Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4854

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-02-2007
Datum publicatie
23-02-2007
Zaaknummer
R06/079HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4854
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP; tussentijdse beëindiging van toepassing van schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F. (81 RO).

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2007/57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/079HR

mr. J. Wuisman

Parket, 12 december 2006

CONCLUSIE inzake:

[Verzoekster],

advocaat: mr. H.J.W. Alt

Het gaat in deze zaak om tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3 sub c Fw: de schuldenaar komt een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na.

1. Feiten en procesverloop

1.1 [Verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1982, heeft twee kleine kinderen, [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2001) en [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2003). De vader van beide kinderen, [betrokkene 1], is begin 2004 Nederland uitgezet en verblijft sinds die tijd in Suriname. Op 17 februari 2005 zijn [verzoekster] en [betrokkene 1] in Suriname met elkaar gehuwd. [Verzoekster] en haar kinderen zijn wel in Nederland woonachtig gebleven.

Sinds de geboorte van [kind 1] ontvangt [verzoekster] een bijstandsuitkering.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2004 is de schuldsaneringsregeling op [verzoekster] van toepassing verklaard. De schuldenlast bedroeg volgens de verklaring ex art. 285 lid 1 sub e Fw op 1 oktober 2004 € 11.116,50.

1.3 De bewindvoerder heeft op 9 december 2005 een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling bij de rechter-commissaris ingediend. Het verzoek stoelt op de grond dat [verzoekster] zich niet houdt aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (art. 350 lid 3 sub c Fw). Ter terechtzitting van 7 februari 2006 zijn de bewindvoerder en [verzoekster] gehoord. Toen is besloten de beslissing op het verzoek aan te houden teneinde [verzoekster] een laatste kans te geven alsnog aan haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen, waaronder de verplichting om uit zichzelf de bewindvoerder te informeren en te reageren op verzoeken om informatie van de bewindvoerder. Voorts is [verzoekster] er op gewezen dat zij zich moet laten keuren door de GGD ten einde vast te stellen of zij in staat is om te werken (zie proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 7 februari 2006, productie 3 bij het verzoekschrift in appel). [Verzoekster] heeft deze kans niet benut.

1.4 Bij vonnis van 28 maart 2006 heeft de rechtbank Haarlem de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [verzoekster] beëindigd en haar faillissement uitgesproken.

1.5 [Verzoekster] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Amsterdam. Het verzoekschrift is ter terechtzitting van 16 mei 2006 behandeld in aanwezigheid van [verzoekster] zelf, haar advocaat en een vertegenwoordiger van de bewindvoerder.

Bij arrest van 16 juni 2006 heeft het hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

1.6 Bij verzoekschrift dat op 23 juni 2006, derhalve tijdig((1)), ter griffie van de Hoge Raad is binnengekomen, heeft [verzoekster] cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof.

2. Het bestreden arrest

2.1 Het hof somt in rov. 2.3.3 de verplichtingen op die [verzoekster] volgens de bewindvoerder niet is nagekomen. Het gaat, kort gezegd, om de verplichting zich in te zetten voor het vinden van werk en om de bewindvoerder te informeren, onder meer over haar sollicitaties en eventuele arbeidsongeschiktheid. Het hof maakt ook melding van de mededeling van de bewindvoerder ter zitting dat hij er geen vertrouwen meer in heeft dat [verzoekster] de schuldsaneringsregeling tot een goed einde zal brengen. Vervolgens geeft het hof in rov. 2.3.4 de redenen weer die [verzoekster] heeft aangevoerd voor het niet-nakomen van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Zij wijst met name op psychische klachten waarvoor zij in maart 2006 voor de duur van acht dagen vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen is geweest. In rov. 2.3.5 vermeldt het hof dat in de visie van [verzoekster] de rechtbank bij haar beslissing tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten onrechte geen rekening met de belangen van de kinderen heeft gehouden. In dat verband wordt gewezen op artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).

2.2 Na in rov. 2.4 onder meer vooropgesteld te hebben dat van de schuldenaar voor wie een schuldsaneringsregeling van kracht is, actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd, oordeelt het hof in rov. 2.5 dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekster] niet naar behoren aan haar inspannings- en informatieverplichting heeft voldaan. Daartoe overweegt het hof het volgende:

"2.5 Gelet op de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [verzoekster] is tekortgeschoten in de van haar te verwachten actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij niet naar behoren aan haar inspannings- en informatieverplichting heeft voldaan.

Hoewel het hof begrip heeft voor de privé-situatie waarin [verzoekster] verkeert en alle daaruit voortvloeiende problemen, ontslaat die situatie haar niet van de verplichting om zich naar vermogen in te spannen om betaalde arbeid te vinden en om de bewindvoerder steeds eigener beweging van die inspanningen gedocumenteerd op de hoogte te houden. Weliswaar heeft zij gesteld dat het niet nakomen van onder meer de informatieverplichting haar gelet op haar (psychische) problemen niet kan worden toegerekend en zij voor haar psychische klachten een onderzoek heeft ondergaan op basis waarvan een behandeling zal worden bepaald, doch zij heeft dit niet met bewijsstukken gestaafd. Dat de door haar gestelde psychische problemen haar beletten te voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is onvoldoende aannemelijk geworden. Bovendien had zij indien de door haar aangevoerde persoonlijke problemen en omstandigheden er aan in de weg hebben gestaan haar verplichtingen na te komen, hiervoor (op een eerder moment) de daartoe noodzakelijke hulp kunnen en moeten zoeken, daar zij immers zelf de verantwoordelijkheid draagt voor het welslagen van de op haar van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling. Voorts is gebleken dat [verzoekster] gedurende langere tijd en ondanks daartoe strekkende verzoeken de bewindvoerder niet, althans niet schriftelijk en onvoldoende, omtrent haar sollicitatieactiviteiten heeft geïnformeerd. Ook ten behoeve van de zitting in hoger beroep is [verzoekster] in gebreke gebleven toereikende schriftelijke informatie dienaangaande te verstrekken. Niet is gebleken dat zij naar behoren aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Bovendien heeft [verzoekster] nagelaten een arbeidsongeschiktheidsverklaring over te leggen. De enkele stelling dat haar psychiater haar niet in staat acht betaalde arbeid te verrichten is daartoe volstrekt ontoereikend. Van arbeidsongeschiktheid is aan het hof onvoldoende gebleken. Bij zijn oordeel weegt het hof bovendien mee dat [verzoekster] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 7 februari 2006 alsnog in de gelegenheid is gesteld aan haar verplichtingen te voldoen, doch zij heeft nagelaten deze kans te benutten.

2.6 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [verzoekster] in haar (informatie- en inspannings-)verplichtingen toerekenbaar is tekortgeschoten, waaronder het niet nakomen van de afspraken die tijdens genoemd verhoor bij de rechter-commissaris zijn gemaakt. Dit alleen is reeds van voldoende ernstige aard om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen zodat verder in het midden kan blijven of [verzoekster] toerekenbare nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Gelet op het hiervoor overwogene zal het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigen. Het door [verzoekster] gedane beroep op de onbillijke gevolgen voor haar kinderen leidt niet tot een andere slotsom."

3. Het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel bestaat uit twee klachten. De ene klacht wordt in algemene bewoordingen in 5.1 geformuleerd en nader uitgewerkt in 5.1.1 t/m 5.1.7, de andere klacht is in 5.2 opgenomen.

de klacht in 5.1 jo. 5.1.1 t/m 5.1.7

3.2 De algemene klacht in 5.1 luidt dat het hof hetzij geen althans niet voldoende rekening heeft gehouden met de psychische problemen van [verzoekster], hetzij niet voldoende heeft gemotiveerd waarom er ondanks die problemen toch sprake is van een toerekenbaar tekortkomen door [verzoekster] in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Deze klacht stoelt op het in 5.1.1 ingenomen juridische uitgangspunt, althans zo schijnt het toe, dat een beëindiging van een schuldsaneringsregeling op de voet van artikel 350 lid 3 sub c Fw achterwege dient te blijven, wanneer het niet-nakomen van de verplichtingen door de schuldenaar niet aan hem is toe te rekenen doordat hij aan een ziektebeeld lijdt dat normaal functioneren verhindert.

3.3 Artikel 350 lid 3 Fw verleent de rechtbank de bevoegdheid een schuldsaneringsregeling te beëindigen onder meer indien de schuldenaar een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Tot die verplichtingen hoort onder meer het verstrekken van informatie aan de curator. In rov. 3.2.2 van zijn arrest van 15 februari 2002, NJ 2002, 259 m.nt. B. Wessels overweegt de Hoge Raad ten aanzien van het beëindigen van de schuldsaneringsregeling bij het niet nakomen van de zojuist genoemde verplichting onder meer het volgende:

"Het niet nakomen van deze verplichting kan aanleiding vormen tot de beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van het bepaalde in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, F., waarbij de rechter niet alleen de aard van de niet verstrekte inlichtingen, maar ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking zal moeten nemen. Mede gelet op de aard van deze mogelijkheid tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, die van rechtswege tot het faillissement van de schuldenaar leidt, dient als maatstaf voor de vraag of grond kan bestaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling te gelden of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt." ((2)) (onderstreping toegevoegd)

Hieruit blijkt dat het beëindigen pas kan plaatsvinden indien het niet nakomen door de schuldenaar van de verplichting((3)) uit de saneringsregeling zijn grond vindt in het ontbreken van van hem te vergen medewerking. Anders gezegd, het niet nakomen dient aan de schuldenaar te kunnen worden toegerekend en dat kan indien hij niet de medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft verleend die van hem mag worden gevergd. Het in 5.1.1 van het cassatiemiddel ingenomen juridische uitgangspunt zoekt hierbij aansluiting.

3.4 In rov. 2.5 oordeelt het hof:

"Voldoende aannemelijk is geworden dat zij niet naar behoren aan haar inspannings- en informatieverplichting heeft voldaan."

en voorts in rov. 2.6:

"Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [verzoekster] in haar (informatie- en inspannings-) verplichtingen toerekenbaar is tekortgeschoten."

Mede gelet op het feit dat het hof in rov. 2.5 oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de gestelde psychische problemen [verzoekster] haar beletten aan de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling te voldoen, mag worden aangenomen dat het hof bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging tot uitgangspunt heeft genomen of er bij [verzoekster] sprake is geweest van het niet verlenen van medewerking die van haar kon worden gevergd. Dit betekent dat het hof op zichzelf de juiste maatstaf bij de beoordeling van het beëindigingsverzoek heeft aangehouden.

3.5 De vaststelling dat er in het onderhavige geval sprake is van het niet verlenen door [verzoekster] van medewerking die van haar gevergd kon worden, is een oordeel van zo feitelijke aard dat het in cassatie in beginsel nog slechts op de deugdelijkheid van de motivering ervan kan worden getoetst. De Hoge Raad laat de feitenrechter bij die vaststelling de nodige beoordelingsruimte. Dat vindt nog eens bevestiging in HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572. Dat arrest ziet op een geval waarin de bewindvoerder om beëindiging zonder toekenning van de schone lei verzoekt van een schuldsaneringsregeling, die verleend was aan een zesenveertigjarige alleenstaande, op een bijstandsuitkering aangewezen man die aan het Klinefelter-syndroom lijdt. In een overgelegde brief van een psychiater wordt bevestigd dat het hem vanwege deze ziekte niet mogelijk was binnen een gestelde tijd aan verplichtingen te voldoen, dat hij als gevolg van het volgen van een opleiding en stage geen tijd had de bewindvoerder te informeren, dat het voor hem moeilijk was prioriteiten te stellen en dat door zijn ziekte sprake was van oververmoeidheid, een chronisch tekort aan daadkracht, een gemis aan volhardingsvermogen, een slecht werkend korte termijn geheugen, een gebrek aan energie en andere lichamelijk gebreken. Het hof laat desondanks de schuldsaneringsregeling eindigen zonder verlening aan de schuldenaar van een 'schone lei' wegens toerekenbaar niet nakomen van de verplichting om de bewindvoerder te informeren over zaken als vakantie, opleiding, reïntegratietraject, sollicitaties, inkomsten en uitgaven, terwijl de schuldenaar nagelaten heeft hulp te zoeken. Naar het oordeel van de Hoge Raad geeft het hof met zijn beslissing geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, maar is die beslissing ook niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de brief van de psychiater, in aanmerking genomen dat:

- de bewindvoerder rekening heeft gehouden met de beperkingen van de schuldenaar en met diens mogelijkheid de hulp van derden in te roepen;

- de schuldenaar hangende de beslissing van de rechtbank nog een laatste mogelijkheid was geboden om de gevraagde informatie aan de bewindvoerder te verschaffen en hij ook daarvan niet tijdig gebruik heeft gemaakt.

3.6 In 5.1.2 t/m 5.1.7 van het cassatiemiddel wordt, kort samengevat, met een beroep op een ziektebeeld bij [verzoekster] en het daaruit voortvloeiende onvermogen om haar leven te organiseren, ook geklaagd over een tekortschietende motivering van het hof van zijn oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten.

3.7 In de gedachtengang van het hof in rov. 2.5 die voert tot de bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank, vormt een belangrijke schakel dat [verzoekster] niet met bewijsstukken heeft gestaafd haar stelling dat, gelet op haar (psychische) problemen, het niet nakomen door haar van de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling haar niet kan worden toegerekend en dat zij voor haar psychische klachten een onderzoek heeft ondergaan op basis waarvan een behandeling van haar zal worden bepaald. Het hof acht daardoor onvoldoende aannemelijk geworden dat de gestelde psychische problemen [verzoekster] beletten om aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Dit oordeel betreft in de eerste plaats een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de bewijskracht van de in het geding gebrachte rapporten en verslagen. Onbegrijpelijk is die waardering niet. Die rapporten en verslagen vormen een momentopname en zijn niet, althans niet mede toegespitst op de vraag of het voor [verzoekster] al voor langere tijd geheel onmogelijk was om onder meer met de bewindvoerder te communiceren. Verder blijkt inderdaad ook in appel niet van schriftelijke stukken betreffende een door [verzoekster] te ondergaan of ondergaan onderzoek ter bepaling van een behandeling van haar en sollicitatie-inspanningen of arbeidsongeschiktheid aan haar kant. Mede in het licht van het oordeel dat [verzoekster] haar beroep op haar psychische problemen onvoldoende heeft onderbouwd, heeft het hof aan het slot van rov. 2.5 ook in aanmerking kunnen nemen dat [verzoekster] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris op 7 februari 2006 alsnog in de gelegenheid is gesteld aan haar verplichtingen te voldoen, maar zij heeft nagelaten deze kans te benutten.

3.8 Kortom, omdat de grondslag voor de motiveringsklachten tegen 's hofs oordeel dat er sprake is van een toerekenbaar tekortschieten van [verzoekster], te weten de gestelde psychische problemen, niet voldoende aannemelijk is gemaakt, zijn die klachten eveneens gedoemd te falen.

de klacht in 5.2

3.9 Aan het slot van rov. 2.6 merkt het hof op dat het in het beroep van [verzoekster] op de onbillijke gevolgen van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling voor haar kinderen geen aanleiding ziet om niet tot bekrachtiging van de uitspraak van de rechtbank over te gaan.

3.10.1 Voor zover in 5.2 er over wordt geklaagd dat het hof niet gelet heeft op het belang van de kinderen, faalt de klacht wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft genoemd belang gewogen, zij het met een andere uitkomst dan door [verzoekster] gewenst.

3.10.2 Voor zover de klacht in 5.2 inhoudt dat het hof zijn gedachtengang omtrent het belang van de kinderen bij handhaving van de schuldsaneringsregeling onvoldoende kenbaar heeft weergegeven, treft deze evenmin doel. Er zijn nl. geen feiten en omstandigheden aangevoerd die duidelijk maken dat het handhaven van de schuldsaneringsregeling een bijdrage van betekenis zal leveren aan de behoefte van de kinderen aan een stabiele, rustige en regelmatige omgeving. Er bestond derhalve voor het hof geen aanleiding het punt van het belang van de kinderen verder uit te diepen.

3.10.3 Het beroep in 5.2 op artikel 3, lid 2 (lees: lid 1((4))) van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVKR) kan [verzoekster] niet baten. Lid 1 ziet op 'maatregelen betreffende kinderen'. De vraag of een schuldsaneringsregeling wel of niet op de voet van artikel 350 Fw dient te worden beëindigd vormt of raakt niet een dergelijke maatregel.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. De cassatietermijn bedraagt 8 dagen (art. 351 lid 1 Fw). Het verzoekschrift is eerst per fax op 23 juni 2006 ingediend. Een getekend exemplaar van het verzoekschrift is op 27 juni 2006 ontvangen.

2. In dezelfde zin HR 4 november 2005, NJ 2006, 135, rov. 3.3. Aan het slot van rov. 3.3 zegt de Hoge Raad de maatstaf ook van belang te achten voor de verlening van de 'schone lei' op grond van artikel 354 Fw.

3. In het arrest van de Hoge Raad gaat het om de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen aan de bewindvoerder, maar aan te nemen valt dat de geciteerde overweging in het algemeen geldt voor de verplichtingen van de schuldenaar uit de schuldsaneringsregeling. Het niet nakomen van al deze verplichtingen kan een beëindiging meebrengen die van rechtswege tot faillissement van de schuldenaar leidt.

4. Aan het slot van het Verzoekschrift houdende Beroep wordt nl. lid 1 geciteerd. Op dat lid is derhalve in appel een beroep gedaan.