Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4730

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
02328/06 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4730
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wots-zaak. 1. De rb heeft ten onrechte het VOGP van toepassing geacht, nu dit uitsluitend betrekking heeft op gevonniste personen die zich nog in de Staat van veroordeling bevinden. De veroordeelde bevond zich reeds in NL. De rb behoorde het tussen NL en D toepasselijk verklaarde Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen van 13 november 1991 (Trb. 1992, 39) toe te passen (HR NJ 2001, 488). 2. De rb heeft terecht ex art. 30.1.a. WOTS onderzocht of de door de Duitse autoriteiten overgelegde stukken voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde eisen. Het in het middel bedoelde “Beschluss” behoort niet tot de stukken die volgens art. 7 van laatstgenoemd Verdrag het verzoek moeten vergezellen. Dit “Beschluss” heeft immers niet betrekking op de tul in NL van de Duitse rechterlijke beslissing waarbij aan veroordeelde straf is opgelegd, maar betreft uitsluitend het vervallen aan de Duitse Staat van de gestelde zekerheid wegens het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf. Het oordeel van de rb dat de stukken voldoen is juist, niettegenstaande de toepassing van het verkeerde verdrag. 3. Het middel (waarin een beroep is gedaan op ne bis in idem) faalt, reeds omdat het betoog dat veroordeelde door het verval van de borgsom “zijn straf al ondergaan” heeft, geen beroep inhoudt op de omstandigheid dat reeds eerder in NL een onherroepelijke beslissing is gevallen t.z.v. het feit waarvoor hem in D een straf is opgelegd a.b.i. art. 7.2 WOTS. Ook overigens zou een klacht, inhoudende dat de rb het verlof tot tul ontoelaatbaar had moeten verklaren omdat veroordeelde wegens het vervallen verklaren van de gestelde zekerheid de opgelegde straf al geheel heeft ondergaan, moeten falen. De onderhavige vervallenverklaring van de door de echtgenote van veroordeelde gestelde zekerheid kan niet worden aangemerkt als het ondergaan van de straf die aan veroordeelde is opgelegd ter zake van de bewezenverklaarde feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 94
RvdW 2007, 200
NJB 2007, 496
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02328/06 W

Mr. Knigge

Zitting: 12 december 2006

Conclusie inzake:

[veroordeelde]

1. Op vordering van de officier van justitie heeft de Rechtbank te Zwolle-Lelystad bij vonnis van 7 juni 2006 de tenuitvoerlegging toelaatbaar verklaard van de beslissing van het Amtsgericht te Nordhorn (Bondsrepubliek Duitsland) van 29 april 2004, waarbij aan veroordeelde een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden is opgelegd en verlof verleend tot de tenuitvoerlegging van die beslissing in Nederland met dien verstande dat hem ter zake van de in die beslissing genoemde feiten een gevangenisstraf van vijftien maanden wordt opgelegd. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat op de tenuitvoerlegging de tijd in mindering wordt gebracht die de veroordeelde in de Bondsrepubliek Duitsland in afwachting van zijn berechting van zijn vrijheid beroofd is geweest.

2. Namens de veroordeelde heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Zwolle, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat is voldaan aan het bepaalde in art. 30 lid 1 sub a Wet overdacht en tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots). De Rechtbank zou de tenuitvoerlegging wegens ongenoegzaamheid van stukken ontoelaatbaar hebben moeten verklaren.

4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 7 juni 2006 heeft de raadsman aldaar het volgende aangevoerd:

"Het dossier is volkomen incompleet. Mijn cliënt had in Duitsland al een verzoek op grond van de WOTS gedaan. Dat verzoek is afgewezen. In september 2005 hebben de Duitse autoriteiten een dergelijk verzoek aan Nederland gedaan. Mijn cliënt heeft een borgsom betaald van € 10.000,-. Dat is bij besluit van 24 juni 2005 geconfisqueerd. Ik vraag mij af in hoeverre die verbeurde borgsom onder de reikwijdte van de WOTS valt. Mijn cliënt heeft, omdat hij die geldsom al kwijt is, zijn straf al ondergaan. Het is op zich juist, dat hij zich niet gemeld heeft om zijn straf in Duitsland te ondergaan.

Mijns inziens is de gevorderde tenuitvoerlegging ontoelaatbaar. Stukken die relevant zijn ontbreken. Het is wellicht zinnig om het onderzoek te schorsen, teneinde het stuk van 24 juni 2005 te laten vertalen."

5. Een kopie van het besluit waarop de raadsman doelde, bevindt zich - anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld - bij de stukken van het geding zoals die aan de Hoge Raad zijn toegezonden. Deze kopie is gelijk aan de kopie die aan de schriftuur is gehecht, met dien verstande dat daarop - in tegenstellling tot de schone kopie die aan de schriftuur is gehecht - met pen bepaalde passages en woorden zijn onderstreept of aangestreept. Het gaat om het besluit (Beschluss) van het Amtsgericht Nordhorn d.d. 24 juni 2005, in de strafzaak tegen de veroordeelde, inhoudende de verbeurdverklaring van een zekerheidsstelling (borgsom) ten belope van € 10.000,-, op de grond dat de veroordeelde zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de hem op 29 april 2004 door hetzelfde gerecht opgelegde vrijheidsstraf.(1)

6. Bedoeld "Beschluss" luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"In der Strafsache gegen [veroordeelde],

(...)

Wegen Verstoßes gegen das BtMG wird der Verfall der mit Beschluß vom 16.02.2004 angeordneten und am 17.02.2004 beim Amtsgericht Nordhorn - 10 HL 6/04 - durch [betrokkene 1] hinterlegten Sicherheitsleistung von 10.000 € angeordnet.

Gründe:

Aufgrund der o.g. Sicherheitsleistung ist der Haftbefehl vom 31.01.2004 außer Vollzug gesetzt worden. Sie diente der Sicherung der Strafverfolgung- und -vollstreckung.

Am 29.04.2004 wurde [veroordeelde] zu einer Freiheitsstrafe von 2 Jahren und 6 Monaten verurteilt. Seine dagegen eingelegte Berufung hat er am 03.08.2004 zurückgenommen. Seither ist das o.g. Urteil rechtskräftig.

Trotz ordnungsgemäßer Ladung hat sich der Verurteilte bislang der Strafvollstreckung in der JVA Lingen-Damaschke nicht gestellt.

(...)

Der Verfall der Sicherheitsleistung war anzuordnen, weil die Voraussetzungen gemäß § 124 StPO vorliegen. Der Verurteilte hat sich dem Antritt der erkannten Freiheitsstrafe entzogen."

7. De klacht van het middel keert zich tegen de volgende (door mij gecursiveerde) overweging van de Rechtbank:

"De rechtbank komt tot de slotsom dat, nu aan alle daarvoor in het Verdrag en in de Wet overdacht en tenuitvoerlegging strafvonnissen genoemde voorwaarden is voldaan als hiervoor omschreven, de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis toelaatbaar moet worden verklaard en verlof moet worden verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis op na te melden wijze. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting met betrekking tot de door de veroordeelde betaalde borgsom heeft aangevoerd staat hieraan, nu dit niet valt binnen de reikwijdte van de WOTS, niet in de weg."

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het bedoelde besluit zich niet bij door de Duitse autoriteiten toegezonden stukken bevond, maar door de raadsman ter zitting van de Rechtbank van 24 mei 2006 in kopie is overgelegd. Dat laatste blijkt niet uit het proces-verbaal van die zitting, zodat de vraag is of de klacht in zoverre feitelijke grondslag mist. Wel kan mijns inziens als vaststaand worden aangenomen dat een kopie van het besluit zich in elk geval niet bij de originele stukken bevond(2) en eerst in een betrekkelijk laat stadium ter kennis van de Rechtbank is gekomen.(3) Ik merk daarbij op dat het mij weinig waarschijnlijk voorkomt dat de Duitse autoriteiten een kopie zouden overleggen waarin met pen strepen zijn gezet.

9. Art. 30 lid 1 sub a Wots bepaalt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar verklaart indien zij bevindt dat "de overgelegde stukken niet voldoen aan de door het toepasselijke verdrag gestelde eisen". Art. 6 lid 2 van het (in casu toepasselijke) Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen schrijft voor dat door de Staat van veroordeling onder meer de volgende stukken worden verstrekt:

"(sub b) een opgave betreffende het reeds ondergane gedeelte van een veroordeling, daaronder begrepen inlichtingen omtrent enige voorlopige hechtenis, strafvermindering en elke andere voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling ter zake dienende omstandigheid;

(sub d) waar nodig, een medisch of sociaal rapport omtrent de gevonniste persoon, inlichtingen betreffende zijn behandeling in de Staat van beoordeling en elke aanbeveling ten aanzien van zijn verdere behandeling in de Staat van tenuitvoerlegging."

10. De vraag is of de hiervoor onder 7 weergegeven overweging van de Rechtbank dat het met betrekking tot de borgsom aangevoerde "niet valt binnen de reikwijdte van de WOTS", zo moet worden begrepen dat de Rechtbank daarin als haar oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat het besluit van 24 juni 2005 van het Ambtsgericht Nordhorn niet kan worden gerekend tot de stukken die in de zojuist weergegeven verdragsbepaling worden opgesomd. De vraag is vervolgens of dat oordeel, zo daarvan sprake is, juist is. Ik meen dat die vragen kunnen blijven rusten, en wel op grond van het volgende.

11. Vast staat dat het bedoelde besluit - waarvan de voorzitter van de Rechtbank ter zitting van 24 mei 2006 de korte inhoud heeft meegedeeld - ter kennis is gekomen van de Rechtbank. Onder die omstandigheid vordert het door art. 30 lid 1 sub a Wots beschermde belang niet dat de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar wordt verklaard. De Rechtbank was immers toen zij haar beslissing nam, volledig geïnformeerd.

12. Het eerste middel faalt.

13. In het tweede middel wordt geklaagd dat het verleende verlof tot tenuitvoerlegging in strijd is met het in art. 7 lid 2 Wots(4) neergelegde ne bis in idem-beginsel. Dit omdat de verbeurdverklaring van de hierboven vermelde borgsom bij besluit van het Amtsgericht d.d. 24 juni 2005 in feite neerkomt op strafoplegging voor de gepleegde feiten, zodat het verlenen van verlof voor de tenuitvoerlegging van de in de hoofdzaak door het Duitse gerecht opgelegde straf zou neerkomen op dubbele bestraffing.

14. Een verweer van die strekking is in feitelijke aanleg niet gevoerd. Reeds daarom is het middel tot mislukken gedoemd.

15. Het derde middel bevat de klacht over de motivering door de Rechtbank van de opgelegde straf.

16. De Rechtbank heeft de door de Duitse rechter opgelegde straf van tweeënhalf jaar gevangenisstraf omgezet in een gevangenisstraf van vijftien maanden en die strafoplegging voor zover hier relevant als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoon van de veroordeelde zoals deze ter zitting naar voren is gekomen, de omstandigheid dat de veroordeelde niet eerder ter zake (van, GK) soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, en de door de Duitse rechter opgelegde gevangenisstraf. Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat de feiten, waarvoor veroordeelde in Duitsland is veroordeeld, zogenaamde soft drugs betroffen.

De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van de op te leggen straf uit het oogpunt van een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

De rechtbank is ermee bekend dat in Duitsland doorgaans vrijheidsstraffen van langere duur plegen te worden opgelegd voor feiten als de onderhavige dan in Nederland. De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf enerzijds rekening gehouden met die omstandigheid, doch anderzijds zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de waardering van de strafwaardigheid van dit soort misdrijven in Nederland, zoals tot uitdrukking komend in het straftoemetingsbeleid ter zake."

17. Art. 31 lid 1 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS) bepaalt in dit verband:

"De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing."

18. Bij de beoordeling van het middel dient tot uitgangspunt te worden genomen hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 8 juni 2004, NJ 2004, 404(5):

"3.4. Het te dezen toepasselijke art. 31, eerste lid, WOTS dient aldus te worden verstaan, dat de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden (vgl. HR 21 december 1993, NJ 1995, 199)."

19. Vooropgesteld moet worden dat de motivering van de straf in het kader van de WOTS slechts wordt beheerst door hetgeen in art. 31 lid 1 WOTS is bepaald en niet door de voorschriften in art. 359 Sv. Daarmee valt de strafmotivering in het kader van de WOTS ook niet binnen het regiem van het nieuwe artikel 359 lid 2 Sv. De uitspraak van de Rechtbank is in de onderhavige zaak met redenen omkleed en geeft de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald en de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. In zoverre is de straf naar de eis der wet met redenen omkleed. Voorts blijkt uit de door de Rechtbank gegeven motivering dat zij de door de Hoge Raad geformuleerde maatstaven in acht heeft genomen.

20. Het middel bevat een aantal klachten met de strekking dat de Rechtbank niet alle relevante argumenten heeft meegewogen bij de bepaling van de straf en dat de strafmotivering daarom niet naar behoren is gemotiveerd. De argumenten die de steller van het middel (samengevat, GK) achtereenvolgens aanvoert zijn (a) dat de Rechtbank de straf niet naar de Nederlandse maatstaven heeft omgezet, (b) dat de Rechtbank zich bij het bepalen van de straf heeft laten leiden door het feit dat de veroordeelde in Duitsland uiteindelijk slechts de helft van de opgelegde straf zou moeten uitzitten, (c) dat de Rechtbank ten onrechte niet bij het bepalen van de straf niet in aanmerking heeft genomen het feit dat door de veroordeelde borgsom is verbeurd ten belope van € 10.000,-, (d) het feit dat de veroordeelde zelf een verzoek tot overdacht heeft ingediend, (e) dat de Duitse rechter § 31 van het Duitse BtMG(6) niet ten voordele van de veroordeelde heeft laten strekken en (f) dat het onder de veroordeelde ten tijde van de aanhouding inbeslaggenomen bedrag (€ 900,-) is verbeurdverklaard.

21. De eerste twee door de steller genoemde klachten missen feitelijke grondslag, aangezien deze berusten op een verkeerde lezing van de bestreden uitspraak. De overige klachten delen hetzelfde lot, aangezien uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt, dat de raadsman argumentatie van die strekking in het kader van de straftoemeting naar voren heeft gebracht. Tot nadere motivering was de Rechtbank dan ook niet gehouden.

22. Tenslotte de klacht van het middel, inhoudende dat de Rechtbank bij de bepaling van de hoogte van de straf ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het tijdsverloop in de onderhavige zaak vanaf de aanhouding van de verdachte op 30 januari 2004 tot aan het vonnis van de rechtbank op 7 juni 2006.

23. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 april 2000, NJ 2000, 462 (impliciet) bepaald dat art. 6 EVRM van toepassing is in WOTS-zaken en voorts dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM aanvangt met de betekening van de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 18, eerste lid, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de door de buitenlandse rechter aan de betrokkene opgelegde sancties.

24. Derhalve zie ik reden om aan te nemen dat de standaardjurisprudentie van de Hoge Raad inzake de redelijke termijn (arrest van 3 oktober 2000, NJ 2000, 721) in dit geval van toepassing is. Op grond van die jurisprudentie geldt dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak (van in dit geval de Rechtbank, GK) wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd.

25. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat een verweer met door de raadsman bedoelde strekking voor de Rechtbank is gevoerd. Weliswaar wordt gesteld dat het proces-verbaal van de terechtzitting onvolledig is, maar die stelling mist feitelijke grondslag. Dat proces-verbaal nu eenmaal - tenzij overige processtukken klemmende aanwijzingen bevatten dat dit proces-verbaal een misslag bevat - de kenbron waarop in cassatie moet worden afgegaan.

26. Het derde middel faalt.

27. Het tweede en het derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

28. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Dit besluit is gebaseerd op §124 (Verfall einer noch nicht frei gewordenen Sicherheit), opgenomen in het Eerste Boek (Allgemeine Vorschriften), Titel 9 (Verhaftung und vorläufige Festnahme) van de StPO, inhoudende:

"(1) Eine noch nicht frei gewordene Sicherheit verfällt der Staatskasse, wenn der Beschuldigte sich der Untersuchung oder dem Antritt der erkannten Freiheitsstrafe oder freiheitsentziehenden Maßregel der Besserung und Sicherung entzieht.

(2) Vor der Entscheidung sind der Beschuldigte sowie derjenige, welcher für den Beschuldigten Sicherheit geleistet hat, zu einer Erklärung aufzufordern. Gegen die Entscheidung steht ihnen nur die sofortige Beschwerde zu. Vor der Entscheidung über die Beschwerde ist ihnen und der Staatsanwaltschaft Gelegenheit zur mündlichen Begründung ihrer Anträge sowie zur Erörterung über durchgeführte Ermittlungen zu geben.

(3) Die den Verfall aussprechende Entscheidung hat gegen denjenigen, welcher für den Beschuldigten Sicherheit geleistet hat, die Wirkungen eines von dem Zivilrichter erlassenen, für vorläufig vollstreckbar erklärten Endurteils und nach Ablauf der Beschwerdefrist die Wirkungen eines rechtskräftigen Zivilendurteils."

2 Van het zich bij de stukken bevinden "Origineel Dossier" maakt (een kopie van) het besluit geen deel uit. Ook een vertaling van het stuk ontbreekt. Tot "de WOTSstukken" - waarvan bij fax van 21 november 2005 de vertaling is verzocht - behoorde het besluit kennelijk niet.

3 Zie het verhandelde ter ziting van de Rechtbank van 18 januari 2006, waaruit valt af te leiden dat toen nog onbekend was wat er met de borgsom was gebeurd.

4 Lid 2 van genoemd artikel houdt in:

"Een in een vreemde Staat opgelegde sanctie kan in Nederland evenmin worden ten uitvoer gelegd voor zover een vervolging in Nederland onverenigbaar zou zijn met het aan artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 255, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering ten grondslag liggende beginsel."

5 Vgl. recentelijk nog de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 14 februari 2006, LJN AU8299, door de Hoge Raad afgedaan met de art. 81 RO ontleende motivering en voorts HR 18 mei 2004, NJ 2004, 511 r.o. 3.5.

6 § 31 BtMG (Strafmilderung oder Absehen von Strafe) heeft betrekking op mitigatie dan wel afzien van de strafoplegging en houdt het volgende in:

"Das Gericht kann die Strafe nach seinem Ermessen mildern (§ 49 Abs. 2 des Strafgesetzbuches) oder von einer Bestrafung nach § 29 Abs. 1, 2, 4 oder 6 absehen, wenn der Täter

1. durch freiwillige Offenbarung seines Wissens wesentlich dazu beigetragen hat, dass die Tat über seinen eigenen Tatbeitrag hinaus aufgedeckt werden konnte, oder

2. freiwillig sein Wissen so rechtzeitig einer Dienststelle offenbart, dass Straftaten nach § 29 Abs. 3, § 29a Abs. 1, § 30 Abs. 1, § 30a Abs. 1, von deren Planung er weiß, noch verhindert werden können."