Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5835

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
R06/175HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz, verlening voorwaardelijke machtiging, toelaatbaarheid van standaardmotivering (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 82
RvdW 2007, 188
NJB 2007, 491
JWB 2007/47
BJ 2007/5
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/175HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 5 januari 2007

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

tegen

Officier van Justitie te 's-Hertogenbosch

In deze Bopz-zaak is een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend. De motiveringsklachten hebben betrekking op het instemmingsvereiste en op het voor zulk een machtiging vereiste gevaar.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement te 's-Hertogenbosch heeft bij verzoekschrift, ingekomen op 16 augustus 2006, aan de rechtbank aldaar verzocht een nieuwe voorwaardelijke machtiging te verlenen met betrekking tot verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene). Subsidiair is verzocht een voorlopige machtiging te verlenen en meer subsidiair een machtiging tot voortgezet verblijf. Bij het verzoekschrift waren een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 14c lid 5 Wet Bopz, een behandelingsplan en een bericht over de staat van uitvoering daarvan gevoegd.

1.2. Op 11 september 2006 heeft de rechtbank het verzoekschrift mondeling behandeld, waarbij betrokkene, haar raadsman, de behandelend psychiater [betrokkene 1] en een broer van betrokkene aanwezig waren. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank het primaire verzoek toegewezen en een nieuwe voorwaardelijke machtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, eindigende op 10 september 2007.

1.3. De rechtbank heeft aan de hand van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting vastgesteld dat betrokkene in haar geestvermogens gestoord is en dat die stoornis (schizofrenie) betrokkene gevaar doet veroorzaken, te weten: gevaar van ernstige zelfverwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Dit gevaar kan volgens de rechtbank buiten een psychiatrisch ziekenhuis worden afgewend mits betrokkene zich overeenkomstig het behandelingsplan onder behandeling stelt van de behandelend psychiater. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat betrokkene heeft ingestemd met de voorwaarden zoals beschreven in het behandelingsplan.

1.4. Namens betrokkene is - tijdig(1) - beroep in cassatie ingesteld. De officier van justitie, daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft in cassatie afgezien van het voeren van verweer.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Art. 14c lid 3 Wet Bopz bepaalt dat een nieuwe voorwaardelijke machtiging slechts wordt verleend indien naar het oordeel van de rechter de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na het verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis de betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken en het afwenden van het gevaar een nieuwe voorwaardelijke machtiging vereist. Volgens de bestreden beschikking is aan deze wettelijke vereisten voldaan.

2.2. Onderdeel II, dat ik eerst wil behandelen, bestrijdt niet dat het door de rechtbank aangenomen gevaar, indien aanwezig, een `gevaar' kan opleveren als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz. In het middelonderdeel worden gedeelten aangehaald uit de geneeskundige verklaring, de staat van uitvoering van het behandelingsplan en het proces-verbaal van de terechtzitting. Uit deze stukken blijkt volgens het middelonderdeel niet dat het gevaar aanwezig is. Volgens de klacht wordt slechts teruggegrepen op problemen van een aantal jaren geleden en is onbegrijpelijk waarop de rechtbank het oordeel heeft gebaseerd dat hier sprake is van gevaar.

2.3. De rechtbank heeft volstaan met een standaardmotivering. Naar vaste rechtspraak dient een rechterlijke beslissing tenminste zodanig te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de omstandigheden, zoals de aard van de procedure en het door of namens de betrokkene gevoerde verweer. Een in algemene bewoordingen gestelde motivering als de onderhavige, welke naar de gedingstukken en/of naar het proces-verbaal van de zitting verwijst, voldoet slechts aan de wettelijke motiveringseisen indien uit de inhoud van deze stukken zonder nadere redengeving begrijpelijk is wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan en waarop zij haar beslissing heeft gegrond. Waar het op aankomt is of de uit de stukken, waaronder het proces-verbaal, naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan(2).

2.4. De klacht is wellicht geïnspireerd door HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 716 (BJ 2000, 56 m.nt. WD), waarin de toen bestreden beschikking werd vernietigd omdat de rechtbank geen aandacht had besteed aan het verweer dat zich de laatste tijd geen gevaar had voorgedaan en de betrokkene inmiddels in een stabiele situatie verkeerde. Herhaald zij, dat de wet `gevaar' eist en een oorzakelijk verband tussen het gevaar en de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene. Gevaar is te verstaan als de kans op onheil. Gelet op het ingrijpende karakter van een vrijheidsbeneming moet het steeds gaan om een voldoende ernstig gevaar. De ernst van het gevaar betreft zowel de mate van waarschijnlijkheid dat het gevreesde onheil geschiedt (indien de verzochte machtiging niet zou worden verleend) als de ernst van de gevolgen, wanneer het gevaar zich verwezenlijkt. Het verweer dat zich al twee jaar lang geen incidenten hebben voorgedaan, is op zichzelf dus niet doeltreffend: het uitblijven van incidenten kan te danken zijn aan de omstandigheid dat de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen, respectievelijk zich onder de druk van een voorwaardelijke machtiging overeenkomstig het behandelingsplan onder behandeling van de psychiater heeft gesteld. Wel kan het uitblijven van incidenten mede van belang zijn bij de beantwoording van de vraag of het gevaar inmiddels is geweken. Van de rechter wordt in feite een prognose verwacht, die (mede) gebaseerd is op medisch onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater.

2.5. De aard van het gevreesde gevaar en de ernst van de gevolgen voor betrokkene wanneer dit gevaar zich zou verwezenlijken hebben in feitelijke aanleg niet of nauwelijks tot discussie geleid en zijn kennelijk duidelijk gevonden. De geneeskundige verklaring, waarnaar de rechtbank verwijst, maakt in rubriek 4 melding van achtervolgingsideeën en verwaarlozing op grond van psychotische belevingen. Daarbij is vermeld dat de patiënte afvalt in tijden van psychose en enkele malen in een katatone toestand(3) is geraakt. Ter terechtzitting zijn enkele incidenten van toen besproken. Niet onbegrijpelijk is dat - en waarom - de rechtbank dit een en ander heeft aangemerkt als het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat of zichzelf ernstig zal verwaarlozen. Er is geen verweer gevoerd dat de rechtbank noopte dit oordeel nader te motiveren dan zij heeft gedaan.

2.6. Het verweer in eerste aanleg had hoofdzakelijk betrekking op de vraag of het in de geneeskundige verklaring bedoelde gevaar is geweken. Uit de geneeskundige verklaring en uit het bericht van de behandelend psychiater over de staat van uitvoering van het behandelingsplan volgt dat, naar het oordeel van de artsen, het betrokkene nog steeds ontbreekt aan het inzicht in haar ziekte dat benodigd is om eigener beweging de - ter voorkoming van dit gevaar - noodzakelijk geachte medicatie te gebruiken. In de geneeskundige verklaring wordt opgemerkt dat patiënte weliswaar onder druk van de lopende machtiging medicatie- en behandeltrouw is, maar te kennen geeft het regelmatige contact met de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige te willen afbouwen. De mogelijkheid van een ambulante psychiatrische behandeling, c.q. medicatie op vrijwillige basis, is overwogen, maar door de rapporterende psychiater niet geschikt geacht.

2.7. In het bericht van de staat van uitvoering heeft de behandelend psychiater opgemerkt dat betrokkene weliswaar in een opwaartse spiraal zit, voor wat betreft het herstel van haar competenties, maar nu nog een voorwaardelijke machtiging nodig heeft als drangmiddel tot het meewerken aan de behandeling en medicatietrouw. Ter zitting is door en namens betrokkene betwist dat zij het benodigde ziekte-inzicht mist: zij meent dat de behandeling inmiddels ver genoeg is voortgeschreden om, zonder het drukmiddel van een nieuwe voorwaardelijke machtiging, zelf te kunnen beslissen wanneer contact met de behandelaar nodig is. Het gaat in deze zaak derhalve om een inschatting, of de behandeling een zodanig resultaat heeft bereikt dat een voorwaardelijke machtiging niet meer nodig is om het gevaar te keren. Door de verwijzing naar de stukken en het verhandelde ter terechtzitting, is - in dit geval - m.i. voldoende duidelijk wat de rechtbank voor ogen heeft gehad en waarop haar beslissing is gebaseerd. De rechtbank deelt wel het oordeel van de psychiater op dit punt en niet het andersluidende standpunt van betrokkene. Het andersluidende standpunt van betrokkene is wel duidelijk, maar is niet met nadere argumenten onderbouwd. Het verweer berustte in wezen op haar eigen inschatting en die van haar broer. Het behoefde m.i. geen nadere toelichting, waarom de rechtbank het oordeel van de artsen heeft gevolgd. De slotsom is dat de klacht faalt.

2.8. Onderdeel I komt met een motiveringsklacht op tegen de vaststelling dat betrokkene heeft ingestemd met de voorwaarden als beschreven in het behandelingsplan.

2.9. Wanneer na een (eerste) voorwaardelijke machtiging een nieuwe voorwaardelijke machtiging wordt verzocht, is het bepaalde in art. 14a Wet Bopz van overeenkomstige toepassing; zie art. 14c lid 7 Wet Bopz. Art. 14a lid 5 schrijft voor dat een behandelingsplan wordt overgelegd dat met instemming van de betrokkene door de voor de behandeling verantwoordelijke psychiater is opgesteld. Art. 14a lid 8 houdt in dat de rechter een voorwaardelijke machtiging slechts verleent indien de betrokkene zich bereid heeft verklaard tot naleving van de te stellen voorwaarden. Het verlenen van een (nieuwe) voorwaardelijke machtiging geschiedt onder de (algemene) voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het behandelingsplan (zie art. 14a lid 6). Daarnaast kan de rechter bij het verlenen van de voorwaardelijke machtiging (bijzondere) voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de betrokkene, voor zover dit gedrag het gevaar dat voortvloeit uit de stoornis van de geestvermogens beïnvloedt (zie art. 14a lid 7).

2.10. Aan een bereidverklaring als bedoeld in het achtste lid van art. 14a en aan de instemming als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel worden geen formele eisen gesteld. Wel is instemming met de behandeling, een `informed consent', nodig. Er vindt een eerste toetsing plaats wanneer de psychiater die het behandelingsplan opstelt aan de patiënt vraagt of deze met het plan kan instemmen. Er is een tweede - beslissend - toetsingsmoment wanneer de rechter onderzoekt of de patiënt zich bereid heeft verklaard tot naleving van de te stellen voorwaarden. Omtrent het karakter van een voorwaardelijke machtiging heeft de Hoge Raad overwogen:

"(...) Deze wetsgeschiedenis maakt duidelijk dat de wetgever zich de voorwaardelijke machtiging heeft voorgesteld als een keuzemogelijkheid voor een bepaalde groep patiënten, te weten degenen die ervan blijk geven in te zien dat behandeling noodzakelijk is en die in staat zijn te overzien dat alsnog een gedwongen opname volgt indien zij niet of niet meer bereid zijn de voorwaarden na te leven." (4)

2.11. Het behandelingsplan in de onderhavige zaak is niet mede-ondertekend door betrokkene. Op de daarvoor bestemde plaats in het formulier is genoteerd: "[...] is het wel eens met medicatie en contacten, echter ze is het niet eens met aanvragen R.M." In het middel wordt een gedeelte aangehaald uit de verklaring die betrokkene bij de rechtbank heeft afgelegd. Volgens de klacht heeft betrokkene aan de rechtbank laten weten dat zij een andere vorm van behandeling wil, dat zij eigen verantwoordelijkheid en inspraak wil, dat zij de contacten met de behandelaar niet wil stoppen maar wil verminderen en dat zij geen rechterlijke machtiging wil.

2.12. Voor de goede orde - het middel bevat geen rechtsklacht - merk ik op dat de wet niet eist dat de betrokkene het behandelingsplan mede heeft ondertekend. Evenmin wordt vereist dat de betrokkene instemt met de rechterlijke machtiging als zodanig(5). Beslissend is, of de betrokkene instemt met de door de rechter te stellen voorwaarden, waaronder de (algemene) voorwaarde van behandeling volgens het behandelingsplan.

2.13. De opstelling van betrokkene ter zitting liet meerdere interpretaties toe. De rechtbank heeft de verklaringen van betrokkene kennelijk zo begrepen, dat zij van mening was dat de psychiatrische behandeling inmiddels voldoende was voortgeschreden om te kunnen volstaan met een behandeling op vrijwillige basis; een nieuwe machtiging was volgens haar niet meer nodig. Dat verweer is verworpen. Uit de verklaringen van betrokkene heeft de rechtbank m.i. niet behoeven af te leiden dat zij - al dan niet subsidiair - het oneens was met (bepaalde onderdelen van) het behandelingsplan. Mede gelet op de omstandigheid dat betrokkene zich al enige tijd overeenkomstig het behandelingsplan onder behandeling van de behandelend psychiater stelde, heeft de rechtbank uit de verklaringen van betrokkene ter zitting mogen afleiden dat zij - voor het geval dat de rechtbank een nieuwe voorwaardelijke machtiging toch nodig achtte om het gevaar te weren - kon instemmen met de te stellen voorwaarden, met name de (algemene) voorwaarde dat zij zich onder behandeling van de psychiater stelt overeenkomstig het behandelingsplan. Onderdeel I faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Een kopie van het cassatieverzoekschrift is op 11 december 2006, dus binnen de termijn, per fax ingekomen ter griffie van de Hoge Raad; het (ondertekende) verzoekschrift is een dag later ontvangen.

2 Zie onder meer: HR 16 mei 1997, NJ 1998, 221 m.nt. JdB.

3 Schizofrenie, katatone type, wordt gekenmerkt door psychomotorische stoornissen. Zie voor een korte uitleg: W. Vandereycken en R. van Deth, Psychiatrie; van diagnose tot behandeling, 2004, blz. 108.

4 HR 29 april 2005, NJ 2006, 287; BJ 2005, 15 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie ook: HR 11 november 2005, NJ 2006, 288 m.nt. J. Legemaate; BJ 2006, 1 m.nt. W. Dijkers. Volledigheidshalve merk ik op dat in wetsvoorstel 30 492, thans in behandeling bij de Tweede Kamer, een wijziging van art. 14a is voorgesteld. Op deze wetswijziging kan evenwel niet worden vooruitgelopen, aldus HR 15 december 2006, LJN: AZ2049.

5 Vgl. rov. 3.3 van HR 15 december 2006, LJN: AZ2049.