Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
06-03-2007
Zaaknummer
00636/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6118
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Betekening inleidende dagvaarding. Op 4-8-04 is de inleidende dagvaarding verzonden naar adres Y in België en bij gebreke van een bekende woon- of verblijfplaats in NL op 5-8-04 uitgereikt aan de (wnd.) griffier. Verdachte heeft bij zijn vertrek uit NL op 3-4-01 adres X in België opgegeven. Daaruit volgt dat de inleidende dagvaarding niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 157
RvdW 2007, 283
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00636/06

Mr. Vellinga

Zitting: 9 januari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft dit vonnis - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd en de verdachte deswege veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken.

2. Namens verdachte heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof is overgegaan tot een inhoudelijke behandeling, terwijl de dagvaarding niet is betekend en ook de raadsman niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep.

4. De stukken van het geding houden, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

a. Een proces-verbaal van politie van 4 maart 2004 houdt als door de verdachte opgegeven adres in [a-straat 1] te [plaats A](1).

b. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in eerste aanleg om te verschijnen op de terechtzitting van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 24 september 2004, houdt in dat die dagvaarding op 5 augustus 2004 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van die Rechtbank, "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is", en dat die dagvaarding op 4 augustus 2004 als aangetekende brief is verzonden aan het adres [a-straat 1] te [plaats A].

c. Een eveneens aan het dubbel van die dagvaarding gehecht GBA-overzicht van 5 augustus 2004 houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en vanaf 3 april 2001 is "vertrokken naar België".(2)

d. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 24 september 2004 houdt in dat de verdachte woont op het adres [b-straat 1] te [plaats A], dat de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.

e. Een akte beroep houdt in dat mr. J. Zinnicq Bergmann, advocaat te 's-Hertogenbosch, op 12 oktober 2004 ter griffie van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch is verschenen, heeft verklaard bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd namens de verdachte, wonende [b-straat 1] te [plaats A], beroep in te stellen tegen het eindvonnis van 24 september 2004.

f. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding van de verdachte in hoger beroep om te verschijnen op de terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 augustus 2005, houdt in dat die dagvaarding op 29 juli 2005 is uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch, "omdat van de geadresseerde geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is", en dat die dagvaarding op 29 juli 2005 als aangetekende brief is verzonden aan het adres [a-straat 1] te [plaats A].

g. Een eveneens aan het dubbel van die dagvaarding gehecht GBA-overzicht van 29 juli 2005 houdt in dat de verdachte niet is gedetineerd en vanaf 3 april 2001 is "vertrokken naar België".

h. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 augustus 2005 houdt in dat de verdachte woont op het adres [a-straat 1] te [plaats A](3), dat de verdachte ter terechtzitting niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.

h. Een akte van uitreiking, gehecht aan de mededeling uitspraak, houdt in dat de verdachte woont op het adres [b-straat 1] te [woonplaats](4) en dat die mededeling uitspraak op 16 januari 2006 door de Inspecteur van de wijk [woonplaats] aan de verdachte in persoon is uitgereikt op het adres [c-straat] te [woonplaats](5).

i. Een akte cassatie houdt in dat mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, op 17 januari 2006 ter griffie van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch is verschenen, heeft verklaard tot het aanwenden van het rechtsmiddel door de verdachte bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd en beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 8 september 2005, en als adres van de verdachte heeft opgegeven [b-straat 1] te [woonplaats](6).

j. Een aan de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv gehecht GBA-overzicht van 4 april 2006 houdt in dat de verdachte vanaf 3 april 2001 woonachtig is op het adres [b-straat 1] te [woonplaats](7).

5. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Indien op grond van het daartoe ingestelde onderzoek als vaststaand kan worden aangenomen dat de verdachte niet is ingeschreven in een GBA en niet in Nederland is gedetineerd, en ook niet een feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, maar wel een adres in het buitenland bekend is, geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie hetzij rechtstreeks aan het laatstbekende adres van de verdachte in het buitenland, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie (art. 588, tweede lid (oud), Sv). Door die toezending is de dagvaarding rechtsgeldig betekend. Als datum waarop die betekening plaatsvindt, geldt de datum van de verzending van de dagvaarding, waarvan aantekening dient te geschieden in de akte van uitreiking.(8)

6. Blijkens de toelichting strekt het middel in de eerste plaats ten betoge dat de inleidende dagvaarding niet rechtsgeldig is betekend.

7. De inleidende dagvaarding is op de voet van art. 588, tweede lid (oud), Sv op 4 augustus 2004 verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats A]. Voorts is de inleidende dagvaarding op 5 augustus 2004 uitgereikt op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3° (oud), Sv.

8. Gelet op het GBA-overzicht van 4 april 2006 dat is gehecht aan de aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv, moet er in cassatie van worden uitgegaan dat de verdachte bij zijn vertrek uit Nederland heeft opgegeven dat hij vanaf 3 april 2001 woonachtig is op het adres [b-straat 1] te [woonplaats]/[plaats A]. Dit adres staat eveneens vermeld op het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg. Weliswaar heeft de verdachte blijkens het proces-verbaal van politie van 4 maart 2004 bij zijn verhoor door de politie [a-straat 1] te [plaats A] als adres opgegeven, maar gelet op de overige stukken van het geding lijkt hier sprake van een kennelijke vergissing en kan worden aangenomen dat hier [b-straat 1] te [plaats A] is bedoeld.(9)

9. In het licht van hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld en gelet op hetgeen hiervoor onder 8 is uiteengezet, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend, zonder nadere motivering - die ontbreekt - onbegrijpelijk.(10)

10. Het middel is in zoverre gegrond.

11. Blijkens de toelichting strekt het middel voorts ten betoge dat de dagvaarding in hoger beroep niet rechtsgeldig is betekend.

12. De dagvaarding in hoger beroep is op de voet van art. 588, eerste lid sub b onder 3° (oud), Sv op 29 juli 2005 uitgereikt. Voorts is de dagvaarding in hoger beroep op de voet van art. 588, tweede lid (oud), Sv op 29 juli 2005 verzonden naar het adres [a-straat 1] te [plaats A].

13. De verdachte heeft in de appèlakte van 12 oktober 2004 doen opnemen als adres [b-straat 1] te [plaats A].

14. Gelet op het in de appèlakte opgenomen adres van de verdachte, welk adres de verdachte blijkens het GBA-overzicht van 4 april 2006 eveneens bij zijn vertrek uit Nederland als zijnde zijn adres vanaf 3 april 2001 heeft opgegeven, en in het licht van hetgeen hiervoor onder 5 is vooropgesteld, is het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, zonder nadere motivering - die ontbreekt - onbegrijpelijk.(11)

15. Ook in zoverre is het middel terecht voorgesteld.

16. Blijkens de toelichting klaagt het middel er tenslotte over dat de raadsman van de verdachte niet is opgeroepen voor de terechtzitting in hoger beroep, terwijl het hoger beroep is ingesteld door een advocaat.

17. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Een raadsman in enige aanleg behoort als zodanig te worden erkend indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman.(12)

18. Anders dan de klacht kennelijk als uitgangspunt neemt, kan uit de enkele omstandigheid dat namens de verdachte door een advocaat een rechtsmiddel is ingesteld niet worden afgeleid dat die advocaat de verdachte ook bij de daarop volgende behandeling als raadsman zal bijstaan.(13) Voor het Hof bestond derhalve geen aanleiding te onderzoeken of de in de appèlakte genoemde advocaat op de hoogte was van het tijdstip van de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het Hof.

19. In aanmerking genomen dat zich bij de stukken van het geding niet een stuk bevindt waaruit kan blijken dat de verdachte in hoger beroep is voorzien van rechtsbijstand door een raadsman en in het licht van hetgeen hiervoor onder 17 en 18 is uiteengezet, geeft het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de verdachte in hoger beroep niet van een raadsman was voorzien, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

20. In zoverre faalt het middel.

21. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

22. Nu het hiervoor gesignaleerde gebrek in de betekening van de inleidende dagvaarding niet kan worden hersteld, kan de Hoge Raad de inleidende dagvaarding doelmatigheidshalve nietig verklaren.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en nietigverklaring van de inleidende dagvaarding.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 [Plaats A] is een dorp en deelgemeente van de gemeente [woonplaats] in de Belgische provincie Antwerpen.

2 Uit de op mijn verzoek door de Dienst Justitiële Inrichtingen verstrekte historische detentiegegevens volgt dat de verdachte ook op 4 augustus 2004 niet in Nederland was gedetineerd.

3 Dit adres staat ook vermeld op het arrest van het Hof van 8 september 2005.

4 [Woonplaats] is een plaats en gemeente in de provincie Antwerpen en is verdeeld in de deelgemeenten [woonplaats], Weelde en [plaats A]. In aanmerking genomen dat [plaats A] een deelgemeente is van de gemeente [woonplaats] en de straatnaam ([b-straat 1]) en de postcode ([0000]) identiek zijn, is hier kennelijk hetzelfde adres bedoeld als het adres van de verdachte, dat staat vermeld op het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en op de akte beroep, te weten [b-straat 1] te [plaats A].

5 Dit betreft het adres van de politie-wijkpost in [woonplaats].

6 Ook hier is kennelijk hetzelfde adres bedoeld als het adres van de verdachte, dat staat vermeld op het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en op de akte beroep, te weten [b-straat 1] te [plaats A].

7 Hier is eveneens kennelijk hetzelfde adres bedoeld als het adres van de verdachte, dat staat vermeld op het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en op de akte beroep, te weten [b-straat 1] te [plaats A].

8 Vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.19.

9 Raadpleging van het "stratenplan" van de internetsite van de gemeente [woonplaats] (www.[woonplaats].be/stratenplan.htm) heeft mij geleerd dat de straat [a-straat] daarin niet voorkomt maar wel de straat [b-straat].

10 Vgl. HR 2 september 2003, NJ 2003, 697.

11 Vgl. HR 2 september 2003, NJ 2003, 697.

12 Vgl. HR 18 september 2001, LJN ZD2781.

13 Vgl. HR 16 september 2003, nr. 02680/02, HR 18 september 2001, LJN ZD2781 en HR 19 december 2000, NJ 2001, 161.