Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6152

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
01385/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6152
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG over de (on)mogelijkheid van niet-ontvankelijkverklaring van het OM bij onrechtmatigheden waardoor de verdachte niet in zijn belangen is geschaad. HR:81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 117
RvdW 2007, 251
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 01385/06

Mr. Wortel

Zitting:9 januari 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoeker wegens (1 en 3 telkens), "medeplegen van feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist [lees: doen, A-G], terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd", (onder 2 en 5 telkens) "medeplegen van feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en (6) "in gevallen waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" is veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur cassatieklachten voorgesteld.

In samenhangende zaken met griffienummers 01382/06, 01383/06 en 01384/06 concludeer ik heden eveneens.

3. Het eerste middel keert zich tegen de beslissing op een verweer, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.

4. Dit verweer is in de bestreden uitspraak als volgt samengevat en verworpen:

"A1

Van de zijde van verdachte is - op de gronden als vervat in de door de raadsman overgelegde pleitnotities - het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat er ernstige schendingen van beginselen van een goede procesorde hebben plaatsgevonden, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekortgedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak, zo althans wordt het door de raadsman gevoerde verweer door het hof verstaan.

A2

Van de zijde van de verdachte is daartoe onder meer - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd, te weten dat:

i. uit door de raadsman niet nader aangeduide zogenaamde "anonieme stukken" zou blijken dat een aantal ambtenaren onjuist en onvolledig heeft verklaard ten overstaan van de rechter-commissaris;

ii. uit door de raadsman niet nader aangeduide "anonieme stukken" zou blijken dat de regels die gelden tijdens de sfeerovergang van controle naar opsporing door bedoelde [aldaar niet nader aangeduide] ambtenaren zouden zijn overtreden;

iii. uit door de raadsman niet nader aangeduide "anonieme stukken" zou blijken dat aan verdachte [verdachte] niet tijdig de cautie is verleend;

iv. [naar het hof begrijpt: om het voorgaande te camoufleren] er onder meer gebruik is gemaakt van interne memo's [naar het hof begrijpt: in plaats van zonder meer aan de belastingplichtige toe te zenden openbare rapporten].

v. het geheugen van door het hof als getuige gehoorde belastingambtenaren te wensen over gelaten zou hebben c.q. zij niet naar waarheid zouden hebben verklaard;

vi. het belastingdossier door de belastingambtenaren zou zijn gezuiverd, meer specifiek zouden er stukken bewust uit het dossier zijn verwijderd, hetgeen zou blijken uit de inhoud van een e-mail, d.d. 4 december 2000, van belastingambtenaar [getuige 1] aan belastingambtenaar [getuige 2], terwijl de bewering dat deze e-mail een gefingeerde e-mail is, als onwaarschijnlijk moet worden afgedaan;

vii. de advocaat-generaal zou hebben geweigerd om een drietal verklaringen van getuigen - inhoudende dat zij Nissan Pathfinders hebben gezien - aan het strafdossier toe te voegen;

viii. aan de verdachte de mogelijkheid zou zijn ontnomen om één van de hoofdgetuigen, te weten de inmiddels overleden belastingambtenaar [getuige 3] vragen te stellen;

ix. verdachte op 16 augustus 2005 door de FIOD is aangehouden en later in bewaring gesteld waardoor, zoals het hof begrijpt, onbeperkt contact tussen verdachte en raadsman niet mogelijk was;

x. het onderzoek (te) eenzijdig zou zijn;

xi. ten onrechte de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6] niet in het dossier [verdachte] zouden zijn gevoegd.

A3

Ten aanzien van de verweren onder i., ii. en iii. overweegt het hof het navolgende.

Het hof stelt voorop dat de kennelijk door de raadsman bedoelde 'anonieme stukken' blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 15 maart 2005, bij beslissing van het hof van die datum, aan het dossier zijn toegevoegd. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat er sprake is van een onherstelbaar verzuim van voorschriften, zodat om die redenen en in zoverre van een beletsel voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn.

A4

In aanvulling hierop overweegt het hof dat de conclusies die de raadsman aan de onder A2 en A3 bedoelde stukken verbindt, niet kunnen leiden tot het oordeel dat er sprake is van zodanige ernstige schendingen van beginselen van een goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

In dit verband overweegt het hof nog dat voorzover een onjuiste omgang met de regels die betrekking hebben op de sfeerovergang ertoe zou hebben geleid dat aan verdachte te laat de cautie is verleend, dit verdachte op geen enkele wijze in een nadeliger positie heeft gebracht dan wanneer hij op een eerder moment formeel als verdachte in de zin van artikel 27 van het wetboek van Strafvordering zou zijn aangemerkt.

Met de eerste rechter constateert het hof dat verdachte geen hemzelf belastende verklaringen heeft afgelegd en ook overigens heeft het gestelde verzuim niet tot enig bewijs tegen verdachte geleid waarvan aannemelijk is dat het er zonder het gestelde verzuim niet was geweest.

Ook in zoverre wordt het verweer verworpen.

A5.1

Ten aanzien van het onder vi. gestelde overweegt het hof als volgt.

In het bijzonder gelet op de ambtsedige verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], afgelegd ten overstaan van het hof d.d. 15 maart 2005, is het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat er beoogd is voor de verdachte ontlastend materiaal aan het belastingdossier te onttrekken.

Voorts overweegt het hof, dat ook al zouden bescheiden, zoals CMR's, uit het belastingdossier zijn gezuiverd, dan nog kan belanghebbende dit in zijn verweer niet schaden, nu deze bescheiden, zoals verdachte kennelijk stelt, door controleambtenaren zouden zijn gekopieerd uit de administratie van [A] B.V. en [B] en deze bescheiden de verdachte uit dien hoofde ter beschikking zouden moeten staan. In dit verband wijst het hof op artikel 1c, eerste lid, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968.

Dit leidt tot het oordeel, nu zich daartoe ook overigens geen aanwijzigen in het dossier bevinden, dat het hof niet aannemelijk acht dat er met het oog op het faciliteren van een strafrechtelijke vervolging de verdachte ontlastend materiaal aan het (belasting)dossier is onttrokken.

Het hof verwerpt het verweer ook in zoverre.

A5.2

Het onder A5.1 overwogene brengt met zich mede dat een verzoek tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting met het oog op nader onderzoek naar de echtheid van de door de raadsman bedoelde e-mailberichten, dient te worden afgewezen.

A6

Ten aanzien van de onder vii. bedoelde verklaringen merkt het hof op dat de weigering van de advocaat-generaal om deze verklaringen aan het dossier van verdachte toe te voegen, niet kan worden aangemerkt als een onherstelbaar verzuim waardoor er sprake zou zijn van een ernstig schending van beginselen van een goede procesorde, nu deze verklaringen, anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt, belastend zijn voor de verdachte doordat zij enkel verklaringen inhouden van getuigen die zeggen nooit Nissan Pathfinders te hebben gezien.

Het verweer mist in zoverre feitelijke grondslag en wordt reeds daarom in zoverre verworpen.

A7

Dit oordeel treft eveneens de door de raadsman onder viii. genoemde omstandigheid dat aan verdachte niet de gelegenheid is geboden [getuige 3] te (doen) horen.

De enkele omstandigheid dat de ernstig zieke [getuige 3] in een ander onderzoek is gehoord, doet daaraan niet af. Nu ook op geen enkele wijze door de verdediging is gesteld of anderszins aannemelijk geworden welk belang een verhoor van [getuige 3] voor de zaak tegen verdachte zou kunnen hebben dienen, kan niet worden gezegd dat sprake is van een verzuim van vormen waardoor beginselen van een goede procesorde ernstig zijn geschonden en waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Ook in zoverre wordt het verweer verworpen.

A8

Ten aanzien van het onder xi gestelde overweegt het hof als volgt.

Hoewel het hof ten aanzien van de aldaar bedoelde stukken niet de toevoeging aan het strafdossier heeft bevolen, heeft de raadsman er bij gelegenheid van pleidooi blijk van gegeven kennis te hebben genomen van de globale inhoud van de aldaar bedoelde verklaringen. Reeds daarom kan niet worden gezegd dat - door de beweerde weigering van de advocaat-generaal om stukken aan het dossier toe te voegen - de verdediging in een nadeliger positie is komen te verkeren dan wanneer die stukken vanaf de aanvang van het dossier deel hadden uitgemaakt.

Bijgevolg kan ook niet worden gesteld dat er sprake zou zijn van een verzuim van vormen dat tot enig nadeel heeft geleid, zodat om die reden in zoverre van een beletsel voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn.

A9

Ook overigens is er naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze gebleken van een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde.

In het bijzonder de door de raadsman genoemde en onder iv., v, ix. en x. genoemde omstandigheden vormen naar het oordeel van het hof noch afzonderlijk, noch in hun onderlinge samenhang vormverzuimen waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een behoorlijke behandeling van de zaak."

5. In de toelichting op het middel wordt er over geklaagd dat het Hof enkele aspecten van het gevoerde verweer onbehandeld heeft gelaten, te weten dat het door de Belastingdienst en de FIOD uitgevoerde onderzoek eenzijdig is geweest, en dat enkele ambtenaren ten overstaan van de rechter-commissaris onjuiste en onvolledige verklaringen hebben afgelegd.

6. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover er over wordt geklaagd dat het Hof geen beslissing heeft genomen ten aanzien van de stelling dat het opsporingsonderzoek éénzijdig is geweest, vgl. A5.1 en A9.

7. Met betrekking tot de 'anonieme stukken' en de stelling dat daaruit zou blijken dat ambtenaren van de Belastingdienst bij de onderzoeksrechter onjuiste verklaringen hebben afgelegd heeft het volgende te gelden.

8. Het Hof heeft vooropgesteld dat in dit geval geen sprake kan zijn van een onherstelbaar verzuim, aangezien de door de raadsman bedoelde stukken, waaruit de onjuistheid of onvolledigheid van de door betrokken ambtenaren afgelegde verklaringen zouden blijken, alsnog bij de gedingstukken zijn gevoegd. Op zichzelf beschouwd is niet onbegrijpelijk het oordeel dat, voor zover het aangevoerde al zou zijn te kwalificeren als één of meer in het vooronderzoek begane verzuimen, de gevolgen daarvan inmiddels waren weggenomen.

9. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat deze beslissing niet toereikend (gemotiveerd) is, aangezien de eenzijdigheid van een vooronderzoek, en a fortiori de omstandigheid dat bij dit onderzoek betrokken ambtenaren ten overstaan van de rechter onjuiste en/of onvolledige verklaringen afleggen, zodanig ernstige schendingen van beginselen van een goede procesorde kunnen opleveren, dat ook zonder een concrete benadeling van verdedigingsrechten onder ogen moet worden gezien of de niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie een passende sanctie is.

10. De klacht is duidelijk geënt op HR NJ 1999, 567. Daarbij is een cassatieberoep verworpen tegen een arrest waarin was vastgesteld dat leden van het Openbaar Ministerie een beslissing hadden genomen die zozeer in strijd was met de wettelijke fundamenten van het strafproces dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden, zelfs al kon niet worden gezegd dat de verdachte in zijn verdedigingsbelangen is benadeeld.

11. Het nadien gewezen 'standaardarrest' betreffende de toepassing van art. 359a Sv, HR NJ 2004, 376, maakt niet met zoveel woorden melding van een categorie van uitzonderlijk ernstige inbreuken op de rechtsorde, waardoor de fundamenten van een behoorlijke strafrechtspleging zozeer zijn aangetast dat geen doorslaggevend belang toekomt aan de vraag of de verdachte een concreet nadeel is toegebracht.

12. Aanvankelijk heb ik aangenomen dat die exceptionele situatie nog altijd aan de orde kan zijn. Ik heb een tamelijk hoge dunk van de professionaliteit en integriteit van de Nederlandse opsporing, maar ik zal me (met m'n eigen bescheiden beroepservaring in de feitelijke aanleg) echt niet laten wijsmaken dat ernstige misstanden in dit land volslagen ondenkbaar zijn. Het zijn incidenten, maar verschijnselen als intimiderende en vernederende bejegening van verdachten of ambtsedige halve waarheden om fouten toe te dekken komen ook hier voor. En het zijn verschijnselen die mij van weerzin vervullen. Daarom liet ik mij leiden door de gedachte dat de rechter, in het incidentele geval waarin voldoende aannemelijk is dat overheidsfunctionarissen in de voorfase van het strafproces vèr over de schreef zijn gegaan, hard moet kunnen ingrijpen, zonder gemillimeter over de concreet geleden schade. Erkenning van die mogelijkheid meende ik te vinden in het zojuist genoemde HR NJ 1999, 567. Ik was niet de enige; dit middel illustreert het.

13. Terzijde: ik schets hier mijn destijds gemaakte afweging. Laat dit niet de indruk wekken dat ik op voorhand geneigd zou zijn ook het in deze zaak gevoerde verweer erg serieus te nemen. Ik hoef me er verder niet in te verdiepen, maar op het eerste gezicht lijkt het me alleszins mogelijk dat het hier een typisch geval van veel herrie om niks betreft, in aanmerking genomen dat bij de beoordeling van een fiscale strafzaak niet of nauwelijks van belang is welke afspraken de fiscus met andere belastingplichtigen heeft gemaakt; de cautieplicht een verhoorvoorschrift is en geen betrekking heeft op vragen in de controlesfeer, en de Belastingdienst al sinds jaar en dag een gedetailleerde en openbaar gemaakt regeling kent (VIV 1993, laatstelijk Stcrt 1998, 243) betreffende het verstrekken van informatie, waarin te vinden is dat bepaalde stukken, bijvoorbeeld het deel van een controlerapport waarin de interne besluitvorming of de controlestrategie is vastgelegd, nooit worden verstrekt, ook niet aan de belastingplichtige zelf.

14. De hiervoor geschetste gedachtegang voerde mij in de conclusie bij HR NJ 2005, 71 tot het standpunt dat een categorie van exceptioneel ernstige onrechtmatigheden in het beslissingsschema van HR NJ 2004, 376 aldus gepositioneerd zou kunnen worden dat onder het - doelbewust of grovelijk onachtzaam - tekortdoen aan het recht op een eerlijke behandeling onder omstandigheden kan worden begrepen een onrechtmatigheid waardoor de verdachte weliswaar niet daadwerkelijk in zijn verdedigingsrechten is benadeeld, doch een eerlijke behandeling van de zaak ernstig in gevaar is gebracht.

15. In NJ 2005, 71 heeft de Hoge Raad zich over die kwestie niet expliciet uitgelaten, maar zijn rechtspraak sinds NJ 2004, 376 geeft mij de stellige indruk dat concrete en niet meer te redresseren schade aan verdedigingsbelangen steeds als voorwaarde wordt beschouwd voor het toepassen van een in art. 359a Sv genoemde sanctie. Een nadeel kan in de loop van het geding veelal worden ongedaan gemaakt of gecompenseerd, en is dan geen nadeel meer, vgl HR NJ 2006, 369, en voorts HR NJ 2006, 421 (de 'vuurwerkramp') en HR NJ 2006, 425.

16. Bij nader inzien vind ik dat ook zelf de betere benadering, en niet alleen omdat de tournure in mijn conclusie bij HR NJ 2005, 71 een hinderlijke tegenstrijdigheid vertoont. Men moet tot hoge abstractieniveaux stijgen om een daadwerkelijke bedreiging van de eerlijkheid van de procedure te verenigen met de vaststelling dat de verdachte geen concreet nadeel heeft geleden. De kern van de zaak is echter deze. Het strafproces dient een specifiek doel, te weten beoordeling van het aan de verdachte te maken verwijt, en de daaraan te verbinden consequenties. De strafrechter is geen tuchtorgaan voor degenen die met opsporing en vervolging zijn belast. De neiging om bij ernstige (vermeende) uitglijders naar de zwaarste consequentie te grijpen kan begrijpelijk zijn, maar als het even kan moet worden voorkomen dat deze vorm van rechtsbescherming tot gevolg heeft dat de samenleving en eventuele slachtoffers niet meer krijgen waar zij recht op hebben: een inhoudelijk oordeel over hetgeen de verdachte misdaan zou hebben.

17. Het houdt natuurlijk op indien het onrechtmatig overheidsgedrag in de voorfase onherroepelijk de fundamenten onder een deugdelijke, evenwichtige beoordeling van het tenlastegelegde heeft weggeslagen. Doch indien onrechtmatigheden in het eerste stadium van de procedure (de opsporing en de vervolgingsbeslissing) geen onherstelbaar nadeel toebrengen aan de eerlijkheid en controleerbaarheid van het geding, de uitoefening van verdedigingsrechten en de degelijkheid van het materiaal waarop de rechter zijn eindbeslissingen dient te baseren, moeten de samenleving en eventuele slachtoffers er op kunnen rekenen dat de zaak ook inhoudelijk wordt afgedaan. Dan kan de strafrechter wel afkeurende signalen gaan zitten afgeven, maar als die verder gaan dan noodzakelijk is om na een behoorlijk gevoerd proces een verantwoord oordeel over het tenlastegelegde te geven, doet hij zijn werk ook weer niet goed.

18. Zelfs in het incidentele geval waarin aannemelijk zou worden dat opsporingsambtenaren malicieus zijn geweest en willens en wetens aan het manipuleren zijn geslagen of verdedigingsrechten doelbewust zijn gesaboteerd, kan nog steeds de vraag worden gesteld of de daardoor aangerichte schade gedurende de volgende procesfase ongedaan gemaakt kan worden dan wel het nadeel toereikend kan worden gecompenseerd. Dat moet dan ook gebeuren.

Derhalve dient in alle gevallen waarin onrechtmatige opsporingsdaden of vervolgingsbeslissingen aannemelijk worden, ongeacht de aard of ernst van de onrechtmatigheid, steeds te worden onderzocht of de normschending tot gevolg heeft gehad dat, over de gehele procedure beschouwd, een verdedigingsbelang onherstelbaar is gekrenkt of de feitelijke grondslag voor de bij einduitspraak te nemen beslissingen duurzaam onbetrouwbaar is geworden. Indien de rechter kan vaststellen dat het toegebrachte nadeel ongedaan is gemaakt, of in ieder geval op zodanige wijze gecompenseerd dat de procedure over het geheel genomen voldoet aan de eisen van een behoorlijk proces, zal de verdachte zijn (verdere) vervolging dus niet kunnen voorkomen met het - op zichzelf gegronde - betoog dat hij slachtoffer is geworden van ernstig onrechtmatig, zeer verwijtbaar gedrag van opsporings- of vervolgingsfunctionarissen.

19. Bij nog nadere overpeinzing vraag ik mij zelfs af of de Hoge Raad ooit iets anders voor ogen heeft gehad. Nauwkeurig beschouwd zou men het bovengenoemde HR NJ 1999, 567 ook zó kunnen lezen dat de Hoge Raad niet heeft willen ingrijpen nadat het Hof een op een unieke situatie toegesneden beslissing had genomen, zodat die zaak geen enkele precedentswaarde kan worden toegekend.

20. Gelet op het voorgaande is er geen onjuiste rechtsopvatting te ontwaren in 's Hofs oordeel dat het gevoerde verweer moet worden verworpen, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat de gestelde onrechtmatigheden onherstelbaar nadeel aan de verdediging hebben toegebracht. Onbegrijpelijk is dat oordeel, als gezegd, evenmin, zodat het middel tevergeefs is voorgesteld.

21. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft belet dat een ter zitting gehoorde getuige een vraag van de raadsman zou beantwoorden.

22. Het gaat om het verhoor van een ambtenaar van de Belastingdienst. Met betrekking tot diens verhoor houdt het proces-verbaal van de op 15 maart 2005 gehouden terechtzitting in, voor zover hier van belang:

"(...)

De raadsman houdt mij voor dat de media kennelijk inzage hebben gehad in de vaststellingsovereenkomst die de Belastingdienst had gesloten met ondernemers van woonwagenkamp De Vinkenslag en dat die overeenkomsten kennelijk niet in enkelvoud werden opgemaakt en ondertekend en vraagt mij waarom dat het geval was.

De advocaat-generaal deelt daarop het volgende mede.

Ik ben van mening dat deze vraag niets met de onderhavige zaak te maken heeft en dat de getuige daarom niet op die vraag hoeft te antwoorden.

De voorzitter vraagt daarop de raadsman om de relevantie van zijn vraag voor de onderhavige zaak toe te lichten.

De advocaat-generaal reageert daarop als volgt.

Ik maak ook bezwaar tegen een eventuele toelichting op deze vraag. Ik ben namelijk door [betrokkene 1] op de hoogte gebracht van de Vinkenslag-zaak. Die zaak heeft geen enkele relatie met de onderhavige zaak. Toelichting en beantwoording van die vraag zou het belang van een goede rechtspleging ernstig schaden.

De voorzitter deelt mede dat het hof pas kan beoordelen of de bedoelde vraag van belang is voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing, indien de raadsman zijn vraag toelicht. De voorzitter stelt daarom voor om de raadsman het belang van zijn vraag buiten aanwezigheid van het publiek te laten toelichten en, indien het hof beantwoording van die vraag niet belet, die vraag buiten aanwezigheid van het publiek door de getuige te laten beantwoorden.

De advocaat generaal en de raadsman stemmen met dit voorstel in.

De voorzitter beveelt daarop dat de behandeling van de zaak met gesloten deuren wordt voortgezet teneinde de raadsman in de gelegenheid te stellen zijn vraag toe te lichten en de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen te motiveren waarom die toelichting en eventueel de beantwoording van die vraag door de getuige het belang van een goede rechtspleging ernstig zou schaden.

De in de zittingszaal aanwezige medeverdachten, hun raadslieden en de aanwezigen op de publieke tribune verlaten daarop de zittingszaal.

De raadsman deelt vervolgens het volgende mede.

Mijn cliënt heeft van het begin af aan tegen mij gezegd dat de Belastingdienst een hetze tegen hem voert om zijn bedrijf "eruit te werken". De Belastingdienst zou namelijk een overeenkomst hebben gesloten met ondernemers van het woonwagenkamp de Vinkenslag die ook in de autobranche werkzaam zijn. [Getuige 1] zou nauw betrokken zijn geweest bij die overeenkomst. Ik wil graag van [getuige 1] weten of het juist is dat met ondernemers van De Vinkenslag is afgesproken dat zij slechts 3% aan omzetbelasting hoefden af te dragen. Mijn cliënt moest daarentegen 19% BTW afdragen. Het gevolg hiervan was dat het voor mijn cliënt steeds moeilijker werd om zich staande te houden in de autobranche.

De advocaat-generaal reageert hierop als volgt.

Op het woonwagenkamp De Vinkenslag werd in tweedehands auto's gehandeld. Verdachte handelde echter - voor wat betreft de Nissan Pathfinders - in nieuwe auto's.

Het hof onderbreekt daarop het onderzoek om te beraadslagen over het al dan niet toelaten van deze vraag aan de getuige [getuige 1].

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof belet dat op de bedoelde vraag van de raadsman antwoord wordt gegeven, aangezien het antwoord op deze vraag niet van belang is voor enige door het hof in deze zaak te nemen beslissing en het hof begrijpt dat de advocaat-generaal een gerechtvaardigd belang heeft bij haar bezwaar tegen het in het openbaar, onder ede, ondervragen van de getuige over hetgeen al dan niet zou zijn overeengekomen met ondernemers van woonwagenkamp De Vinkenslag.

De voorzitter beveelt vervolgens dat de behandeling van de zaak in het openbaar wordt voortgezet

Nadat de medeverdachten, hun raadslieden en het publiek weer hebben plaatsgenomen in de zittingszaal, deelt de voorzitter mede dat het hof heeft belet dat gevolg wordt gegeven aan de laatste door de raadsman gestelde vraag."

23. [Betrokkene 1], door de advocaat-generaal genoemd, is blijkens de stukken de boete/fraudecoördinator van de Belastingdienst in het betreffende gebied.

24. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat niet begrijpelijk is 's Hofs oordeel dat het antwoord op de belette vraag van de raadsman niet van belang is voor enige in deze zaak te nemen beslissing, aangezien die vraag er kennelijk toe strekte gegevens te verkrijgen die van belang konden zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige, en het overige van de Belastingdienst afkomstige bewijsmateriaal.

25. Dat betoog faalt omdat de raadsman zijn vraag aldus heeft toegelicht dat hij langs deze weg beoogde vast te stellen of de Belastingdienst andere ondernemers in dezelfde branche (veel) coulanter behandelde. Die vaststelling zou kunnen raken aan de - in deze strafzaak niet ter zake doende - rechtmatigheid van bedrijfs- en boekencontroles of van uitnodigingen tot het doen van aangifte, maar die vraag behoefde het Hof niet te begrijpen als gericht op een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de getuige of van bij de stukken gevoegd, van de Belastingdienst afkomstig materiaal.

26. In de toelichting op het middel wordt voorts betoogd dat niet begrijpelijk is 's Hofs oordeel dat de advocaat-generaal een gerechtvaardigd belang heeft bij het beletten van de vraag, aangezien de persoonlijke belangen van een procespartij bij een dergelijke beslissing niet mogen meewegen.

27. Dat betoog faalt omdat het Hof klaarblijkelijk het oog heeft gehad op de door de advocaat-generaal behartigde belangen van een doeltreffende rechtshandhaving. Het behoeft geen verder betoog dat het Hof daar zeker rekening mee mocht (zelfs diende) te houden.

28. Het middel faalt derhalve.

29. In ieder geval het tweede middel leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

30. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,