Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6644

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
R06/039HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6644
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 182
RvdW 2007, 312
NJB 2007, 719
JWB 2007/85
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R06/039HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 19 jan. 2007

conclusie inzake

[Verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], heeft op 14 november 2005 bij de rechtbank 's-Gravenhage een verzoekschrift ingediend strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2. In cassatie dient ervan te worden uitgegaan (zie r.o. 2 van het arrest van het hof) dat de schuldenlast van [verzoeker] in totaal Euro 43.450,17 bedraagt. Een aanzienlijk deel daarvan, ruim Euro 24.000,-, betreft een schuld aan de CMV Bank. Voorts is er een schuld aan Prime Line van ca. Euro 6000,- en heeft een bedrag van ca. Euro 9.200,- betrekking op zes schulden aan verschillende telefoonmaatschappijen.

3. De rechtbank heeft bij vonnis van 23 december 2005 het verzoek afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van de schulden niet te goeder trouw is geweest, omdat hij die zeer lichtvaardig is aangegaan.

4. [Verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 23 maart 2006 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

5. Het hof was met de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] in de zin van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden, aangezien hij die zeer lichtvaardig is aangegaan. Het hof overwoog onder meer (r.o. 5):

"[Verzoeker] heeft zijn stelling, dat het grootste gedeelte van zijn schuldenlast is ontstaan doordat derden van hem zouden hebben geprofiteerd, op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Dat hij de leningen bij de CMV Bank ten behoeve van een derde is aangegaan heeft hij niet met enig schriftelijk stuk kunnen onderbouwen. Ook is onduidelijk gebleven wanneer [verzoeker] de kredieten bij de CMV Bank en Prime Line is aangegaan en waarvoor het geld van deze kredieten is gebruikt. [Verzoeker] heeft ook geen enkel inzicht gegeven in het verloop van voornoemde schulden. Zelfs indien het zo zou zijn dat [verzoeker] de lening bij de CMV Bank voor een ander zou zijn aangegaan en dat derden van hem hebben geprofiteerd, dan moet, gezien de omvang van de schulden en het feit dat hij wel erg gemakkelijk van zich heeft laten profiteren, toch worden geoordeeld dat hij de schulden, althans een of meer daarvan, niet te goeder trouw is aangegaan."

6. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig; zie art. 292 lid 4 Fw) in cassatie gekomen met één middel.

7. Het middel keert zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] in de zin van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, Fw niet te goeder trouw is geweest bij het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden.

8. Zie ik het goed, dan komt het middel niet op tegen het oordeel van het hof - in r.o. 4 - omtrent het bij de toepassing van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, FW aan te leggen maatstaf (en zulks terecht niet: zie bijv. HR 24 december 2004, NJ 2005, 129 en HR 27 oktober 2006, NJ 2006, 586), doch bestrijdt het middel 's hofs oordeel dat [verzoeker] zijn stelling, dat het grootste gedeelte van zijn schuldenlast is ontstaan doordat derden van hem zouden hebben geprofiteerd, op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Volgens het middel heeft [verzoeker] duidelijk gesteld dat hij de schulden heeft aangegaan doch dat de feitelijke schuldenaren derden waren en dat dit in goed vertrouwen is geschied, zodat [verzoeker] het niet te goeder trouw zijn niet moet kunnen worden toegerekend.

9. Het middel zal niet tot cassatie kunnen leiden.

10. Het oordeel van het hof dat [verzoeker] zijn bedoelde stelling op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt, berust op een aan het hof als feitenrechter voorbehouden beoordeling van de processtukken en van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Het oordeel van het hof kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden met de stelling dat een andere beoordeling juist of mogelijk is.

11. Bovendien verliest het middel uit het oog dat het hof heeft geoordeeld dat, zelfs indien het zo zou zijn dat [verzoeker] de lening bij de CMV Bank voor een ander zou zijn aangegaan en dat derden van hem hebben geprofiteerd, dan toch, gezien de omvang van de schulden en het feit dat hij wel erg gemakkelijk van zich heeft laten profiteren, geoordeeld moet worden dat hij de schulden, althans een of meer daarvan, niet te goeder trouw is aangegaan. Deze overweging is in cassatie niet bestreden en kan het oordeel van het hof dat het verzoek om toepassing van de schuldsaneringregeling niet kan worden toegewezen, zelfstandig dragen. Het middel strandt derhalve reeds op gebrek aan belang.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden