Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6534

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
16-02-2007
Zaaknummer
R06/097HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6534
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 106
RvdW 2007, 208
NJB 2007, 543
JWB 2007/55
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/097HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 14 december 2006

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

1. Inleiding

1.1. De centrale vraag in deze zaak is of het hof bij het afwijzen van een verzoek om schuldsanering, de toepassing van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw (ontbreken van goede trouw) voldoende heeft gemotiveerd.

1.2. De aangevoerde klacht kan m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten en procesverloop

2.1. In het thans bestreden arrest heeft het hof niet met zoveel woorden vastgesteld van welke feiten het is uitgegaan. Aan rov. 1.1-1.5 van het vonnis van de rechtbank d.d. 23 mei 2006 kan - nu noch in hoger beroep, noch in cassatie over de feitenvaststelling is geklaagd - echter het volgende worden ontleend.

2.2. [Verzoeker] is gehuwd en heeft meerdere(1) kinderen. Enkelen van hen wonen thans nog in Marokko, enkelen zijn in Nederland geboren en enige kinderen zijn in het kader van gezinshereniging van Marokko naar Nederland gekomen.

2.3. [Verzoeker] heeft volgens de zogenaamde '285 Fw-verklaring' een totale schuldenlast van € 59.720, bestaande uit onder meer schulden aan ABN-Amro voor een totaalbedrag van € 45.282,73, schulden aan T-Mobile voor een totaalbedrag van € 1.961,14, een schuld aan Vodafone/Libertel van €739,40 en een schuld aan de DMO Gemeente Enschede van € 7.601,63.(2)

2.4. [Verzoeker] en zijn echtgenote ontvangen maandelijks een bijstanduitkering, norm gezin.

2.5. Bij verzoekschrift van 2 maart 2006 heeft [verzoeker] de rechtbank Almelo verzocht de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing te verklaren.(3) In haar vonnis van 23 mei 2006 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald blijven van de schulden.

2.6. [Verzoeker] is bij verzoekschrift van 30 mei 2006 van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. Op 13 juli 2006 is het beroep mondeling behandeld, op 20 juli 2006 wees het hof het thans bestreden arrest. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank. Het hof overwoog daartoe:

'3.3 Het hof is van oordeel dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van voornoemde schulden niet te goeder trouw is geweest. Allereerst is het ontstaan van de schulden aan ABN AMRO verwijtbaar. [Verzoeker] heeft van 1992 tot en met 2004 bij ABN AMRO een aantal leningen en doorlopende kredieten afgesloten om zijn gezin te onderhouden, hoewel hij wist, althans heeft moeten begrijpen, dat hij de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen, nu hij op het moment van het aangaan van voornoemde leningen en kredieten (vanaf 1992) een uitkering ontving. Deze uitkeringssituatie was de reden voor het aangaan van voornoemde verplichtingen. [Verzoeker] kon zijn gezin, met thans negen kinderen, financieel niet onderhouden van enkel zijn inkomsten uit uitkering, maar dat neemt de verwijtbaarheid van het aangaan van die schulden nog niet weg. Het had immers op zijn weg gelegen betaalde arbeid te zoeken en niet is gesteld of gebleken dat dat niet mogelijk zou zijn geweest. Daarnaast zijn de telefoonschulden aan T-Mobile en Vodafone/Libertel verwijtbaar. Ondanks de vooromschreven benarde financiële situatie, is [verzoeker] in 2004 nieuwe financiële verplichtingen bij deze telefoonaanbieders aangegaan, terwijl hij wist, althans behoorde te beseffen, dat hij de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen niet zou kunnen nakomen. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [verzoeker], zo hij in hoger beroep aanvoert, zich volop zal inzetten voor een goed verloop van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Enerzijds heeft hij immers tot op heden niet laten zien dat hij zich heeft ingespannen om financiële problemen te voorkomen, door het (doen) vergroten van zijn gezinsinkomen door betaalde arbeid, terwijl niet is aangevoerd of gebleken dat [verzoeker] daartoe sinds 1992 geen mogelijkheden heeft gehad. Anderzijds is niet aannemelijk geworden dat [verzoeker] zich ook maar enigszins heeft ingezet om zijn financiële problemen op te lossen, door naar vermogen af te lossen op schulden. Het hoger beroep van [verzoeker] faalt derhalve. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken. [...]'

2.7. Tegen dit arrest heeft [verzoeker] bij verzoekschrift van 28 juli 2006, diezelfde dag binnengekomen ter griffie van de Hoge Raad, tijdig(4) beroep in cassatie ingesteld.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het door [verzoeker] aangevoerde cassatiemiddel bevat één klacht, gericht tegen 's hofs oordeel dat niet gebleken is dat [verzoeker] zich ook maar enigszins heeft ingezet om zijn financiële problemen op te lossen, door naar vermogen af te lossen op zijn schulden (rov. 3.3). Volgens het middel is dit oordeel onjuist, nu uit [verzoeker]s inleidende verzoekschrift blijkt dat hij via zijn schuldhulpverlener gebruik maakt van de voorziening budgetbeheer en dat hij een akkoord heeft aangeboden aan zijn schuldeisers. Om deze redenen is het oordeel dat de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2 sub b Fw buiten toepassing moet worden gelaten onvoldoende gemotiveerd.

3.2. Zoals het middel op zichzelf met juistheid betoogt, kan de rechter bij de toepassing van art. 288 lid 2 Fw rekening houden met alle omstandigheden van het geval.(5) Onder verwijzing naar de arresten van 12 mei 2000 (NJ 2000, 567 m.nt. PvS) en 26 januari 2001 (NJ 2001, 178) wordt betoogd dat, ook al is het ontstaan van de schulden verwijtbaar - en is er in zoverre geen sprake van goede trouw -, een schuldenaar toch tot de schuldsanering kan worden toegelaten. Art. 288 lid 2 Fw bevat immers een facultatieve weigeringsgrond. Uit genoemde arresten kan inderdaad worden afgeleid dat, onder meer wanneer de (aspirant)saniet inmiddels de ontstane schulden zoveel mogelijk probeert af te lossen, er reden kan zijn om ondanks het ontbreken van goede trouw bij het ontstaan van de schulden toch de wettelijke schuldsanering toe te passen.(6)

3.3. Het bestaan van deze mogelijkheid hangt samen met de ratio van de facultatieve weigeringsgrond van art. 288 Fw. Deze is niet bedoeld als 'straf' voor onverantwoordelijk (financieel) gedrag. Met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling te voorkomen, in die zin dat een debiteur tot de regeling wordt toegelaten bij wie er, gelet op zijn gedragingen in het verleden, ernstig aan getwijfeld kan worden dat hij zich aan zijn verplichtingen in het kader van de schuldsaneringsregeling zal kunnen houden.(7) Het gaat om een op een prognose gerichte moraliteitstest, niet om een sanctie op een gebrek aan moraliteit.(8)

3.4. In zijn conclusie (onder 8) voor het arrest van 12 mei 2000 geeft A-G Strikwerda als volgt aan waarom de weigeringsgrond van art. 288 lid 2 buiten toepassing kan worden gelaten als de schuldenaar inmiddels naar vermogen op zijn schulden aflost:

'[...] de omstandigheid dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden een scheve schaats heeft gereden kan een aanwijzing zijn dat de schuldenaar ook thans nog steeds niet in staat is zich ten opzichte van zijn schuldeisers naar behoren te gedragen, maar dat behoeft niet. Uit de omstandigheden van het geval kan blijken dat de in het verleden begane fout een incident is geweest een schuldenaar er inmiddels blijk van heeft gegeven zich ten opzichte van schuldeisers naar behoren te willen en kunnen gedragen. De ratio van de afwijzingsgrond van art. 288, lid 2, aanhef en onder b, Fw valt dan weg.(9)

3.5. Kortom, het middel is gebaseerd op het juiste uitgangspunt dat bij de toepassing van art. 288 lid 2 Fw van belang is of de schuldenaar na het ontstaan van de schulden iets heeft ondernomen om zoveel mogelijk aan de belangen van de schuldeisers tegemoet te komen.

3.6. Daarmee is echter niet gezegd dat de klacht opgaat. Het oordeel dat niet gebleken is dat [verzoeker] zich ook maar enigszins heeft ingezet om zijn financiële problemen op te lossen (rov. 3.3) wordt aangevallen als onjuist. Met andere woorden: het gaat om een rechtsklacht.

3.7. M.i. kan de klacht niet opgaan, omdat met een rechtsklacht niet tegen een feitelijk oordeel kan worden opgekomen. De vaststelling of een schuldenaar iets ondernomen heeft om zijn financiële problemen op te lossen door naar vermogen af te lossen op zijn schulden lijkt mij volstrekt feitelijk. Dat oordeel kan in cassatie dan ook niet op juistheid worden getoetst.

3.8. Voor het geval geoordeeld zou moeten worden dat het hier om een zogenaamde gemengde beslissing gaat - aan de vaststelling dat de schuldenaar niets heeft ondernomen ligt dan mede een (impliciet) rechtsoordeel ten grondslag - ga ik nochtans ten gronde op de klacht in.(10)

3.9. [Verzoeker] beroept zich op de omstandigheid dat hij zich wel de belangen van zijn schuldeisers heeft aangetrokken, nu hij in het kader van schuldhulpverlening aan budgetbeheer deelneemt en hij een akkoord heeft aangeboden aan zijn schuldeisers.

3.10. Het middel geeft niet aan wat het door [verzoeker] aangeboden akkoord inhoudt. Het middel geeft aan dat [verzoeker] zich hierop heeft beroepen in 'het verzoekschrift ex artikel 284 Fw'. De bijgevoegde 'verklaring schuldsanering' (ex art. 285 Fw) vemeldt op blad 11: 'Akkoord aangeboden? Ja', maar houdt evenmin iets in over de inhoud van het aangeboden akkoord. Hoewel de opsomming van de bijlagen bij de 'verklaring schuldsanering' gewag maakt van een 'Kopie aangeboden akkoord' is die bijlage in het dossier niet aangetroffen.(11) Het middel voldoet in zoverre m.i. reeds niet aan de daaraan ingevolge art. 426a Rv. te stellen eisen.

3.11. Voor zover het dossier enige aanwijzing oplevert voor het onder 3.9 bedoelde, moet 's hofs klaarblijkelijke oordeel dat deelnemen aan budgetbeheer of het aanbieden van een akkoord aan de schuldeisers niet kan worden gekwalificeerd als 'naar vermogen aflossen op de schulden' worden aangemerkt als niet onjuist, noch onbegrijpelijk.

Het valt immers niet in te zien hoe het enkele aanbieden van een akkoord tot de conclusie zou kunnen leiden dat [verzoeker] naar vermogen was gaan aflossen op de opgebouwde schulden, te minder nu voor zover daarvan uit de stukken blijkt(12), het gaat om een aanbod tot een volgens de DMO van de Gemeente Enschede (brief van 9 september 2005) 'wel erg bescheiden toedeling van de beschikbare gelden', en volgens een brief van Intrum Justitia d.d. 22 augustus 2005 om een 'voorstel tegen finale kwijting van 1% van de totale vordering'. Ook uit een deelname aan budgetbeheer blijkt op zichzelf niet dat er aflossingen plaatsvonden. Het kan heel wel ook betekenen dat de deelnemer van zijn budgetbeheerder een klein vrij te besteden bedrag uitgekeerd krijgt ('zakgeld') en de budgetbeheerder de rest van het inkomen gebruikt om de lopende vaste lasten (denk aan huur, water, energie, schoolgeld) te betalen, zonder dat er van aflossing of aflossing naar vermogen sprake is. [Verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift niet duidelijk gemaakt of, en zo ja in welke mate, er in het kader van budgetbeheer er ook daadwerkelijk op zijn schulden was afgelost.

3.12. De slotsom is dat de door het middel aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 De rechtbank (rov. 1.2) gaat ervan uit dat er zes kinderen zijn; het hof (rov. 3.3) gaat ervan uit dat er negen kinderen zijn. Blijkens het p-v van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft [verzoeker] gezegd dat hij negen kinderen heeft, maar uit diens opgave wordt niet duidelijk hoeveel van hen in Nederland of Marokko wonen, en evenmin hoeveel kinderen in gezinsverband bij hem en zijn vrouw wonen en wie zelfstandig woont.

2 Ook het hof (rov. 3.2) noemt (afgerond) deze bedragen, maar laat de schuld aan de DMO Enschede onvermeld.

3 Ook [verzoeker]s echtgenote had om toepassing van de schuldsaneringsregeling verzocht; de rechtbank verklaarde haar verzoek niet-ontvankelijk. Het tegen dit oordeel gerichte hoger beroep is ingetrokken (zie rov. 3.1 van het thans bestreden arrest). Dit verzoek blijft hier dan ook verder onbesproken.

4 Binnen acht dagen na 's hofs arrest: vgl. art. 292 lid 4 Fw.

5 Zie over art. 288 Fw en de voorgestelde wijziging daarvan de conclusie voor HR 17 december 2004, nr. R04/023HR, NJ 2005, 240, onder 4 en de conclusie van A-G Spier voor HR 18 november 2005, nr. R05/022HR, LJN AU4487, nrs. 3.10-3.19.

6 Zie rov. 3.2.2 van HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567 en rov. 3.4.1-3.4.2 van HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178. Er is bij inmiddels getoonde verantwoordelijkheid, in de woorden van A-G Wuisman, 'ruimte voor vergeving'; zie zijn conclusie voor HR 1 december 2006, nr. R06/050HR, LJN AZ0139, onder 2.3.

7 Vgl. de conclusie van A-G Strikwerda voor HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 7.

8 Vgl. de noot van Van Schilfgaarde onder HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, onder 4 en de conclusie voor HR 17 december 2004, nr. R04/023HR, NJ 2005, 240, onder 4.4.

9 In vergelijkbare zin A-G Langemeijer in zijn conclusie voor HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, onder 2.7 en 2.8.

10 Zie over rechtsbeslissingen, feitelijke beslissingen en gemengde beslissingen Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie (2005), nrs. 100-103.

11 Of het zou moeten zijn een niet verder geduide kopie van een document met de titel 'Algemeen Aanvraag Systeem Terugmelden voorstel', met een schuldenoverzicht, en daarin twee kolommen 'Percentage' en 'Afkoopbedrag'. Als dát stuk bedoeld is, blijkt daaruit een aangeboden akkoord tot een bedrag van 1% (0,998%) aan 12 van de crediteuren, en tot een bedrag van 2% (1,996%) aan de Dienst maatschappelijke ontwikkeling. De hier bedoelde kopie is geen volledig overzicht, want vermeldt bovenaan als totaal aan aangemelde vorderingen € 82.0159,89, terwijl de dertien posten daaronder uitkomen op samen ca. € 60.000.

12 Vgl. ook de vorige voetnoot.