Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ5500

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
01392/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ5500
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. 1. ‘Trachten te bewegen’ a.b.i. art. 11a Opiumlandsverordening 1960. De opvatting dat voor bewezenverklaring van ‘trachten te bewegen’ a.b.i. art. 11a Opiumlandsverordening 1960 – in dit opzicht gelijkluidend aan art. 10a.1.1° Opiumwet – is vereist dat bij de persoon die de dader tracht te bewegen de gedachte aan het beoogde misdrijf niet is opgekomen voordat de dader hem tot dat misdrijf trachtte te brengen, is onjuist. Een vooraf bij die persoon opgekomen gedachte aan het beoogde misdrijf of een vooraf aanwezige geneigdheid of bereidheid bij die persoon om een dergelijk misdrijf te begaan, sluit niet uit dat de dader zodanige invloed heeft uitgeoefend op die persoon om het beoogde misdrijf te plegen, mede te plegen, te doen plegen, uit te lokken dan wel om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, dat hij deze persoon daartoe heeft getracht te bewegen idzv genoemd artikel. 2. HR verbetert kwalificatie ambtshalve cfm conclusie AG.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 101
NJ 2007, 125
RvdW 2007, 211
NJB 2007, 548
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01392/06 A

Mr. Bleichrodt

Zitting 19 december 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 25 oktober 2005 bevestigd het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, van 1 juni 2005, waarbij de verdachte (met inachtneming van de verbetering door het Hof van de kwalificatie van de feiten 1 en 2) terzake van 1 "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met art. 3 lid 1 onder A van de Opiumlandsverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van deze Landsverordening" en 2. " een ander trachten te bewegen, te doen plegen of uit te lokken om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, om een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D opzettelijk te plegen, voor te bereiden of te bevorderen, strafbaar gesteld bij art. 11a van de Opiumlandsverordening" veroordeeld tot zes jaren gevangenisstraf.

2. Namens de verdachte heeft de advocaat mr. S.A. Carmelia cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Beide middelen richten zich tegen de bewijsvoering met betrekking tot het onder 2 bewezenverklaarde feit.

4.1. Ten laste van verzoeker is onder 2 bewezen verklaard dat hij:

"om een opzettelijk gepleegd feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D van d Opiumlandsverordening 1960, te weten de uitvoer, (daaronder begrepen de verlengde uitvoer als bedoeld in artikel 1 lid 3 van die Opiumlandsverordening) en het vervoer van een hoeveelheid cocaïne zijnde een middel als bedoeld in artikel I Opiumlandsverordening 1960 voor te bereiden of te bevorderen, in de periode van 1 mei 2004 tot en met 3 juni 2004 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met een ander, heeft getracht een ander te bewegen om bij het plegen van dat feit behulpzaam te zijn, hebbende hij, verdachte, toen en daar tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1], aan politieambtenaar [betrokkene 1] voorgesteld om hem, [betrokkene 1], een geldbedrag (van 20.000 euro) te betalen in ruil voor het ongehinderd doorlaten van (een vijftal) drugskoeriers tijdens de (preflight)controle op de Iuchthaven Hato, door deze koeriers niet aan een controle (door politie en/of douane) te onderwerpen of te laten onderwerpen;"

4.2. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"Met betrekking tot feit 2:

13. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 10 juni 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats Curaçao, pv. nummer: 100620041200/T, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 1], -zakelijk weergegeven-:

Op een dag in de maand mei 2004, gingen [medeverdachte 1] en ik naar een woning van [verdachte]. In een gesprek dat we aldaar hadden zei [verdachte] tegen mij dat hij mij 20.000 Euro zou betalen als ik vijfdrugskoeriers van hem ongemoeid door de preflight controle liet gaan.

14. Een proces-verbaal (in kopie), in de wettelijke vorm opgemaakt en op 10 juni 2004 gesloten en getekend door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], respectievelijk hoofdagent en brigadier bij het Korps Politie Nederlandse Antillen, standplaats Curaçao, pv. nummer: 120620041030/T, voor zover inhoudende, als verklaring van [betrokkene 1], -zakelijk weergegeven-:

U toont mij thans enkele kopieën van vier (4) paspoorten ten name van [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5], die tijdens de verrichte huiszoeking in de klerenkast van mijn kamer werden aangetroffen.

U vraagt mij wat ik over deze paspoorten kan verklaren. Deze personen waren drugskoeriers. [Medeverdachte 1] had mij kopieën van de paspoorten gegeven, opdat ik deze mensen kon herkennen.

15. Een proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en op 19 januari 2005 gesloten en getekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden buitengewoon agent van politie, werkzaam bij het Recherche Samenwerkings Team, pv. nummer: 19012005 1430/VD, voor zover inhoudende, als verklaring van [medeverdachte 1] ('[medeverdachte 1]'. opm. [...]) [medeverdachte 1], -zakelijk weergegeven-:

U confronteerde mij met de verklaring van politieman [betrokkene 1] van 10 juni 2004, waaruit blijkt dat hij, [betrokkene 1], van [verdachte] een geldbedrag in het vooruitzicht had gekregen om behulpzaam te zijn bij het laten passeren van vijf drugskoeriers met bestemming Nederland. [Betrokkene 1] heeft verklaard dat ik bij die onderhandeling aanwezig zou zijn geweest. Ik meen mij te herinneren dat er op 2 juni 2004 inderdaad een dergelijk gesprek heeft plaatshad. Ik was door [verdachte] gebeld en hoorde dat hij met [betrokkene 1] wilde spreken. Ik heb [betrokkene 1] naar de woning van [verdachte] in Corasol gebracht. [Verdachte] sprak met [betrokkene 1] en ik hoorde over het doorlaten van vijf drugskoeriers die in opdracht van [verdachte] naar Nederland moesten reizen. [Betrokkene 1] was bereid om [verdachte] te helpen en vroeg in ruil voor zijn diensten van [verdachte] een geldbedrag van Euro 20.000,-.

Kennelijk had [verdachte] reeds vijfkoeriers want voorafgaand aan het gesprek met [betrokkene 1] had hij mij reeds een vijftal fotokopieën verstrekt van de paspoorten van de betrokken koeriers. Deze fotokopieën werden door mij later aan [betrokkene 1] verstrekt. Op 3 juni 2004, de dag na het gesprek, heb ik telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 1]. In dit telefoongesprek sprak ik met [betrokkene 1] over de kopieën van paspoorten die ik van [verdachte] had gekregen en die ik aan [betrokkene 1] moest verstrekken. (...) De bedoeling was dat ik rond 18.00 uur aan [betrokkene 1] het door hem gevraagde geldbedrag, uit handen van [verdachte], zou betalen.

16. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 24 januari 2005 opgemaakt door [verbalisant 5], rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit Gerecht voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, -zakelijk weergegeven-:

Ik ken [medeverdachte 1].

17. De verklaring van de verdachte op 4 oktober 2005 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Ik ken [betrokkene 6], [betrokkene 7] en [betrokkene 8].

Ik had regelmatig telefonisch contact met ze."

5.1. Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof de verklaringen van [betrokkene 1] tegenover de politie niet tot het bewijs mocht bezigen, omdat de processen-verbaal houdende die verklaringen de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verzoekers betrokkenheid bij feit 2 kan volgen, terwijl [betrokkene 1] die verklaringen bij zijn verhoor door de Rechter-Commissaris heeft ingetrokken en het Hof niet diens oproeping als getuige heeft bevolen. Het middel beroept zich daarbij op HR NJ 1994, 427 en HR NJ 2006, 333.

5.2. Het middel spreekt van de verklaringen van [betrokkene 1] die op 10 juni 2004 (tegenover de politie) zijn afgelegd. Zowel bewijsmiddel 13 als bewijsmiddel 14 heeft betrekking op een verklaring van [betrokkene 1] van die datum.(1) Ik vermoed dat het middel doelt op bewijsmiddel 13 omdat alleen die verklaring rechtstreeks betrekking heeft op verzoekers betrokkenheid bij feit 2. Overigens heeft [betrokkene 1] zijn verklaring, vervat in bewijsmiddel 14, bij zijn verhoor bij de Rechter-Commissaris in wezen ook niet ingetrokken. Hij heeft immers bij de Rechter-Commissaris bevestigd dat hij de vier in zijn kleerkast aangetroffen kopieën van paspoorten heeft gekregen van "[medeverdachte 1]" ([...]), samen met wie hij kort daarvoor bij verzoeker was geweest. Bij de Rechter-Commissaris is kennelijk niet ter sprake gekomen dat, zoals [betrokkene 1] tegenover de politie heeft verklaard, die kopieën de functie hadden om hem in staat te stellen de beoogde drugskoeriers te herkennen. Dat is toen dus ook niet betwist.

5.3. Voor wat betreft de als bewijsmiddel 13 opgenomen verklaring heeft [betrokkene 1] bij de Rechter-Commissaris bevestigd dat hij met "[medeverdachte 1]" [...] naar de woning van verzoeker is gegaan, maar heeft hij ook verklaard dat hij toen niet met verzoeker heeft gesproken. Aldus heeft hij op cruciale, belastende, punten anders verklaard dan tegenover de politie en in feite zijn politieverklaring dienaangaande ingetrokken.

5.4. Anders dan het middel stelt is het proces-verbaal van politie, houdende die verklaring van [betrokkene 1], echter niet het enige bewijsmiddel waaruit verzoekers betrokkenheid bij feit 2 kan volgen. Tot het bewijs heeft het Hof immers ook gebruikt de verklaring van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 15). Die verklaring bevestigt het gesprek van verzoeker met [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] en de inhoud daarvan: het - tegen betaling - doorlaten door [betrokkene 1] van drugskoeriers. Bovendien heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij de fotokopieën van de paspoorten van de koeriers van verzoeker had gekregen en die later aan [betrokkene 1] heeft verstrekt.

5.5. Voor zover aan het middel (toelichting onder 2 slot) de opvatting ten grondslag ligt dat uit het "andere bewijsmiddel", hier de verklaring van [medeverdachte 1], verzoekers betrokkenheid bij het feit rechtstreeks moet kunnen volgen, berust het op een verkeerde uitleg van bedoelde arresten. Die hebben immers betrekking op gevallen dat een politieverklaring het enige bewijsmiddel is waaruit de betrokkenheid rechtstreeks kan volgen, hetgeen impliceert dat er geen andere zodanige verklaringen zijn (en er evenmin ander, bijvoorbeeld technisch, bewijs met dat effect is).

Ten overvloede merk ik nog op dat, anders dan de toelichting op het middel stelt, uit de verklaring van [medeverdachte 1] kan worden afgeleid dat hij wel bij het gesprek tussen verzoeker en [betrokkene 1] aanwezig is geweest, zodat ook uit die verklaring rechtstreeks de betrokkenheid van verzoeker kan worden afgeleid.

5.6. Het beroep op HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333 gaat ook niet op. In die zaak waren er weliswaar twee verklaringen waaruit de betrokkenheid van de verdachte kon volgen, maar de bijzonderheid daar was dat de "ondersteunende" verklaring van de tweede getuige uitsluitend was gebaseerd op wat de eerste getuige, de aangeefster, aan haar had medegedeeld. Daarin zag de Hoge Raad aanleiding om ook op dat geval van toepassing te achten wat in HR 1 februari 1994 NJ 1994, 427 onder 6.3.3 (sub iii-2) is overwogen. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake. De verklaringen komen niet uit dezelfde bron. [Medeverdachte 1] heeft uit eigen waarneming en ondervinding verklaard over het gesprek met en de betrokkenheid van verzoeker.

5.7. Het middel faalt.

6.1. Het eerste middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker heeft getracht [betrokkene 1] te bewegen om bij het beoogde misdrijf behulpzaam te zijn omdat daaruit in het bijzonder niet kan worden afgeleid dat bij [betrokkene 1] niet de gedachte aan die behulpzaamheid was opgekomen voordat verzoeker hem € 20.000,- aanbood voor zijn medewerking.

6.2. Ik laat daar dat

a) de bewijsmiddelen ook geen aanwijzing inhouden dat bij [betrokkene 1] de gedachte was opgekomen om behulpzaam te zijn bij enig door verzoeker beoogd misdrijf voordat hij contact kreeg met verzoeker,

b) de verklaring van [medeverdachte 1], anders dan uit de toelichting op het middel kan worden afgeleid, niet inhoudt dat [betrokkene 1] met [medeverdachte 1] naar verzoeker op weg zou zijn gegaan om over een en ander (de beloning) te onderhandelen, en

c) ter terechtzitting in hoger beroep niet een verweer van deze strekking is gevoerd.

6.3. Naar mijn oordeel berust het middel namelijk op een onjuiste rechtsopvatting. Vooropgesteld zij dat de tekst van art. 11a Opiumlandsverordening vrijwel gelijkluidend is aan die van art. 10a, eerste lid Opiumwet.(2) Voor wat betreft de hier aan de orde zijnde voorbereidingshandeling is er helemaal geen verschil.

De wettelijke regeling eist niet meer dan dat de betrokkene om een bepaald feit voor te bereiden of te bevorderen een ander tracht te bewegen tot het plegen van dat feit of de deelneming daaraan. Aangenomen moet worden dat het "heeft getracht te bewegen" in de tenlastelegging in dezelfde betekenis is gebruikt als daaraan toekomt in art. 11a van de Opiumlandsverordening.

6.4. Het begrip "trachten te bewegen" is wel omschreven als "het op een ander rechtstreeks invloed uitoefenen om hem tot het beoogde misdrijf te brengen". (3) Inderdaad is in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de van de Wet van 4 september 1985, Stb. 1985, 495 ook gesteld dat het erom gaat dat op iemand "bij wie anders de gedachte aan het in art. 10, derde of vierde lid van de Opiumwet bedoelde misdrijf wellicht niet zou zijn opgekomen" rechtstreeks invloed is uitgeoefend om hem tot het beoogde misdrijf als bedoeld in art. 10, derde of vierde lid Opiumwet te brengen. Maar daaruit kan, naar het mij voorkomt, niet worden afgeleid dat de afwezigheid van een zodanige gedachte een voorwaarde is voor strafbaarheid.(4)

6.5. Het voorgaande behoeft enige precisering. Om welke "gedachte" zou het kunnen gaan? Ik meen dat degene die de dader trachtte te bewegen, niet een onbeschreven blad hoeft te zijn. Een neiging of een zekere bereidheid bij die ander tot het plegen van een relevant delict van de Opiumlandverordening, staat aan de strafbaarheid van de dader niet in de weg. Hier kan een vergelijking worden gemaakt met de figuur van de uitlokking, waarbij overigens, anders dan bij art. 11a Opiumlandsverordening, de activiteit van de dader tot resultaat moet hebben geleid: het feit moet zijn uitgelokt. Reeds meermalen heeft de Hoge Raad in dat verband uitgemaakt dat een zekere bereidheid of zelfs het zich vrijwillig aanbieden (door de uitgelokte) aan de uitlokker tot het plegen van strafbare feiten in het algemeen, niet uitsluit dat de uitlokker het concreet gepleegde feit heeft uitgelokt.(5)

Zo is mijns inziens ook in deze zaak niet beslissend of [betrokkene 1] een neiging had tot corruptie of zelfs dat hij in zijn functie van politieambtenaar in beginsel bereid was om, als hem een toereikende beloning werd aangeboden, drugskoeriers op het vliegveld Hato ongemoeid te laten, maar of verzoeker heeft getracht [betrokkene 1] te bewegen tot de concreet door hem beoogde uitvoer met behulp van de drugskoeriers, van wie kopieën van hun paspoort beschikbaar waren.(6) En dat kan uit de door het Hof gebruikte bewijsmiddelen worden afgeleid.

6.6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

7. Ambtshalve merk ik op dat de kwalificatie van het onder 2 bewezenverklaarde mijns inziens behoort te luiden:

"medeplegen van: om een feit, bedoeld in art. 3, eerste lid, onderdeel A, B of D, Opiumlandsverordening voorzover opzettelijk gepleegd, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om bij dat feit behulpzaam te zijn."

De Hoge Raad zal de kwalificatie verbeterd kunnen lezen.

8. De middelen falen en kunnen, lijkt mij, met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering worden afgedaan.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Althans op die datum zijn de processen-verbaal gesloten en getekend.

2 De Opiumlandsverordening is op dit punt later dan de Opiumwet, en wel in 1989, gewijzigd ( PB 1989-94).

3 Kamerstukken II, 1983-1984, 17 795, nr 5 blz. 7.

4 Hoe zou een dergelijk negativum trouwens moeten worden bewezen.

5 HR 8 juli 1992, NJB 1992, 148 (blz. 385), HR 29 september 1992, NJB 1992, 193 ( blz. 489) . HR 27 februari 2001, NJ 2001, 308. Zie NLR aantek. 32 op art. 47. De Hullu, Materieel strafrecht, derde druk, blz. 450.

6 De op zichzelf relevante vraag of, gesteld dat [betrokkene 1] wel al het voornemen had om behulpzaam te zijn bij het concrete feit, de verdachte, die daarvan niet op de hoogte was, hem nog zou kunnen "trachten te bewegen", laat ik als hier niet aan de orde buiten beschouwing.