Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4938

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-06-2007
Datum publicatie
06-06-2007
Zaaknummer
01284/06 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4938
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR ambtshalve: Het hof heeft bij de oplegging van de geldboetes i.s.m. art. 24c.1 Sr bepaald dat bij gebreke van betaling of verhaal vervangende hechtenis zal worden toegepast terwijl verdachte een rechtspersoon is. De HR herstelt de misslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 397
RvdW 2007, 596
NJB 2007, 1413
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01284/06 E

Mr. Vellinga

Zitting: 27 maart 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem, economische kamer, bij arrest van 3 oktober 2005 wegens 2. en 3. telkens 'overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet begaan door een rechtspersoon' veroordeeld tot een geldboete van € 3400,-- , subsidiair achtenzestig dagen hechtenis en een geldboete van € 3900,-- , subsidiair achtenzeventig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. H.E. ter Horst, advocaat te Zwolle, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof de strafoplegging onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. Het Hof heeft de oplegging van de straffen als volgt gemotiveerd:

"Oplegging van straf en/of maatregel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat er bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening dient te worden gehouden met een wetswijziging die per 1 januari 2006 zal worden ingevoerd en ten gevolge waarvan de manier van bedrijfsvoering van verdachte in de toekomst toegestaan zal zijn.

Met betrekking tot de strafoplegging ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met regelgeving die nog niet tot stand is gekomen.

De advocaat-generaal heeft een geldboete van € 10.000,- waarvan € 7.500,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren gevorderd. Hoewel het hof niet bewezen acht dat verdachte de overtredingen opzettelijk heeft begaan, is het hof van oordeel dat de vordering van de advocaat-generaal geen recht doet aan de ernst van de twee gepleegde overtredingen.

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken."

5. Blijkens de toelichting valt het middel in drie onderdelen uiteen.

6. Het eerste onderdeel klaagt over schending van art. 359, tweede lid, Sv, hierin bestaande dat het oordeel van het Hof dat de strafoplegging in overeenstemming is met de mate en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder deze is begaan, niet begrijpelijk is. Hiertoe wordt opgemerkt dat het Hof de 'mate' en 'ernst' niet nader uitlegt, wat wel had gemoeten, nu middels de pleitaantekeningen die mate en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan duidelijk zijn uiteengezet.

7. Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte een pleitnota overgelegd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2006, NJ 2006, 393 bepaald dat als in cassatie wordt geklaagd over schending van art. 359, tweede lid, Sv, "in het cassatiemiddel met voldoende precisie moet worden aangeduid op welk met argumenten onderbouwd standpunt de klacht het oog heeft" (rov. 3.7.2. laatste volzin). Nu het cassatiemiddel niet vermeldt op welk standpunt de klacht ziet, kan dit onderdeel niet tot cassatie leiden.

8. Voor zover deze klacht zou zien op de verwerping door het Hof van het verweer dat bij de strafoplegging ten gunste van de verdachte rekening moet worden gehouden met regelgeving die per 1 januari 2006 in werking zal treden en dat verweer doelt op de wijziging van de Meststoffenwet, merk ik - ten overvloede - op dat de stelling die aan dit verweer ten grondslag ligt niet opgaat. Art. XI van de Wet van 15 september 2005, Stb. 2005, 481 tot wijziging van de Meststoffenwet (invoering gebruiksnormen) luidt:

1. De wijzigingen voorzien in deze wet zijn niet van toepassing op gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de dag waarop de desbetreffende artikelonderdelen in werking treden.

2. Hoofdstuk IV van de Meststoffenwet en de ter uitvoering van dat hoofdstuk gestelde regels, zoals deze luidden op 31 december 2005, blijven van toepassing op de heffing en invordering van tot en met 31 december 2005 verschuldigd geworden heffingen.

9. Het tweede onderdeel klaagt dat het oordeel van het Hof dat is gelet op het maatschappelijk functioneren en de draagkracht van de verdachte, onvoldoende is gemotiveerd, omdat de draagkracht niet nader is uiteengezet en die draagkracht ter terechtzitting niet is besproken.

10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de vertegenwoordiger [betrokkene 1] van de verdachte aldaar heeft verklaard dat hij niet durft te zeggen wat de omzet van de maatschap op dit moment is en dat het hard werken en weinig verdienen is. De vertegenwoordiger [betrokkene 2] heeft aldaar verklaard dat zij zich 200 procent inzetten voor het bedrijf, dat zij op een eerlijke manier werken en dat hij naast zijn werk bij de maatschap drie dagen per week acht uur als chauffeur werkt.(1)

11. Dit onderdeel van het middel mist feitelijke grondslag. Nu de vertegenwoordiger van de maatschap heeft verklaard dat hij niet durft te zeggen wat de omzet van de maatschap op dit moment is en dat het hard werken en weinig verdienen is, is de draagkracht van de verdachte aldus op de terechtzitting in hoger beroep aan de orde is geweest.

12. Het oordeel van het Hof dat de strafoplegging met de draagkracht zoals die ter terechtzitting is gebleken in overeenstemming is, geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, is overwegend feitelijk van aard en in het licht van het ter terechtzitting verhandelde zoals dat naar voren komt in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet onbegrijpelijk. De vertegenwoordigers van de maatschap hebben er immers vanaf gezien zoveel inzicht te verschaffen in de draagkracht van de maatschap dat deze zou afwijken van wat in het algemeen van de draagkracht van een maatschap als de onderhavige kan worden verwacht.

13. Het derde onderdeel klaagt dat het Hof nader had dienen uiteen te zetten waarom het de verdachte heeft veroordeeld tot zwaardere straffen dan de Economische Politierechter heeft opgelegd en de Advocaat-Generaal heeft gevorderd.

14. De Economische Politierechter heeft de verdachte ter zake van drie opzettelijke overtredingen van een voorschrift gesteld bij art. 55 van de Meststoffenwet veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-- waarvan € 5000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

15. De rechter in hoger beroep is volgens vaste rechtspraak - behoudens bijzondere omstandigheden waarvan te dezen niet is gebleken - niet gehouden uiteen te zetten waarom hij zwaarder straft dan de rechter in eerste aanleg.(2)

16. De zich bij de stukken van het geding bevindende vordering van de Advocaat-Generaal houdt in dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-- waarvan € 7500,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Zowel de vordering als het proces-verbaal van de terechtzitting laten in het midden of de Advocaat-Generaal bij zijn vordering het oog had op de onder 1, 2 en 3 telkens primair tenlastegelegde opzettelijke, of de telkens subsidiair tenlastegelegde niet-opzettelijke overtredingen van de Meststoffenwet.

17. Bij de klacht dat het Hof gehouden was nader uit te zetten waarom het zwaarder heeft gestraft dan door de Advocaat-Generaal was gevorderd, wordt art. 359, zevende lid, (oud) Sv aangehaald De in die bepaling vervatte wettelijke verplichting is echter per 1 januari 2005 komen te vervallen. De Hoge Raad heeft onlangs bepaald (daarmee kon de steller van het middel nog niet bekend zijn) dat de enkele, op de voet van art. 311, eerste lid, Sv overgelegde vordering van het openbaar ministerie niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert in de zin van art. 359, tweede lid, Sv en dat afwijking van die enkele vordering derhalve niet op grond van laatstgemeld artikellid nader behoeft te worden gemotiveerd.(3) Bovendien heeft de Hoge Raad overwogen dat als "het gaat om een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van het openbaar ministerie, de verdachte in cassatie in de regel niet met vrucht kan klagen over de nadere motivering van de afwijking van dat standpunt van het openbaar ministerie dan wel over het ontbreken van die nadere motivering", omdat hij immers in het algemeen een rechtens te respecteren belang bij zo een klacht mist.(4)

18. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

19. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20. Ambtshalve merk ik nog het volgende op. Het Hof heeft bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal de opgelegde geldboeten kunnen worden vervangen door vervangende hechtenis. Vervangende hechtenis is bij een rechtspersoon als verdachte niet mogelijk. Dat geldt ook voor een maatschap, nu een maatschap met een rechtspersoon wordt gelijkgesteld, zie art. 51, derde lid, Sr. Art. 24c, eerste lid tweede volzin, Sr bepaalt dan ook dat een dergelijk bevel achterwege blijft. Dit onderdeel van de strafoplegging moet dan ook worden vernietigd.

21. Ambtshalve heb ik verder geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de strafoplegging voor zover daarbij het bevel tot vervangende hechtenis is gegeven bij gebreke van betaling of verhaal van de opgelegde geldboeten en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie p. 2 proces-verbaal.

2 Zie recent HR 27 maart 2001, NJ 2001, 297.

3 HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 549, rov. 3.5.4 en HR 21 november 2006, NJ 2006, 654, rov. 3.4.

4 HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 549, rov. 3.5.3.