Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5685

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
R05/158HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5685
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht; internationaal privaatrecht. Geschil tussen voormalige, in het Marokkaans consulaat te Brussel gehuwde, echtelieden over de door de rechtbank op verzoek van de Nederlandse vrouw uitgesproken echtscheiding; internationale bevoegdheid (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 180
RvdW 2007, 311
NJB 2007, 718
JWB 2007/89
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R05/158HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 5 jan. 2007

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. De partijen in deze procedure, hierna: de man en de vrouw, zijn op 10 juni 1985 te Brussel, Belgiƫ, op het Marokkaans consulaat aldaar met elkaar gehuwd. De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit, terwijl de man de Nederlandse en de Marokkaanse nationaliteit heeft.

2. De vrouw heeft op 12 augustus 2003 ter griffie van de rechtbank Leeuwarden een verzoekschrift ingediend en daarbij de rechtbank (onder meer) verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken. De man diende geen verweerschrift in.

3. Bij beschikking van 21 januari 2004 heeft de rechtbank overwogen dat de Nederlandse rechter op grond van art. 2 van de Brussel II-Verordening (Verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000, PbEG 2000 L 160) rechtsmacht heeft ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding en met toepassing van Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

4. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Leeuwarden. Voor zover thans in cassatie van belang beklaagde hij zich erover (met grief I) dat de rechtbank ten onrechte tussen partijen de echtscheiding heeft uitgesproken, in plaats van zich onbevoegd te verklaring. De man voerde daartoe aan dat de procedure in Nederland door de vrouw op 12 augustus 2003 aanhangig is gemaakt, terwijl op die datum in Marokko reeds een door de man ingestelde procedure aanhangig was die eveneens strekte tot de ontbinding van het huwelijk, zodat de rechtbank krachtens art. 12 Rv de zaak had moeten aanhouden. Aangezien de Marokkaanse rechter inmiddels in maart 2004 een beslissing heeft gegeven, had de Nederlandse rechter zich vervolgens onbevoegd moeten verklaren, aldus de man. De vrouw heeft de stellingen van de man inzake de Marokkaanse procedure weersproken.

5. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de raadsman van de man stukken overgelegd, waarop de man zich ter staving van zijn stellingen wenste te beroepen. Het hof heeft de overlegging van deze stukken niet toegestaan. Het overwoog dienaangaande (r.o. 5):

"Nu niet gezegd kan worden, dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn en de vrouw bezwaren heeft tegen overlegging van die stukken, heeft het hof - mede gelet op de omstandigheid dat niet is gebleken waarom die stukken niet eerder in het geding hadden kunnen worden gebracht - de overlegging van bedoelde stukken niet toegestaan. Immers in de gegeven omstandigheden is overlegging van die stukken in strijd met het uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken en ook overigens in strijd met de eisen van een goede procesorde."

6. In reactie op de omstandigheid dat het hof de overlegging van de bedoelde stukken niet toestond, heeft de raadsman van de man ter zitting in hoger beroep een bewijsaanbod gedaan. Het hof is aan dit bewijsaanbod voorbijgegaan en overwoog daartoe (r.o. 7):

"In aanmerking genomen dat het gedane bewijsaanbod een rechtstreeks uitvloeisel is van het niet-toestaan door het hof van het overleggen van meer bedoelde stukken is het hof van oordeel dat dit bewijsaanbod in de gegeven omstandigheden evenzeer in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Daarnaast zal het hof het in algemene termen vervatte bewijsaanbod van de man als te vaag passeren."

7. Vervolgens heeft het hof grief I verworpen. Het overwoog daartoe:

"12. Uit de stukken van het geding valt niet het bewijs te putten van de juistheid van de stellingen van de man. Derhalve is het door de man gestelde niet komen vast te staan.

13. Uit het voorgaande volgt dat evenmin is gebleken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 12 Rv is voldaan. Het standpunt van de man dat hem een beroep op artikel 12 Rv toekomt, moet derhalve worden verworpen."

Aangezien het hof ook de overige grieven van de man verwierp (r.o. 15 t/m 20), heeft het de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

8. De man is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met verscheidene klachten. De vrouw heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

9. De man heeft als eerste klacht (cassatierekest onder 3) tegen de beschikking van het hof aangevoerd dat het hof ten onrechte art. 12 Rv buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens de klacht blijkt uit de in het geding gebrachte stukken, met name uit het in de Arabische taal gestelde document gedateerd 5 augustus 2003 met Nederlandse vertaling d.d. 6 september 2005, dat op 5 augustus 2004 (bedoeld is kennelijk: 5 augustus 2003) maar in ieder geval op 11 augustus 2004 (bedoeld is kennelijk: 11 augustus 2003) tussen partijen een echtscheidingsprocedure aanhangig was voor de Rechtbank te Larache, Marokko.

10. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof geen aandacht heeft besteed aan (het beroep van de man op) art. 12 Rv, mist het feitelijke grondslag. In r.o. 8 t/m 14 is het hof ingegaan op het beroep van de man op art. 12 Rv en heeft het aangegeven dat en waarom het standpunt van de man dat de Nederlandse rechter op grond van art. 12 Rv geen rechtsmacht toekomt, moet worden verworpen. Ik teken hierbij aan dat het hof, terecht niet bestreden in cassatie, is uitgegaan van de toepasselijkheid van de litispendentieregeling van art. 12 Rv, hoewel de rechtbank haar bevoegdheid heeft gebaseerd op de Brussel II-Verordening. De litispendentieregeling van deze verordening (art. 11) is in de onderhavige zaak formeel niet van toepassing, nu zij slechts betrekking heeft op de situatie dat vorderingen aanhangig zijn bij rechterlijke instanties van verschillende lidstaten en Marokko geen lidstaat is. Ook de litispendentieregeling van het Haagse Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed (Verdrag van 1 juni 1970, Trb. 1979, 131) (art. 12) is niet van toepassing, nu dit verdrag is gebaseerd op reciprociteit (art. 1) en Marokko geen partij is bij dit verdrag.

11. Voor zover de klacht wil betogen dat het hof ten onrechte het beroep van de man op art. 12 Rv heeft verworpen, zulks omdat uit de in het geding gebrachte stukken, met name uit een in de Arabische taal gestelde document gedateerd 5 augustus 2003 met Nederlandse vertaling d.d. 6 september 2005, blijkt dat in ieder geval op 11 augustus 2003 een echtscheidingsprocedure aanhangig was voor de Marokkaanse rechter, faalt zij eveneens wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De door de klacht bedoelde documenten betreffen kennelijk de stukken die de raadsman van de man bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft willen overleggen. Het hof heeft de overlegging van deze stukken echter niet toegestaan, zodat de stukken niet behoren tot de stukken van het geding als bedoeld in art. 419 lid 2 Rv en daarin niet de feitelijke grondslag van de klacht kan worden gevonden.

12. De tweede klacht (cassatierekest onder 4) houdt in dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep door de man overgelegde stukken. Volgens de klacht is zonder nadere uitleg onbegrijpelijk waarom het hof deze stukken niet als kort en eenvoudig te doorgronden in de zin van het Uniform reglement gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken heeft beschouwd.

13. De klacht zal niet tot cassatie kunnen leiden. Het hof heeft de overlegging van de door de klacht bedoelde stukken niet toegestaan, zodat de stukken niet behoren tot de stukken van het geding. De man heeft in cassatie geen procesdossier overgelegd en heeft bij brief van 7 augustus 2006 de Hoge Raad verzocht de zaak te beoordelen op basis van het procesdossier van de wederpartij. Nu het hof de overlegging van de bedoelde stukken niet heeft toegestaan, bevinden deze stukken zich niet in het procesdossier van de wederpartij. De klacht strandt derhalve op gebrek aan feitelijke grondslag.

14. De derde klacht (cassatierekest onder 5) keert zich tegen de gronden waarop het hof heeft beslist om voorbij te gaan aan het bewijsaanbod van de man met betrekking tot de in Marokko aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure.

15. Blijkens het proces-verbaal dat is opgemaakt van de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens de man, nadat namens de vrouw bezwaar was gemaakt tegen overlegging van de eerder bedoelde stukken, bewijs aangeboden aan de hand van de stukken (blz. 3 van het proces-verbaal). Geen wettelijke bepaling verplicht de rechter gevolg te geven aan een aanbod van bewijs door geschriften. Zie H.J. Snijders, M. Ynzonides en G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 3e dr. 2002, nr. 202. Zie ook HR 6 april 2001, NJ 2002, 385 nt. HJS. De klacht faalt derhalve reeds wegens gebrek aan belang.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden