Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6646

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
R06/101HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2006:AX1376
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6646
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Informeel ‘rechtshulpverzoek’ van Amerikaanse rechter tot – bemiddeling bij de – afwikkeling van de door hem uitgesproken voogdij van de in Nederland wonende pleegouders over in Texas (VS) geboren minderjarig kind; kantonrechter onbevoegd ambtshalve onderzoek RvdK te gelasten voor een mogelijk verzoek aan de rechtbank tot ontzetting uit tijdelijke voogdij of benoeming van een bijzonder curator; hoger beroep, ontvankelijkheid, ambtshalve genomen beslissing is een eindbeschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 42 met annotatie van Noot 1: H.J. Snijders Noot 2: S.F.M. Wortmann
JOL 2007, 233
RFR 2007, 80
RvdW 2007, 375
NJB 2007, 898
FJR 2007, 131
JWB 2007/119
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/101HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 19 januari 2007

Conclusie inzake:

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering

tegen

Raad voor de Kinderbescherming

Belanghebbenden:

[Belanghebbende 1 en 2]

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Op 10 juni 2005 is ter griffie van de rechtbank te Groningen, sector kanton, locatie Groningen, ingekomen een brief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gericht aan de kantonrechter mr. F.B. Böttcher. In die brief geeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken aan dat door de Texaanse rechtbank een verzoek is gedaan aan het Nederlandse consulaat-generaal te Miami om te bemiddelen bij de totstandkoming van contact tussen de kantonrechter en de Texaanse rechtbank inzake de voogdij over [het kind], geboren op [geboortedatum] 2002 in de Verenigde Staten van Amerika (USA).

1.2 De ouders van [het kind] zijn [de vader], van Mexicaanse nationaliteit (de vader) en [de moeder], van Nederlandse nationaliteit (de moeder).

[Het kind] heeft zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit.

1.3 De moeder van [het kind] is op 7 september 2003 in Texas (USA) doodgeschoten.

1.4 Ten tijde van het overlijden van de moeder was het gezin woonachtig in Texas, USA. De vader heeft in de periode rondom het overlijden van de moeder in de USA gedetineerd gezeten en is na afloop van zijn detentie als illegaal vreemdeling uitgezet.

1.5 De rechtbank te Wood County in Texas, USA, heeft op 1 oktober 2003 ordemaatregelen getroffen, inhoudende dat [het kind] wordt geplaatst onder de voogdij van de Child Protection Services te Houston, Texas, en voorts dat [het kind] voorlopig wordt toevertrouwd aan belanghebbenden in cassatie, de pleegouders, zijnde de oom respectievelijk tante van [het kind].

1.6 De pleegouders hebben voormelde ordemaatregelen ondertekend, waarbij zij hebben toegezegd om samen met [het kind] terug te komen voor een (vervolg)zitting bij de rechtbank te Wood County, Texas, USA.

1.7 Ook namens het Nederlandse Consulaat is de ordemaatregel ondertekend, aangezien Nederland de aanwezigheid van [het kind] op zittingen in Texas, USA, garandeerde.

1.8 [Het kind] is met de pleegouders naar Nederland gekomen.

1.9 Bij beschikking van 11 november 2003 heeft de kantonrechter te Groningen verzoeker tot cassatie, het LJ&R, belast met de tijdelijke voogdij over [het kind].

1.10 Naar aanleiding van de onder 1.1 genoemde brief van Buitenlandse Zaken zijn er blijkens de zich in het dossier bevindende afschriften vele (schriftelijke) contacten geweest tussen de rechter/rechtbank van Wood County in Texas, USA, en de kantonrechter.

1.11 Bij brief van 1 juli 2005 zijn de pleegouders, het LJ&R en verweerder in cassatie, de raad, uitgenodigd voor een onderhoud met de kantonrechter, te houden op 12 juli 2005 in het gerechtsgebouw inzake het in die brief genoemde onderwerp. Als onderwerp vermeldt de desbetreffende brief: minderjarige [het kind].

1.12 De kantonrechter heeft de juristen van het LJ&R, Kramer en Van Wijk, op respectievelijk 10 juni 2005 en 11 juli 2005 telefonisch te woord gestaan, waarbij de kantonrechter blijkens de beschikking van 13 juli 2005, het gesprek met Van Wijk als vertrouwelijk heeft aangemerkt.

1.13 Op 12 juli 2005 heeft een onderhoud plaatsgevonden als bedoeld in de brief van 1 juli 2005.

1.14 Van de inhoud van voormeld onderhoud is door de griffier en de kantonrechter een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de aanhef/inleiding als volgt luidt:

"Op 12 juli 2005 zijn voor mr F.B. Böttcher, kantonrechter, bijgestaan door G. Veldstra als griffier, op grond van een op 10 juni 2005 ter griffie ingekomen schrijven van het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarbij de kantonrechter is verzocht om informeel in overleg te treden met de rechter in Texas met betrekking tot de afwikkeling van de tijdelijke voogdij over de minderjarige:

[Het kind], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats], Texas (USA),

verschenen:

- de pleegouders van voornoemde minderjarige [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2],

- [betrokkene 1], werkzaam bij de Stichting Leger des Heils Welzijns- en Gezondheidszorg (...),

- [betrokkene 2] en [betrokkene 3], werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming."

1.15 Na voormeld onderhoud op 12 juli 2005 heeft de kantonrechter op 13 juli 2005 een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking gegeven, waarbij de kantonrechter de raad ambtshalve heeft gelast met spoed een nader onderzoek in te stellen teneinde een verzoek aan de civiele sector van de rechtbank te Groningen voor te leggen om het LJ&R op de voet van de artikelen 1:327 sub b en 1:328 BW te ontzetten uit de tijdelijke voogdij van de minderjarige [het kind], geboren op [geboortedatum] 2002, dan wel de kantonrechter te verzoeken een bijzonder curator ten behoeve van [het kind] te benoemen op de voet van artikel 1:250 BW.

1.16 Zowel de pleegouders als het LJ&R zijn van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 september 2005, hebben de pleegouders in de zaak met rekestnummer 0500364 het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beslissende, voor recht te verklaren dat maatregelen de status van [het kind] betreffende bij uitsluiting van anderen door de Nederlandse rechter getroffen dienen te worden.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 september 2005, heeft het LJ&R in de zaak met rekestnummer 0500402 verzocht primair de bestreden beschikking te vernietigen en subsidiair, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de verzoeken van William C. Martin III, Senior District Judge of the District Court of Wood County, Texas (USA), 402nd Judicial District en de Raad voor de Kinderbescherming aan de kantonrechter te Groningen van respectievelijk 2 juni 2005 en 12 juli 2005, niet-ontvankelijk zijn, tenminste voorzover het hof van oordeel is dat die verzoeken ten grondslag liggen aan de beschikking van genoemde kantonrechter van 13 juli 2005.

1.17 Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de raad en het LJ&R geen verweerschrift ingediend.

1.18 Wel heeft de raad ter uitvoering van voormelde beschikking van de kantonrechter met spoed een onderzoek ingesteld en op 31 oktober 2005 een rapport uitgebracht. Dit heeft niet geleid tot een verzoek tot ontzetting van het LJ&R uit de tijdelijke voogdij van de zijde van de raad(3).

1.19 De zaak is ter zitting van 10 november 2005 behandeld.

1.20 Bij beschikking van 3 mei 2006 heeft het gerechtshof te Leeuwarden de pleegouders (in de zaak met rekestnummer 0500364) en het LJ&R (in de zaak met rekestnummer 0500402) niet-ontvankelijk verklaard in het door hen ingestelde hoger beroep.

1.21 Het LJ&R heeft tegen de beschikking van het hof tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld.

De raad heeft geen verweer gevoerd.

De pleegouders zijn in de gelegenheid gesteld verweer te voeren, doch hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 In zijn in cassatie bestreden beschikking heeft het hof het LJ&R (en de pleegouders) op twee gronden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep.

De eerste grond (rov. 33-36) houdt kort weergegeven in dat de kantonrechter ambtshalve een beslissing heeft gegeven, welke beschikking dient te worden aangemerkt als een (voorbereidende) tussenbeschikking; hiertegen kan ingevolge art. 358 lid 4 Rv. in beginsel slechts tegelijk met de eindbeschikking hoger beroep worden ingesteld. Tegen dit oordeel zijn de (sub)onderdelen 4.1 tot en met 4.15 gericht.

De tweede grond (rov. 39) heeft betrekking op het ontbreken van belang. Hiertegen keert zich onderdeel 4.16.

Belang

2.2 Uit oogpunt van doelmatigheid zal ik eerst onderdeel 4.16 bespreken.

Het hof heeft in rechtsoverweging 39 het volgende geoordeeld:

"Daargelaten het vorenstaande, zouden de pleegouders en het LJ&R ook niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun hoger beroep om reden dat zij daarbij geen belang meer hebben. Immers, het door de kantonrechter gelaste onderzoek is inmiddels door de raad uitgevoerd en de raad heeft zijn bevindingen, visie en conclusie in een rapport neergelegd dat ook aan alle betrokkenen ter beschikking is gesteld. Dit heeft niet geleid tot een verzoek tot ontzetting van het LJ&R uit de tijdelijke voogdij - integendeel zelfs - van de zijde van de raad."

2.3 Het onderdeel klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een te beperkte opvatting van het vereiste van een (voldoende) processueel belang, waar het hof miskent dat het LJ&R heeft aangevoerd bij een inhoudelijke beoordeling belang te hebben omdat de kantonrechter de bevoegdheden, haar bij art. 1:250 BW toegekend, behoudt en (jegens het LJ&R) kan gebruiken. In alinea 5.14 van het verzoekschrift wordt benadrukt dat het zeer wenselijk is dat duidelijkheid wordt geschapen over de in het verzoekschrift aan de orde gestelde vragen, aan de beantwoording waarvan het hof ten onrechte niet is toegekomen. Bij alle vrijheid die de rechter moet worden gelaten die maatregelen te treffen die hem in het belang van het kind geraden voorkomen, past niet dat de kantonrechter actie onderneemt buiten wettelijke kaders om en bevoegdheden uitoefent die hem niet toekomen, aldus het onderdeel.

2.4 Blijkens het dictum van de beschikking van de kantonrechter van 13 juli 2005 is het (spoed)onderzoek van de raad gelast in het licht van hetgeen de kantonrechter daartoe heeft overwogen.

De desbetreffende rechtsoverweging 4.5 luidt als volgt:

"Overeenkomstig diens suggestie verzoekt de kantonrechter de Raad voor de Kinderbescherming te Groningen een nader onderzoek in te stellen teneinde een verzoek aan de civiele sector van deze rechtbank voor te leggen om de AJL te ontzetten uit de tijdelijke voogdij op de voet van de artikelen 1:327 sub b en 1:328 BW dan wel een verzoek te doen aan de kantonrechter tot benoeming van een bijzonder curator op de voet van artikel 1:250 BW."

2.5 Het hof heeft hieruit in de rechtsoverwegingen 25 en 29 - m.i. niet onbegrijpelijk - afgeleid dat de kantonrechter hiermee kennelijk wenst(e) te bewerkstelligen dat de raad naar aanleiding van een door hem ingesteld onderzoek zou overwegen een verzoek tot ontzetting van het LJ&R uit de (tijdelijke) voogdij in te dienen, waartoe de raad ingevolge art. 1:329 lid 1 BW ook bevoegd is.

Daaraan kan worden toegevoegd dat de kantonrechter klaarblijkelijk subsidiair wilde bevorderen dat de raad een verzoek zou doen aan de kantonrechter tot benoeming van een bijzonder curator op de voet van art. 1:250 BW.

2.6 Vaststaat dat de raad het door de kantonrechter gelaste onderzoek inmiddels heeft uitgevoerd. In zijn rapport van 28 oktober 2005 heeft de raad onder meer het volgende opgemerkt (blz. 8):

"(...) De Raad voor de Kinderbescherming komt tot de conclusie dat het in het belang van [het kind] en haar gezonde uitgroei naar volwassenheid is dat zij verder kan opgroeien bij de huidige pleegouders in Nederland.

De vraag of er sprake kan zijn van misbruik van bevoegdheid van het LJ&R is derhalve gerelateerd aan het niet meewerken c.q. de pleegouders niet verplichten mee te werken aan het doen aanwezig zijn van [het kind] ter zitting in Texas.

Naar de mening van de Raad voor de Kinderbescherming is deze vraag primair een juridische vraag met internationaal-rechtelijke aspecten. Deze vraag kan niet beantwoord worden door middel van een raadsonderzoek.

Dit geldt eveneens ten aanzien van de vraag of benoeming van een bijzonder curator aangewezen is."

Samenvattend komt de raad dan tot het oordeel dat (onder punt 12):

"(...) zich op dit moment geen grond voordoet om over te gaan tot indiening van een verzoek bij de rechtbank tot ontzetting van het LJ&R uit de tijdelijke voogdij. Evenmin is er voor de Raad aanleiding om de rechtbank, sector kanton, te verzoeken over te gaan tot de benoeming van een bijzonder curator."

2.7 Het door de kantonrechter gelaste onderzoek heeft mitsdien niet geleid tot het door de kantonrechter beoogde verzoek van de raad aan de civiele sector van de rechtbank tot ontzetting uit de tijdelijke voogdij dan wel tot een verzoek aan de kantonrechter tot benoeming van een bijzondere curator. Dientengevolge ontbeert het cassatieverzoek van het LJ&R belang bij vernietiging van de beschikking van het hof en van de beschikking van de kantonrechter.

2.8 De enkele omstandigheid dat de kantonrechter aan art. 1:250 BW ook ambtshalve de bevoegdheid kan ontlenen om een bijzondere curator te benoemen, doet daaraan niet af, nu de onderwerpelijke beschikking van de kantonrechter niet op die bevoegdheid is gebaseerd. Indien de kantonrechter ambtshalve tot benoeming van een bijzondere curator zou willen overgaan, dient zulks te geschieden in een nieuwe verzoekschriftprocedure(5).

2.9 Onderdeel 4.16 faalt derhalve. Nu het oordeel van het hof op deze tweede grond in stand kan blijven, behoeven de overige (sub)onderdelen geen bespreking.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het LJ&R in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de bestreden beschikking van het hof Leeuwarden van 3 mei 2006, rov. 1 t/m 18.

2 Zie de bestreden beschikking, p. 2 en 3.

3 Zie rov. 39 van de beschikking van het hof te Leeuwarden van 3 mei 2006.

4 Het verzoekschrift tot cassatie is op 3 augustus 2006 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

5 In het thans aanhangige wetsvoorstel 'Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding' wordt voorgesteld art. 1:250 BW aldus aan te passen dat niet de kantonrechter maar de rechtbank een bijzondere curator benoemt, dan wel, indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de betreffende rechter, zie: Nota van wijziging, Tweede Kamer 2006-2007, 30 145, nr. 7, p. 2.