Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4672

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
00120/06 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4672
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Profijtontneming, w.v.v. (€ 959.722,39) uit oplichting. 1. Beroep op overschrijding redelijke termijn in feitelijke aanleg. 2. Heeft hof verzuimd te beslissen op verzoek tot verrichten van nader onderzoek? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOW 2007, 12
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00120/06 P

Zitting: 12 december 2006

Mr. Knigge

Conclusie inzake:

[betrokkene]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 959.722,39 en aan de veroordeelde ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dit bedrag.

2. Namens verdachte hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, advocaten te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof ten onrechte het wegens overschrijding van de redelijke termijn tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie strekkende verweer heeft verworpen. Het tweede middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat met betrekking tot een bepaalde periode kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Uit de zich in het dossier bevindende stukken volgt dat in 1994 de burgemeester van Emmen bij de Hoofdofficier van Justitie melding heeft gemaakt dat hij zou zijn opgelicht door de verdachte. Dit resulteerde in een Rijksrecherche-onderzoek dat daarna werd gevolgd door een gerechtelijk vooronderzoek. Vele getuigen en mogelijke verdachten zijn gehoord, terwijl er tevens rechtshulpverzoeken naar Zwitserland en Engeland zijn uitgegaan. Voor een uitgebreide beschrijving van het verloop van de procedure verwijs ik naar het proces-verbaal van de op de hoofdzaak betrekking hebbende terechtzitting in eerste aanleg van 21 maart 2001.

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman een preliminair verweer gevoerd ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Het Hof heeft als volgt op dit verweer beslist:

"Op 25 oktober 1995 is de machtiging tot het instellen van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan veroordeelde uitgereikt. Dit markeert het begin van de in beschouwing te nemen termijn. Op 30 oktober 2002 is het voornemen bekend gemaakt dat het openbaar ministerie een ontnemingsvordering wilde instellen. Op 28 mei 2003 wees de rechtbank vonnis in de ontnemingszaak. Vervolgens kwamen de stukken van het geding op 21 januari 2004 binnen bij het hof. Op 11 november 2005 kan de einduitspraak van het hof worden verwacht. Gelet op dit procesverloop is het hof van oordeel dat niet sprake is van een zodanige overschrijding van de redelijke termijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard. Het verweer wordt derhalve verworpen.".

6. In zijn arrest heeft het Hof gerespondeerd op het verweer dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden en heeft daartoe het volgende overwogen:

"De raadsman heeft ter zitting van het hof bij pleidooi aangevoerd - kort en zakelijk weergegeven - dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM geschonden is (zie de pleitnotitie van de raadsman onder punt 32 t/m 34, in samenhang gelezen met hetgeen over de redelijke termijn door de raadsman is betoogd in het kader van het door hem gevoerde preliminaire verweer). De raadsman heeft geconcludeerd dat sprake is van een ongekend lange behandeling. Dit zou moeten leiden tot een matiging van het vast te stellen ontnemingsbedrag met meer dan 10%.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De redelijke termijn neemt een aanvang op het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens [betrokkene] een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Het hof is van oordeel dat de uitreiking van de machtiging tot het instellen van het strafrechtelijk financieel onderzoek aan [betrokkene] op 25 oktober 1995 als zodanig heeft te gelden.

De periode die in beschouwing dient te worden genomen betreft de periode tussen 25 oktober 1995 en 11 november 2005, de datum waarop onderhavig arrest wordt gewezen. Het hof heeft derhalve rekening te houden met de vertraging die na 25 oktober 1995 is opgetreden in de afdoening van de strafzaak, waarmee de ontnemingsvordering vanaf genoemd moment parallel loopt.

Het gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 8 februari 2002 vastgesteld dat er in meerdere perioden in de afdoening van de strafzaak een schending van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden. De rechtbank Assen heeft, nadat de zaak door het hof naar die rechtbank werd teruggewezen, met inachtneming van het arrest door het hof, bij vonnis van 13 november 2002 de op te leggen straf met 6 maanden gematigd naar aanleiding van de door het hof vastgestelde schending van de redelijke termijn. De rechtbank heeft daarbij de gehele voorliggende periode in beschouwing genomen, tot aan de dag waarop het vonnis is gewezen.

Aangezien de afdoening van een ontnemingszaak mede afhankelijk is van de tijd die gemoeid is met de behandeling van de aan die procedure ten grondslag liggende strafzaak (hierna: de hoofdzaak) en gelet op het feit dat de rechtbank voor de periode van 25 oktober 1995 tot 13 november 2002 reeds een matiging van de op te leggen straf heeft toegepast in de hoofdzaak, aan welke zaak de ontnemingsprocedure in de genoemde periode parallel liep, is het hof van oordeel dat in de ontnemingsprocedure ten aanzien van genoemde periode kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden (vgl. HR 7 maart 2000, NJB 2000, nr. 57).

Voor de periode na 13 november 2002 overweegt het hof het volgende.

De officier van justitie heeft op de terechtzitting van 30 oktober 2002 bij requisitoir kenbaar gemaakt dat hij voornemens was een ontnemingsvordering aanhangig te maken. De ontnemingsvordering is blijkens een zich in het dossier bevindende akte uitgebracht op of voor 28 februari 2003. De ontnemingsvordering is daarmee tijdig aanhangig gemaakt. Vervolgens heeft op 16 april 2003 de behandeling van de ontnemingsvordering ter zitting plaatsgevonden, waarna op 28 mei 2003 het vonnis volgde. Uit deze feiten leidt het hof af dat in de periode van behandeling van de ontnemingsvordering bij de rechtbank niet is gebleken van een overschrijding van de redelijke termijn.

De procedure in appèl heeft daarentegen wel tot een schending van de redelijke termijn geleid. Tussen het instellen van appèl door de verdachte tegen het vonnis van de rechtbank in de ontnemingszaak op 4 juni 2003 en het arrest van het hof op het onderhavige beroep op 11 november 2005 is 2 jaar en 5 maanden verstreken. Daarmee is de redelijke termijn met 5 maanden overschreden. Deze overschrijding dient het Openbaar Ministerie te worden aangerekend, aangezien de overschrijding te wijten is aan het niet tijdig ter zitting aanbrengen van de ontnemingszaak.

Deze termijnoverschrijding heeft te leiden tot matiging van het vast te stellen ontnemingsbedrag. In aanmerking genomen de duur van de onderhavige overschrijding en de hoogte van het vast te stellen ontnemingsbedrag is het hof van oordeel dat een matiging van 5% van het ontnemingsbedrag redelijk en billijk is.".

7. De redelijkheid van de duur van een ontnemingszaak is net als bij gewone strafzaken afhankelijk van onder meer de volgende omstandigheden: a. de ingewikkeldheid van de zaak; b. de invloed van de betrokkene en zijn raadsman op het procesverloop, en c. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daar komt voor een ontnemingszaak als bijzonderheid bij d. dat de afdoening van de zaak als gevolg van het bepaalde in art. 36e lid 1 Sr mede afhankelijk is van de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en e. dat de ontnemingszaak, naar volgt uit art. 511b lid 1 Sv zo spoedig mogelijk doch in elk geval binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak nog aanhangig kan worden gemaakt (rov. 3.9).

8. In een recent arrest1 is de Hoge Raad nader ingegaan op de specifiek voor ontnemingszaken geldende onder sub d. en e. genoemde omstandigheden:

"3.3.2. De hiervoor onder 3.3.1 sub d en e genoemde omstandigheden, die specifiek zijn voor ontnemingszaken, kunnen meebrengen dat tussen de datum waarop de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen en de datum waarop in eerste aanleg uitspraak wordt gedaan, (aanzienlijk) meer dan twee jaren zijn verlopen, zonder dat nochtans in die aanleg van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM kan worden gesproken. Dat kan zich in het bijzonder voordoen, indien - zoals in het onderhavige geval - die aanvangsdatum is bepaald op het moment dat in een vroeg stadium van het strafrechtelijk onderzoek beslag is gelegd op de voet van art. 94a, Sv.

Ten aanzien van de vraag welke termijn - te rekenen tot aan de uitspraak in eerste aanleg - in die omstandigheden nog als redelijk kan worden aangemerkt, kan bezwaarlijk een algemene regel worden gegeven. De beantwoording van die vraag is sterk afhankelijk van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval."

9. Het tweede middel vecht het oordeel van het Hof aan dat, nu ten aanzien van de periode van 25 oktober 1995 tot 13 november 2002 matiging is toegepast in de hoofdzaak, in de ontnemingszaak voor die periode met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is geschonden kan worden volstaan. Dat oordeel getuigt, mede in het licht van de hiervoor onder 8 weergegeven overweging van de Hoge Raad, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Aangezien voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel een veroordeling is vereist, kan het niet anders dan dat in gevallen als de onderhavige, waarin de ontnemingsprocedure al in een vroeg stadium door het instellen van een SFO een aanvang heeft genomen, vertragingen in de afhandeling van de hoofdzaak in eerste aanleg, doorwerken in de duur van de ontnemingsprocedure. Beide procedures liepen zoals het Hof overwoog in de genoemde periode parallel, al was het probleem misschien dat de procedures meer stillagen dan liepen. In elk geval tikte de klok in beide procedures simultaan verder. Dat was, merk ik nog op, niet anders geweest als de ontnemingsvordering gelijktijdig met de hoofdzaak was behandeld. Ook dan zouden vertragingen in de afhandeling van de hoofdzaak onmiddellijk hebben doorgewerkt in de ontnemingsprocedure (en andersom). Het oordeel van het Hof dat de opgetreden vertraging in dergelijke gevallen niet dubbel behoeft te worden gecompenseerd, komt mij in zijn algemeenheid juist voor.2 Misschien zijn er bijzondere omstandigheden denkbaar op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de in de hoofdzaak toegepaste strafkorting geen adequate compensatie biedt voor de parallelle vertraging in de ontnemingsprocedure. Dergelijke omstandigheden evenwel zijn niet aangevoerd.

10. Het eerste middel komt op tegen de verwerping van het preliminaire beroep op niet-ontvankelijkheid. In NJ 2001, 307 m.nt. JdH is door de Hoge Raad voorop gesteld dat indien er sprake is van schending van de redelijke termijn dit slechts in uitzonderlijke gevallen leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in ontnemingszaken niet snel sprake.3 Regel is dat de overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag. Het kennelijke oordeel van het Hof, dat bij afweging enerzijds van het belang dat de gemeenschap ook na het tijdsverloop behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvordering, het eerste moet prevaleren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het Hof niet gehouden. In de toelichting op de middelen wordt weliswaar geweldig getamboereerd op de "ongekend" lange duur van de ontnemingsprocedure in eerste aanleg, maar dat geroffel klinkt toch wat hol als bedacht wordt dat die lange duur is veroorzaakt door de afhandeling van de hoofdzaak en de daarin opgetreden vertragingen. Daarbij merk ik op dat de zaak door het Hof is teruggewezen naar de Rechtbank die het Openbaar Ministerie in eerste instantie niet-ontvankelijk had verklaard in de vervolging wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat is gewacht met het aanbrengen van de vordering tot ontneming tot het moment dat de strafzaak met een veroordeling was afgerond, is daarbij, mede gelet op de omvang en de ingewikkeldheid van de zaak, alleszins verdedigbaar.

11. De eerste twee middelen falen.

12. Het derde middel klaagt dat het Hof verzuimd heeft te beslissen op een verzoek tot het verrichten van nader onderzoek.

13. De aan het proces-verbaal gehechte pleitnota houdt omtrent het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:

"Mocht Uw Hof van mening zijn dat deze vordering (deels) wel voor toewijzing in aanmerking komt dan verzoekt [betrokkene] u de zaak aan te houden teneinde onderzoek te doen verrichten naar de vraag waar de gedebiteerde geldbedragen uiteindelijk daadwerkelijk zijn terechtgekomen ten behoeve waarvan deze zijn aangewend, meer specifiek dus de vraag welk bedrag daadwerkelijk door [betrokkene] is toegeëigend en daadwerkelijk als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt."

14. Voorafgaand aan het verzoek heeft de raadsman, blijkens de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, verweer gevoerd ten aanzien van de verschillende onderdelen van de vordering, uitmondend in de conclusie (nr. 29 van de pleitnota) dat "niet gesteld kan worden dat een hoeveelheid geld zoals vastgesteld door de rechtbank daadwerkelijk aan hemzelf ten goede is gekomen, nu uit het overzicht duidelijk kan blijken dat het overgrote deel van het geld dat op zijn rekening heeft gestaan, is aangewend ten behoeve van derden c.q. ten behoeve van de door [betrokkene] verrichte activiteiten in het kader van het [A] Project, althans het onderzoek op dat punt onvoldoende helderheid biedt". Het Hof heeft in zijn arrest overwogen dat de veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen voordeel heeft gekregen en dat dit afdoende uit de bewijsmiddelen blijkt. In een nadere bewijsoverweging is het Hof ingegaan op de stellingen van de raadsman. Daarbij heeft het Hof vooropgesteld dat voor de vaststelling of een natuurlijk persoon wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit het handelen van een rechtspersoon het volstaat vast te stellen dat die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon, dat hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken en dat het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend, waarbij het Hof heeft verwezen naar een tweetal uitspraken van de Hoge Raad. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld ten aanzien van de verschillende onderdelen van de vordering dat het voordeel de veroordeelde kan worden toegerekend.

15. Het Hof heeft de woorden van de raadsman zoals hiervoor weergegeven onder 9 kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk verzoek in de zin van art. 328 juncto 315 Sv, daar een expliciete reactie naar aanleiding van het hiervoor weergegeven geciteerde ontbreekt. Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt - voorzover het een verzoek betreft dat strekt tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het nog (doen) horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling. Aan die maatstaf voldoet het verzoek mijns inziens niet. Zo is niet aangegeven welke getuigen of getuige-deskundigen (nader) zouden moeten worden gehoord of welke onderzoekshandelingen nog zouden moeten worden verricht. Het verzoek kan dus niet gelden als een verzoek in de zin van art. 330 Sv, zodat het Hof niet gehouden was op het verzoek een (uitdrukkelijke) beslissing te geven (vgl. HR 23 november 1999, NJ 2000,128).

16. Ook het derde middel faalt.

17. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR 20 juni 2006, LJN AW0254.

2 Het gaat misschien net te ver om te zeggen dat, nu over de vertraging al in de hoofdzaak is geoordeeld, het beroep op die vertraging niet de ontnemingsvordering betreft. Vgl. o.m. HR 13 juni 2006, NJ 2006, 370.

3 Zie bijv. HR 5 december 2006, LJN AY9179, waarin de Hoge Raad de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het Hof vernietigde in een geval waarin de behandeling in hoger beroep 5 jaar en 10 maanden had geduurd en het aan de volhardende opstelling van de raadsman was te danken dat de zaak van de plank werd gehaald waar die lag te verstoffen. Zie daarnaast HR 15 juni 2004, LJN AO8364, waarin de AG Vellinga een periode van inactiviteit dan wel inadequate activiteit van bijna vijf jaar in hoger beroep constateerde en het middel wilde laten slagen, doch waarin de Hoge Raad ook geen uitzonderlijk geval zag.