Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6648

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
R06/133HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek van echtelieden tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 187
RvdW 2007, 315
NJB 2007, 722
JWB 2007/86
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R06/133HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 19 jan. 2007

conclusie inzake

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verzoekers tot cassatie, hierna: [verzoeker 1] en [verzoekster 2], zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Zij hebben op 28 juni 2006 bij de rechtbank Arnhem een verzoekschrift ingediend strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2. Omtrent hun financiële omstandigheden is het volgende vastgesteld (zie r.o. 3.1 van het arrest van het hof). [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben een gezamenlijk inkomen van ongeveer Euro 1.750,- netto per maand. Hun totale schuldenlast bedraagt Euro 54.782,09 en bestaat onder meer uit een tweetal kredieten afgesloten bij de Postbank van in totaal Euro 37.588,-, een lening bij DSB van Euro 4.324,29 en een aantal kredieten bij de Royal Bank of Scotland, Comfort Card, Prime Line en Visa van in totaal Euro 7.833,-.

3. De rechtbank heeft bij vonnis van 28 augustus 2006 het verzoek afgewezen. Zij was van oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan van een aantal schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

4. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] zijn van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Arnhem, doch tevergeefs: bij arrest van 2 oktober 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

5. Daartoe overwoog het hof onder meer:

"3.4 Het hof is van oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een groot gedeelte van hun schuldenlast niet te goeder trouw zijn geweest, omdat er sprake is van een structurele verwijtbare overbesteding.

Het hof overweegt hiertoe dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ruim tien jaar lang forse schulden hebben gemaakt, zonder zich rekenschap te geven van de aflossingsverplichtingen die zij daarmee op zich namen. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] hebben een groot aantal kredieten afgesloten, voor veelal consumptieve uitgaven zoals vakanties, aanschaf van een auto, woninginrichting en financiering van hun huwelijk, terwijl deze uitgaven niet in overeenstemming waren met hun inkomen.

Het hof is van oordeel dat de aard en omvang van de uitgaven van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] en de lange periode gedurende welke zij dit uitgavenpatroon hebben gehandhaafd, in de weg staan aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

3.5 Alles overziende is het hof van oordeel dat het hoger beroep faalt. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen is onvoldoende gebleken."

6. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] zijn tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie gekomen met één middel.

7. Het middel bevat, als ik het goed zie, twee klachten.

8. De eerste klacht neemt stelling tegen 's hofs opvatting omtrent het begrip 'goede trouw' in de zin van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw en strekt kennelijk ten betoge dat het hof bij de beoordeling of van goede trouw sprake is, uit het oog heeft verloren dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in de waan verkeerden dat zij wel degelijk in staat waren om de schulden die zij aangingen, af te lossen en dat zij in die waan zijn gebracht door de crediteuren.

9. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof bij de beoordeling van de vraag of [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van (een gedeelte van) hun schulden niet te goeder trouw zijn geweest, heeft miskend dat daarbij (mede) als gezichtspunt heeft te gelden in welke mate aan hen een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft zijn oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van een groot gedeelte van hun schuldenlast niet te goeder trouw zijn geweest, gegrond op de overweging dat er bij [verzoeker 1] en [verzoekster 2] sprake is van structurele verwijtbare overbesteding. Daarin ligt besloten dat het hof bij de beoordeling van bedoelde vraag de mate waarin aan [verzoeker 1] en [verzoekster 2] een verwijt gemaakt kan worden van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in aanmerking heeft genomen.

10. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof ten onrechte en/of onbegrijpelijkerwijze heeft geoordeeld dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] een verwijt gemaakt kan worden, zulks omdat zij in de waan verkeerden dat zij wel degelijk in staat waren om de schulden die zij aangingen, af te lossen en dat zij in die waan zijn gebracht door de crediteuren, kan de klacht evenmin doel treffen. In hetgeen het hof heeft overwogen in r.o. 3.4 ligt besloten dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zich naar 's hofs oordeel, wat er ook zij van het gedrag van de kredietverschaffers, rekenschap hadden behoren te geven van de aflossingsverplichtingen die zij op zich namen door het aangaan van de schulden en hadden behoren te begrijpen dat de uitgaven waarvoor zij de kredieten afsloten, niet in overeenstemming waren met hun inkomen. Hieruit volgt dat naar 's hofs oordeel de stelling van [verzoeker 1] en [verzoekster 2], dat aan hen geen verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en onbetaald zijn gelaten, niet aannemelijk is. Dat oordeel is, gelet op de door het hof vastgestelde omvang van de ontstane schuldenlast en periode gedurende welke [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de schulden hebben gemaakt, niet onbegrijpelijk en getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw bedoelde gedragsmaatstaf. Voor een verdere toetsing van 's hofs oordeel is, sterk verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie geen plaats.

11. Als tweede klacht voert het middel aan dat het hof tegenover hetgeen door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in hoger beroep is aangevoerd niet kon volstaan met de overweging (r.o. 3.4, slot) dat de aard en omvang van de uitgaven van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] en de lange periode gedurende welke zij dit uitgavenpatroon hebben gehandhaafd, in de weg staan aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof zou dusdoende zijn beschikking niet naar de eis der wet met redenen hebben omkleed.

12. Ook deze klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Nog daargelaten dat het middel niet aangeeft op welke door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in hoger beroep aangevoerde stellingen wordt gedoeld, heeft het hof niet volstaan met de door het middel bedoelde overweging, doch heeft het in de eerste twee alinea's van r.o. 3.4 gemotiveerd aangegeven waarom naar zijn oordeel [verzoeker 1] en [verzoekster 2] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van een groot gedeelte van hun schuldenlast niet te goeder trouw zijn geweest.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden