Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6694

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
00985/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6694
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vooropgesteld moet worden dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens (HR NJ 2001, 499). Het spreekt van zelf dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen (HR NJ 2007, 13). Het hof heeft, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat namens verdachte appel is ingesteld zonder dat daarbij de juiste persoonsgegevens van de als verdachte verschenen persoon bekend zijn gemaakt. Het hof heeft daarbij terecht de uitspraken HR NJ 2001, 499 en HR NJ 2003, 543 bij zijn beslissing tot uitgangspunt genomen. Nu, zoals uit het hiervoor overwogene volgt, het appel door de raadsman namens verdachte weliswaar binnen de wettelijke termijn is ingesteld, doch dit is geschied zonder bekendmaking van de ware persoonsgegevens, is niet op de wijze als in de wet voorzien dat rechtsmiddel aangewend, zodat het hof verdachte terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 174
NJ 2007, 170
RvdW 2007, 325
NJB 2007, 780
VA 2008/5 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00985/06

Mr. Wortel

Zitting:16 januari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte], zich ook noemende [betrokkene 1]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij de bovengenoemde persoon (hierna: verzoeker) niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam. Bij dat vonnis is de persoon, aangeduid als [verdachte] wegens (1) "Poging tot doodslag, meermalen gepleegd" en (2) "diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen.

2. Namens verzoeker heeft mr B.A. Vink, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een cassatiemiddel ingediend. Het middel keert zich met enkele klachten tegen 's Hofs oordeel dat - kort gezegd - verzoeker zich bij het instellen van het hoger beroep niet bekend heeft gemaakt, aangezien hij daarbij valse personalia heeft gebruikt, en dat verzoeker daarom in het appèl net zo min ontvankelijk is als de verdachte die bij het instellen van hoger beroep in het geheel geen personalia opgeeft.

3. Ik vat 's Hofs overwegingen samen.

4. In het vooronderzoek is als verdachte aangemerkt de persoon die zich noemde [verdachte], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1984. Onder die personalia is de verdachte, die in voorlopige hechtenis is geplaatst, ook door de Rechtbank veroordeeld. Onder deze personalia is (namens de verdachte) hoger beroep ingesteld.

5. Inmiddels had zich bij de politie gemeld een persoon, zich noemde [verdachte], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1984, die er de aandacht op vestigde dat diens personalia werden misbruikt door een neef, hem bekend als [betrokkene 1].

6. De in deze zaak gedetineerde persoon heeft zich ook ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk bediend van de personalia [verdachte], geboren in 1984. Hij heeft toegegeven dat hij [betrokkene 1] wordt genoemd, maar andere vragen betreffende zijn identiteit niet willen beantwoorden. De voorzitter heeft de verdachte er op gewezen dat hij een risico nam, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2003 betreffende de ontvankelijkheid in hoger beroep van degene die zijn identiteit niet wil onthullen.

De behandeling van het hoger beroep is aangehouden teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen aan de advocaat-generaal door te geven of de verdachte zijn identiteit wil kenbaar maken en diens paspoort wil overleggen. Op de volgende terechtzitting heeft de advocaat-generaal meegedeeld van de raadsman te hebben vernomen dat de verdachte is genaamd [betrokkene 1], geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1981. Een paspoort is niet afgegeven.

7. Deze processuele feiten voerden het Hof tot de vaststelling

"dat als vaststaand kan worden aangenomen dat namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, zonder dat daarbij de - juiste - persoonsgegevens van de als verdachte verschenen persoon bekend zijn gemaakt."

Voorts heeft het Hof de aandacht gevestigd op HR NJ 2001, 499, waarin is bepaald dat een rechtsmiddel alleen kan worden aangewend met bekendmaking van persoonsgegevens, en HR NJ 2003, 543, waarin is bepaald dat degene die als anonymus hoger beroep heeft ingesteld daarin niet kan worden ontvangen, indien de (juiste) personalia alsnog maar buiten de wettelijke termijn voor het aanwenden van het rechtsmiddel worden opgegeven.

Naar aanleiding van het namens verzoeker gevoerde verweer dat een niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in het hoger beroep strijdig zou zijn met het "nemo tenetur" beginsel en onverenigbaar met art. 6 EVRM, heef het Hof overwogen:

"De verplichting om bij het instellen van rechtsmiddelen zijn personalia bekend te maken heeft in beginsel niets met het verzamelen van bewijsmateriaal te maken. Er is geen sprake van een inbreuk op de verklaringsvrijheid in het kader van de bewijsgaring.

In het betreffende verdrag staat geen recht te lezen voor een verdachte om zich te bedienen van valse personalia. Van een ongeoorloofde inperking van het recht op twee instanties is dan ook geen sprake. Het vereiste voor het aanwenden van een rechtsmiddel kan niet worden beschouwd als een disproportionele beperking van het recht op toegang tot de hogere rechter."

8. Met betrekking tot de klachten in (de toelichting op) het middel merk ik het volgende op.

9. De redenen die de Hoge Raad in HR NJ 2001, 499 ten grondslag legde aan zijn oordeel dat een rechtsmiddel alleen behoort open te staan voor degene die zijn identiteit bekend maakt, gelden ten aanzien van de persoon die zich anoniem houdt in dezelfde mate als ten aanzien van de persoon die zich achter een valse identiteit verschuilt.

Daarom zie ik, anders dan de steller van het middel, niet waarom het Hof zich ten onrechte zou hebben laten leiden door (naast het zojuist genoemde HR NJ 2001, 499) HR NJ 2003. 543.

10. In de toelichting op het middel wordt voorts betoogd dat de praktijk leert dat illegaal in Nederland verblijvende personen zich veelal van aliassen bedienen terwijl het vaak onmogelijk blijkt om persoongegevens in het land van herkomst te laten verifiëren. Het ontzeggen van een rechtsmiddel op grond van twijfel aan de juiste identiteit zou daarom problemen opleveren, en waarschijnlijk maken dat "ernstige fouten zullen worden gemaakt".

11. Welke aan justitie toe te rekenen fouten in de hand zouden worden gewerkt laat de steller van het middel onvermeld. Dat zou evenwel nadere toelichting behoeven, daar zo op het eerste gezicht het aantal fouten alleen maar zal afnemen. De door het Hof gekozen benadering kan er uiteindelijk toe bijdragen dat verdachten duidelijker hun belang zien bij het consequent en nauwkeurig opgeven van hun waarachtige personalia.

Bovendien wordt hier miskend dat het Hof een beslissing heeft gegeven voor het geval waarin de verdachte zijn ware identiteit onder een alias verborgen houdt. Daarvan moet wel worden onderscheiden het geval waarin iemand zijn ware identiteit (zo goed en volledig mogelijk) heeft onthuld, doch vervolgens twijfel rijst, bijvoorbeeld door gebrek aan controle of verwisseling van voor- en achternamen, aan de juistheid of volledigheid van de in die zaak of bij eerdere gelegenheid opgegeven en vastgelegde persoonsgegevens. Op laatstbedoelde twijfel, die niet in de hand is gewerkt door het verlangen achter een alias te blijven schuilgaan, is de hier bestreden beslissing niet toepasselijk.

12. In de toelichting op het middel is nog het (subsidiaire) standpunt betrokken dat zelfs indien aangenomen moet worden dat een rechtsmiddel in beginsel niet onder een valse naam mag worden ingesteld, steeds een afweging van belangen behoort plaats te vinden. Daarom zou het Hof (nader) hebben moeten motiveren waarom die afweging er in dit geval toe leidt dat verzoeker in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is.

In zoverre wordt miskend dat het in HR NJ 2001, 499 (met name onder 3.7) overwogene geen ruimte laat voor uitzonderingen op het beginsel dat een verdachte die zijn (waarachtige) identiteit verborgen houdt geen rechtsmiddel ten dienste staat.

De enkele omstandigheid dat verzoeker in deze zaak in voorarrest is genomen, zodat de opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer kan worden gelegd, brengt niet mee dat de in HR NJ 2001, 499 genoemde redenen om rechtsmiddel te reserveren voor degene die zichzelf bekend maakt hun kracht in die mate verliezen dat van het door de Hoge Raad vastgestelde uitgangspunt moet worden afgeweken.

13. Het komt mij daarom voor dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,