Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5688

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2007
Datum publicatie
30-03-2007
Zaaknummer
R06/062HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5688
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geschil over alimentatie tussen gewezen echtgenoten. Slagende motiveringsklacht tegen de bepaling van de draagkracht van de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 225
RvdW 2007, 363
NJB 2007, 837
JWB 2007/109
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/062HR

mr. Keus

Parket, 5 januari 2007

Conclusie inzake:

[De man] (1)

(hierna: de man)

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw]

(hierna: de vrouw)

verweerster in cassatie

In deze alimentatiezaak gaat het om de vraag of de vaststelling van de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man naar behoren is gemotiveerd.

1. Feiten(2) en procesverloop

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

1.2 Partijen zijn op 2 april 1980 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn twee, thans nog minderjarige kinderen geboren. Op 11 december 2003 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken bij de rechtbank 's-Gravenhage ingediend. Haar nevenverzoeken betroffen de gewone verblijfplaats van de kinderen, de alimentatie ten behoeve van de kinderen (€ 500,- per kind per maand), de alimentatie ten behoeve van haarzelf (€ 2.500,- per maand), het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en een verrekening overeenkomstig het in de huwelijksvoorwaarden opgenomen verrekenbeding, met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als naar de wet. In cassatie verschillen partijen nog slechts van mening over de verschuldigdheid c.q. de hoogte van de partneralimentatie. De echtscheiding en de overige nevenvoorzieningen(3) staan niet ter discussie, zodat zij verder buiten beschouwing blijven.

1.3 De man heeft tegen het verzoek van de vrouw tot toekenning van een partneralimentatie van € 2.500,- per maand gemotiveerd verweer gevoerd. Primair heeft hij zich op het ontbreken van draagkracht beroepen. Subsidiair heeft hij het standpunt ingenomen dat behoefte aan de zijde van de vrouw ontbreekt, in welk verband hij heeft gesteld dat de vrouw haar werkzaamheden en mitsdien haar inkomsten kan uitbreiden en aldus geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

1.4 Bij tussenbeschikking van 19 juli 2004 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank daarbij onder meer bepaald dat de man met ingang van de dag dat de beschikking in de registers van de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven, aan de vrouw tot haar levensonderhoud een bedrag van voorlopig € 1.230,- per maand zal uitkeren. Voor het overige heeft de rechtbank de behandeling van de zaak pro forma tot 1 september 2004 aangehouden.

1.5 Op 2 november 2004 is de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Delft ingeschreven.

1.6 Bij eindbeschikking van 14 januari 2005 heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man op € 1.104,- bruto per maand bepaald, doch geoordeeld dat de man, gelet op zijn draagkracht, niet in staat is "nog enige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen". Daarbij is van belang dat de rechtbank de man in staat heeft geacht een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen van € 340,- per maand en per kind te voldoen en dat de rechtbank, nu de minderjarigen voor 50% van de tijd bij de vrouw verblijven, een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage van € 170,- per maand en per kind heeft vastgesteld.

1.7 Van deze eindbeschikking is de vrouw (tijdig(4)) bij het hof 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen, doch uitsluitend voor zover daarbij afwijzend op haar verzoek om partneralimentatie is beslist. In hoger beroep heeft de vrouw haar alimentatieverzoek tot € 1.104,- bruto per maand verminderd. De man heeft verweer gevoerd en zijnerzijds in incidenteel appel een aantal grieven voorgesteld. Die incidentele grieven waren gericht tegen verschillende vaststellingen van de rechtbank met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man, alsmede tegen de beslissing van de rechtbank de bij de tussenbeschikking van 19 juli 2004 vastgestelde voorlopige bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ad € 1.230,- per maand niet (met terugwerkende kracht) te wijzigen. De vrouw heeft in het incidentele appel gemotiveerd verweer gevoerd. Op 7 december 2005 is de zaak mondeling behandeld.

1.8 In zijn beschikking van 22 februari 2006 heeft het hof vastgesteld dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van de vrouw € 1.523,- netto per maand bedraagt (rov. 6, 2e volzin). Gelet op het door de vrouw tot 14 september 2005 uit haar dienstverband met Be4Kids genoten inkomen van € 575,- netto per maand, heeft het hof (in rov. 6, 6e volzin) de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud tot 14 september 2005(5) op een bedrag van € 1.104,- bruto per maand bepaald. Daarbij heeft het hof voldoende aannemelijk geacht dat de vrouw het voor haar toen maximaal haalbare aantal uren werkte, mede gelet op de aard van de werkzaamheden en de reumatische aandoening van de vrouw, alsmede het feit dat zij in die periode niet over zelfstandige woonruimte beschikte (rov. 6, 3e tot en met 5e volzin). Voorts heeft het hof gereleveerd dat de vrouw met ingang van 15 september 2005 voor bepaalde tijd (één jaar) en met een dienstverband van 88,89 % bij GGZ Duin- en Bollenstreek in dienst is getreden en dat zij aldaar € 1.812,47 bruto (€ 1.240, 69 netto) per maand is gaan verdienen. Gelet op deze verandering in het inkomen van de vrouw heeft het hof haar behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud vanaf 15 september 2005 op € 500,- bruto per maand bepaald, waarbij het hof aannemelijk heeft geacht dat de vrouw, mede gelet op haar reumatische aandoening, het voor haar maximaal mogelijke aantal uren werkt (rov. 6, 7e tot en met 10e volzin).

Na vervolgens het inkomen en de financiële lasten van de man te hebben besproken (de rov. 8-17), heeft het hof (in rov. 18) geoordeeld dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw van € 940,- per maand over de periode van 14 januari 2005 tot 15 september 2005 en van € 500,- per maand met ingang van 15 september 2005 toelaat en dat deze bedragen de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage niet te boven gaan.

Het hof heeft de eindbeschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2005, voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie is afgewezen, vernietigd en heeft de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man bepaald op € 940,- per maand van 14 januari 2005 tot 15 september 2005 en op € 500,- per maand met ingang van 15 september 2005.

1.9Bij verzoekschrift van 22 mei 2006 heeft de man tijdig(6) cassatieberoep van de beschikking van het hof ingesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, ertoe strekkende dat de Hoge Raad het door de man ingestelde cassatieberoep verwerpt.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 De man bestrijdt de beschikking van het hof met een drietal middelen. Het eerste middel is gericht tegen het oordeel dat de vrouw tot 15 september 2005 aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud van € 1.104,- bruto per maand behoefte heeft. Het tweede middel bestrijdt het oordeel dat de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud vanaf die datum € 500,- bruto per maand bedraagt. Het derde middel komt met een motiveringsklacht op tegen de door het hof vastgestelde draagkracht van de man.

2.1.1 Bij de bespreking van deze middelen stel ik voorop dat de afweging en de waardering van omstandigheden die voor de beoordeling van een verzoek om toekenning van partneralimentatie ingevolge art. 1:157 lid 1 BW van belang zijn, in belangrijke mate zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In deze zin bijvoorbeeld HR 25 november 1977, NJ 1978, 359: "de vaststelling en de waardering van de omstandigheden, die bepalen, of een echtgenoot, naar de bewoordingen van art. 157, lid 1, Boek I BW, voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft of deze in redelijkheid kan verwerven, evenals de bepaling van het bedrag der uitkering dat de rechter bij ontkennende beantwoording van een van die vragen aan die echtgenoot kan toekennen, zijn overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt". De feitenrechter heeft de vrijheid om rekening te houden met alle omstandigheden van het geval en is eveneens vrij in de waardering van de door hem relevant geachte omstandigheden(7). Die waardering is in cassatie slechts in beperkte mate voor toetsing vatbaar, tenzij de feitenrechter daarbij van een verkeerde rechtsopvatting zou zijn uitgegaan.

2.1.2 Het voorgaande neemt niet weg dat de feitenrechter zijn beslissing ook in alimentatiezaken voldoende dient te motiveren. Aldus onder andere HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495 (rov. 3.3): "(...) Bij de beoordeling van dit onderdeel moet worden vooropgesteld dat ook ten aanzien van een beslissing als de onderhavige het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken (...)." In dezelfde zin HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 37 (rov. 3.3), waaruit tevens kan worden afgeleid dat de vraag hoe ver de motiveringsplicht van de feitenrechter strekt, afhangt van de omstandigheden van het geval en dat tot die omstandigheden mede behoort het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat.

2.2 Middel 1 is gericht tegen rov. 6, 4e tot en met 6e volzin, waarin het hof met betrekking tot de periode tot 15 september 2005 overwoog:

"De stelling van de man dat de vrouw haar werkzaamheden in die periode had kunnen uitbreiden heeft de man - tegenover de betwisting daarvan door de vrouw - naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het hof acht het voldoende aannemelijk - mede gelet op de aard van de werkzaamheden en de reumatische aandoening van de vrouw, alsmede het feit dat de vrouw in die periode niet over zelfstandige woonruimte beschikte en dientengevolge her en der logeerde - dat de vrouw het voor haar toen maximaal haalbare aantal uren werkte.

Gelet op voornoemd inkomen van de vrouw is het hof derhalve van oordeel dat de vrouw tot 14 september 2005 behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man van € 1.104,- bruto per maand, zoals door de vrouw in appèl verzocht."

2.2.1 Onderdeel 1a keert zich met een motiveringsklacht tegen de eerste, zojuist geciteerde volzin ("De stelling van de man dat de vrouw haar werkzaamheden in die periode had kunnen uitbreiden heeft de man - tegenover de betwisting daarvan door de vrouw - naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd."). Onder verwijzing naar het door de man in incidenteel appel ingenomen standpunt, dat erop neerkomt dat de vrouw met een beroep op de Wet aanpassing arbeidsduur bij haar toenmalige werkgever Be4Kids een werkweek van 32 uur had kunnen opeisen en verwerven teneinde in haar eigen levensonderhoud te voorzien(8), betoogt het onderdeel dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is hoe het hof heeft kunnen oordelen dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Of, zoals de man heeft gesteld, de vrouw haar werkzaamheden in de periode tot 15 september 2005 had kunnen uitbreiden teneinde zelf volledig in haar levensonderhoud te voorzien, was niet slechts afhankelijk van de bereidheid van haar toenmalige werkgever haar een uitbreiding van haar dienstverband toe te staan, maar óók van de (door het hof uiteindelijk beslissend geachte) vraag of zij, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, wel tot het verrichten van meer arbeid bij die werkgever in staat was. Het hof heeft die vraag in ontkennende zin beantwoord en daarbij gewezen op de aard van de door de vrouw verrichte werkzaamheden en haar reumatische aandoening, alsmede op het feit dat zij in de betrokken periode niet over zelfstandige huisvesting beschikte en dientengevolge her en der logeerde. Waar het door het onderdeel bedoelde betoog van de man zich beperkte tot de mogelijkheden van de vrouw een verruiming van het bestaande dienstverband af te dwingen, is het niet onbegrijpelijk dat het hof, gelet op de door de vrouw gestelde persoonlijke omstandigheden die zich ertegen verzetten dat zij meer arbeid bij haar toenmalige werkgever zou verrichten(9), dat betoog heeft opgevat als een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat de vrouw zich over de periode tot 15 september 2005 voldoende inkomsten uit arbeid had kunnen verwerven teneinde volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Het onderdeel kan mitsdien niet tot cassatie leiden.

2.2.2 Blijkens de tweede, hiervóór (onder 2.2) geciteerde volzin ("Het hof acht het voldoende aannemelijk - mede gelet op de aard van de werkzaamheden en de reumatische aandoening van de vrouw, alsmede het feit dat de vrouw in die periode niet over zelfstandige woonruimte beschikte en dientengevolge her en der logeerde - dat de vrouw het voor haar toen maximaal haalbare aantal uren werkte.") heeft het hof zijn oordeel dat het aannemelijk is dat de vrouw het in de periode tot 15 september 2005 voor haar maximaal haalbare aantal uren werkte, mede op de "aard van de werkzaamheden en de reumatische aandoening van de vrouw" doen steunen. Tegen deze overweging richt zich onderdeel 1b, waarin het hof wordt verweten dat het geen inzicht heeft geboden in zijn gedachtegang ten aanzien van het door de vrouw ingenomen standpunt dat zij als gevolg van haar reumatische aandoening niet in staat was haar werkzaamheden uit te breiden.

Onder A betoogt het onderdeel dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht, omdat zij de door haar aangevoerde werkbeperking slechts in vage en algemene termen heeft aangeduid en niet heeft geëxpliciteerd welke bewegingen zij niet, althans niet meer dan gedurende een derde deel van een volle werkweek, kan uitvoeren. Het onderdeel klaagt dat het hof hieraan consequenties had moeten verbinden. Naar ik meen, kan echter niet zonder meer worden aangenomen dat de vrouw met de stelling dat haar arbeidsmogelijkheden als gevolg van fibromyalgie zijn beperkt, in onvoldoende mate aan haar stelplicht heeft voldaan. Weliswaar zou het op de weg van de vrouw hebben gelegen om, als het processuele debat daartoe aanleiding had gegeven, te verduidelijken waarin de door haar als gevolg van haar fibromyalgie ondervonden beperkingen bestonden, maar aan het onderdeel is niet ten grondslag gelegd dat de man de desbetreffende stelling van de vrouw heeft betwist of haar om een nadere toelichting daarvan heeft gevraagd. Ook uit de stukken blijkt daarvan niet.

Onder B betoogt het onderdeel dat het hof in zijn oordeel had moeten betrekken dat de vrouw vanaf 15 september 2005 wél 32 uur per week kon werken, hetgeen een bevestiging zou vormen van de stelling van de man dat zij daartoe ook vóór 15 september 2005 in staat was. Het bestreden oordeel van het hof is echter mede gerelateerd aan de aard van de werkzaamheden die de vrouw vóór 15 september 2005 vervulde, alsmede aan de omstandigheid dat zij in die periode niet over zelfstandige woonruimte beschikte en dientengevolge her en der logeerde. Reeds tegen die achtergrond behoefde het enkele feit dat de vrouw na 15 september 2005 een andere dienstbetrekking voor 32 uur per week aanvaardde, het hof niet van het bestreden oordeel te weerhouden. Overigens heeft de vrouw in haar verweerschrift in het incidentele appel (p. 1/2) uiteengezet dat zij steeds ernaar heeft gestreefd haar arbeidsinkomsten op een hoger peil te brengen zonder daarbij al te grote risico's voor haar gezondheid te nemen en dat zij meent daarin door aanvaarding van haar nieuwe dienstbetrekking voor één jaar (en met een benoemingsomvang van 88,89%) als secretariaatsmedewerkster bij CGZ Duin- en Bollenstreek te zijn geslaagd, maar dat zij daarmee wel enig risico voor haar gezondheid heeft genomen en mede om die reden geenszins zeker is dat die dienstbetrekking na ommekomst van de bepaalde duur daarvan zal kunnen worden gecontinueerd. Ook bij de mondelinge behandeling heeft (de raadsman van) de vrouw op die onzekerheid gewezen door op te merken dat de nieuwe baan waarschijnlijk te belastend zal blijken. Dat de vrouw daadwerkelijk tot het vervullen van een dienstbetrekking gedurende 32 uur per week in staat is, stond met de enkele aanvaarding van de nieuwe dienstbetrekking bij CGZ Duin- en Bollenstreek dus allerminst vast.

2.2.3 Onderdeel 1c komt op tegen het oordeel dat aannemelijk is dat de vrouw vóór 15 september 2005, mede gelet op de aard van haar werkzaamheden, het voor haar maximaal haalbare aantal uren werkte. Het middel betoogt dat het hof onvoldoende heeft uitgelegd waarom het de aard van de werkzaamheden van belang heeft geacht, nu uit de beschikking niet duidelijk wordt welke aard van welke werkzaamheden het hof ertoe heeft gebracht het verweer van de man, inhoudende dat de vrouw haar werkzaamheden had kunnen uitbreiden, onvoldoende te achten.

Naar mijn mening wordt de klacht terecht voorgesteld. Waar de door het hof kennelijk gelegde relatie tussen de aard van de door de vrouw verrichte werkzaamheden en de door haar ondervonden beperkingen als gevolg van haar reumatische aandoening mede het oordeel draagt dat de vrouw haar werkzaamheden vóór 15 september 2005 niet heeft kunnen uitbreiden, had het hof, om zijn beslissing begrijpelijk te maken, althans enig inzicht in die relatie moeten bieden en daartoe minst genomen moeten verduidelijken welke aard van de door de vrouw vóór 15 september 2005 verrichte werkzaamheden het daarbij voor ogen had. De bestreden beschikking laat zich daarover echter in het geheel niet uit, terwijl de in de feitelijke instanties gewisselde stukken nauwelijks aanwijzingen met betrekking tot de aard van die werkzaamheden bevatten. Ook de vrouw heeft zich in de feitelijke instanties niet uitdrukkelijk over de aard van de door haar vóór 15 september 2005 verrichte werkzaamheden uitgelaten; weliswaar heeft zij een verband gelegd tussen haar arbeidsmogelijkheden en haar reumatische aandoening (zie in het bijzonder het verweerschrift in het incidentele appel, p. 1: "(...) de vrouw lijdt aan de lichamelijke aandoening fibromyalgie, als gevolg waarvan haar arbeidsmogelijkheden bepaald beperkt te noemen zijn"), maar zonder daarbij aan de aard van de door haar voor Be4Kids verrichte werkzaamheden te refereren. Een aanwijzing is wel te vinden in het door de man overgelegde concept van een brief van de raadsman van de vrouw aan Be4Kids, gedateerd juni 2005, waarin een uitbreiding van het dienstverband van de vrouw wordt verzocht en waaruit blijkt dat de vrouw sinds 1 oktober 1992 als administratief medewerkster bij Be4Kids in dienst was(10). Ook dat gegeven schiet echter tekort om de door het hof gevolgde gedachtegang inzichtelijk te maken, zeker nu daaruit op zichzelf niet van relevante verschillen tussen de door de vrouw in die functie verrichte en in haar nieuwe functie van secretariaatsmedewerkster te verrichten werkzaamheden blijkt(11).

2.2.4 Onderdeel 1d richt een motiveringsklacht tegen rov. 6, voor zover het hof zijn oordeel dat aannemelijk is dat de vrouw vóór 15 september 2005 het voor haar maximaal haalbare aantal uren werkte, mede heeft doen steunen op de omstandigheid dat zij "her en der logeerde".

Voor zover het onderdeel klaagt dat onbegrijpelijk is waarom iemand die "her en der logeert" maar al wel een werkkring heeft, niet in staat zou zijn meer tijd aan die reeds bestaande werkkring te besteden, faalt het. Ook zonder nadere motivering is niet onbegrijpelijk dat aan een uitbreiding van een reeds bestaande dienstbetrekking in de weg kan staan dat men is aangewezen op door derden geboden onderdak op wisselende (en wellicht grote) afstanden van de plaats waar men werkzaam is en herhaaldelijk van verblijfplaats moet wisselen en naar nieuwe adressen moet uitzien.

Het middel kan evenmin tot cassatie leiden, voor zover het klaagt dat het hof in strijd met art. 24 Rv de feiten heeft aangevuld door aan te nemen dat de vrouw tot 15 september 2005 "her en der logeerde". De klacht mist feitelijke grondslag voor zover zij is gebaseerd op de veronderstelling dat in de benadering van het hof de toestand van "her en der logeren" tot 15 september 2005 heeft voortgeduurd. Ik begrijp het bestreden oordeel aldus dat de huisvestingssituatie van de vrouw, zoals die zich tot enig moment in de periode vóór 15 september 2005 heeft voorgedaan, naast de andere door het hof genoemde factoren (de aard van de toen door de vrouw verrichte werkzaamheden, haar reumatische aandoening) eraan bijdroeg dat in die periode een uitbreiding van de toen bestaande dienstbetrekking voor de vrouw niet mogelijk was. Dat, zoals het onderdeel aanvoert, de vrouw niet zou hebben weersproken dat zij vanaf medio november 2004 een eigen appartement huurt(12), is overigens in zoverre onjuist dat de vrouw bij de mondelinge behandeling heeft verklaard in juli 2005 haar woning te hebben gekocht en daarvoor vanaf juli 2004 te hebben "rondgezworven" (proces-verbaal, p. 3).

Aangenomen dat het hof niet heeft bedoeld dat het "her en der logeren" tot 15 september 2005 heeft voortgeduurd, is van een ontoelaatbare aanvulling van de feiten geen sprake. Ook de in het onderdeel weergegeven stellingen van de man maken immers gewag van logeren van de vrouw bij kennissen, terwijl de vrouw in dat verband bij de mondelinge behandeling van "rondzwerven" heeft gesproken.

2.3 Middel 2 keert zich tegen rov. 6, 10e volzin, waarin de met ingang van 15 september 2005 bestaande behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud op € 500,- bruto per maand is bepaald. Het middel klaagt, kort gezegd, dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk is waarom het hof in voormelde zin heeft beslist, nu het brutosalaris van de vrouw vanaf 15 september 2005 hoger is dan de behoefte zoals die zich als de som van haar brutosalaris vóór 15 september 2005 en de aan dat salaris gerelateerde behoefte aan een aanvullende alimentatie van € 1.104,- bruto per maand (tot welk bedrag de vrouw haar alimentatieverzoek in hoger beroep heeft beperkt) laat berekenen.

Met betrekking tot de behoefte van de vrouw staat het volgende vast:

(i) de vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat haar maandelijkse kosten € 2.946,67 bedragen(13), hetgeen de man (gemotiveerd) heeft betwist;

(ii) de rechtbank heeft de behoefte van de vrouw berekend op € 1.523,40 netto per maand(14); gelet op het door de vrouw bij Be4Kids genoten salaris van € 575,- netto per maand(15), heeft de rechtbank de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud vastgesteld op (€ 1.523,40 minus € 575,- is gelijk aan) € 948,40 netto per maand, hetgeen, nog steeds volgens de rechtbank, op € 1.104,- bruto per maand zou neerkomen;

(iii) in hoger beroep heeft de vrouw haar alimentatieverzoek verminderd tot € 1.104,- bruto per maand;

(iv) ter zitting van het hof 's-Gravenhage is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de behoefte van de vrouw € 1.523,- netto per maand bedraagt (rov. 6, 2e volzin);

(v) vanaf 15 september 2005 heeft de vrouw een nieuwe baan, waarmee zij blijkens de door haar in hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomst een salaris van € 1.240,69 netto (€ 1.812,47 bruto) per maand verdient.

Het middel haakt aan bij het gegeven dat de door de rechtbank berekende, tussen partijen niet meer in geschil zijnde en kennelijk ook door het hof in aanmerking genomen behoefte van de vrouw, althans volgens de berekeningen van de rechtbank, bij een bruto-inkomen van de vrouw van € 656,93 per maand(16) een (met een aanvullende bijdrage van de man te dichten) "gat" van € 1.104,- bruto per maand liet bestaan, tot welk bedrag de vrouw haar aanspraken in hoger beroep ook heeft beperkt. Kiest men de genoemde brutobedragen als uitgangspunt, dan valt inderdaad niet zonder meer in te zien waarom, ondanks een salarissprong van de vrouw van (€ 1.812,47 minus € 656,93 is gelijk aan) € 1.155,54 bruto per maand, nog sprake zou zijn van enige restbehoefte waarin met een aanvullende bijdrage van de man van € 500,- bruto per maand zou moeten worden voorzien. Kennelijk heeft het hof echter een andere benadering gevolgd. Het hof heeft in rov. 6 de tussen partijen vaststaande nettobehoefte van de vrouw van € 1.523,- per maand voorop gesteld en tegen die nettobehoefte het nettosalaris van de vrouw uit haar nieuwe functie ten bedrage van € 1.240,69 per maand afgezet(17). Waartoe de door de rechtbank gevolgde brutobenadering ook leidt, in de door het hof gevolgde nettobenadering is wel degelijk sprake van een restbehoefte van (€ 1.523,- minus € 1.240,69 is gelijk aan) € 282,31 per maand netto, in welk licht het naar mijn mening ook zondere nadere motivering niet onbegrijpelijk is dat het hof de door de man verschuldigde bijdrage op een bedrag van € 500,- bruto heeft vastgesteld. De op het hof rustende motiveringsplicht ging niet zover dat het hof was gehouden uit te gaan van en voort te bouwen op de door de rechtbank uitgevoerde brutoberekeningen en een eventueel verschil in uitkomst tussen die berekeningen en de eigen berekeningen op grond van de beschikbare nettobedragen te verklaren.

2.4 Het derde middel bestrijdt met een motiveringsklacht de vaststelling van de draagkracht van de man in de rov. 7-18. In hoger beroep heeft de vrouw het standpunt ingenomen dat, nu de rechtbank de man in staat heeft geacht voor de twee kinderen van partijen een bedrag van € 680,- per maand aan kinderalimentatie te voldoen en de man tot betaling van een bedrag van slechts € 340,- per maand heeft veroordeeld (omdat de kinderen de helft van de maand bij de vrouw en de andere helft van de maand bij de man verblijven), de man in staat moet worden geacht het "resterende" bedrag van € 340,- per maand als partneralimentatie aan de vrouw te betalen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en erop gewezen dat, naast de door hem aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie voor de tijd dat de kinderen bij de vrouw verblijven, ook de kosten voor de kinderen gedurende de tijd dat zij bij hem verblijven, op hem drukken. Het middel betoogt dat, alhoewel het hof niet met zoveel woorden op de desbetreffende (vierde) grief van de vrouw heeft beslist, het bij de bepaling van de draagkracht van de man kennelijk slechts rekening heeft gehouden met een bedrag van € 340,- per maand aan kinderalimentatie, en niet met de (minstens zo hoge) kosten van verzorging en opvoeding die voor de man voortvloeien uit het feit dat de kinderen gedurende de helft van de tijd bij hem verblijven.

Ik acht de klacht gegrond. Bij de berekening van het bedrag dat beschikbaar is voor partneralimentatie pleegt op de inkomsten van de alimentatieplichtige onder meer de door deze verschuldigde kinderalimentatie in mindering te worden gebracht. Het hof heeft dat niet miskend, maar ter zake (in rov. 12) slechts een bedrag van € 340,- per maand (in totaal) in aanmerking genomen. De rechtbank heeft dat laatste bedrag echter vastgesteld, ervan uitgaande (i) dat de behoefte van de kinderen € 925,- per maand (in totaal) bedraagt, (ii) dat, gelet op het (toenmalige) inkomen van de vrouw, het redelijk is dat het zogenaamde eigen aandeel kosten van kinderen volledig ten laste van de draagkracht van de man zal komen, (iii) dat de man in staat kan worden geacht een kinderalimentatie van € 340,- per maand en per kind (€ 680,- in totaal) te voldoen en (iv) dat, nu de minderjarigen voor de helft van de tijd bij de vrouw verblijven, het redelijk is een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage van € 170,- per maand en per kind (€ 340,- in totaal) vast te stellen (zie de beschikking van 14 januari 2005, p. 2 en 4). Aan de vaststelling van de kinderalimentatie door de rechtbank op een bedrag van in totaal € 340,- per maand is derhalve inherent dat (óók) het door die bijdrage niet gedekte deel van de behoefte van de kinderen ad (€ 925,- minus € 340,- is gelijk aan) € 585,- ten laste van de draagkracht van de man zal komen, waartoe deze (in elk geval) de resterende € 340,- van het door de rechtbank berekende en voor kinderalimentatie beschikbare deel van zijn inkomen zal moeten aanwenden voor de verzorging en opvoeding van de kinderen gedurende de tijd dat zij bij hem verblijven. Tegen deze achtergrond is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad onbegrijpelijk waarom het hof in rov. 12 slechts een bedrag van € 340,- per maand (kennelijk als strekkende in mindering op de draagkracht van de man) in aanmerking heeft genomen. Daaraan doet mijns inziens niet af dat blijkens rov. 11 het hof (in cassatie overigens onbestreden) met de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en met een draagkrachtpercentage van 52,5 rekening heeft gehouden, en dat het door de keuze van deze norm en dit percentage in plaats van die welke ingevolge de zogenaamde Trema-normen bij de berekening van de draagkracht van een alleenstaande alimentatieplichtige gelden, wellicht - zij het op forfaitaire wijze - heeft willen verdisconteren dat de kinderen van partijen, ook afgezien van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie, mede ten laste van de man komen(18).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 In het cassatierekest wordt de man kennelijk abusievelijk als [de man] aangeduid.

2 Zie de bestreden beschikking onder "VASTSTAANDE FEITEN".

3 Zie hiervoor de beschikkingen van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 juli 2004 en 14 januari 2005.

4 Zie daarover de bestreden beschikking onder "ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP".

5 Dit moet zijn: tot 15 september 2005, vgl. rov. 18 alsmede het dictum van de bestreden beschikking. Zie ook middel 1.

6 De bestreden beschikking dateert van 22 februari 2006; het cassatierekest is op 22 mei 2006 bij de civiele griffie van de Hoge Raad ingekomen.

7 Vgl. HR 20 december 1991, NJ 1992, 194.

8 Zie de toelichting bij onderdeel 11 van de grieven in incidenteel appel.

9 Zie voor het beroep van de vrouw op haar beperkte arbeidsmogelijkheden als gevolg van fibromyalgie onder meer het verweerschrift in het incidentele appel, p. 1. Blijkens het proces-verbaal van verhoor op verzoekschrift van 7 december 2005 heeft de vrouw over haar huisvestingssituatie verklaard: "In juli jl. heb ik mijn woning gekocht. Daarvoor heb ik vanaf juli 2004 rondgezworven." Welk gewicht in de gedachtegang van de vrouw zelf aan deze omstandigheden toekomt, is overigens niet geheel duidelijk. Dat in haar visie (mede) een rol speelde dat haar dienstverband bij haar vorige werkgever niet kon worden uitgebreid, kan worden afgeleid uit hetgeen zij blijkens het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2005 (p. 4) heeft verklaard: "Bij mijn vorige werkgever heb ik 13 jaar gewerkt. Zij konden mij niet meer werk aanbieden. Toen ben ik als een gek gaan solliciteren. (...)".

10 Prod. 22 bij het appel verweerschrift echtscheiding tevens houdende incidenteel appel.

11 In het in de vorige voetnoot bedoelde concept van een brief van de raadsman van de vrouw aan Be4Kids, waarvan de exacte status overigens niet is toegelicht en waarvan ook de auteur niet is vermeld, is wel sprake van bereidheid van de vrouw zich tot groepsleidster op een van de kinderdagverblijven van Be4Kids te laten omscholen. Zou het hof eventuele werkzaamheden van de vrouw als groepsleidster op het oog hebben gehad, dan zou dat niet begrijpelijk zijn, nu niet vaststaat dat de vrouw haar werkzaamheden voor Be4Kids slechts had kunnen uitbreiden door een functie als groepleidster te aanvaarden.

12 Zie voor die stelling van de man zijn appel verweerschrift echtscheiding tevens houdende incidenteel appel onder 12.

13 Zie de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2005 onder "De behoefte van de vrouw".

14 Zie de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2005 onder "De behoefte van de vrouw".

15 Zie voor dit bedrag de salarisspecificaties van de vrouw over de maanden februari tot en met april 2004, overgelegd als prod. 5 bij het appel verweerschrift echtscheiding tevens houdende incidenteel appel van de man, waaruit blijkt van maandelijkse salarisbedragen van € 576,85 netto (€ 656,93 bruto), € 576,84 netto (€ 656,93 bruto), respectievelijk € 574,92 netto (€ 656,93 bruto).

16 Zie voetnoot 15.

17 Ook de vrouw heeft die benadering voorgestaan; zie het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2005, p. 3, derde volle alinea: "de vrouw: Uitgegaan dient te worden van het verschil tussen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van € 1.523,15 en het door mij verdiende netto inkomen van € 1.241,- per maand."

18 De bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder en een draagkrachtpercentage van 52,5 zijn overigens óók gehanteerd in de draagkrachtberekening die de man als prod. 29 bij het appel verweerschrift echtscheiding tevens houdende incidenteel appel heeft overgelegd en volgens welke berekening ruimte voor een partneralimentatie ontbreekt. Opmerkelijk is dat in die berekening onder punt 141 op het beschikbare deel van de zogenaamde draagkrachtruimte eveneens slechts een kinderalimentatie van € 340,- in mindering is gebracht. In zijn antwoord op de vierde grief van de vrouw heeft de man er echter geen misverstand over laten bestaan dat naar zijn mening met een maandelijks door hem geleverde bijdrage van € 680,- netto in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen moet worden gerekend.