Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ6099

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-04-2007
Datum publicatie
06-04-2007
Zaaknummer
R06/118HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ6099
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over de beëindiging van partneralimentatie op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie na scheiding; gefaseerde verlaging met definitieve beëindiging in strijd met redelijkheid en billijkheid?; (wijziging) behoefte vrouw

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II, geldigheid: 2007-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 234
RvdW 2007, 380
NJB 2007, 899
FJR 2007, 97
JWB 2007/118

Conclusie

R06/118HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 12 januari 2007

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van partneralimentatie met toepassing van art. II van de Wet limitering alimentatie na scheiding.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld. Partijen (hierna: de vrouw, onderscheidenlijk: de man) zijn op 23 juni 1977 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, op [geboortedatum] 1981 en op [geboortedatum] 1986. Bij vonnis van de rechtbank te Dordrecht van 26 juli 1989 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Dit vonnis is op 4 september 1989 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2. De man heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 3 november 2004, aan de rechtbank te Dordrecht verzocht: (primair) voor recht te verklaren dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd per 1 augustus 2003 en (subsidiair) te bepalen dat deze alimentatieverplichting eindigt per 26 juli 2004, althans 22 maart 2005, althans op een door de rechtbank te bepalen datum.

1.3. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht om, bij inwilliging van het verzoek van de man, de datum van beëindiging van de alimentatieplicht te bepalen op 30 september 2021, zijnde de datum waarop zij de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken. De vrouw heeft voorts een zelfstandig alimentatieverzoek ingediend, inhoudende dat de rechtbank zal vaststellen dat de man haar vanaf de dag waarop zij de voormalige echtelijke woning heeft verlaten, een alimentatie verschuldigd is van € 1200,- bruto per maand, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag.

1.4. De rechtbank heeft in haar beschikking van 13 juli 2005 - in het kort - geoordeeld dat de vrouw gedurende meer dan vijftien jaar alimentatie in natura heeft ontvangen doordat zij na de echtscheiding is blijven wonen in de voormalige echtelijke woning waarvan de eigenaarslasten door de man voor zijn rekening zijn genomen. Aan de vereisten van art. II Wet limitering alimentatie na scheiding is voldaan. Een abrupte beëindiging van de partneralimentatie achtte de rechtbank echter zodanig ingrijpend voor de vrouw dat deze niet van haar kan worden gevergd. Anderzijds kan evenmin worden aanvaard dat de alimentatieverplichting blijft voortduren totdat de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Daarom achtte de rechtbank een gefaseerde afbouw van de alimentatieverplichting op zijn plaats. De rechtbank besloot dat de man, gerekend vanaf februari 2005, in het eerste jaar een alimentatie van € 400,- per maand dient te betalen, in het tweede jaar € 300,- per maand, in het derde jaar € 200,- per maand en in het vierde jaar € 100,- per maand. Na vier jaar komt de alimentatieverplichting te vervallen. De mogelijkheid van een verlenging van deze termijn werd door de rechtbank uitgesloten.

1.5. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende incidenteel hoger beroep. Bij beschikking van 7 juni 2006 heeft het gerechtshof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

1.6. De vrouw heeft - tijdig - cassatieberoep ingesteld. De man heeft een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1. Op grond van de Wet betreffende limitering van alimentatie na scheiding (WLA)(1) eindigt de alimentatieverplichting van gewezen echtgenoten van rechtswege na het verstrijken van twaalf jaren (art. 1:157, leden 3 en 4, BW). Voor gevallen waarin vóór 1 juli 1994 een uitkering tot levensonderhoud door de rechter is toegekend, bevat art. II lid 2 WLA de volgende overgangsbepaling:

"Op verzoek van degene, die op grond van een vóór de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, beëindigt de rechter de verplichting, indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder geval rekening met:

a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de tot de uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de uitkering is gehouden.

De rechter bepaalt bij de uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na inwerkingtreding van deze wet."

Ingevolge het vierde lid is deze overgangsbepaling van overeenkomstige toepassing ten aanzien van degene die op grond van een vóór 1 juli 1994 tot stand gekomen overeenkomst verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, indien deze verplichting op of na die datum vijftien of meer jaren heeft geduurd. In cassatie staat vast dat de alimentatieverplichting meer dan vijftien jaren heeft geduurd (zie rov. 6).

2.2. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een beslissing waarbij een beroep van de alimentatiegerechtigde op de in art. II lid 2 WLA vervatte uitzonderingsregel wordt verworpen, dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging wordt gehonoreerd, een ingrijpend karakter heeft. Aan een dergelijke beslissing moeten daarom hoge motiveringseisen worden gesteld(2). Alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, dienen in aanmerking te worden genomen en in onderling verband te worden gewogen. Indien de alimentatiegerechtigde voldoende gemotiveerd stelt dat voor toepassing van deze uitzonderingsregel grond is, moet de rechter doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken(3).

2.3. Indien de verzochte beëindiging wordt geweigerd omdat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de uitkeringsgerechtigde kan worden gevergd, moet de rechter ingevolge art. II lid 2 WLA een termijn vaststellen waarop de alimentatieverplichting alsnog zal eindigen. De rechter kan in dit kader een geleidelijke afbouw van de alimentatieverplichting voorschrijven. In HR 5 september 2003, NJ 2003, 618, is beslist dat de verhoogde motiveringseisen óók gelden in een geval waarin - nadat de alimentatieplicht vijftien jaar of langer heeft geduurd - de rechter de alimentatieverplichting voor een bepaalde periode verlengt met uitsluiting van de mogelijkheid van verdere verlenging. Hieruit kan worden opgemaakt dat ook in het onderhavige geval aan de verhoogde motiveringseisen moet worden voldaan.

2.4. Zoals gezegd, behoort de rechter alle relevante omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Het hof heeft deze regel uitdrukkelijk tot uitgangspunt voor zijn beslissing genomen (rov. 9). De cassatiemiddelen houden in dat de beoordeling door het hof niettemin tekort schiet. Middel I heeft betrekking op de verdiencapaciteit van de vrouw. Middel II ziet op de gestelde inkomensachteruitgang in relatie tot het voortgezet gebruik van de voormalige echtelijke woning. Middel III heeft betrekking op de verrekening of verevening van het ouderdomspensioen van de man.

2.5. In de feitelijke instanties heeft de vrouw aangevoerd dat zij in 1994/1995 door ziekte gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden en daardoor in haar carrièremogelijkheden is beperkt. Het hof overweegt dit feit te betreuren, maar is van oordeel dat deze omstandigheid - zeker na gedurende vijftien jaren alimentatie te hebben betaald - niet voor risico van de man behoort te komen (rov. 9). Met middel I komt de vrouw tegen dit oordeel op. De klacht onder a houdt in dat het hof niet de toetsing heeft verricht die door art. II lid 2 WLA wordt voorgeschreven. Onder b wordt (subsidiair) geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de stelling van de vrouw(4) dat zij niet in aanmerking komt voor een aanvullende WAO-uitkering, hetgeen volgens de vrouw voortvloeit uit de omstandigheid dat zij tijdens het huwelijk en direct na de echtscheiding de zorg voor de kinderen had en daarom in deeltijd werkte. Voor het geval dat het hof van oordeel is dat in de stellingen van de vrouw niet te lezen valt dat haar beperkte verdiencapaciteit een aan het huwelijk gerelateerde omstandigheid is, wordt dit in de klacht onder c onbegrijpelijk genoemd.

2.6. Uit het dossier volgt dat de vrouw, geboren in 1956 en ten tijde van de inschrijving van het echtscheidingsvonnis 33 jaar oud, tijdens het huwelijk in deeltijd heeft gewerkt. Ten tijde van de behandeling in hoger beroep werkte zij eveneens in deeltijd. Volgens de man moet bij de beoordeling van het limiteringsverzoek als één van de relevante omstandigheden worden meegewogen dat de vrouw haar huidige inkomen kan verhogen door meer uren per week te gaan werken of door een beter betaalde baan te zoeken(5). De vrouw heeft hiertegen ingebracht dat zij niet méér kan werken dan de 28 uur per week die zij nu werkt. Zij is gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard, laatstelijk voor 15 - 25%. Voor een aanvullende WAO-uitkering komt zij niet in aanmerking omdat zij in 1994, vóór haar ziekte, niet meer dan 28 uur per week werkte: verzekeringstechnisch is er geen sprake van inkomensverlies ten gevolge van de ziekte. Dat de vrouw, toen zij nog gezond was, niet méér dan 28 uur per week werkte is volgens haar stelling een aan het huwelijk gerelateerde omstandigheid: partijen hebben tijdens hun huwelijk ervoor gekozen dat de vrouw degene was die de zorg voor de kinderen op zich nam(6).

2.7. In rov. 9 heeft het hof deze stelling aldus begrepen dat de vrouw (in 1994, ná de echtscheiding) gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geraakt en derhalve in haar carrièremogelijkheden is beperkt. Van díe lezing uitgaande, is het oordeel van het hof niet onjuist noch onbegrijpelijk: wanneer een gemis van carrièremogelijkheden is veroorzaakt door een arbeidsongeschiktheid die zich eerst een aantal jaren na de scheiding heeft voorgedaan en overigens geen verband houdt met het huwelijk, valt inderdaad niet in te zien waarom dat gemis van carrièremogelijkheden voor rekening van de man zou moeten komen nadat hij al meer dan vijftien jaren alimentatie heeft betaald. Het probleem is echter, dat bij deze lezing van het standpunt van de vrouw de kern van het verweer wordt gemist: volgens de vrouw is de omstandigheid dat zij niet voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking komt, gerelateerd aan de taakverdeling tussen partijen gedurende het huwelijk die haar tot het werken in deeltijd noopte. Indien het hof van oordeel zou zijn dat deze omstandigheid niet mag meetellen is de rechtsklacht van onderdeel a gegrond, in het licht van de aangehaalde jurisprudentie over art. II WLA. Indien het hof deze gestelde omstandigheid wel heeft meegewogen, maar te licht heeft bevonden, blijkt uit de motivering niet om welke reden dat is geschied. In dat geval slagen de motiveringsklachten onder b en c.

2.8. De meer subsidiair gepresenteerde klacht onder d behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. Overigens gaat die klacht uit van een bepaalde interpretatie van 's hofs beslissing, waarvoor in 's hofs redengeving m.i. onvoldoende grond is te vinden.

2.9. Middel II richt zich tegen het volgende oordeel:

'Gelet op het feit dat de behoefte van de vrouw naar het oordeel van het hof uitsluitend kan bestaan uit de hoogte van de inmiddels door haarzelf te betalen huurlasten, nu zij reeds gedurende vijftien jaar in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien en de man gedurende die jaren uitsluitend in haar woonlasten voorzag, acht het hof de door de rechtbank vastgestelde afbouw van de alimentatie weliswaar ingrijpend, maar niet zodanig ingrijpend dat dit niet van de vrouw mag worden gevergd.' (rov. 9)

2.10. Het middel klaagt onder a dat het oordeel, dat voor de bepaling van de behoefte van de vrouw kan worden aangesloten bij de thans door haar te betalen huurlasten, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Voor de bepaling van de behoeften van de vrouw, en bij beantwoording van de vraag of de inkomensachteruitgang van haar kan worden gevergd, behoort te worden aangesloten bij de situatie zoals die (laatstelijk) was toen zij nog in de voormalige echtelijke woning woonde. In de redenering van de vrouw is de kwaliteit van haar huidige huurwoning minder dan die van de voormalige echtelijke woning. Het middel voegt onder b toe dat, indien het hof heeft gemeend dat geen acht behoeft te worden geslagen op de kwaliteit van het woongenot, dit oordeel rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het woongenot gelijkgesteld kan worden met de thans door de vrouw te betalen huur, acht het middel dit oordeel eveneens onjuist of onbegrijpelijk.

2.11. Bij beantwoording van de vraag of de beëindiging van de uitkering van zó ingrijpende aard is dat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de tot uitkering gerechtigde kan worden gevergd, dient de situatie waarin de gerechtigde verkeerde vóór de beëindiging te worden vergeleken met de situatie waarin de gerechtigde na de beëindiging komt te verkeren(7). Het hof heeft dit m.i. niet miskend. Het hof heeft in rov. 9 niet méér gezegd dan dat na de beëindiging van de alimentatieverplichting de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage wordt bepaald door de - voortaan door haarzelf - te betalen woonlasten, waar voorheen de man een belangrijk deel van haar woonlasten betaalde. Dat oordeel is niet onjuist, noch onbegrijpelijk. De rechter is bevoegd maar niet gehouden om subjectieve elementen, zoals in dit geval het - volgens de vrouw verminderde - woongenot van haar nieuwe huurwoning in vergelijking met de voormalige echtelijke woning, in zijn afweging mee te nemen(8). Het hof heeft een afweging gemaakt en heeft in dit verband de door de rechtbank vastgestelde afbouw beschouwd als ingrijpend, maar niet zodanig ingrijpend dat deze vorm van beëindiging niet van de vrouw kan worden gevergd. Daarin ligt besloten dat het hof de afweging heeft gemaakt die op grond van art. II WLA van hem kon worden verwacht. Middel II faalt in beide onderdelen.

2.12. Middel III klaagt dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de gebrekkige pensioenvoorziening van de vrouw. De vrouw heeft in de feitelijke instanties aangevoerd dat voor haar onduidelijk is welk gedeelte van het ouderdomspensioen van de man aan haar zal toekomen en ter toelichting aangevoerd dat zij zelf geen pensioenvoorziening heeft. Het middel is nogal complex opgebouwd:

- Onderdeel a klaagt over een schending van art. II lid 2 WLA omdat het hof deze stellingen van de vrouw niet in zijn oordeel heeft betrokken.

- Voor het geval dat het hof van oordeel is dat de (door de vrouw aangevoerde) onduidelijkheid t.a.v. de verrekening van het ouderdomspensioen van de man niet gelijkgesteld kan worden met de situatie van 'geen recht op ouderdomspensioen', als bedoeld in art. II, lid 2 onder d, WLA, geeft dit oordeel volgens onderdeel b blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

- Voor het geval dat het hof van oordeel is dat bespreking van dit verweer achterwege kon blijven, nu bij pleidooi in hoger beroep bleek dat de vrouw recht heeft op een voorwaardelijke pensioenuitkering van € 902,79 per jaar, geeft dit oordeel volgens onderdeel c blijk van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Volgens het middel is dit bedrag per jaar dermate laag dat het hof het verweer had behoren te bespreken; in ieder geval blijkt niet dat het hof de gebrekkige pensioenvoorziening in zijn afweging heeft betrokken.

- Voor het geval dat het hof van oordeel is dat ook in het kader van de algemene toets aan de redelijkheid en billijkheid met de gebrekkige pensioenvoorziening voor de vrouw geen rekening behoeft te worden gehouden, getuigt dit oordeel volgens onderdeel d van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

- Subsidiair aan het voorgaande klaagt onderdeel e dat, indien het hof voornoemde toetsing wél heeft toegepast, de beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de vrouw aan stellingen had aangevoerd.

2.13. Vooropgesteld: het verweer van de vrouw is het hof niet ontgaan. Het hof geeft dit verweer in rov. 8 aldus weer dat de vrouw heeft aangevoerd dat voor haar onduidelijk is welk gedeelte van het ouderdomspensioen van de man aan haar zal toekomen, respectievelijk dat zij niet heeft kunnen reserveren voor de toekomst en zelf geen pensioenvoorziening heeft. In rov. 9 is het hof inderdaad niet meer met zoveel woorden op dit verweer ingegaan. Het verweer is door het hof verworpen met de (algemene) slotoverweging dat de overige verweren geen bespreking meer behoeven omdat zij niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

2.14. Een situatie als bedoeld in art. II, lid 2 onder d, WLA doet zich hier niet voor. Na aanvankelijk te hebben aangevoerd dat onduidelijk was tot hoever de vrouw recht kon doen gelden op een gedeelte van het ouderdomspensioen van de man, is in appel alsnog de vereiste duidelijkheid verschaft. Het hof behoefde op die kwestie niet meer in te gaan. Ook in de (laatste) stellingname van de vrouw stond vast dat zij recht heeft op een bepaald gedeelte van het ouderdomspensioen van de man.

2.15. Dat dit een betrekkelijk laag bedrag is, komt doordat in de relatief korte huwelijkse periode maar weinig ouderdomspensioen door de man is opgebouwd. In het kader van de algemene toets aan art. II WLA (d.w.z. een toets die zich niet beperkt tot het in dat artikel onder d bepaalde) kan het ontbreken van een eigen pensioenvoorziening, gecombineerd met het gegeven dat het aandeel van de vrouw in het ouderdomspensioen van de man slechts € 902,79 per jaar oplevert, één van de mee te wegen omstandigheden zijn. De slotoverweging maakt duidelijk dat het hof deze omstandigheid onvoldoende gewichtig vond voor een andersluidende beslissing. M.i. is dit oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk, gelet op de duur van het huwelijk, de leeftijd waarop de vrouw gescheiden is en haar leeftijd ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Het gaat hier niet om een situatie waarin partijen van echt scheiden nadat het pensioen is ingegaan of op een zodanige leeftijd dat geen passende oudedagsvoorziening voor de vrouw meer kan worden getroffen. Het op dit punt betrekkelijk summiere debat tussen partijen noopte het hof niet tot een verdergaande motivering. Alle onderdelen van middel III missen om deze reden hun doel.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Wet van 28 april 1994, Stb. 324, zoals gewijzigd bij wet van diezelfde datum, Stb. 325.

2 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 m.nt. S.F.M. Wortmann.

3 Zie voor een kort overzicht van de jurisprudentie: Personen- en familierecht, losbl., aant. 5 op art. 1:157 BW; Asser-De Boer, 2002, nr. 633c.

4 In de toelichting wordt verwezen naar het verweerschrift in eerste aanleg, onder 17, en naar de pleitnota zijdens de vrouw in eerste aanleg, blz. 5.

5 Zie inleidend verzoekschrift, onder 9; verweerschrift zelfstandig verzoek, blz. 4-6 en nader verweerschrift in hoger beroep, onder 10.

6 Zie: verweerschrift in eerste aanleg, onder 9-19; pleitnota in eerste aanleg, blz. 4 en 5; appelschrift, toelichting op grief I; verweerschrift tegen incidenteel appel, blz. 2 en 5 en pleitnota in hoger beroep, blz. 2.

7 HR 26 maart 1999, NJ 1999, 655.

8 Zie bijv. Asser-De Boer, nr. 622 met verwijzingen naar jurisprudentie.