Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6671

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2007
Datum publicatie
13-03-2007
Zaaknummer
00829/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6671
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 39 SUO heeft uitsluitend betrekking op het wederzijds verlenen van bijstand door politiediensten (politiële samenwerking). Deze bepaling betreft derhalve de bevoegdheid van de politiediensten om verzoeken om bijstand t.b.v. de voorkoming en opsporing van strafbare feiten zelfstandig, d.w.z. zonder tussenkomst van justitiële autoriteiten als de OvJ, uit te voeren. Nu i.c. de afschriften van de pv’s door tussenkomst van de Belgische en de NL justitiële autoriteiten door de Belgische politie zijn verstrekt aan de NL politie is geen sprake van het wederzijds verlenen van bijstand door politiediensten ex art. 39 SUO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 175
NJ 2007, 168
RvdW 2007, 323
NJB 2007, 786
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00829/06

Mr. Wortel

Zitting:16 januari 2007

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden.

Voorts heeft het Hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk aan verzoeker opgelegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

3. Het eerste middel klaagt over schending van art. 338 Sv in verband met art. 39, tweede lid, van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengen-Accoord (hierna SUO, Trb 1990, 145, sindsdien meermalen gewijzigd, laatstelijk Trb 2005, 253), doordien het Hof de inhoud van twee door Belgische opsporingsambtenaren opgestelde processen-verbaal tot bewijs heeft gebruikt - in de vorm van "andere geschriften" als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5o Sv - maar niet blijkt dat de Belgische autoriteiten de in het tweede lid van art. 39 SUO vereiste toestemming hebben gegeven.

4. Naast de twee zojuist bedoelde (afschriften van) Belgische processen-verbaal is een proces-verbaal van Nederlandse opsporingsambtenaren voor het bewijs gebruikt. Uit deze bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid.

Verzoeker heeft een avond en een deel van de nacht bier zitten drinken in het Nederlandse Meers. Vandaar uit is hij met zijn auto teruggereden naar zijn toenmalige woonplaats Maasmechelen, in België. Dat was althans verzoekers bedoeling, maar in het Nederlandse Stein heeft verzoeker een geparkeerd staande auto geramd. Hij is doorgereden, maar zijn eigen auto had zodanige schade opgelopen dat hij haar onderweg moest laten staan.

De politie te Maasmechelen kreeg een melding dat een beschadigde auto onbeheerd was achtergelaten en achterhaalde dat die auto bij verzoeker in gebruik was. Verzoeker heeft zich desgevraagd aan het politiebureau in Maasmechelen gemeld, alwaar hij is verhoord en een alcoholtest heeft ondergaan. Verzoeker verklaarde over zijn cafébezoek, en gaf voorts te kennen dat hij onderweg had bemerkt dat de voorbumper van zijn auto loshing, waarna hij de auto had achtergelaten.

De politie te Maasmechelen heeft bij Nederlandse collega's geïnformeerd of daar iets bekend was over een aanrijding.

5. Er kan vanuit worden gegaan dat de Nederlandse politie door laatstbedoelde vragen van de Belgische politie heeft achterhaald dat verzoeker de aanrijding in Stein heeft veroorzaakt. Er kan ook vanuit worden gegaan (en de aan de Hoge Raad toegezonden stukken - waarvan de korte inhoud ter terechtzitting van het Hof ter sprake is geweest - bevestigen zulks) dat de Belgische politie afschrift van haar processen-verbaal desgevraagd ter beschikking van de Nederlandse justitie heeft gesteld.

6. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat, nu er geen sprake is van een overgenomen strafvervolging, en art. 552gg Sv dus niet toepasselijk is, art. 39, tweede lid, SUO niet toestaat dat de desgevraagd ter beschikking gestelde afschriften van processen-verbaal voor het bewijs worden gebruikt, aangezien niet blijkt dat de Belgische autoriteiten daar nadrukkelijk toestemming voor hebben gegeven.

7. De eerste twee leden van art. 39 SUO luiden:

1. De Overeenkomstsluitende Partijen verbinden zich ertoe dat hun politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten, voor zover het doen of behandelen van een verzoek naar nationaal recht niet aan de justitiële autoriteiten is voorbehouden en voor het inwilligen van het verzoek door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij geen dwangmiddelen behoeven te worden toegepast. Wanneer de aangezochte politie-autoriteiten tot de afdoening van een verzoek niet bevoegd zijn, zenden zij dit aan de bevoegde autoriteiten door.

2. Schriftelijke informatie die krachtens het bepaalde in lid 1 door de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij wordt verstrekt, kan door de verzoekende Overeenkomstsluitende Partij slechts met toestemming van de bevoegde justitiële autoriteiten van de aangezochte Overeenkomstsluitende Partij als bewijsmiddel voor het ten laste gelegde feit worden aangewend.

8. Kennisneming van de stukken betreffende het vooronderzoek, die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, leert dat de processen-verbaal van de politie te Maasmechelen in Nederland zijn terecht gekomen door tussenkomst van het parket van de procureur des Konings te Tongeren.

9. Daarom meen ik dat het tweede lid van art. 39 SUO in dit geval niet toepasselijk is.

10. Voor geval daarover anders geoordeeld zou moeten worden merk ik nog het volgende op. De toepassing van art. 39, tweede lid, SUO is bij mijn weten in de Nederlandse rechtspraak nog niet aan de orde geweest, maar ik heb niet de indruk dat deze bepaling is opgenomen ter bescherming van bepaalde belangen van een verdachte. Zij lijkt veeleer de handhavingsbepalingen van de aangezochte Staat te dienen. De enkele omstandigheid dat bepaalde door de politie verzamelde of opgestelde bescheiden, zoals in dit geval een proces-verbaal van verhoor van degene die werd vermoed zich aan een strafbaar feit te hebben schuldig gemaakt, desgevraagd aan een buitenlandse justitiële autoriteit is toegezonden, doet reeds vermoeden dat de aangezochte autoriteiten er geen bezwaar tegen hebben dat de toegezonden bescheiden een bewijsbestemming krijgen.

Daarbij moet worden bedacht dat de aangesloten landen willen voorkomen dat het tweede lid van art. 39 SUO een voorvarende afdoening van strafzaken in de weg staat. Blijkens een Besluit van het Uitvoerend Comité van 28 april 1999 betreffende de verbetering van de politiële samenwerking bij de voorkoming en opsporing van stafbare feiten (Publicatieblad Nr L 239, 22 september 2000, p. 0421 - 0423) kan de voor bewijsgebruik vereiste toestemming met alle beschikbare communicatiemiddelen worden verzocht en gegeven, mits die communicatie maar een schriftelijk spoor van de verzender nalaat. Voor zover men in dit geval al zou moeten spreken van informatie die een opsporingsinstelling rechtstreeks heeft verschaft, geven de stukken betreffende de toezending van de processen-verbaal van de politie te Maasmechelen naar mijn inzicht voldoende duidelijkheid omtrent degene die klaarblijkelijk heeft bewilligd in het gebruik tot bewijs.

11. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat de door de politie te Maasmechelen opgenomen verklaring van verzoeker tot bewijs is gebruikt in de vorm van een "ander geschrift" als bedoeld in art. 344, eerste lid onder 5o Sv, terwijl dit derde bewijsmiddel niet het in deze bepaling verlangde verband vertoont met de twee andere bewijsmiddelen.

13. Blijkens de toelichting op het middel moet de klacht aldus worden begrepen dat de twee andere bewijsmiddelen in een belangrijk opzicht, te weten de omstandigheid dat verzoeker degene is geweest die de aanrijding in Stein heeft veroorzaakt, steunen op het derde bewijsmiddel, terwijl zij geen uit andere bron afkomstige gegevens bevatten die de wettelijk vereiste steun aan het laatste bewijsmiddel kunnen geven.

14. Het komt mij voor dat de klacht moet falen, aangezien bewijsmiddel 1 in ieder geval de uit andere bron afkomstige gegevens bevat dat a) de aanrijding heeft plaatsgevonden, en wel b) op een tijdstip dat overeenstemt met het tijdstip waarop verzoeker volgens bewijsmiddel 3 zijn thuisreis heeft aanvaard. Reeds hierin is de steun te vinden die art. 344, eerste lid onder 5o Sv voor een "ander geschrift" verlangt. Bovendien kan bewijsmiddel 1 aldus worden begrepen dat ter plaatse van de aanrijding op het wegdek auto-onderdelen zijn aangetroffen die nadien bij het door verzoeker bestuurde voertuig bleken te horen. Dat maakt de steun aan verzoekers als "ander geschrift" gebruikte verklaring bepaald sterk.

15. Het derde middel klaagt over de motivering van 's Hofs oordeel dat het Belgische proces-verbaal van verzoekers verhoor voor het bewijs bruikbaar is, ofschoon niet blijkt dat verzoeker voorafgaande aan dat verhoor op zijn zwijgrecht is gewezen.

16. Dienaangaande heeft het Hof overwogen:

"De politierechter heeft het onderzoek ter terechtzitting van 14 mei 2003 mede geschorst om te worden geïnformeerd over de vraag of aan verdachte voorafgaand aan zijn verhoor door de Belgische politie de cautie is gegeven, aangezien dit niet uit de processtukken bleek. Hoewel op grond van de nadere informatie ter zake is komen vast te staan dat aan verdachte niet de cautie is gegeven, heeft de politierechter verzuimd in zijn eindvonnis te overwegen of en zo ja welke consequenties hieraan verbonden zouden dienen te worden.

(...)

Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte als bewijs gebruikt kan worden, hoewel hem voorafgaand aan zijn verhoor door de Belgische politie niet de cautie is gegeven. In dat verband acht het hof het volgende van belang.

Het verhoor op 6 januari 2002 heeft plaatsgevonden nadat de Belgische politie de auto van verdachte op de openbare weg beschadigd en onbeheerd had aangetroffen en verdachte, daartoe uitgenodigd op het politiebureau, omstreeks 8.00 uur 's morgens nog forse tekenen van alcoholgebruik vertoonde. Derhalve vond het verhoor plaats ter uitoefening van de eigen politietaak en niet ter voldoening aan een verzoek van de Nederlandse justitie om verdachte te horen ter zake van een in Nederland gepleegd misdrijf.

Volgens Belgisch recht heeft een verdachte wel het recht om te zwijgen, maar is een opsporingsambtenaar niet verplicht de verdachte op dat recht te wijzen. Een Belgische opsporingsambtenaar heeft derhalve bij het verhoor van een verdachte geen cautieplicht."

17. In de toelichting op het middel wordt er, met verwijzing naar HR NJ 2004, 165, op gewezen dat het Hof niet de bron heeft genoemd voor zijn vaststelling dat het Belgische recht de verdachte een zwijgrecht toekent, maar een verhorende ambtenaar niet de verplichting oplegt op dat zwijgrecht te wijzen.

18. De juistheid van die vaststelling is aanstonds te verifiëren. Ik ontleen aan Chris van den Wyngaert, Strafrecht, strafprocesrecht & internationaal strafrecht in hoofdlijnen (Antwerpen - Apeldoorn, 2003), p. 596:

"Sommige rechtsstelsels komen aan dit probleem tegemoet door een procedurele verplichting op te leggen aan de politie of aan andere personen (b.v. de onderzoeksrechter) alvorens een potentiëel verdachte te ondervragen: de zgn. cautieplicht, bestaande in de verplichte waarschuwing dat verklaringen van de verdachte eventueel tegen hem kunnen worden gebruikt, cf. de befaamde Miranda-regel uit de Amerikaanse rechtspraak (...). Art. 47bis Sv. bevat echter geen uitdrukkelijke cautieplicht (...)"

19. Nu de juistheid van 's Hofs vaststelling aanstonds kan worden vastgesteld is er geen redelijk belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak. Overigens kan worden aangenomen dat het Hof bij vergissing heeft verzuimd te vermelden dat het zijn wetenschap ontleende aan (of bevestigd zag door) een bij de stukken gevoegd bericht van de politie te Maasmechelen van 16 juli 2003, waarin naar aanleiding van de vraag van de politierechter is medegedeeld dat verzoeker vóór zijn verhoor niet is verteld dat hij niet tot antwoorden verplicht was, maar dat hem wel "de Wet Franchimont" is voorgelegd, waarmee kennelijk is gedoeld op een (bij de stukken te vinden) schriftelijke voorlichting betreffende de rechten van degene die door opsporingsambtenaren zal worden verhoord.

20. Terzijde werp ik de vraag op of deze "Wet Franchimont-instructie" de positie van degene die door opsporingsambtenaren wordt verhoord niet veel sterker maakt dan ons cautievoorschrift. Mijn eigen ervaring met de opsporingspraktijk laten me weinig illusies over de beschermende waarde van de cautie, terwijl het me bepaald waardevol lijkt dat iemand die aan een verhoor wordt onderwerpen indringend onder de aandacht wordt gebracht dat de politie verplicht is (delen van) de verklaring zo veel mogelijk verbatim op te nemen indien de verhoorde persoon daarom vraagt; dat die verklaring als bewijsmateriaal gebruikt zal kunnen worden; dat de verhoorde persoon om bepaalde onderzoekshandelingen kan vragen, en dat hij desgevraagd kosteloos een afschrift van de verklaring krijgt

21. Ook het laatste middel is vruchteloos voorgesteld.

22. In ieder geval de laatste twee middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,