Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5711

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2007
Datum publicatie
21-03-2007
Zaaknummer
01218/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5711
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Inbeslagneming bij verschoningsgerechtigde (advocatenkantoor). De opvatting dat in geval van afgifte van stukken door een advocaat bij gelegenheid van een doorzoeking ter inbeslagneming, van vrijwilligheid van die afgifte slechts sprake kan zijn, indien de Deken bij die doorzoeking aanwezig is, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 206
RvdW 2007, 349
NJB 2007, 845
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01218/06

Mr Machielse

Zitting: 2 januari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 20 april 2005 ter zake van 1. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven; meermalen gepleegd" 2. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verbode gedraging; meermalen gepleegd" 3. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen; meermalen gepleegd" 4. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging; meermalen gepleegd" 5. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen; meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft Mr M. Groot Koerkamp, advocaat te Arnhem, cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof het verweer dat bewijs onrechtmatig is verkregen heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen.

Het hof heeft het ter terechtzitting gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de twee pakketjes, inhoudende de dagstaten met de dagopbrengsten van behendigheidsclub [A] en haar opvolger [B] over de periode van 1998 en 1999, die zijn aangetroffen bij de doorzoeking op het advocatenkantoor [C] B.V. onrechtmatig in beslag zijn genomen. Hij heeft daarbij aangevoerd dat de doorzoeking in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek in een andere strafzaak tegen het voornoemde advocatenkantoor en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden, waarbij [betrokkene 1] de twee pakketjes niet vrijwillig aan justitie heeft meegegeven, zodat inbreuk is gemaakt op zijn verschoningsrecht. Daarnaast heeft de doorzoeking niet in het bijzijn van de Deken van de Orde van advocaten plaatsgevonden, terwijl de stukken die tijdens de doorzoeking bij [betrokkene 1] in beslag werden genomen door de Deken getoetst hadden moeten worden, ook die laatste verzuimen maken dat de inbeslagneming onrechtmatig was evenals het daaruit voortvloeiende onderzoek.

Uit het proces-verbaal van doorzoeking van het kantoor [C], gedateerd 22 januari 2001, dat door [betrokkene 1] is ondertekend, blijkt dat [betrokkene 1] vrijwillig afstand heeft gedaan van de twee enveloppen (1998 en 1999), inhoudende de dagstaten met de dagopbrengsten. De getuige Verwiel, de officier van justitie die bij voornoemde doorzoeking aanwezig was, heeft op 2 december 2002 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij zich herinnerde dat [betrokkene 1] afstand van de stukken wilde doen om problemen te voorkomen en dat [betrokkene 1] zei dat hij geen problemen voor anderen ging oplossen en afstand deed. Volgens Verwiel was er geen discussie over de vraag of [betrokkene 1] de bescheiden wilde afgeven. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van hetgeen de getuige Verwiel heeft verklaard over de gang van zaken met betrekking tot de twee genoemde enveloppen, zodat moet worden aangenomen dat [betrokkene 1] ten behoeve van verder onderzoek vrijwillig afstand heeft gedaan van die twee enveloppen met inhoud.

Uit de verklaring die [betrokkene 1] op 27 maart 2003 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd blijkt dat hij tot en met eind februari 2000 als advocaat was ingeschreven. Nu [betrokkene 1] ten tijde van de doorzoeking al vele maanden geen advocaat meer was, faalt reeds om die reden het beroep op de afwezigheid van de Deken tijdens de doorzoeking. Het hof laat overigens in het midden of naar huidig recht voor de rechtmatigheid van een doorzoeking ten kantore van een advocaat vereist is hetgeen de raadsman dienaangaande heeft aangevoerd.

Het hof is van oordeel dat de betreffende stukken rechtmatig in beslag zijn genomen aangezien er ten tijde van de doorzoeking voldoende aanwijzingen waren om te vermoeden dat er sprake was van (fiscale) fraude. De stukken betroffen dagstaten uit de jaren 1998 en 1999 en droegen het opschrift "vernietigen". Ingevolge artikel 2:10, derde lid van het Burgerlijk Wetboek bestaat de verplichting om dergelijke stukken gedurende zeven jaren te bewaren. Het feit dat de dagstaten bij [betrokkene 1] achter een kast, in ieder geval op een ongebruikelijke plek, waren opgeborgen, aldus voornoemde getuige Verwiel, versterkte dit vermoeden van een strafbaar feit."

3.2. Waarom het hof in de samenvatting van het verweer opmerkt dat het gevoerde verweer ertoe strekte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging van verdachte, is mij niet duidelijk. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch de pleitnotities geven daar blijk van. In dat verband zou bovendien sprake moeten zijn van een schending van beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte afbreuk wordt gedaan aan diens recht op een eerlijk proces. Dat heeft de raadsman evenmin aangevoerd en er blijkt ook niet van uit de stukken.

3.3. Waar het verweer ten aanzien van de doorzoeking en inbeslagneming (zoals weergegeven in de pleitnota, nrs. 3-12) wel toe strekte is overigens ook niet door de raadsman naar voren gebracht. Wel is in de pleitnota gesteld dat sprake was van een onrechtmatige inbeslagneming. Het verweer is opgenomen onder het hoofd Onrechtmatig bewijs. Voor de hand ligt dat de advocaat heeft willen aanvoeren dat de onrechtmatige inbeslagneming moet leiden tot bewijsuitsluiting. Het middel gaat ook over onrechtmatig verkregen bewijs en een bewezenverklaring die daardoor niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Maar feit is dat de inbeslaggenomen dagstaten niet voor het bewijs zijn gebezigd en alleen een cruciale rol hebben gespeeld bij het onderzoek en het horen van getuigen wier verklaringen wel voor het bewijs zijn gebruikt. Overigens merkt de raadsman in zijn pleitnota op dat de dagstaten doorslaggevend zijn geweest voor de feiten 1, 2, 3 en 4 en dus kennelijk niet voor feit 5. Kortom, waar het hof nu precies op heeft moeten responderen is niet eenduidig.

3.4. Het middel richt zich in ieder geval tegen het kennelijke oordeel van het hof dat [betrokkene 1] geen geheimhoudingsplicht had en dus ook geen verschoningsrecht toekwam omdat hij ten tijde van de doorzoeking geen advocaat meer was. In samenhang daarmee richt het zich voorts tegen de vaststelling door het hof van de vrijwilligheid waarmee [betrokkene 1] de bewuste enveloppen zou hebben afgestaan.

3.5. Het hof heeft vastgesteld dat de geheimhouder vrijwillig afstand heeft gedaan van de twee enveloppen. Daaruit volgt dat de geheimhouder toestemming heeft gegeven voor inbeslagneming en dat die inbeslagneming niet onrechtmatig is.(1) De afwezigheid van de Deken van de Orde van Advocaten is in zo'n geval, dunkt mij, niet relevant. De aanwezigheid van de Deken is immers voorgeschreven in de uitzonderlijke gevallen waarin de toestemming van de geheimhouder er niet toe doet, omdat het belang dat de waarheid aan het licht komt moet prevaleren boven het verschoningsrecht. De huiszoeking dient dan te geschieden door de rechter-commissaris die, bij voorkeur in gezamenlijk overleg met de Deken, dient te beslissen of geschriften redelijkerwijs in zodanig direct verband staan met de desbetreffende feiten dat zij kunnen dienen om de waarheid daaromtrent aan het licht brengen.(2)

Dat het hof heeft aangenomen dat [betrokkene 1] toestemming heeft gegeven tot inbeslagneming van de twee enveloppen acht ik niet onbegrijpelijk.

Voorts is door de doorzoeking de verdachte hoe dan ook niet getroffen in een belang dat het eventuele verschoningsrecht van [betrokkene 1] beoogt te beschermen.(3) Het betrof hier immers een doorzoeking bij een advocaat - niet zijnde de advocaat van verdachte - die in een ander verband zelf als verdachte werd aangemerkt en op wiens kantoor stukken in beslag zijn genomen die voortkwamen uit een dossier van een cliënt die een civielrechtelijke zaak wilde beginnen tegen verdachte. Het verschoningsrecht beoogt de vertrouwelijkheid van de relatie tussen - in dit geval - de advocaat en zijn cliënt te beschermen, maar die bescherming strekt zich niet uit tot de belangen die anderen kunnen hebben bij vertrouwelijkheid van stukken uit een in dat verband opgebouwd dossier. Ook om die reden kan het middel niet slagen.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof het verweer dat getuige [getuige 1] zijn bij de politie afgelegde verklaring bij de RC heeft ingetrokken en dus ter zitting had moeten worden gehoord, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. De in hoger beroep voorgedragen pleitnota houdt - voor zover hier relevant - het volgende in:

"26. Onder leiding van [getuige 1] wordt het verhaal de wereld in geholpen dat client de dagelijkse "rücklage" van f 2.000 a f 3.000,-- persoonlijk ophaalt en in zijn eigen zak zou steken, ergo aldus inkomen uit arbeid geniet. [Getuige 1] is daarover in zijn op 14 juni 2001 bij de FIOD afgelegde verklaring zeer stellig.

"Met betrekking tot de zogenaamde "rl" oftewel de rucklage kan ik u het volgende zeggen. Dit geld was bestemd voor de betalingen aan het GAK en de Belastingdienst. Het werd apart gehouden door het kassa personeel en in een envelop gedaan met een dagvermelding erop. Dat moest gebeuren in opdracht van [verdachte]. Hij nam dan die enveloppen in ontvangst. Maar dat geld kwam niet bij de fiscus terecht. Vanaf januari 2000 werd het niet meer vermeld op de dagstaat maar er werd wel elke dag 3000 gulden als rucklage gereserveerd. Ook dat geld ging naar [verdachte] neem ik aan".

Bij de rechter-commissaris blijkt [getuige 1] aanmerkelijk minder zeker van zijn zaak, en trekt hij in wezen zijn verklaring op dit punt in.

"Op de vraag of het bedrag van de rücklage ieder dag in de kassa bleef liggen antwoord ik dat ik dat niet weet omdat ik niets met de kassa van doen had. Ik weet ook niet wat de caissière met het bedrag van de rücklage deed. Mr Spong wijst mij erop dat ik bij de politie heb verklaard dat [verdachte] het bedrag van die rücklage dagelijks kwam ophalen. Als ik het goed heb, heb ik bij de politie verklaard dat mij dit pas duidelijk werd in maart of april 2000. Ik ben bij [B] gestopt op de maandag na de zaterdag van de vuurwerkramp. Ik heb [verdachte] het geld van de Rücklage nooit zelf zien ophalen."

27. Aangezien [getuige 1] de enige getuige is die bij de politie zo stellig beweerde dat client dagelijks de rücklage kwam ophalen en in zijn eigen zak stak - de andere getuigen nemen dat aan - doet zich hier door zijn intrekking op dit punt bij de rechter commissaris strafprocessueel gezien de situatie voor als bedoeld in H.R. 11 februari 1994 N.J. 1994, 427. Deze rechtspraak is nog onverminderd van kracht nu de Hoge Raad in zijn arrest van 15 maart 2005 nr. 02247/04 een arrest van Uw hof d.d. 16 februari 2004 op dit punt vernietigde. Nu uw hof niet de dagvaarding of oproeping van [getuige 1] heeft bevolen kan zijn bij de FlOD afgelegde verklaring, zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank, niet voor het bewijs worden gebezigd."

4.3. Het hof heeft het betreffende verweer als volgt samengevat en verworpen:

"[Getuige 1] heeft bij de FIOD verklaard dat verdachte de dagelijkse 'Rücklagen' van ƒ 2.000,- à ƒ 3.000,- persoonlijk heeft opgehaald en in zijn eigen zak zou hebben gestoken. Volgens de raadsman heeft [getuige 1] deze verklaring bij de rechter-commissaris ingetrokken. De raadsman stelt zich op het standpunt dat nu [getuige 1] de enige getuige is die bij de FIOD zo stellig beweerde dat verdachte dagelijks de "Rücklage" kwam ophalen en in zijn eigen zak stak -de andere getuigen nemen dit aan- en nu het hof niet de dagvaarding of oproeping van [getuige 1] als getuige heeft bevolen, zijn bij de FIOD afgelegde verklaring niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Gelet op de samenhang en de min of meer gelijke strekking van de verklaringen van de diverse andere getuigen over de dagelijkse "Rücklagen", is het hof van oordeel dat zich, anders dan de raadsman heeft gesteld, niet de situatie voordoet als bedoeld in HR 11 februari 1994, NJ 1994, 427 en dat derhalve de verklaring van [getuige 1] tegenover de FIOD voor het bewijs kan worden gebruikt. Overigens acht het hof deze verklaring betrouwbaar in samenhang met die van andere getuigen, die werkzaam geweest zijn bij [A] en [B]. De getuige [getuige 2] heeft tegenover de FIOD verklaard dat op de dag dat [betrokkene 2] kwam vast te zitten, hij van verdachte te horen kreeg dat de "Rücklage" nu voor hem, verdachte, bestemd was. De stelling van verdachte dat hij de "Rücklagen" heeft aangewend voor betalingen via zijn bank aan het GAK en de belastingdienst wordt bovendien niet onderbouwd door administratieve bescheiden."

4.4. Bij de beoordeling van het middel dient voorop te worden gesteld hetgeen de Hoge Raad laatstelijk in HR 12 september 2006, LJN AW6737 als uitgangspunt heeft geformuleerd ten aanzien van de verplichting getuigen op te roepen die een bij de politie afgelegde verklaring later hebben ingetrokken:

"(i) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voorzover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(ii) Het onder (i) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder heeft verklaard. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii) Indien in de onder (ii) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen."

4.5. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat er sprake is van het intrekken van de bij de FIOD afgelegde verklaring, althans van een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring. Mijns inziens is het maar de vraag of er hier sprake is van het bijstellen van een verklaring, maar van dat kennelijke en feitelijke oordeel van het hof moet hier worden uitgegaan. Indien de verklaring van de bewuste getuige niet het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen, is er niet steeds een verplichting om de getuige alsnog op te roepen en ter zitting te horen.(4) Dat kan anders zijn wanneer de verklaring van een andere getuige B, die als het overige bewijs wordt aangemerkt, is gebaseerd op hetgeen de bewuste getuige A tegen die getuige B heeft gezegd, terwijl de daarmee overeenstemmende verklaring van getuige A later is ingetrokken.(5)

4.6. De steller van het middel voert aan dat getuige [getuige 1] in ieder geval de enige is die verklaart dat het geld van de zogenaamde "Rücklage", waar het hier om draait, niet bij de fiscus terecht kwam. Kennelijk bedoelt de steller van het middel te betogen dat zich hier de situatie voordoet dat de verklaring van [getuige 1] wel het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen. Voor zover [getuige 1] dit onderdeel van zijn verklaring al zou hebben ingetrokken, is het mijns inziens echter niet doorslaggevend voor het bewijs van de rechtsreekse betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde. Die verklaring duidt in zoverre immers op een omstandigheid die reeds wordt bevestigd door de als bewijsmiddel 3, 6 en 7 gebezigde verklaringen van resp. getuige [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] en door het ontbreken van administratieve bescheiden omtrent afdrachten aan de fiscus.(6) Kennelijk is van een opgave van inkomsten en omzet overigens ook niet gebleken uit de als bewijsmiddel 11 opgenomen ambtsedige verklaring en uit de als bewijsmiddel 12 opgenomen "nihilaangiften". Voor het overige wordt de betrokkenheid van verdachte door de verschillende voor het bewijs gebezigde verklaringen van getuigen bevestigd. Ik acht het oordeel van het hof daarom niet onbegrijpelijk zodat ook de bewezenverklaring in dit verband mijns inziens niet ontoereikend is gemotiveerd.

4.7. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over het ontbreken van een verwerping van het verweer dat meerdere getuigen wier verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd, zijn gemanipuleerd.

5.2. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte - voor zover hier relevant - het volgende verklaard:

"[Getuige 1] heeft mensen tegen mij opgezet om te verbloemen dat hij met zijn zoon geld uit de kas had weggenomen. [Getuige 1], [getuige 4] en boekhouder [getuige 5] hebben tegen mij samengespannen. De boekhouding van [B] borduurde niet voort op de boekhouding van [A]. De boekhouder bleef wel hetzelfde. De dagstaten zagen er ook hetzelfde uit. Het gaat erom hoe die dagstaten werden ingevuld. [Getuige 1] had de feitelijke leiding over [B]. Ik was veel afwezig. [Getuige 1] heeft de brief opgesteld waarin staat vermeld dat er in opdracht van mij elke dag ƒ 3.000,- als zogenaamde 'Rücklage' werd achtergehouden en niet werd vermeld op de dagstaat. [Getuige 1] heeft deze brief aan de meisjes [getuige 4] en [getuige 3] voorgehouden en zij hebben dit stuk ondertekend. Ik heb [getuige 5] een volmacht gegeven om de boekhouding van [B] te voeren. [Getuige 1] leverde de administratieve bescheiden aan bij de boekhouder. De boekhouder maakte de administratie op en [getuige 1] bracht de gegevens vervolgens naar de Belastingdienst. Ik heb zelf geen stukken aan de boekhouder verstrekt. Het kan zijn dat ik in het begin een paar stukken aan de boekhouder heb verstrekt, maar daarna heeft [getuige 1] alle handelingen verricht. [Getuige 1] heeft ook elektronische aangifte gedaan bij de Belastingdienst. [Getuige 2] was de partner van [betrokkene 2]. Ik vraag mij af waarom het geld van de 'Rücklagen' bij [getuige 2] thuis lag. Daar heb ik helemaal geen zeggenschap over gehad. [Getuige 2] en [getuige 1] hebben een front tegen mij gevormd. [Getuige 1] heeft een bedrag van ƒ 65.000,- gestolen. Eén maand sociale lasten bedroeg ongeveer ƒ 65.000,-. Ik controleerde alle geldbewegingen en ik vroeg mij af waar dit geld was gebleven. Er kan nog veel meer geld verdwenen zijn. [Getuige 1] zat immers bij de bron."

5.3. Blijkens de pleitnota zoals overgelegd in hoger beroep - onder het kopje "Bewijs: valse dagstaten + complot" (para. 14-31) - heeft de raadsman ter terechtzitting gemotiveerd aangevoerd dat de dagstaten zijn vervalst en dat [getuige 1] getuigen [getuige 4] en [getuige 3] heeft gemanipuleerd. Het middel wijst in het bijzonder op hetgeen is aangevoerd over de strafrechtelijke veroordeling van [getuige 1] voor verduistering en de daaruit voortgekomen motieven voor [getuige 1] om verdachte te schaden en op de belastende brief van [getuige 1] die hij door de twee hiervoor genoemde getuigen heeft laten ondertekenen. Voorts citeert het middel de hieraan aan het eind van de pleitnota verbonden conclusie, die als volgt luidt:

"Samenvattend meent de verdediging dat de dagstaten, die getotaliseerd zijn en die de basis vormden voor de berekening van de omzet/loon en inkomstenbelasting als weergegeven onder 3.4 "materieel onderzoek" van bet betrokken p.v. vervalst zijn, althans gelet op de bij de R.C. afgelegde getuigenverklaringen zodanig onbetrouwbaar zijn ten aanzien van essentiële punten dat zij niet tot bewijs kunnen dienen en ook overigens de door de FIOD daarop gebaseerde berekeningen niet, althans voorshands niet als juist kunnen worden aanvaard. Over de kwestie van het ophalen en in eigen zak steken van de "rucklage" is inmiddels duidelijk geworden, dat een en ander ontsproten is aan het brein van een rancuneuze [getuige 1] die er niet voor terugdeinsde om hierover zelf een meineed te plegen, en voormalig medewerkers te betrekken in valsheid in geschrift door hen een brief te laten ondertekenen die in strijd is met de waarheid. Aan een ieder tot aan de medewerker van [D] toe hing hij het verhaal over de zakkenvullerij van client op, welk verhaal in de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris als een zeepbel uiteenspatte. Onmiskenbaar is gebleken dat [getuige 1] op indringende wijze een ieder heeft getracht te manipuleren jegens client. Het is dankzij de r.c.-getuigenverhoren dat dit manipulatieve gedrag aan het licht is gekomen en doorgeprikt is.

Het spreekt haast vanzelf dat op basis van deze onbetrouwbare gegevens en manipulatieve machinerie van [getuige 1] geen veroordeling van client kan volgen. Hij dient dan ook te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten."

5.4. Het hof heeft in hetgeen de raadsman heeft betoogd een verweer gelezen als zou er sprake zijn geweest van een complot en heeft dat verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Vervolgens heeft de raadsman betoogd dat er sprake is geweest van een gecomplotteerde beschuldiging van verdachte dat hij de dagelijkse 'Rücklagen' in zijn eigen zak zou hebben gestoken.

Gelet op de overeenkomstige inhoud dienaangaande van de verklaringen van een groot aantal getuigen acht het hof niet aannemelijk dat sprake is geweest van een complot jegens verdachte."

5.5. Ten aanzien van de betrouwbaarheid van getuige [getuige 1] heeft het hof in het bijzonder het volgende overwogen:

"(..) Overigens acht het hof deze verklaring betrouwbaar in samenhang met die van andere getuigen, die werkzaam geweest zijn bij [A] en [B]. De getuige [getuige 2] heeft tegenover de FIOD verklaard dat op de dag dat [betrokkene 2] kwam vast te zitten, hij van verdachte te horen kreeg dat de "Rücklage" nu voor hem, verdachte, bestemd was. De stelling van verdachte dat hij de "Rücklagen" heeft aangewend voor betalingen via zijn bank aan het GAK en de belastingdienst wordt bovendien niet onderbouwd door administratieve bescheiden."

5.6. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv kan hier mijns inziens wel worden gesproken.(7) Ik meen ook dat de steller van het middel met voldoende precisie heeft aangeduid op welke met argumenten onderbouwde standpunten de klacht het oog heeft. De vraag is vervolgens of de standpunten door het hof voldoende zijn weerlegd.

5.7. In verband met de mate waarin een beslissing op basis van art. 359 lid 2 Sv nader dient te worden gemotiveerd, komt betekenis toe aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De nadere motivering dient in te houden dat het naar voren gebrachte doch door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd.(8)

5.8. Dit neemt niet weg dat zich het geval kan voordoen dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, bijvoorbeeld in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen of in een aanvullende bewijsmotivering, waarin die nadere motivering besloten ligt. Voorts kan zich het geval voordoen dat ingeval een uitdrukkelijke weerlegging ontbreekt, dit - mede in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, waaronder begrepen hetgeen door of namens de verdachte en het openbaar ministerie over en weer naar voren is gebracht - geen afbreuk behoeft te doen aan de toereikendheid en begrijpelijkheid van de motivering van de uitspraak. Bovendien gaat de motiveringsplicht niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een "uitdrukkelijk onderbouwd standpunt" op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.

5.9. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard over een samenspanning tegen hem van [getuige 1], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 3] en [getuige 2], allen getuigen wier verklaringen voor het bewijs zijn gebezigd. Maar de betrokkenheid daarbij van met name [getuige 5] en [getuige 2] wordt niet nader onderbouwd. In het pleidooi van de raadsman heeft de gestelde manipulatie los van de beweerde vervalsing van dagstaten ook slechts betrekking op de getuigen [getuige 4] en [getuige 3], die zouden zijn bewogen een handtekening te plaatsen onder de voor verdachte belastende brief van [getuige 1].(9) Voor het overige wordt niet concreet aangevoerd dat er sprake is van manipulatie van getuigen. Waarop de steller van het middel baseert dat het "manipulatie-verweer" ook getuige [getuige 2] omvat - de steller van het middel doet niet meer dan verwijzen naar de nrs. 19 en 34 in de pleitnota - is mij niet duidelijk.(10) Omtrent enige manipulatie van [getuige 2] of [getuige 5] samen met [getuige 1] wordt door hem niets concreet gesteld.

5.10. Het hof heeft zich blijkens zijn arrest in ieder geval rekenschap gegeven van het gevoerde verweer. Dat het hof de voor verdachte belastende verklaringen van overige getuigen aan de weerlegging van het gevoerde verweer ten grondslag legt is gelet op de hiervoor genoemde beperking van het verweer begrijpelijk. Daarmee motiveert het hof dat het aan die verklaringen meer waarde hecht dan aan hetgeen verdachte en zijn raadsman omtrent het gestelde complot hebben aangevoerd. Daarbij overweegt het hof ook uitdrukkelijk de verklaring van [getuige 1] betrouwbaar te achten. In de omstandigheid dat getuige [getuige 2] de verklaring van [getuige 1] op een cruciaal punt bevestigt en dat verdachte de beweerde afdracht van bedragen niet kan onderbouwen, ziet het hof kennelijk belangrijke aanknopingspunten de betrouwbaarheid van [getuige 1] op dit punt niet in twijfel te trekken. Mijns inziens is hiermee ook genoegzaam duidelijk geworden dat het hof de vervalsing van de dagstaten onaannemelijk heeft geacht. Voor het overige vindt het verweer zijn weerlegging in de bewijsmiddelen en kan van het hof niet worden verlangd op elk detail van het gevoerde verweer in te gaan. Mijns inziens is de verwerping door het hof van het standpunt van de raadsman voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

5.11. Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van verklaringen die moeten worden aangemerkt als meningen, gissingen of gevolgtrekkingen.

6.2. Vooropgesteld moet worden dat een voor het bewijs gebezigde verklaring van een getuige betrekking moet hebben op hetgeen die getuige heeft waargenomen of ondervonden en dat zij niet voor het bewijs mag worden gebruikt indien zij gissingen, vermoedens of conclusies behelst.(11)

6.3. Voor het bewijs is onder meer van de volgende verklaring van [getuige 2] gebruik gemaakt, terwijl het middel zich richt tegen de door mij gecursiveerde onderdelen:

"Ik ben gestopt met [A] omdat ik het idee had dat de 'Rücklage' niet werd gebruikt waarvoor deze bedoeld was. Ik wilde voorkomen dat ik moeilijkheden hiermee zou krijgen. Ik had het idee gekregen omdat het hele overzicht over de 'Rücklage' verdwenen was. Ik heb de 'Rücklage' zelf aan [verdachte] gegeven, dagelijks, eerst ƒ 2.000,- per dag en later ƒ 3.000,- per dag. Dit is de hele tijd dat ik voorzitter van [A] was, zo gegaan."

6.4. In deze verklaring doet de verdachte mijns inziens niets meer dan een reden geven voor het handelen waarover hij verklaart. Dat die reden neerkomt op een vermoeden dat de getuige destijds had, doet niet af aan de bruikbaarheid van die verklaring. Die omstandigheid onderscheidt zich namelijk van het uitspreken van een vermoeden zoals die ten tijde van het afleggen van de verklaring bestaat. Hetgeen hiervoor is vooropgesteld heeft slechts betrekking op die laatste situatie.

6.5. Voorts is voor het bewijs gebruik gemaakt van het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], terwijl het middel zich richt tegen het door mij gecursiveerde gedeelte:

"Verbalisanten:

Afgaande op uw verklaring vragen wij u vervolgens of de aangiften omzetbelasting over de periode september 1998 tot en met juni 2000 juist en naar correcte bedragen zijn gedaan.

Gehoorde:

Op dat moment wist ik het niet. Ik dacht dat het allemaal correct gebeurde. Nu weet ik wel beter. Ik ben gestopt bij [B] omdat ik op een gegeven moment er van overtuigd was dat [verdachte] de Belastingdienst gigantisch aan het flessen was."

6.6. Om dezelfde reden als hiervoor genoemd kan het gebruik voor het bewijs van het eerste gedeelte van de gecursiveerde verklaring niet op bezwaren stuiten: de getuige doet niet meer dan verklaren wat hij destijds dacht, om daarmee zijn handelen of niet handelen toe te lichten. Het tweede gedeelte - "Nu weet ik wel beter" - zou in dat verband wel op bezwaren kunnen stuiten, ware het niet dat de verdachte in de zin erna de bezwaarlijke strekking ervan wegneemt. Daarin brengt hij namelijk tot uitdrukking dat hij er op een gegeven moment zelf reeds van overtuigd raakte dat een en ander 'niet correct' gebeurde. Dat verklaart de opmerking dat hij (ook) nu wel beter weet.

6.7. Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat het hof het verweer ten aanzien van schending van de redelijke-termijn ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

7.2. Het hof heeft een in dit verband gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat sinds het instellen van hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 14 juni 2002 vooral als gevolg van de trage afwikkeling van het rechtshulpverzoek door de Engelse autoriteiten de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Deze vertraging is volgens de raadsman niet aan verdachte te wijten.

Het hof beschouwt de datum waarop verdachte is aangehouden, 6 november 2001, als het aanvangsmoment van de redelijke termijn, aangezien op die datum vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. In eerste aanleg hebben drie terechtzittingen plaatsgevonden op respectievelijk 14 januari 2002, 13 mei 2002 en 3 juni 2002. De rechtbank te Almelo heeft op 14 juni 2002 in deze zaak vonnis gewezen. Vervolgens is het strafdossier op 9 september 2002 bij het gerechtshof te Arnhem binnengekomen, waarop de eerste terechtzitting in hoger beroep op 10 januari 2003 plaats heeft gevonden. Het hof heeft de zaak op deze datum aangehouden en naar de rechter-commissaris verwezen teneinde dertien getuigen te doen horen. Vervolgens heeft de zaak in hoger beroep op 19 september 2003, 21 januari 2004, 14 april 2004 en, na afronding van het onderzoek na verwijzing door de rechter-commissaris op 4 oktober 2004, op 6 april 2005 ter terechtzitting gediend. De zaak is in hoger beroep vertraagd met name in verband met het horen van de getuige Jemmett in het Verenigd Koninkrijk. De verdediging had om het horen van deze getuige verzocht en heeft bij dit verzoek volhard. Het hof is van oordeel dat, gelet met name op de complexiteit van het onderzoek en de verzoeken van de verdediging, het tijdsverloop van de procedure noch in zijn onderdelen, noch in het geheel zodanig lang is geweest dat op grond daarvan schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM, moet worden aangenomen, zodat het hof geen termen aanwezig acht om het openbaar ministerie om deze reden niet-ontvankelijk te verklaren dan wel tot strafvermindering over te gaan."

7.3. In HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH heeft de Hoge Raad als volgt bepaald:

"Toetsing door de Hoge Raad als cassatierechter

3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vóór de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd:

a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.

b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst."

(...)

Duur van de redelijke termijn

3.13. De redelijkheid van de duur van een strafzaak is afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden:

a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.

b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.

c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.

3.14. Voor wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.15. Een uitzondering dient evenwel te worden aangenomen voor de gevallen waarin

a. de verdachte in verband met de zaak in voorlopige hechtenis verkeert, en/of

b. het strafrecht voor jeugdigen is toegepast. In zulke gevallen behoort de zaak in eerste aanleg binnen 16 maanden te zijn afgedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.13 vermeld.

3.16. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep geldt het onder 3.12-3.15 gestelde eveneens. Behoudens de onder 3.13 vermelde bijzondere omstandigheden behoort in die procesfase het geding met een einduitspraak te zijn afgerond binnen 2 jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, en binnen 16 maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert en/of het strafrecht voor jeugdige personen is toegepast.

(...)"

7.4. Het middel spitst zich toe op de verwerping van het redelijke- termijnverweer voor zover daarbij mede is gelet op de complexiteit van het onderzoek. Omdat uitgezonderd enkele getuigeverhoren bij de RC en één ter zitting in hoger beroep(12) de bewijsvergaring reeds in 2001 was afgerond, is het volgens het middel onbegrijpelijk de complexiteit van de zaak ten grondslag te leggen aan het oordeel dat de redelijke termijn niet is geschonden ondanks de ruime overschrijding van de termijn van zestien maanden sinds het instellen van hoger beroep. Het middel keert zich slechts tegen de overweging omtrent de complexiteit van de zaak en niet tegen de overige onderdelen van de motivering van de verwerping. Ik meen dat de overige in die motivering vermelde omstandigheden waaronder het aanhoudende verzoek getuige Jemmett als getuige te horen, de verwerping van het verweer zelfstandig dragen. De vertraging die is gemoeid geweest met het horen van Jemmett in Engeland komt niet voor rekening van de Nederlandse autoriteiten.

7.5. Het middel faalt.

8. Het zesde middel klaagt over overschrijding van de inzendtermijn. Namens verdachte is op 22 april 2005 (het middel gaat per abuis uit van 22 augustus 2005) cassatieberoep ingesteld. De stukken van het geding zijn bij de Hoge Raad op 28 april 2006 binnengekomen. Dit betreft een overschrijding van de inzendtermijn van ruim vier maanden. Dit moet tot strafvermindering leiden.

9. De eerste vijf middelen falen en kunnen, met uitzondering van het eerste, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

10. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de strafoplegging, tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 29 maart 1994, NJ 1994, 552; HR 30 november 1999, NJ 2002, 438; HR 17 april 2001, LJN AB1272.

2 Bijv. HR 30 november 1999, NJ 2002, 438: HR 18 juni 2002, LJN AD5297.

3 HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376. Ook wijs ik op HR 1 mei 1990, NJ 1991, 40, waarin het hof ten overvloede had overwogen dat, zo de huiszoeking al onrechtmatig was jegens de advocaat, dit nog niet meebracht dat dat ook ten aanzien van verdachte het geval was, nu verdachte geen cliënt van deze advocaat was. De hoge raad overwoog dat deze laatste alinea van de overwegingen van het hof kennelijk ten overvloede was gegeven, zodat het middel, voorzover het daartegen was gericht, reeds daarom niet tot cassatie kon leiden. Het "reeds daarom" doet vermoeden dat er nog een andere grond zou zijn waarop het middel moest falen en ik acht het zeker niet uitgesloten dat deze grond erin is gelegen dat het verschoningsrecht niet strekt tot bescherming van anderen dan advocaat en diens cliënt.

4 Vgl. HR 12 september 2006, LJN AW6737.

5 HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333.

6 Mijns inziens zou hieraan - gelet op de zeggenschap van verdachte - nog de als bewijsmiddel 13 gebezigde verklaring van verdachte kunnen worden toegevoegd, inhoudende: "Ik was voorzitter van [B] en had de eindverantwoordelijkheid over [B]. Ten tijde van [A] en [B] was ik de hoofdhuurder van het pand waarin deze casino's zaten. De 'Rücklagen' werden dagelijks of om de paar dagen meegenomen."

7 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393.

8 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393.

9 De pleitnota in hoger beroep haalt in dit verband de verklaringen van [getuige 3] en van [getuige 4] aan zoals die tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd. Uit de geciteerde onderdelen van deze verklaringen blijkt dat deze getuigen het met de inhoud van de hun door [getuige 1] voorgelegd brief eens waren. Waarin de door de steller van het middel vermoede manipulatie door [getuige 1] heeft gelegen is mij tegen deze achtergrond niet duidelijk.

10 Onder 19 is slechts aangevoerd dat [getuige 2] goed bevriend was met [betrokkene 2], met wie verdachte een zakelijk conflict had, en geld van een rekening van een casino heeft laten overboeken naar de advocaat van [betrokkene 2], maar van betrokkenheid bij manipulatie door [getuige 1] wordt daar niet gerept. Onder 34 wijst de steller van de pleitnota erop dat [getuige 2] geld van de Rücklage thuis had liggen en dat heeft moeten afstaan aan verdachte. Ook hierin een vermag ik geen verband te zien met de geponeerde manipulatie.

11 HR 28 maart 2006, LJN AU8270.

12 Mij is niet duidelijk waar de steller van het middel hier op doelt, want een terechtzitting is er op de in het middel genoemde datum niet geweest en ook van het horen van een getuige ter terechtzitting in hoger beroep is mij niet gebleken.