Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6645

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
R06/068HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6645
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Geschil over alimentatie tussen gewezen echtgenoten.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 226
RvdW 2007, 364
NJB 2007, 842
JWB 2007/107
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R06/068HR

Mr. Huydecoper

Parket, 19 januari 2007

Conclusie inzake

[De vrouw]

verzoekster tot cassatie

tegen

[De man]

verweerder in cassatie

Feiten en procesverloop(1)

1) Aan de processtukken ontleen ik de volgende feiten (waarbij ik aanteken dat die slechts gedeeltelijk van betekenis zijn voor het in cassatie resterende geschilpunt):

de verzoekster tot cassatie, de vrouw, en de verweerder in cassatie, de man, zijn op 21 december 1992 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Het huwelijk is op 24 april 2003 ontbonden door inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Uit het huwelijk zijn, op [geboortedatum] 1995, twee kinderen geboren, die [de dochter] en [de zoon] heten. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de man. De vrouw heeft de echtelijke woning op 14 januari 2003 verlaten. Tussen de vrouw en de kinderen bestaat een omgangsregeling.

Het geschil in cassatie betreft (alleen) de hoogte van de partneralimentatie.

2) In de eerste aanleg heeft de rechtbank te Groningen de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud bepaald op € 2.000,- per maand.

In appel heeft het hof met name de draagkracht van de man anders beoordeeld, en de bijdrage nader bepaald op € 1.307,- per maand. Daarbij heeft het hof geoordeeld dat het niet in aanmerking kwam om van de man te vergen dat deze op zijn vermogen zou interen. Dat aspect van de beslissing van het hof vormt de inzet van het cassatieberoep.

3) Namens de vrouw is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(2). Van de kant van de man wordt in cassatie verweer gevoerd.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4) De klachten van het middel betreffen, zoals al werd aangestipt, alle het oordeel van het hof dat van de man niet mag worden verlangd dat die op zijn vermogen inteert. De desbetreffende overweging van het hof luidt:

"35. Daargelaten het door de man hiervoor aangevoerde argument zal het hof het bezwaar van de man tegen interen op zijn vermogen honoreren, nu de draagkracht van de man geheel wordt bepaald door het inkomen uit dit vermogen. De welstand van partijen tijdens het huwelijk moge de behoefte van de vrouw mede bepalen - zoals hoger overwogen -(3), het komt het hof in beginsel niet juist voor om die welstand eveneens de draagkracht van de man na ontbinding van het huwelijk te laten beïnvloeden in die zin dat de draagkracht op een hoger bedrag wordt vastgesteld dan de hierboven berekende huidige draagkracht. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die op voormeld uitgangspunt een uitzondering zouden rechtvaardigen."

5) De rechtsleer die voor de in cassatie opgeworpen vraag bepalend is, is in de namens partijen in cassatie ingediende stukken goed weergegeven. Ik vat die rechtsleer zo samen:

a) Draagkracht aan de kant van de tot levensonderhoud verplichte partij bestaat naar gelang van het "vermogen (van de betrokkene) om uit de middelen waarover hij vermag te beschikken iets af te staan ten behoeve van den tot onderhoud gerechtigde", zoals Asser - De Boer, 2006, nr. 624 uit HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266 aanhaalt. Het in deze beschikking van de Hoge Raad beoordeelde geval is ook illustratief: de alimentatieplichtige was vennoot in een firma met zijn broers. Hij bleek, ondanks het feit dat hij de firma een groot bedrag schuldig was en dat hij volgens eigen opgave nog maar relatief bescheiden bedragen per maand uit de firmakas mocht opnemen, te zijn "voortgegaan met het voeren van een ruimen levensstaat". De Hoge Raad overwoog dat er omstandigheden kunnen zijn waarin iemand, ook zonder vermogen (van "regulier" inkomen was, begrijp ik, al helemaal geen sprake), de beschikking heeft over middelen doordat hij geld kan lenen en ... daarvan gebruik maakt om zelf een bepaalde levensstaat te voeren. In zo'n geval kan ook worden aangenomen dat de betrokkene draagkrachtig is ten opzichte van een alimentatiegerechtigde.

b) Daadwerkelijk beschikbaar vermogen kan dus ook ertoe bijdragen, dat aangenomen wordt dat degene die daarover beschikt "draagkrachtig" is. Of dat het geval is, moet met inachtneming van alle omstandigheden worden beoordeeld(4), en die omstandigheden blijken in de praktijk zeer wisselend te zijn. Van Mourik - Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 2006, p. 700, suggereert enkele vuistregels: ondernemingsvermogen zou eerder als inkomstenbron zijn aan te merken dan als belegd vermogen. Daarbij zou "interen" in beginsel niet in aanmerking komen(5). Bij vermogen dat enkel als belegging wordt aangehouden zou, afhankelijk van de omstandigheden, "interen" eerder in aanmerking komen.

De variëteit aan mogelijkheden die zich in de praktijk voordoet is echter veel groter. Zo kan een rol spelen, in hoeverre de alimentatieplichtige zijn financiële positie er op heeft ingericht, dat zo min mogelijk rechtstreeks inkomen wordt behaald (waar bijvoorbeeld "stille" vermogensstijging door waardetoename van beleggingen tegenover kan staan)(6). Van belang is verder, welke andere middelen (inkomsten) de alimentatieplichtige ter beschikking heeft, en hoe groot het vermogen is (waar "interen" geen aanmerkelijke aantasting van het vermogen oplevert, zal men dat allicht eerder als aanvaardbaar en (dus) als aangewezen beoordelen). Relevant is verder, in welke omvang en voor welke duur "interen" geaccepteerd moet worden. Al naar gelang de omvang bescheiden is of de duur beperkt zal, zeker als er van een relatief ruim vermogen sprake is, "interen" ook eerder als aanvaardbaar/aangewezen worden beoordeeld. Ook de bestemming van tot het vermogen behorende middelen legt gewicht in de schaal: vermogen uit hoofde van een "inkomensvervangende" uitkering (het ging om een ontslagvergoeding ("gouden handdruk")) mag de rechter bij de beoordeling van de voor alimentatie bepalende draagkracht buiten beschouwing laten(7).

Bij een en ander lijkt mij nog relevant dat het, voorzover mij bekend, zelden voorkomt dat er, als het om alimentatieverplichtingen gaat, een beroep op "interen" op vermogen wordt gedaan; en dat de gevallen die uit rechtspraak en literatuur bekend zijn, een aanzienlijke mate van diversiteit vertonen. Bij een vrij zeldzaam verschijnsel dat zich in sterk uiteenlopende vormen aandient, is het ontwikkelen van normen of richtsnoeren niet goed mogelijk, of minstgenomen erg moeilijk(8).

c) Men vindt wel aanwijzingen dat tegen het "interen" op vermogen ter voldoening aan alimentatieverplichtingen reserves zouden bestaan (aldus, expliciet, Hammerstein-Schoonderwoerd in alinea 3 van haar noot bij HR 12 november 1993, NJ 1994, 141(9)). De terughoudendheid die deze bronnen suggereren vindt overigens geen steun in de eerder aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad (waarbij ik al aangaf dat vooral de beschikking van 27 maart 1992, NJ 1992, 395, mij een duidelijk "signaal" van de tegengestelde strekking lijkt). Ik merk op dat vermogen alleen dan betekenis voor de alimentatieplicht kan hebben, als men aanvaardt dat er wordt "ingeteerd": zolang dat niet het geval is is er enerzijds geen aantasting van het vermogen in het geding, en anderzijds ook geen reële toename van de beschikbare middelen te verwachten(10). Mede met het oog daarop meen ik dat voorbij moet worden gegaan aan de bronnen die terughoudendheid (of zelfs aversie) ten opzichte van het "interen" als bijdrage aan de voor alimentatie beschikbare middelen als richtsnoer presenteren.

d) In één al wat oudere beslissing(11), waarin geoordeeld werd over de verplichting van een ouder (moeder) om vermogen aan te spreken in verband met levensonderhoud voor haar kinderen, werd overwogen dat dit van de omstandigheden afhangt en dat die ter (uitsluitende) beoordeling van de feitelijke rechter zijn. Ik ben geneigd te denken dat wij deze beoordeling vandaag de dag als van "gemengde" aard moeten aanmerken, en dus niet als louter "feitelijk"; maar dat daarbij waardering en afweging van de feitelijke omstandigheden een voorname plaats inneemt, zodat de ruimte voor toetsing in cassatie beperkt is.

Voor de motivering van het oordeel dat hier verlangd wordt is de "gewone" motiveringseis die geldt voor beslissingen over de draagkracht in alimentatiezaken, van toepassing. Die eis is verhoudingsgewijs "licht"(12).

6) Met deze uitgangspunten voor ogen meen ik, dat de klachten van het middel tevergeefs worden voorgesteld.

"Rode draad" in die klachten is de gedachte dat het hof in deze zaak "in beginsel" het interen op vermogen als factor bij de beoordeling van de alimentatieplicht zou hebben afgewezen, en ervan uit zou zijn gegaan dat er bijzondere (uitzonderlijke) omstandigheden moeten worden aangetoond, om "interen" te kunnen rechtvaardigen. Mijn afwijzend oordeel over de klachten berust er in essentie op dat ik niet denk, dat de overwegingen van het hof op de in het middel veronderstelde gedachte berusten.

7) Ik lees de beslissing van het hof daarentegen zo, dat het hof voor zijn oordeel dat "interen" hier niet in aanmerking komt als doorslaggevend heeft aangemerkt, dat het vermogen de (enige) bron was van het inkomen van de man waaruit deze diens lasten, inclusief de alimentatieverplichtingen (zowel ten opzichte van zijn ex-echtgenote als ten opzichte van de bij hem wonende kinderen) moest bestrijden. "Interen" op middelen die zo wezenlijk zijn voor de inkomsten waarop zowel de alimentatieplichtige als de alimentatiegerechtigden (per saldo) aangewezen zijn(13), dient zich inderdaad als minder gelukkig aan, zeker als het ook niet om een tijdelijke "noodmaatregel" gaat, maar om een ("in beginsel") onbeperkt voortdurende erosie van de beschikbare vermogenswaarden. Als Van Mourik - Verstappen op de in alinea 5 onder b hiervóór aangehaalde plaats leren dat, bijwege van vuistregel, interen op "ondernemingsvermogen" niet in aanmerking komt maar interen op louter als belegging aangehouden vermogen (althans: onder omstandigheden) wel, vermoed ik dat zij niet denken aan een casus als de onderhavige, waar de betrokkenen in (sterk) overwegende mate op de inkomsten uit belegd vermogen aangewezen zijn. In zo'n geval is men geneigd het vermogen eerder op een lijn te stellen met ondernemingsvermogen, dan met "alleen maar" voor belegging aangehouden (extra) vermogen. Het verbaast dan niet dat het hof dat in deze zaak heeft beoordeeld in een zin die aansluit bij de door Van Mourik - Verstappen (als eerste) aanbevolen vuistregel.

Voor het overige gaat het hier, zoals in alinea 5 sub d hiervóór besproken, om een oordeel dat in hoge mate verweven is met beoordeling van het gewicht en de onderlinge verhouding van de feitelijke omstandigheden. De weging die het hof heeft gemaakt lijkt mij (dus) rechtens niet onjuist, en overigens in het licht van de vastgestelde omstandigheden goed te begrijpen.

8) Het middel baseert de daarin tot uitgangspunt genomen uitleg van de beschikking van het hof in belangrijke mate op de in de tweede volzin van rov. 35 gebruikte woorden "in beginsel". Dat lijkt mij al daarom niet juist, omdat het hof in deze volzin niet de dragende grond voor zijn beslissing over het vraagstuk van het "interen" geeft, maar (slechts) een gedachte van bijkomend belang onderzoekt. Het gaat in deze volzin immers over de vraag in hoeverre de welstand tijdens het huwelijk ook voor de draagkracht van de alimentatieplichtige partij (mede) bepalend kan zijn.

Gewoonlijk wordt dat gegeven - de welstand - in aanmerking genomen bij de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde partij en niet (opnieuw) bij de beoordeling van de draagkracht van de alimentatieplichtige(14).

9) Ik denk dat men het hof slechts kan bijvallen in zijn oordeel dat een zekere welstand tijdens het huwelijk - als daarmee al rekening is gehouden bij de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde - niet, ook nog eens, mag worden meegewogen als factor om tot een hogere draagkracht van de alimentatieplichtige te komen (het is die gedachte, die het hof in deze overweging verwerpt). Als deze factor bij de beoordeling van de draagkracht al gewicht in de schaal kan leggen lijkt mij, dat die eerder tot het lager inschatten daarvan (ik bedoel: van de draagkracht) behoort te leiden. De welstand tijdens het huwelijk indiceert immers niet slechts een hogere behoefte aan de kant van de alimentatiegerechtigde, maar ook een hogere behoefte aan de kant van de alimentatieplichtige - en dat gaat ten koste van diens draagkracht. Anders gezegd: als het redelijk is dat de alimentatiegerechtigde zich mag richten naar de tijdens het huwelijk bestaande welstand, valt moeilijk in te zien waarom de alimentatieplichtige dat (wat zijn eigen bestedingen betreft), niet zou mogen doen.

10) Om de hiervóór besproken redenen denk ik dat de onderdelen 1 en 2 van het middel niet op gaan - die betreffen achtereenvolgens de twee gedachten die ik hiervóór heb onderzocht, en anders beoordeeld dan deze onderdelen voorstaan.

11) Onderdeel 3 voert aan dat de slotzin van rov. 35 de eerder in het middel tot uitgangspunt aangenomen uitleg van die rov. zou bevestigen; maar ook dat zie ik niet in. Naar de letter genomen betreft deze zin alleen de daaraan voorafgaande zin, en daarmee de - in beginsel - juiste gedachte die in alinea 9 hiervóór werd onderzocht. Leest men deze volzin zo dat die ook op de eerdere gedachten van het hof terugslaat, dan geldt nog dat daaraan niet de betekenis hoeft - of wat mij betreft: behoort - te worden gegeven die het middel suggereert. Dan staat er "gewoon" dat het hof interen op vermogen dat de enige bron van besteedbaar inkomen vormt, in de gegeven omstandigheden niet aangewezen oordeelt; en dat er geen bijzonderheden zijn gebleken die tot de andere uitkomst kunnen leiden. De verdergaande strekking die het middel hier wil "inlezen" vind ik, ook in deze context, weinig voor de hand liggend.

Onderdeel 4 werkt het thema van de voorafgaande middelonderdelen in een nadere variant wat verder uit. Het berust op hetzelfde uitgangspunt dat ik in het kader van de eerdere onderdelen als onaannemelijk heb beoordeeld. Het kan dus wat mij betreft om dezelfde redenen niet slagen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping, met compensatie van de kosten als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 1 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 De beschikking is van 8 maart 2006, het cassatierekest is op 6 juni 2006 ingekomen.

3 Rov. 16 van de beschikking van het hof bespreekt de invloed van de welstand tijdens huwelijk op de behoefte van de vrouw.

4 HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184, rov. 3.5 (door mij aangemerkt als een "leading case"); HR 26 maart 1999, NJ 1999, 430, rov. 3.3; HR 12 november 1993, NJ 1994, 141 m.nt. WH-S, rov. 3.4; HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395, rov. 3.2 (volgens mij eveneens een "leading case"); zie ook HR 6 juni 1975, NJ 1976, 3 (waar het overigens onderhoud voor kinderen betrof, niet voor de gescheiden partner), HR 26 juni 1970, NJ 1970, 385 en HR 3 februari 1956, NJ 1956, 75. Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 157, aant. 2 en art. 397, aant. 1 sub b.; Asser - De Boer, 2006, nr. 625; Van Mourik - Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 2006, p. 700 - 701; Keijser, Handleiding bij scheiding, 2003, p. 125; Heida, Alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht, 1997, p. 58 - 59.

5 Zie ook A - G Langemeijer in diens conclusie voor HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184, alinea 2.9.

6 In HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184, rov. 3.5, werd geoordeeld dat er ook andere gevallen zijn waarin "interen" als bron van draagkracht mag worden aangemerkt - maar het genoemde geval dringt zich als enigszins voor de hand liggend op.

7 HR 24 november 1995, NJ 1996, 261.

8 Het is vooral daarom, vermoed ik, dat de zgn. Trema-normen wel aangeven dat vermogen voor de alimentatieplicht een rol speelt; maar dat die alle verdere aanwijzingen voor hoe daarmee moet worden omgegaan, achterwege laten (zie bijvoorbeeld Dorn, Alimentatieverplichtingen 4a, 2005, p. 47).

9 Zie, in vergelijkbare zin, De Jonge-Wiegmans en Van de Lest-Van Berkel, Themaboek Echtscheiding en Alimentatie, 2004, p. 14 nr. 29 - maar zie ook p. 15, nr. 33; terughoudendheid klinkt ook door bij Fernhout, Alimentatierekenen, 1990, p. 42 - 43. Zie ook alinea 2.1.5 van de conclusie voor HR 24 november 1995, NJ 1996, 261.

10 Waarbij natuurlijk wel in aanmerking is te nemen dat het "interen" langs indirecte weg kan plaatsvinden, bijvoorbeeld door het ter leen opnemen van geld tegen uit het vermogen geboden zekerheid. Een werkelijke bijdrage aan de besteedbare middelen van de alimentatieplichtige kan vermogen (niet te verwarren met: inkomen of winst uit vermogen) echter slechts dan leveren, als er op wordt "ingeteerd".

11 HR 6 juni 1975, NJ 1976, 3.

12 HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184, rov. 3.5.

13 Ter vermijding van misverstand merk ik op dat uit de stukken blijkt dat de vrouw over een gering inkomen uit arbeid beschikt.

14 Vaak wordt ook maar één van beide gegevens (behoefte dan wel draagkracht) nauwkeurig onderzocht. Meestal is het immers zo dat met de vaststelling van de kleinste van de bedoelde gegevens de omvang van de alimentatieplicht kan worden vastgesteld, en dat het daarvoor niet nodig is om ook het grotere gegeven precies te bepalen.