Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5687

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
R06/026HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP, afgewezen verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. wegens het niet te goeder trouw laten ontstaan van schulden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 3
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 79
JOL 2007, 78
RvdW 2007, 185
NJB 2007, 488
JWB 2007/45
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/026HR

mr. Keus

Parket, 5 januari 2007

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en of het een juiste uitleg heeft gegeven aan het begrip "niet te goeder trouw" in de zin van art. 288 lid 2 onder b Fw.

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

1.2 Bij de rechtbank Dordrecht is tegen [verzoeker] een verzoek tot faillietverklaring ingediend door de Ontvanger van de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Dordrecht. De rechtbank heeft de behandeling van het faillissementsrekest aangehouden, omdat [verzoeker] op 8 maart 2005 bij de rechtbank Dordrecht een verzoek heeft ingediend, strekkende tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Blijkens de verklaring als bedoeld in art. 285 Fw had [verzoeker] ten tijde van zijn aanvraag een totale schuldenlast van € 1.421.578,52, waaronder een schuld aan de Ontvanger van € 1.149.541,60 en twee schulden aan faillissementscuratoren van € 101.056,22 en € 158.892,31.

Bij brieven van 8 april 2005 en 10 mei 2005 hebben mr. M.G. Hop, curator in het faillissement van Tel Aviv Technical Company B.V., en [betrokkene 1], namens de Belastingdienst Rijnmond/kantoor Dordrecht, bezwaar gemaakt tegen toelating van [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling.

1.3 Bij vonnis van 3 augustus 2005 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen onder verwijzing naar de gronden genoemd in art. 288 lid 2 onder b en art. 288 lid 1 onder b Fw. De rechtbank heeft aannemelijk geacht dat [verzoeker] ten aanzien van het ontstaan van schulden niet te goeder trouw is geweest; voorts heeft zij aanleiding gezien voor de gegronde vrees dat [verzoeker] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op een (ten tijde van haar vonnis nog niet in kracht van gewijsde gegane) strafrechtelijke veroordeling van [verzoeker] tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens (onder meer) faillissementsfraude, belastingfraude, bedreiging en verduistering, en op een tweetal (ten tijde van haar vonnis in kracht van gewijsde gegane) civiele vonnissen van 19 maart en 24 september 2003, waarbij [verzoeker] werd veroordeeld tot betaling van schadevergoedingen aan de curatoren van (twee van) zijn failliete vennootschappen, in het eerste geval (kort samengevat) omdat hij goederen van de (later failliet verklaarde) vennootschap had verkocht maar de opbrengst niet aan de vennootschap ten goede had doen komen, in het tweede geval omdat hij activa van de (later failliet verklaarde) vennootschap voor een te lage prijs, welke bovendien niet was betaald, aan een andere door hem beheerde vennootschap had verkocht.

1.4 [Verzoeker] heeft bij het hof 's-Gravenhage hoger beroep van het vonnis van de rechtbank ingesteld. Op zijn verzoek heeft het hof de behandeling enige malen aangehouden. De Ontvanger heeft bij brief van 21 november 2005 met bijlagen op het door [verzoeker] ingestelde appel gereageerd. Bij aanvullend verzoekschrift van 10 februari 2006 heeft [verzoeker] de gronden van zijn hoger beroep aangevuld. Na een mondelinge behandeling op 14 februari 2006, waar [verzoeker] met zijn advocaat is verschenen, heeft het hof het vonnis van de rechtbank bij arrest van 21 februari 2006 bekrachtigd.

1.5 [Verzoeker] heeft tijdig(2) cassatieberoep ingesteld.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Als eerste klacht lees ik in het cassatierekest dat [verzoeker] onvoldoende gelegenheid heeft gekregen op de brief van de Ontvanger van 21 november 2005 te reageren. [Verzoeker] stelt met die brief niet bekend te zijn.

2.2 Voor zover het verzoekschrift aanvoert dat "(h)et (...) de vraag (is) of de brieven van de Ontvanger van respectievelijk 10 mei 2005 en 21 november 2005 processtukken zijn", wijs ik op HR 25 februari 2000, NJ 2000, 310. Daarin heeft de Hoge Raad beslist dat het hof acht mag slaan op stukken, ingestuurd door de faillissementsaanvrager (in casu de Ontvanger).

Voor zover het middel klaagt dat [verzoeker] niet bekend was met de brief van de Ontvanger van 21 november 2005 aan het hof en dat om die reden het principe van hoor en wederhoor niet is toegepast, stel ik voorop dat het hof blijkens het slot van rov. 7.2 zijn oordeel mede heeft doen steunen op het feit dat [verzoeker] de inhoud van de brieven van de Ontvanger aan de rechtbank van 10 mei 2005 en aan hem ([verzoeker]) van 21 november 2005 niet heeft betwist, zodat de daarin door de Ontvanger geuite verwijten onweersproken zijn gebleven. Dat [verzoeker] zich op het standpunt zou hebben gesteld dat hij niet bekend was met de brief van de Ontvanger aan de rechtbank van 10 mei 2005 en met de brief van de Ontvanger aan hem ([verzoeker]) van 21 november 2005, blijkt niet uit de stukken. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof blijkt dat [verzoeker], door de voorzitter geconfronteerd met de brief van de Ontvanger aan het hof van 21 november 2005 en met de daarbij gevoegde brieven van de Ontvanger aan de rechtbank van 10 mei 2005 en van de Ontvanger aan [verzoeker] zelf van 21 november 2005, heeft gesteld (slechts) met de brief van de Ontvanger aan het hof niet bekend te zijn:

"De voorzitter maakt melding van de inhoud van een brief van de Ontvanger van 21 november 2005 met ingesloten kopieën van brieven aan de rechtbank d.d. 10 mei 2005 en aan [verzoeker] d.d. 21 november 2005 en vraagt of [verzoeker] van die correspondentie op de hoogte is.

[Verzoeker]: De brief van de Ontvanger aan het hof is mij niet bekend. Er loopt nog correspondentie tussen mij en de Belastingdienst."

Zie p. 2 proces-verbaal; zie ook de slotzin van rov. 4.

Nog daargelaten dat [verzoeker], die door een raadsman werd bijgestaan, althans ter zitting met de inhoud van de brief van de Ontvanger aan het hof van 21 november 2005 werd geconfronteerd en op de inhoud daarvan had kunnen reageren (of althans enig respijt voor een zodanige reactie had kunnen vragen), faalt het op onbekendheid met die brief gebaseerde beroep op strijd met het beginsel van hoor en wederhoor reeds hierom, omdat het hof zijn oordeel niet op die brief, maar op de (kennelijk aan [verzoeker] reeds bekende) brieven van de Ontvanger aan de rechtbank van 10 mei 2005 en van de Ontvanger aan [verzoeker] van 21 november 2005 heeft doen steunen.

2.3 De tweede klacht van het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat [verzoeker] bij het ontstaan van zijn schulden niet "te goeder trouw" was. Het hof zou dat begrip onjuist hebben gehanteerd door dat begrip, zo begrijp ik althans het middel, op te vatten als een gedragsmaatstaf (integriteit) die zich van de begrippen "goede trouw" c.q. "redelijkheid en billijkheid" in de art. 3:11, 6:2 en 6:248 BW onderscheidt.

2.4 Voor zover de klacht al voldoet aan de eisen die art. 426a Rv daaraan stelt, kan zij niet slagen. De uitleg die het hof in rov. 6 aan de "goede trouw" in de zin van art. 288 lid 2 onder b Fw heeft gegeven, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, maar sluit juist naadloos aan bij hetgeen de wetgever met dat begrip heeft bedoeld(3). Daarbij merk ik overigens nog op dat, anders dan het middel kennelijk veronderstelt, in de (ook) door het hof gevolgde benadering de integriteit van de schuldenaar niet centraal staat, maar de vraag of de schuldenaar zich jegens zijn schuldeisers al dan niet naar behoren weet te gedragen(4).

2.5 De beslissing van het hof dat [verzoeker], gelet op zijn persoonlijke veroordelingen tot schadevergoeding, ten aanzien van het ontstaan van de betrokken schulden niet te goeder trouw is geweest (welke beslissing in belangrijke mate met waarderingen van feitelijke aard is verweven), acht ik in het licht van hetgeen het hof in navolging van de rechtbank heeft vastgesteld, niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af wat [verzoeker] daartegen (op p. 2, laatste alinea, van het cassatierekest) heeft aangevoerd. Dat paulianeus handelen en het onttrekken van activa aan vennootschappen, welke handelwijzen kennelijk ook in de opvatting van het middel de integriteit van de betrokken bestuurder raken(5), na faillissement tot het ongedaan maken van de desbetreffende transacties aanleiding kunnen geven, staat niet eraan in de weg aan te nemen dat de betrokken bestuurder ten aanzien van het ontstaan van de een uit een dergelijk handelen voor hem in persoon voortvloeiende aansprakelijkheid niet te goeder trouw is geweest. Evenzeer tevergeefs beroept het middel zich (op p. 2, laatste volzin, van het cassatierekest) op het feit dat de door het hof bedoelde veroordelingen met handelingen van rechtspersonen verband houden; het hof heeft immers beslissend geacht dat [verzoeker] in persoon tot schadevergoeding is veroordeeld (zie p. 4/5 van het bestreden arrest).

2.6 Volledigheidshalve wijs ik er nog op, dat, waar het middel, voor zover dit de weigeringsgrond van art. 288 lid 2 onder b Fw betreft, is toegespitst op de veroordelingen van [verzoeker] tot schadevergoeding aan de curatoren, het hof zijn beslissing mede hierop heeft gebaseerd dat [verzoeker] ook ten aanzien van het ontstaan van zijn schuld aan de Ontvanger niet te goeder trouw is geweest, en dat het hof daarenboven aanleiding heeft gezien voor de gegronde vrees dat [verzoeker] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen (art. 288 lid 1 sub b Fw). [Verzoeker] mist mijns inziens belang bij de klachten van het middel, voor zover die klachten niet mede de hier bedoelde oordelen vitiëren.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 3 augustus 2005 en rov. 1 van het bestreden arrest.

2 Tegen het arrest van het hof van 21 februari 2006 moet op grond van art. 292 lid 4 Fw binnen acht dagen na de uitspraak cassatieberoep worden ingesteld. Op 1 maart 2006 is het cassatierekest per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen; het origineel volgde per post op 2 maart 2006.

3 TK 1992-1993, 22 969, nr. 3. p. 14 en (vooral) p. 37-38, alsmede nr. 6, p. 20. Zie ook HR 25 februari 2000, NJ 2000, 310, conclusie A-G Wesseling-van Gent onder 2.12; HR 12 mei 2000, NJ 2000, 567, m.nt. PvS, rov. 3.2.1; HR 26 januari 2001, NJ 2001, 178, NTBR 2001, p. 233, m.nt. G.H. Lankhorst, rov. 3.2; Losbladige Faillissementswet, aant. 3 bij art. 288, onder b (R.J. van Galen); B. Wessels, Kan een niet te goeder trouw zijnde debiteur tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten?, NJB 2000, p. 1778-1784, in het bijzonder onder 4.

4 Dat met de maatstaf van art. 288 lid 2 onder b Fw de integriteit van de schuldenaar als zodanig niet aan de orde is, kan worden geïllustreerd aan de hand van HR 1 december 2006, R06/050HR, LJN: AZ0139, waarin het oordeel dat de schuldenaar niet te goeder trouw was, berustte op het feit dat hij bepaalde beroepsplichten en -verantwoordelijkheden had verzaakt (rov. 3.4.3 - 3.4.5). Overigens gaat het middel ervan uit dat "(m)ogelijk paulianeus handelen en het onttrekken van aktiva aan vennootschappen in het inter company handelen tussen vennootschappen (...) handelen niet te goeder trouw in de betekenis van integriteit van de bestuurder betreft" (cassatierekest, p. 2, op drie na laatste volzin).

5 Zie cassatierekest, p. 2, op drie na laatste volzin.