Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4713

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
00315/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4713
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Maatstaf beoordeling getuigenverzoek na schorsing onderzoek ter terechtzitting. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2005 van de Wet van 10 november 2004, Stb. 579, waarbij art. 321 Sv is vervallen, dient als de behandeling ter terechtzitting is aangevangen, een nieuw of herhaald verzoek tot het horen van getuigen slechts te honoreren als de noodzakelijkheid van dat horen blijkt. Het verzoek i.c. om A en de verbalisanten B, C, D en E ter terechtzitting als getuigen te horen is gedaan na de aanvang van de terechtzitting in appel, zodat zich niet een geval voordoet ex art. 414 Sv. Daarom moet hier op grond van art. 315.1 Sv, welke bepaling ook in appel van toepassing is, het criterium worden toegepast of de noodzaak van het verzochte is gebleken. Het hof heeft dus de juiste maatstaf aangelegd bij de beoordeling van het verzoek. ’s Hofs oordeel dat het verzoek “te laat ingediend” is, is evenwel hetzij onjuist hetzij bij gebreke van een nadere motivering onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen de raadsman onder verwijzing naar de brief van mr. Bommer heeft aangevoerd, is ook ’s hofs oordeel dat het verzoek “niet onderbouwd” is, zonder nadere doch ontbrekende motivering, onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2007, 546
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00315/06

Mr. Fokkens

Zitting 12 december 2006

Conclusie inzake

[verdachte]

1. Verdachte is op 24 november 2005 door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens, kort gezegd, zonder rijbewijs een personenauto besturen, meermalen gepleegd en onverzekerd rijden in een personenauto, veroordeeld tot geldboetes van in totaal € 760,- (te betalen in acht maandelijkse termijnen van € 95,-), subsidiair veertien dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. R.D.A. van Boom, advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voordat ik de middelen bespreek, vermeld ik dat er nog een tweede, samenhangende zaak is tegen verdachte, in welke zaak ik ook vandaag concludeer onder nummer 00316/06. In de onderhavige zaak (00315/06) is tenlastegelegd onverzekerd rijden en rijden zonder rijbewijs op 8 augustus 2003 en rijden zonder rijbewijs op 9 juli 2004. Daarnaast is onder 00316/06 tenlastegelegd onverzekerd rijden op 9 juli 2004. Het valt aan te nemen dat de zaken gelijktijdig ter terechtzitting zijn behandeld en ik krijg bij lezing van de processen-verbaal van de terechtzittingen in beide zaken en van de schriftuur in deze zaak de indruk dat er mede daardoor enige onduidelijkheden zijn ontstaan over de vraag wat in welk kader is aangevoerd.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte het verzoek tot het horen van een drietal getuigen heeft afgewezen.

5. Ter terechtzitting van het Hof van 24 november 2005 heeft de raadsman mr. Schadd meegedeeld dat hij op verzoek van mr. Bommer, die aanvankelijk als raadsman van verdachte optrad, de belangen van verdachte behartigt. Uit een zich bij de stukken bevindende fax van mr. Bommer blijkt dat deze vanwege verplichtingen in een andere strafzaak verhinderd was ter terechtzitting aanwezig te zijn en daarom om aanhouding van het onderzoek heeft verzocht. Op die fax is met pen door de behandelend rechter aangetekend dat het door mr. Bommer gedane verzoek om aanhouding wordt afgewezen en dat op de terechtzitting zal worden beslist op het schriftelijk verzoek om getuigen te horen.

6. Ter terechtzitting van het Hof heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

'Ik ben door mr A.J.M. Bommer, advocaat te Rotterdam, gevraagd om belangen van cliënt over te nemen en daarbij heeft hij het verzoek gedaan om getuigen te horen. Cliënt zegt dat ze niet heeft gereden en getuigen kunnen dat bevestigen daarom is het van belang dat deze getuigen gehoord worden. Verbalisanten hebben bij de aanhouding naar de personalia van bestuurder gevraagd echter hebben ze ter ondersteuning niet naar documentatie zoals het rijbewijs gevraagd. Ik verzoek u om de brief van mr Bommer aan het proces-verbaal te hechten.'

7. De door de raadsman bedoelde brief is aangehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting. In die brief wordt ten aanzien van de feiten 1 en 2 verzocht de beide verbalisanten als getuigen te horen omdat verdachte ontkent dat zij de auto heeft bestuurd. Degene die de auto bestuurde heeft weliswaar de personalia van verdachte opgegeven, maar niet blijkt dat deze zijn geverifieerd aan de hand van enig identiteitsdocument. De reden voor het verzoek de verbalisanten te horen is de vraag of zij de lezing van verdachte, dat zij niet de bestuurder was, kunnen bevestigen. Ten aanzien van feit 3 wordt gesteld dat ene [betrokkene 1] de auto zou hebben bestuurd en dat deze het verblijfsdocument van verdachte aan de politie zou hebben overhandigd. Om die reden worden de beide verbalisanten en [betrokkene 1] als getuigen gevraagd.

8. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen en heeft dat als volgt gemotiveerd:

'De voorzitter deelt mede dat hij het verzoek om getuigen te horen afwijst, aangezien de noodzaak daartoe niet is gebleken. Het verzoek is te laat ingediend en tevens niet onderbouwd.'

9. In de toelichting op het middel wordt de klacht dat het Hof op ondeugdelijke gronden het verzoek heeft afgewezen aldus toegelicht, dat het hier gaat om een verzoek ex art. 415 jo. art 315 Sv dat niet te laat kan worden gedaan.

10. Het is juist dat de overweging dat het verzoek te laat is gedaan op zich onjuist is, nu het hier gaat om een verzoek als bedoeld in art. 315 Sv. Kennelijk heeft het Hof tot uitdrukking willen brengen dat bij het schriftelijk verzoek de wettelijke termijn van tien dagen voor de terechtzitting, zoals die volgt uit art. 414 lid 2 Sv in verband met art. 263 lid 2 Sv, niet in acht was genomen. Weliswaar is het verzoek op 11 november 2005 gedaan, dus meer dan tien dagen vóór de terechtzitting van 24 november 2005, maar daaraan voorafgegaan was de terechtzitting van 18 augustus 2005 welke bepalend is voor de beoordeling van genoemde termijn. Hieraan doet niet af dat de behandeling van de zaak op 18 augustus is aangehouden omdat de raadsman te kennen had gegeven dat hij de stukken in de zaak niet had ontvangen. Uit de stukken blijkt immers op geen enkele wijze dat de raadsman zich (tijdig) had gesteld. Het Hof is terecht ervan uitgegaan dat hier de noodzaak van het verzochte als criterium gold.

De eerste klacht treft bij de hier gegeven uitleg van de overweging van het Hof geen doel.

11. Subsidiair wordt geklaagd dat het oordeel van het Hof zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.

12. Die klacht acht ik wel gegrond. Het verzoek zoals dat ter terechtzitting is gedaan, was nauwelijks gemotiveerd, maar gelet op de verwijzing van mr. Schadd naar het eerder aan de Advocaat-Generaal gestuurde verzoek deze getuigen op te roepen, maakt de motivering van dat schriftelijk verzoek deel uit van het ter terechtzitting gedane verzoek. In het schriftelijk verzoek is wel degelijk een motivering te vinden voor de verzoeken. De stelling is ten aanzien van alle feiten dat een ander zich heeft uitgegeven voor verdachte. Dat de verdediging in die omstandigheden verzoekt de genoemde getuigen te horen is niet onbegrijpelijk en levert, anders dan het Hof heeft overwogen, wel degelijk een onderbouwing op van dit verzoek. Gelet op die onderbouwing van het verzoek is het zonder nadere motivering, die geheel ontbreekt, niet begrijpelijk waarom het horen van de opgegeven getuigen volgens het Hof niet noodzakelijk was (zie NJ 1995/278, NJ 1995/11 en NJ 1993/53).

13. Ik merk in dit verband volledigheidshalve nog op dat volgens de stukken van het geding de auto, ten aanzien waarvan onder 1 en 2 bewezen is verklaard dat verdachte daarin op 8 augustus 2003 heeft gereden zonder dat de vereiste verzekering was afgesloten en zonder dat zij in het bezit was van het vereiste rijbewijs, op naam was gesteld van [betrokkene 1].(1) Enig verband tussen [betrokkene 1] en verdachte is derhalve niet zonder meer uitgesloten.

14. Het middel is gegrond.

15. In de als tweede middel aangeduide klacht wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring niet behoorlijk met redenen is omkleed. De vraag zou kunnen rijzen of dit wel een middel van cassatie is, nu niet duidelijk is of deze klacht betrekking heeft op de gehele bewezenverklaring of een deel daarvan. In de toelichting wordt verwezen naar het verweer ter terechtzitting dat een met name genoemde derde persoon de bestuurder zou zijn geweest en dat deze persoon de personalia van verdachte zou hebben gebruikt. Dat verweer is alleen terug te vinden in zaak 00316/06 en de rol van [betrokkene 1] zoals gesteld in de motivering van het bij de bespreking van het eerste middel weergegeven schriftelijk verzoek om getuigen te horen. Dat er ten aanzien van feit 3 uitdrukkelijk een dergelijk verweer is gevoerd blijkt niet, de raadsman heeft het uitsluitend over de feiten 1 en 2. Het lijkt mij waarschijnlijk dat dit, zoals ik hierboven uiteen heb gezet, komt doordat het tegelijk met feit 3 op 9 juli 2004 gepleegde rijden zonder verzekering in zaak 00316/06 ten laste is gelegd en dat het in die zaak wel gevoerde verweer ten aanzien van [betrokkene 1], per ongeluk niet in het proces-verbaal van zaak 00315/06 terecht is gekomen. Wel resteert de vraag waarom het middel kennelijk niet beoogt te klagen over de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2, nu de toelichting op het middel daar geen betrekking op heeft.

16. In deze omstandigheden zou de Hoge Raad ambtshalve en naar aanleiding van het middel kunnen vaststellen dat de bewezenverklaring ten aanzien van alle feiten niet naar behoren is gemotiveerd, omdat de juistheid van de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid dat een ander zich voor verdachte heeft uitgegeven, in de bewijsvoering in het midden is gelaten.

17. Het derde middel klaagt over de bewijsconstructie van het onder 3 bewezenverklaarde feit dat verdachte - kort gezegd - op 9 juli 2004 te Utrecht als bestuurder van een personenauto op de weg heeft gereden zonder dat aan haar een daartoe vereist rijbewijs was afgegeven. De bewijsconstructie zou ontoereikend zijn omdat in het onder 7 van het bestreden arrest gebezigde bewijsmiddel wordt verwezen naar een onder 4 gebezigd bewijsmiddel, terwijl geen als 4 genummerd bewijsmiddel onder de bewijsmiddelen wordt genoemd.

18. Onder 7 van de gebezigde bewijsmiddelen is informatie opgenomen waaruit blijkt dat op 9 december 2004 is onderzocht of aan verdachte een rijbewijs is afgegeven en dat dit niet het geval was. Het middel wijst er met juistheid op dat het Hof daarbij ten onrechte heeft overwogen dat dit onder 7 opgenomen geschrift wordt gebezigd in verband met de inhoud van het onder 4 genoemde bewijsmiddel. Dit betreft een kennelijke misslag. Het moet het onder 3 genoemde bewijsmiddel zijn. De Hoge Raad kan dit verbeterd lezen, waarna het middel feitelijke grondslag mist.

19. Het derde middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd met terugwijzing der zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Kentekengegevens opgenomen als bijlage bij het proces-verbaal d.d. 9 januari 2004, PVB-nr. 08.08.2003.2328.006934.