een ouder en het kind (en niet om de prestatie van deze ouder en het kind). Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

11. Art. 1:377a lid 1 BW stelt voorop dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar. Ingevolge het derde lid van deze bepaling kan, zoals het middel op zichzelf terecht tot uitgangspunt neemt, het recht op omgang aan de niet met het gezag belaste ouder slechts worden ontzegd indien a) omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of b) de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of c) het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of d) omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. Bij de beoordeling van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling moet dan ook uitgangspunt zijn dat het kind en de niet met het gezag belaste ouder recht hebben op omgang met elkaar; centraal bij deze beoordeling staat niet de vraag of omgang in het belang van het kind gewenst is, maar juist de vraag of de omgang niet gewenst is wegens het bestaan van een (of meer) van de in art. 1:377a lid 3 opgesomde ontzeggingsgronden, welke als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind; zie HR 8 december 2000, NJ 2001, 648, m.nt. JdB en HR 9 december 2005, NJ 2006, 205, m.nt. S.F.M. Wortmann. Zie ook de losbladige editie Personen- en familierecht (Wortmann), art. 377a, aant. 4, met verwijzingen naar passages uit de parlementaire geschiedenis, waar wordt benadrukt dat het erom gaat dat bij de afweging van de belangen van alle betrokkenen bij omgang, uiteindelijk de belangen van het kind prevaleren en niet die van de ouder die niet met het gezag is belast of die van de andere ouder. Verwezen wordt in dat verband naar een passage uit de parlementaire geschiedenis, waarin wordt opgemerkt dat indien omgang met het kind leidt tot aanmerkelijke onrust en spanningen in het gezin waar het kind normaal verblijft, de omgang aan de niet met het gezag belaste ouder kan worden ontzegd indien door die onrust en spanningen de omgang in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van het kind. Zie ook Asser-De Boer, 2006, nrs. 1009 en 1010.

Het hof heeft een en ander niet miskend. Het hof heeft blijkens de voorlaatste volzin van zijn gewraakte rechtsoverweging 3.6 op grond van de in die overweging geschetste en door het middel aangehaalde feiten en omstandigheden geconcludeerd dat omgang tussen de moeder en [de dochter] zal leiden tot spanningen van dien aard, dat daarmee de zwaarwegende belangen van [de dochter] worden getroffen zoals bedoeld in artikel 1:377a, derde lid onder d BW. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 1:377a lid 3; het is evenmin onbegrijpelijk. Middelonderdeel 2a faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag nu het uitgaat van een verkeerde lezing van 's hofs bestreden overweging. De klacht van middelonderdeel 2b faalt evenzeer; zij ziet eraan voorbij dat geen rechtsregel het hof belette aan zijn oordeel dat de in art. 1:377a derde lid onder d bedoelde ontzeggingsgrond voor omgang zich voordeed, een omstandigheid ten grondslag te leggen die ook zou kunnen nopen tot het oordeel dat het gezamenlijk gezag op de voet van art. 1:253n BW moet worden beëindigd.

12. Middel 2 klaagt onder c ten eerste dat het hof het rapport van een kinder- en jeugdpsychiater niet had mogen aanvaarden als een deskundigenbericht over een volwassene. Het vormt aldus een herhaling van de klacht vervat in middel 1 en moet derhalve het lot daarvan delen.

Voorts richt middelonderdeel 2c zich met een aantal motiveringsklachten tegen de door het hof in zijn gewraakte rechtsoverweging opgesomde feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof tot de slotsom is gekomen dat omgang tussen de moeder en [de dochter] zal leiden tot spanningen van dien aard dat daarmee de zwaarwegende belangen van [de dochter] worden getroffen zoals bedoeld in art. 1:377a, derde lid onder d BW; het middelonderdeel komt tot de slotsom dat 's hofs beschikking onvoldoende is gemotiveerd.

Het middelonderdeel klaagt ten eerste dat 's hofs oordeel dat de vader en de moeder niet met elkaar kunnen communiceren op een niveau dat nodig is voor een omgangsregeling, op een kennelijke vergissing moet berusten. Het onderdeel klaagt verder dat het hof door een kennelijke vergissing tot het onjuiste oordeel moet zijn gekomen dat de moeder haar eigen rol in de conflictsituatie met de vader niet zou kennen, aangezien de moeder die rol wel degelijk kent. Ten slotte klaagt het onderdeel dat het hof - voorzover spanning tussen een moeder en een vader in de weg zou mogen staan aan een omgangsregeling - het hof had moeten uitleggen "waarom desondanks zoveel omgangsregelingen bestaan, nu de meeste vaders en moeders niet zonder reden de aanwezigheid van de ander niet meer aanvaardbaar achtten toen zij uit elkaar gingen".

13. Het hof heeft geoordeeld dat geen of nauwelijks enige communicatie tussen de vader en de moeder mogelijk is. Dat oordeel berust op uitleg van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 2 juni 2004 en het daarbij als bijlage gevoegde rapport van [betrokkene 2]. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. Het middel geeft ook niet aan waarop het zijn stelling baseert dat het oordeel van het hof op een vergissing berust. De eerste klacht moet derhalve falen.

De tweede klacht faalt evenzeer. Het hof heeft zijn door deze klacht gewraakte oordeel gebaseerd op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en van [betrokkene 2]. 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk. In het middel wordt ook niet uitgelegd waarom dat oordeel op een kennelijke vergissing zou berusten.

De derde klacht miskent dat het hof niet ermee heeft volstaan te constateren dat er tussen de vader en de moeder spanningen bestonden. Het hof heeft geoordeeld dat zich de door het hof genoemde feiten en omstandigheden voordoen, waaronder deze dat tussen de ouders nog altijd voortdurende grote spanningen bestaan, die meebrengen dat van de vader niet kan worden gevergd dat hij zijn medewerking aan een omgangsregeling tussen de moeder en [de dochter] zal verlenen. Het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat omgang tussen de moeder en [de dochter] zal leiden tot spanningen van dien aard dat daarmee de zwaarwegende belangen van [de dochter] worden getroffen als bedoeld in art. 1:377a lid 3 onder d BW. Daarmee heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd bij de beantwoording van de vraag of aan de moeder de omgang met haar dochter moest worden ontzegd. Reeds daarom faalt de derde klacht.

14. Middel 3 klaagt dat het hof dat in rechtsoverweging 3.6 heeft overwogen dat een omgangsregeling in strijd zou zijn met zwaarwegende belangen van [de dochter], niet heeft aangegeven welk zwaarwegend belang van [de dochter] zou worden getroffen door omgang met haar moeder; het middel concludeert dat de beschikking van het hof daardoor een wezenlijke motivering ontbeert. Het middel betoogt voorts dat het hof gemeend zou kunnen hebben dat de dochter een zwaarwegend belang bij een haar goed verzorgende vader heeft en dat de omgang tussen moeder en dochter zou teweegbrengen dat deze verzorgende vader zou veranderen in een mishandelende vader: het middel klaagt dat het hof in dat geval niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze mishandelende vader getolereerd zou worden.

15. De eerste klacht miskent dat het hof, dat in het kader van de ontzegging van de omgang op de grond genoemd in het derde lid onder d van art. 1:377a diende te beoordelen of omgang (anderszins) in strijd is met zwaarwegende belangen van [de dochter] en dat zijn oordeel dat daarvan sprake is deugdelijk diende te motiveren, niet behoefde aan te geven welk specifiek zwaarwegend belang aan omgang in de weg staat. De feiten en omstandigheden waarop het hof zijn oordeel grondt dat het recht op omgang moet worden ontzegd, dienen de conclusie te kunnen dragen dat het gaat om zwaarwegende belangen van het kind.

De tweede klacht mist feitelijke grondslag nu het hof niet heeft geoordeeld hetgeen het middel het hof veronderstellenderwijs als oordeel toedicht.

16. Middel 4 is gericht tegen 's hofs oordeel in de zesde volzin van rechtsoverweging 3.6 dat het realiseren van proefcontacten niet in het belang van [de dochter] is. Het middel betoogt dat het hof heeft geoordeeld dat proefcontacten niet in het belang van [de dochter] zijn omdat de strijd tussen moeder en vader voortduurt en [de dochter] zou worden betrokken in die strijd. Het klaagt dat 's hofs oordeel onbegrijpelijk is. In dat verband betoogt het middel dat het hof niet heeft onderkend dat - zoals uit rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt - de dochter al bij voortduring door de vader betrokken wordt bij de strijd tussen vader en moeder en dat niet alleen onverklaarbaar is waarom het hof dit toestaat, doch dat ook onverklaarbaar is waarom het hof aan de moeder ontzegt wat de vader mag.

17. Dit middel is eveneens vergeefs voorgesteld. Het hof dat heeft geoordeeld dat een omgangsregeling niet haalbaar is en ook niet in het belang van [de dochter] gelet op het feit dat er geen communicatie tussen de ouders is en dat de moeder onvoldoende in staat is haar eigen rol in de conflictsituatie met de vader te onderkennen. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat ook het realiseren van proefcontacten niet in het belang van [de dochter] zijn nu de moeder nog teveel met problematiek uit het verleden bezig is en het risico te groot is dat [de dochter] teveel zal worden betrokken in de strijd die de moeder tegen de vader voert, en dat proefcontacten niet aan de orde zijn zolang deze strijd voortduurt. Het hof is vervolgens tot de slotsom gekomen dat omgang tussen de moeder en [de dochter] zal leiden tot spanningen van dien aard dat daarmee de zwaarwegende belangen van [de dochter] worden getroffen als bedoeld in art. 1:377a lid 3 onder d BW. 's Hofs oordeel is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Het middel laat na een vindplaats te noemen. Maar ook de kennelijk door het middel bedoelde passage op pagina 6 van de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 13 juni 2002 - waarin met betrekking tot een proefcontact van drie kwartier op 26 maart 2002 in aanwezigheid van moeder, vader, [de dochter] en een raadsonderzoeker, wordt vermeld dat [de dochter] "zich niet [lijkt] te kunnen permitteren om gehoor te geven aan haar nieuwsgierigheid naar moeder en daarmee haar vader af te vallen" - maakt 's hofs oordeel niet onbegrijpelijk en noopte het hof evenmin tot een nadere motivering. Daarbij zij bedacht dat dit rapport ten tijde van 's hofs in cassatie aangevallen beschikking ruim twee jaar oud was; inmiddels heeft nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming plaatsgevonden naar de wenselijkheid en mogelijkheid van een omgangsregeling tussen [de dochter] en de moeder, resulterend in het rapport van de Raad van 2 juni 2004. In laatstgenoemd rapport adviseert de Raad geen omgangsregeling vast te stellen nu niet wordt voldaan aan de daarvoor noodzakelijke voorwaarden dat de ouders inzicht hebben in het eigen aandeel in een conflictsituatie en er geen sprake is van enige communicatie tussen hen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden