Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5710

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
01213/06 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5710
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Opgelegde straf hoger dan wettelijk maximum. Verdachte was t.t.v. het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven nog geen 16 jaar. Door hem 18 maanden jeugddetentie waarvan 5 maanden voorwaardelijk op te leggen, heeft het hof art. 77i.1.a Sr geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 118
RvdW 2007, 250
NJB 2007, 598
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01213/06 J

Mr Machielse

Zitting 2 januari 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 18 mei 2005 voor 1. subsidiair "Met iemand van wie de dader weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" en 6. "Medeplegen van met iemand van wie de dader weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" veroordeeld tot achttien maanden jeugddetentie, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van vorderingen van benadeelde partijen en heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt over schending van de redelijke termijn in de cassatiefase omdat tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter administratie van de Hoge Raad meer dan acht maanden zijn verstreken.

3.2. Het cassatieberoep is ingesteld op 26 mei 2005. De stukken zijn bij de Hoge Raad ontvangen op 28 april 2006. Aldus is de door de Hoge Raad gestelde inzendtermijn van acht maanden met ruim drie maanden overschreden. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

Het middel slaagt.

4.1. Het tweede middel klaagt erover dat aan de verdachte een hogere straf is opgelegd dan wettelijk mogelijk is.

4.2. Art. 77i, eerste lid, aanhef en onder a, Sr geeft aan dat als een verdachte ten tijde van het plegen van het delict nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt de jeugddetentie ten hoogste twaalf maanden kan bedragen. De verdachte was ten tijde van het plegen van de delicten in februari 2004, vijftien jaar en vier maanden. De maximumduur is absoluut in die zin dat bij samenloop van diverse strafbare feiten ingevolge art. 77gg, tweede lid, Sr geen verhoging boven het maximum is toegestaan, terwijl art. 77a Sr de werking van art. 57 Sr voor jeugdigen uitsluit.(1) Ook dit middel slaagt.

5. Beide middelen slagen. De vraag is welk gevolg hieraan gegeven dient te worden. De verdachte heeft het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde straf reeds in voorarrest uitgezeten. Het hof had aan het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf echter een bijzondere voorwaarde van behoorlijk kaliber verbonden:

"dat verdachte gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van de Bureau Jeugdzorg te Hengelo en zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van verdachte, ook indien en voor zover Bureau Jeugdzorg gedurende de proeftijd een ambulante behandeling van verdachte of een opname in een behandelinstelling voor de duur van maximaal één jaar nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling om verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen."

Klaarblijkelijk meende het hof dat niet kon worden volstaan met een 'kale' vrijheidsbeneming maar dat, gelet op de over verdachte opgemaakte rapportage, een intensief toezicht met mogelijk zelfs een behandeling nodig was. Als de gegrondverklaring van het tweede middel in cassatie slechts tot gevolg zou hebben dat de Hoge Raad eigenhandig de straf verlaagt en de bijzondere voorwaarde schrapt zou dit toezicht niet meer mogelijk zijn.

Het komt mij voor dat de feitenrechter het best in staat is af te wegen of niet alsnog enigerlei toezicht of behandeling van verdachte noodzakelijk is gelet op hetgeen over hem inmiddels bekend is, en, indien de feitenrechter tot de slotsom komt dat die noodzaak bestaat, daaraan in concreto gestalte te geven, waarbij de feitenrechter de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in aanmerking zal dienen te nemen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen voor zover het betreft de strafoplegging en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde opnieuw over de straftoemeting te beslissen. Ambtshalve heb ik geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie J.A.C. Bartels, Jeugdstrafrecht, het nieuwe jeugdstrafrecht, Studiepocket strafrecht, 2e, p. 57.