Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4664

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
29-06-2007
Zaaknummer
R06/046HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2638
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4664
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bescherming persoonsgegevens. Vordering op de voet van art. 46 lid 1 Wbp tot bevel aan bank inzage te verlenen in en afschriften te verstrekken van alle op een voormalige cliënt betrekking hebbende persoonsgegevens en volledige informatie te verstrekken over hun herkomst en het doel van de verwerking van deze gegevens door de bank. Ruime uitleg art. 35 Wbp, verplichting bank kopieën bescheiden en transcripties van telefoongesprekken te verstrekken; misbruik van bevoegdheid?; doorkruising van art. 843a Rv.?; richtlijnconforme interpretatie; rechtsstrijd van partijen in hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 35
Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 46
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 475
RvdW 2007, 641
NJB 2007, 1593
JWB 2007/245
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/046HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 30 november 2006

Conclusie inzake:

Dexia Bank Nederland NV

(hierna: Dexia)

tegen

[Verweerder]

Inhoudsopgave

1. Inleiding (nrs. 1.1-1.3)

2. Feiten (nrs. 2.1 t/m 2.6)

3. Procesverloop (nrs. 3.1 t/m 3.13)

4. Enige inleidende beschouwingen

A. Wet bescherming persoonsgegevens (nrs. 4.2-4.6)

B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp (nrs. 4.7-4.11.3)

C. Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen (nrs. 4.12-4.18)

D. Buitenlandse wetgeving (nrs. 4.19-4.24)

E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp (nrs. 4.25-4.26)

F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens (nr. 4.27)

G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken (nrs. 4.28-4.36)

H. Literatuur inzake inzageverzoeken (nrs. 4.37-4.39)

5. Bespreking van het middel

Algemeen (nr. 5.1)

Onderdeel 1(verwijzing) (nr. 5.2)

Onderdeel 2 (nrs. 5.3-5.13)

Onderdeel 3 (nrs. 5.14-5.21)

Onderdeel 4 (nrs. 5.22-5.26)

Onderdeel 5 (nrs. 5.27-5.30)

Onderdeel 6 (nrs. 5.31-5.33)

Onderdeel 1 (nrs. 5.34-5.38)

6. Conclusie

1. Inleiding

1.1. De onderhavige zaak speelt zich af tegen de volgende achtergrond.

'Een jaar of zes, zeven geleden bood de [rechtsvoorgangster van] Dexia allerlei beleggingsproducten aan, aangeprezen als "winstverdubbelaars" en later zelfs "winstverdriedubbelaars". Deze producten betroffen constructies waarbij consumenten geld van de bank leenden die daarmee vervolgens aandelen voor hen kocht. In de eerste jaren na de introductie van dit beleggingsproduct waren de winsten aanzienlijk, en het product werd dan ook erg populair. Maar in 2000 en 2001 ging het mis. De aandelenmarkten zakten in en de vele tienduizenden deelnemers leden grote verliezen. Velen ontdekten dat ze in plaats van een winstuitkering te ontvangen, een hoge schuld bij de bank hadden opgebouwd. Veel van deze gedupeerden hadden zich niet gerealiseerd welke risico's er waren en meenden dat Dexia meer en betere informatie daarover had moeten geven.'(1)

Hierop is een groot aantal rechtszaken gevolgd.(2) Een aantal daarvan betreft de door betrokkenen op basis van art. 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) gevraagde kennisneming van hen betreffende persoonsgegevens en de reacties van Dexia daarop.

1.2. Zo ook de onderhavige zaak: [verweerder] heeft Dexia verzocht hem een overzicht in de zin van art. 35 (lid 2) Wbp toe te zenden alsmede kopieën van een aantal in zijn dossier verwerkte gegevens. In cassatie is aan de orde wat onder 'persoonsgegeven' en 'bestand' moet worden verstaan: begrippen die (blijkens art. 1 en 2 Wbp) de reikwijdte van de Wbp bepalen. Een ander omstreden begrip is 'volledig overzicht' in art. 35 Wbp. Voorts komt art. 43 sub e Wbp aan de orde. Dit is de bepaling waarop Dexia een van haar verweren - dat het kennisnemingsverzoek tot onevenredige lasten leidt - heeft gebaseerd. Aan de orde komen voorts de vraag of Dexia zich kan beroepen op misbruik van recht bij een verzoek van art. 35 Wbp, en de verhouding van die bepaling tot art. 843a Rv.

1.3. Deze zaak(3), en een andere waarin ik heden eveneens concludeer (nr. R6/045HR), zijn de eerste 'Dexia-zaken' (betreffende de kennisnemingsaanspraken ex art. 35 Wbp) die aan Uw Raad worden voorgelegd.

2. Feiten(4)

2.1. Op 15 maart 2001 hebben [verweerder] en [betrokkene 1] met de rechtsvoorgangster van Dexia, Bank Labouchère NV, een effectenlease-overeenkomst gesloten genaamd Capital Effect Vooruitbetaling 20 jaar.

2.2. Bij brief aan Dexia van 30 december 2003 heeft mr. Timmermans, advocaat van [verweerder] en [betrokkene 1], namens hen primair de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen wegens dwaling en subsidiair de ontbinding van de overeenkomst wegens een toerekenbare tekortkoming van Dexia. Dexia heeft dit niet aanvaard.

2.3. Op 13 september 2004 heeft TROS Radar op haar website het volgende bericht geplaatst:

'Het College Bescherming Persoonsgegevens heeft vorige week bepaald dat klanten van Dexia een volledige inzage moeten krijgen in hun persoonlijke dossier. Dat betekent dat klanten een kopie van hun contract moeten kunnen krijgen en zelfs een schriftelijke uitwerking van gesprekken kunnen opvragen. Met deze informatie in de hand staat u een stuk sterker in uw zaak tegen Dexia. U weet nu bijvoorbeeld of je als getrouwd paar allebei het contract hebt getekend. U kunt er ook achterkomen hoe Dexia uw financiële situatie en beleggerervaring heeft ingeschat. Het opvragen van uw gegevens is een aanrader voor iedereen die een effectenleasecontract bij Dexia heeft of heeft gehad.'

Tevens is op de website van TROS Radar een voorbeeldbrief geplaatst waarmee cliënten van Dexia een verzoek ex artikel 35 Wbp kunnen doen.

2.4. Naar aanleiding daarvan heeft [verweerder] op 14 september 2004 een brief naar Dexia gestuurd, waarbij hij gebruik heeft gemaakt van genoemde voorbeeldbrief. In de brief verzoekt [verweerder] Dexia om hem mede te delen of Dexia zijn persoonsgegevens verwerkt, en zo ja, hem daarvan een volledig overzicht te geven. [verweerder] heeft aangegeven dat hij in elk geval doelt op de volgende gegevens:

- een kopie van de overeenkomst;

- het risicoprofiel;

- de aankoopbewijzen van de in de overeenkomst genoemde aandelen;

- de afschriften van dividenduitkeringen;

- de inventarisatie van zijn kredietwaardigheid;

- een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken;

- alle overige documenten die op [verweerder] van toepassing zijn.

Daarnaast heeft [verweerder] Dexia verzocht om hem in te lichten over het doel van de verwerking(en), de ontvangers van de gegevens en de herkomst van de gegevens.

2.5. Bij brief van 20 oktober 2004 heeft Dexia het verzoek van [verweerder] afgewezen met een beroep op artikel 43 sub e Wbp.

2.6. Vervolgens heeft [verweerder] het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP) bij brief van 2 november 2004 verzocht om te bemiddelen in zijn geschil met Dexia over zijn persoonsgegevens. Bij brief van 10 november 2004 heeft het CBP [verweerder] echter medegedeeld dat zij de behandeling van zijn zaak had beëindigd, omdat bemiddeling niet zinvol was vanwege een eerder door Dexia ingenomen standpunt.

3. Procesverloop

3.1. Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 30 november 2004, heeft [verweerder] de rechtbank te Roermond op de voet van artikel 46 lid 1 Wbp verzocht om Dexia te bevelen om zijn verzoek ex artikel 35 Wbp alsnog toe te wijzen.

3.2. Dexia voerde gemotiveerd verweer.

3.3. Ter zitting van de rechtbank van 16 februari 2005 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

3.4. Bij beschikking d.d. 30 maart 2005 heeft de rechtbank - kort samengevat(5) - Dexia bevolen om aan [verweerder] een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp te verstrekken, zulks met inachtneming van hetgeen de rechtbank hieromtrent overigens in haar beschikking heeft overwogen. Daarbij verdient opmerking dat Dexia volgens de rechtbank niet alle gegevens hoeft te verstrekken waarom [verweerder] heeft verzocht in zijn brief aan Dexia van 14 september 2004. Zo oordeelde de rechtbank dat in het recht op informatie als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet het recht op kopieën besloten ligt, zodat [verweerder] volgens haar bijvoorbeeld geen recht heeft op een kopie van de overeenkomst en evenmin op de verzochte afschriften van dividendenuitkeringen.(6) Ten aanzien van de verzochte aankoopbewijzen van aandelen en ten aanzien van de schriftelijke uitwerking van de opgenomen telefoongesprekken oordeelde de rechtbank dat de bandopnamen buiten het bereik vallen van de Wbp, omdat zij geen persoonsgegevens in de zin van art. 1, aanhef en onder a Wbp vormen, resp. geen bestand vormen in de zin van art. 2 lid 1 Wbp.(7)

3.5. Dexia is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij beroepschrift heeft Dexia vijf grieven aangevoerd en het hof verzocht om, uitvoerbaar bij voorraad:

- de beschikking waarvan beroep te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek althans dit verzoek af te wijzen;

- [verweerder] te veroordelen tot terugbetaling aan Dexia van al hetgeen door Dexia op grond van de bestreden beschikking is betaald of door [verweerder] zal zijn verhaald, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door de Bank, althans vanaf de dag van het verhaal door [verweerder] tot aan de dag der terugbetaling;(8)

- [verweerder] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3.6. Desverzocht heeft de voorzitter van de behandelend kamer van het hof beslist dat [verweerder] ook in hoger beroep zonder advocaat of procureur kan procederen, zulks onder verwijzing naar HR 22 november 2002, NJ 2003, 229.

3.7. Desgevraagd heeft het CBP aan het hof medegedeeld dat zij in de onderhavige zaak niet als belanghebbende wil worden aangemerkt. Het CBP heeft te kennen gegeven dat zij wel als deskundige wilde optreden. Het hof had - blijkens rov. 2.4 van de bestreden beschikking - er echter geen behoefte aan om nader advies in te winnen bij het CBP.

3.8. [Verweerder] voerde gemotiveerd verweer en concludeerde kennelijk tot afwijzing van Dexia's beroep.(9)

3.9. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 november 2005. Hoewel daartoe uitgenodigd door het hof, is het CBP ter zitting niet als toehoorder verschenen.

Bij brief, ingekomen ter griffie van het hof op 17 november 2005, heeft [verweerder] het hof nog verzocht om Dexia te veroordelen in de proceskosten.

3.10. Het hof heeft bij beschikking van 16 januari 2006, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen:

'4.5. De grieven 2 en 3 komen er op neer dat de rechtbank de verweren van Dexia te beperkt heeft uitgelegd en heeft miskend dat Dexia, los van de gronden zoals genoemd in artikel 43 Wbp, ook mag weigeren te voldoen aan het verzoek van [verweerder] indien hij geen belang heeft bij zijn verzoek of indien hij misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Deze grieven berusten echter op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking althans zij missen feitelijke grondslag, zodat deze grieven falen. Hetzelfde geldt voor grief 1 voor zover deze grief is gegrond op de stelling dat de rechtbank niet onder ogen heeft gezien dat [verweerder] misbruik kan maken van zijn bevoegdheid ex artikel 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (vgl. r.o. 4.3.4.3 van de beschikking waarvan beroep).

4.6.1. Met de grieven 1 en 4 betoogt Dexia (voorts) dat [verweerder] misbruik maakt van zijn bevoegdheid ex artikel 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk om zijn processuele positie te verbeteren ten nadele van Dexia. Verder stelt Dexia dat [verweerder] ten doel heeft om Dexia te schaden, hetgeen eveneens misbruik van recht oplevert. Volgens Dexia mag zij daarom weigeren te voldoen aan het verzoek van [verweerder]. Hieromtrent over weegt het hof als volgt.

4.6.2. Naar het oordeel van het hof kan een betrokkene zijn bevoegdheid uit artikel 35 Wbp misbruiken waardoor deze bevoegdheid niet kan worden ingeroepen (artikel 3:15 BW jo. 3:13 BW). Of sprake is van misbruik van recht, zal aan de hand van de concrete omstandigheden moeten worden beoordeeld. Daarbij geldt dat het aan Dexia is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen, en zonodig aan te tonen, waaruit kan volgen dat sprake is van misbruik van recht. Hetgeen Dexia stelt is ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen.

4.6.3. Het hof neemt hierbij in overweging dat het doel van artikel 35 Wbp is om de betrokkene (in casu: [verweerder]) in de gelegenheid te stellen om na te gaan of en zo ja welke hem betreffende persoonsgegevens door de verantwoordelijke (in casu: Dexia) worden verwerkt, en of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van de verantwoordelijke juist is, voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is en of de verantwoordelijke zijn persoonsgegevens in overeenstemming met wettelijke voorschriften verwerkt. Dienaangaande is van belang dat [verweerder] kennelijk wil nagaan welke persoonsgegevens Dexia heeft verwerkt en of deze verwerking correct is, en hij heeft ter zake zelfs een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt met het risico van een proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt het verzoek van [verweerder] dan ook als een serieus verzoek dat in overeenstemming is met het doel van artikel 35 Wbp. De enkele omstandigheid dat [verweerder] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in een eventuele civiele procedure tegen Dexia of tegen de tussenpersoon van [verweerder], is daarbij naar 's hofs oordeel ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. Dit kan anders zijn indien dat andere doel onrechtmatig is, maar dat heeft Dexia niet gesteld. Dexia stelt wel dat zij processuele schade zal lijden, maar, zoal sprake zou kunnen zijn van schade, is dat rechtmatige schade. Ook het enkele feit dat sprake is van een conflictsituatie tussen partijen staat er niet aan in de weg dat [verweerder] gebruik maakt van zijn rechten uit de Wbp, en levert op zichzelf genomen geen misbruik van recht op. Tenslotte is het hof van oordeel dat het verzoek van [verweerder] ex artikel 35 Wbp geen doorkruising oplevert van artikel 843a Rv. Beide procedures kunnen naast elkaar lopen in die zin dat (de mogelijkheid van) toepassing van de procedure van artikel 843a Rv niet aan toepassing van die van artikel 35 Wbp in de weg kan staan, noch de toepassing van laatstgenoemde procedure op enigerlei wijze kan belemmeren of inkorten. Daarbij is niet van belang dat voor een verzoek ex artikel 35 Wbp niet dezelfde eisen gelden als voor een vordering ex artikel 843a Rv en dat Dexia niet op gelijke voet gegevens kan opvragen bij [verweerder], omdat dit nu eenmaal een gevolg is van de wettelijke regeling zoals neergelegd in de Wbp, en van de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995, waarbij alleen aan de betrokkene een onvoorwaardelijk recht op kennisneming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens is verleend.

Voorts heeft Dexia niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] zijn verzoek met geen ander doel heeft gedaan dan om Dexia financiële schade toe te brengen en haar bedrijfsvoering te frustreren, zodat op deze grond evenmin misbruik van recht kan worden aangenomen. Anders dan Dexia heeft gesteld, volgt het tegendeel niet uit het enkele feit dat [verweerder], net als vele anderen, gebruik heeft gemaakt van een voorbeeldbrief van TROS Radar, temeer daar uit de op de website van TROS Radar gegeven toelichting op deze brief geenszins blijkt dat het de bedoeling is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering. Bovendien acht het hof het bepaald niet onaannemelijk dat een betrokkene zoals [verweerder], die niet juridisch geschoold is, eerst een schriftelijk verzoek ex artikel 35 Wbp doet nadat hem daartoe een voorbeeldbrief is aangereikt.

4.7.1. Met grief 1 stelt Dexia verder de vraag aan de orde of [verweerder] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, aangezien het belang van een betrokkene bij een zodanig verzoek wordt voorondersteld door de Europese en Nederlandse wetgever. Genoemde Europese Richtlijn en de Wbp geven aan een ieder het recht om zich vrijelijk tot de verantwoordelijke te wenden zonder dat de betrokkene zijn verzoek tot kennisneming van de verwerking van zijn persoonsgegevens behoeft te motiveren, terwijl niet gezegd kan worden dat [verweerder] op dit belang geen beroep zou kunnen doen. Bovendien volgt ook uit het voorgaande dat [verweerder] een rechtens te respecteren belang heeft bij zijn verzoek, omdat hij aldus wil nagaan welke persoonsgegevens Dexia heeft verwerkt en of die verwerking correct is. Ook in zoverre faalt grief 1 dus.

4.7.2. Aan het belang van [verweerder] doet geen afbreuk dat hij reeds bekend is met de inhoud van de overeenkomst en van de tussen partijen gevoerde correspondentie en telefoongesprekken. De ratio van artikel 35 Wbp is immers dat [verweerder] moet kunnen controleren of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van Dexia juist, volledig, relevant en rechtmatig is, zodat [verweerder] in staat is om zonodig zijn correctierecht ingevolge artikel 36 Wbp uit te oefenen.

4.7.3. Het hof is voorts van oordeel dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten ligt alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken, behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden. Zulks sluit aan bij de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen, alsmede bij het op de Wbp gebaseerde Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305), welk besluit uitgaat van het verstrekken van kopieën en afschriften aan de betrokkene in het kader van de honorering van een verzoek ex artikel 35 Wbp.

Het feit dat Dexia kosten moet maken om aan [verweerder] kopieën en transcripties te kunnen verstrekken, en het feit dat er enige tijd gemoeid is met het traceren van de telefoongesprekken met [verweerder], leveren naar 's hofs oordeel geen bijzondere omstandigheden op als hier bedoeld, met name niet nu genoemd besluit erin voorziet dat Dexia de daaraan verbonden (forfaitaire) kosten in rekening kan brengen bij [verweerder].

Dit een en ander geldt naar 's hofs oordeel temeer nu het heden ten dage in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om een betrokkene desgewenst (tegen betaling) inzage in zijn persoonsgegevens te verschaffen door middel van kopieën en transcripties, terwijl niet gebleken is dat Dexia een rechtens te respecteren belang heeft om deze stukken niet te verstrekken aan [verweerder].

4.7.4. Nu als uitgangspunt heeft te gelden dat in artikel 35 Wbp het recht op kopieën en transcripties besloten ligt, wordt het belang van [verweerder] ook hierbij voorondersteld.

4.7.5. Het hof is van oordeel dat [verweerder] er juist belang bij heeft dat Dexia hem kopieën en transcripties verstrekt, omdat hij daarmee de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens door Dexia kan controleren. Verder moet [verweerder] in staat zijn om Dexia om correctie of verwijdering van zijn persoonsgegevens te verzoeken, en om in een eventuele procedure hierover ex artikel 46 lid 1 Wbp jo. 36 Wbp aan de hand van de betreffende kopieën en transcripties te bewijzen dat sprake is van een onjuiste, onvolledige, niet relevante of onrechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens. Ook gelet op deze bewijsfunctie heeft [verweerder] belang bij kopieën en transcripties.

4.7.6. Wat betreft de transcripties van opgenomen telefoongesprekken neemt het hof nog in ogenschouw dat de advocaat van Dexia tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aan het hof heeft medegedeeld dat Dexia de bandopnamen van de telefoongesprekken bewaart met het oog op haar procespositie in eventuele civiele procedures tegen haar cliënten. Zodanig belang is dan wederzijds. Deze bewijsfunctie staat er niet aan in de weg dat [verweerder] er belang bij heeft dat Dexia aan hem transcripties verstrekt met het in de artikelen 35 en 36 Wbp voorziene doel. In dit verband merkt het hof - ten overvloede - nog op dat gezien het feit dat partijen wellicht nog met elkaar verwikkeld zullen raken in een civiele procedure, het beginsel van equality of arms meebrengt dat het Dexia niet is toegestaan om de opgenomen telefoongesprekken met [verweerder] te verwijderen, zulks in afwijking van de bindende adviezen van de Geschillencommissie Bankzaken in een aantal andere zaken waarbij Dexia is bevolen om bepaalde telefoongesprekken te wissen (zie de bindende adviezen van 4 februari 2005 zoals genoemd in alinea nr. 44 van het verweerschrift van [verweerder]).

4.7.7. Overigens verwerpt het hof bij het voorgaande het verweer van Dexia dat zij niet inziet hoe [verweerder] een bandopname van een telefoongesprek op de voet van artikel 36 Wbp zou kunnen laten verbeteren of aanvullen zonder dat de inhoud van het telefoongesprek geweld wordt aangedaan. Volgens Dexia zou zij daarom kunnen volstaan met de mededeling aan [verweerder] dat zij de met hem gevoerde telefoongesprekken heeft opgenomen. Dexia gaat er hiermee echter aan voorbij dat zo'n mededeling geen enkel inzicht geeft in wat er tijdens die telefoongesprekken is besproken en dat [verweerder] recht heeft om te weten (en te controleren) wat Dexia van hem bewaart, welk recht tekort wordt gedaan indien de inhoud van die gesprekken niet behoeft te worden kenbaar gemaakt. In dit controlerecht ligt bovendien voldoende belang voor [verweerder] om een transcriptie te verlangen.

4.7.8. Gelet op het bovenstaande faalt grief 1 in al haar onderdelen.

4.8.1. Met grief 4 klaagt Dexia er verder over dat de rechtbank het verweer van Dexia heeft verworpen dat zij op grond van artikel 43 sub e Wbp geen gevolg hoeft te geven aan het verzoek van [verweerder], omdat zulks noodzakelijk is in het belang van de bescherming van haar rechten en vrijheden. Dexia voert daartoe aan dat zij zich reeds nu geconfronteerd ziet met meer dan 3800 verzoeken ex artikel 35 Wbp, en dat de honorering van al die verzoeken hoge administratieve lasten meebrengt, een onevenredige inspanning van haar vergt en de bedrijfsvoering van Dexia frustreert. Volgens Dexia kan daarom niet van haar worden verwacht dat zij al deze verzoeken inwilligt. Zulks geldt volgens Dexia met name voor het verzoek van [verweerder], nu het hier gaat om een gestandaardiseerd verzoek dat een rechtstreeks gevolg is van de oproep van TROS Radar, welke oproep ertoe strekt om Dexia op collectieve wijze te schaden.

4.8.2. Deze stellingen van Dexia snijden echter geen hout, omdat deze er aan voorbij zien dat het verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld als een individueel verzoek, terwijl niet gebleken is - zie r.o. 4.6.3 - dat de bedoeling van de oproep van TROS Radar is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering, en evenmin dat [verweerder] die bedoeling heeft.

4.8.3. Waar het om gaat is of door de inwilliging van het enkele verzoek van [verweerder] de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat Dexia in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast Daarbij geldt dat Dexia per persoonsgegeven en per document aannemelijk zal moeten maken dat dit het geval is, aangezien artikel 43 Wbp slechts de mogelijkheid biedt om artikel 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de in artikel 43 Wbp genoemde gronden.

Dexia heeft echter gesteld noch aannemelijk gemaakt dat honorering van (onder delen van) het verzoek van [verweerder] tot zodanige disproportionele administratieve lasten leidt, temeer daar Dexia in eerste aanleg in alinea nr. 18 van haar verweerschrift zelf heeft gesteld dat er op zichzelf geen enkel beletsel is om aan het verzoek van [verweerder] te voldoen. In ieder geval verwerpt het hof hierbij het verweer van Dexia dat het verzoek van [verweerder] onvoldoende gespecificeerd is, omdat het tegendeel het geval is, met name nu [verweerder] specifiek heeft aangegeven op welke persoonsgegevens zijn verzoek in elk geval ziet. In het licht daarvan had het op de weg van Dexia gelegen om aan te geven in hoeverre [verweerder] zijn verzoek nader had moeten specificeren en waarom de beantwoording van het verzoek in zijn huidige vorm een onevenredige inspanning van Dexia zou vergen, maar zij heeft zulks nagelaten. Mitsdien gaat het beroep van Dexia op artikel 43 sub e Wbp niet op.

4.8.4. Gelet op het voorgaande faalt grief 4 in al haar onderdelen.

4.9.1. Nu het beroep van Dexia op misbruik van recht en artikel 43 sub e Wbp niet opgaat en [verweerder] voldoende belang heeft bij zijn verzoek ex artikel 35 Wbp, dient Dexia aan [verweerder] een volledig overzicht in begrijpelijke vorm te verstrekken van de hem betreffende persoonsgegevens die Dexia heeft verwerkt, met een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Het hof merkt daarbij opdat (zoals de rechtbank terecht en onbestreden heeft overwogen) niet relevant is of op Dexia al dan niet een verplichting rustte om bepaalde persoonsgegevens te verwerken; indien Dexia persoonsgegevens van [verweerder] verwerkt, dan moet zij daarvan melding maken in het overzicht.

4.9.2. Uit de eis dat het overzicht volledig en begrijpelijk moet zijn volgt dat het overzicht voldoende concreet moet zijn om de betrokkene in staat te stellen om zijn recht tot correctie en verwijdering te effectueren, ook bij de ontvangers van de gegevens. Bijgevolg kan in het algemeen niet worden volstaan met een samenvatting van de persoonsgegevens, omdat dan een belangrijk deel van de informatiewaarde verloren kan gaan. De precieze context waarin de persoonsgegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van de gegevens die over hem worden verwerkt. Gelet daarop is het hof van oordeel dat, om het overzicht begrijpelijk te doen zijn en om effectief gebruik te kunnen maken van het recht tot correctie en verwijdering, Dexia moet aangeven welke persoonsgegevens zijn opgenomen in het papieren dossier van [verweerder], en welke in een eventueel elektronisch dossier. Mochten er persoonsgegevens op andere wijze zijn opgeslagen (bijv. op een geluidsband of microfilm) dan dient Dexia ook daarvan melding te maken.

4.10.1. Vervolgens komt de vraag aan de orde wat dit overzicht meer concreet moet inhouden, mede gezien in het licht van het verzoek van [verweerder]. Te dien aanzien overweegt het hof het volgende.

4.10.2. Dexia zal [verweerder] kopieën moeten geven van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen, aangezien het recht op kennisneming blijkens het voorgaande ook hierop ziet. Dat geldt ook voor de door [verweerder] verzochte kopie van de effectenlease-overeenkomst.

4.10.3. Wat betreft de door [verweerder] verzochte aankoopbewijzen van de in de overeenkomst genoemde aandelen (hierna: effectennota's) geldt dat Dexia deze niet hoeft te verstrekken aan [verweerder], omdat het hof aannemelijk acht - zoals Dexia onweersproken heeft gesteld - dat Dexia deze aandelen tezamen met andere aandelen, op eigen naam, gebundeld heeft aangekocht voor meerdere cliënten. Daardoor bevatten de effectennota's geen persoonsgegevens van [verweerder] en vallen deze dus buiten de werking van de Wbp.

Indien Dexia persoonsgegevens van [verweerder] zou hebben verwerkt in verband met de aan- en verkoop van de aandelen, dan dient zij dat wel te vermelden op het overzicht ex artikel 35 lid 2 Wbp.

4.10.4. Ten aanzien van de door [verweerder] verzochte afschriften van dividenduitkeringen gaat het hof er vooralsnog van uit dat, nu Dexia de aandelen steeds op eigen naam heeft aangekocht, zij de dividenden ook steeds op eigen naam zal hebben geïncasseerd. Voor zover Dexia dividenduitkeringen op naam van [verweerder] mocht hebben geadministreerd, dient zij daarvan wel mededeling te doen aan [verweerder].

4.10.5. Daarnaast dient Dexia aan [verweerder] transcripties van opgenomen telefoongesprekken te verstrekken, aangezien hij, zoals overwogen, ook hier recht op heeft. Daarbij verwerpt het hof het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de telefoongesprekken geen bestand in de zin van artikel 1 sub c Wbp vormen en ook niet bestemd zijn om te worden opgenomen in een bestand, zodat deze bandopnamen op grond van artikel 2 lid 1 Wbp buiten het bereik van de Wbp zouden vallen. Dexia stelt wel dat deze banden niet gestructureerd en niet gemakkelijk toegankelijk zouden zijn, maar daar staat tegenover dat zij de banden desondanks bewaart met het oog op haar procespositie en deze dus als bewijs kan gebruiken tegen haar cliënten. Het hof gaat er daarom, anders dan de rechtbank, van uit dat de banden een ontsluiting hebben waardoor deze volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn.

4.10.6. Verder dient Dexia aan te geven of zij een risicoprofiel c.q. cliëntenprofiel van [verweerder] heeft gemaakt, doordat zij bij [verweerder] informatie heeft ingewonnen over zijn financiële positie, zijn ervaring met beleggingen in financiële instrumenten en zijn beleggingsdoelstellingen. Indien dat het geval is, dan dient Dexia aan [verweerder] een afschrift van dit profiel te verstrekken. Tevens moet Dexia aan [verweerder] meedelen of zij een inventarisatie heeft gemaakt van zijn kredietwaardigheid, en zo ja, dan moet Dexia ook daarvan een afschrift aan [verweerder] verstrekken.

4.10.7. In het bijzonder moet Dexia ingaan op de vraag of een toetsing bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) heeft plaatsgevonden en of daarvan nog een aantekening zit in het persoonlijk dossier van [verweerder]. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat Dexia [verweerder] op dit punt niet kan doorverwijzen naar het BKR, aangezien het hier gaat om persoonsgegevens die door Dexia zijn verwerkt en die slechts afkomstig zijn van het BKR. Voor zover Dexia met grief 5 een andersluidend standpunt heeft ingenomen, faalt deze grief.

4.10.8. Voorts is het hof van oordeel dat Dexia niet aan haar informatieplicht jegens [verweerder] zou voldoen indien zij slechts een omschrijving zou geven van de mogelijke doeleinden van de gegevenswerking, categorieën van gegevens, (categorieën van) gegevensontvangers en herkomst van de gegevens. Dexia zal telkens concreet moeten aangeven van welke doelen, categorieën van gegevens, (categorieën van) gegevensontvangers en bronnen van gegevens sprake is in het geval van [verweerder].

Hierbij wordt aangetekend dat het hof het standpunt van Dexia deelt dat uit artikel 35 lid 2Wbp volgt dat Dexia met betrekking tot de ontvangers van persoonsgegevens mag volstaan met het noemen van categorieën van gegevensontvangers. Voorts is juist de opvatting van Dexia dat zij aan [verweerder] slechts de beschikbare informatie over de herkomst van zijn persoonsgegevens hoeft te geven.

4.10.9. Teneinde (ook overigens) te kunnen beoordelen in hoeverre Dexia voldoet c.q. nog moet voldoen aan haar informatieplicht uit artikel 35 Wbp, zal het hof Dexia op grond van artikel 46 lid 6Wbp verzoeken om aan het hof de navolgende schriftelijke inlichtingen te geven en onder Dexia berustende stukken in te zenden.

4.10.10. Gelet op het verzoek van [verweerder] en hetgeen verder nog aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling, wil het hof schriftelijk de volgende informatie van Dexia ontvangen:

1) Een kopie van de originele effectenlease-overeenkomst die bij Dexia in het dossier ligt.

2) Heeft Dexia destijds een risicoprofiel c.q. cliëntenprofiel van [verweerder] gemaakt en/of een inventarisatie van zijn kredietwaardigheid? In het bevestigende geval dient Dexia afschriften te verstrekken van dit profiel en/of deze inventarisatie.

3) Zijn er aankopen van aandelen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen?

4) Zijn er dividenduitkeringen die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder]? Zo ja, wilt u daarvan afschriften overleggen?

5) Voor welk concreet doel of welke concrete doeleinden heeft Dexia de persoonsgegevens van [verweerder] verwerkt?

6) Aan welke ontvangers of categorieën van ontvangers heeft Dexia persoonsgegevens van [verweerder] verstrekt?

7) Beschikt Dexia over informatie over de herkomst van de persoonsgegevens van [verweerder]? Zo ja, wilt u deze informatie verstrekken aan het hof?

8) Kunt u uiteenzetten in hoeverre Dexia aandelen heeft geregistreerd op het contractnummer van [verweerder]?

9) Zijn er overigens nog gegevens die op de een of andere wijze zijn gekoppeld aan de naam van [verweerder], en zo ja, welke gegevens zijn dat?

10) Wilt u bij de beantwoording van alle voorgaande vragen steeds specificeren of de betreffende persoonsgegevens van [verweerder] zich bevinden in zijn papieren en/of elektronisch dossier, of dat deze gegevens (tevens) op andere wijze zijn opgeslagen door Dexia.

Volledigheidshalve merkt het hof op dat bovenstaande vragen ook zien op het geval dat de betreffende gegevens zijn verwerkt door de rechtsvoorganger(s) van Dexia, maar zich thans bevinden in het onder Dexia berustende dossier van [verweerder].

4.10.11. Het hof zal Dexia overigens niet verzoeken om in dit geding transcripties van de opgenomen telefoongesprekken over te leggen, zulks gelet op de daarmee gemoeide kosten. Indien [verweerder] deze transcripties nog steeds (tegen betaling) wil ontvangen, dan dient hij zich daartoe rechtstreeks tot Dexia te wenden. Evenmin zal het hof Dexia verzoeken om kopieën over te leggen van interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van Dexia bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, aangezien [verweerder] daarop geen recht heeft (vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003, 491 en artikel 2 lid 2 sub a Wbp). Dat wordt anders als deze notities in een bestand worden opgenomen.

Het hof merkt op dat onder bovenbedoelde interne notities niet kunnen worden begrepen notities van persoonsgegevens die Dexia bij derden heeft opgevraagd zoals bij het BKR, of notities van persoonsgegevens die Dexia heeft opgevraagd bij [verweerder] zelf, bijvoorbeeld in verband met het opstellen van zijn cliëntenprofiel. Laatstbedoelde notities vallen dus wél onder het recht op kennisneming ingevolge artikel 35 Wbp.'

3.11. Het hof heeft Dexia vervolgens verzocht om uiterlijk op 13 februari 2006 de hiervoor in rov. 4.10.10 genoemde schriftelijke inlichtingen te geven c.q. de in die overwegingen genoemde, onder Dexia berustende, stukken in te zenden, met gelijktijdige toezending van afschriften aan [verweerder]. Het hof hield iedere verdere beslissing aan.

3.12. Bij aanvullende beschikking van 9 februari 2006 heeft het hof na een daartoe strekkend verzoek van Dexia, en na schriftelijke wederhoor van [verweerder] daarover, aan Dexia verlof verleend om cassatieberoep in te stellen tegen 's hofs beschikking van 16 januari 2006.

3.13. Dexia heeft tijdig(10) tegen 's hofs beschikking beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

4. Enige inleidende beschouwingen

4.1. Het lijkt mij dienstig om eerst, onder A, aandacht te besteden aan de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), respectievelijk de (wetsgeschiedenis van de) Wbp-bepalingen die in deze zaak van belang zijn. Vervolgens ga ik onder B t/m H in op de reikwijdte en inhoud van het kennisnemingsrecht, mede aan de hand van de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) over Dexia's reacties op de verzoeken om inzage, en op de (lagere) rechtspraak en de literatuur.

A. Wet bescherming persoonsgegevens

4.2. De Wbp van 6 juli 2000(11) is de opvolger van de Wet Persoonsregistraties (WPR), die in 1989 in werking trad. Beide wetten strekken tot uitvoering van art. 10 lid 2 Grondwet ('De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens'). De nieuwe Wbp strekt mede tot uitvoering van de in 1995 totstandgekomen Richtlijn 95/46/EG(12) 'betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens'.

4.3. Zoals ook de WPR reeds deed, kent de Wbp aan natuurlijke personen een aantal in die wet omschreven rechten toe, waaronder een recht van de aard als [verweerder] in deze procedure wenst in te roepen. En zoals ook de WPR reeds deed, heeft de Wbp daartoe een afzonderlijke rechtsgang geopend, een rechtsgang die [verweerder] in deze zaak gebruikt. In de Wbp is die rechtsgang geregeld in art. 45 (voor uitoefening van die rechten tegen bestuursorganen, onder verwijzing naar de Awb) en in art. 46. Artikel 46 betreft de rechtsgang tegen niet-bestuursorganen, zoals in deze zaak aan de orde is. Een van de bijzonderheden van deze rechtsgang is gelegen in art. 46 lid 4: 'De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een procureur te geschieden'. Van die faciliteit heeft [verweerder] gebruik gemaakt. Ook in hoger beroep heeft hij - met instemming van het hof(13) - geen procureur gesteld.

4.4. Art. 2 lid 1 Wbp bepaalt (cursivering van mij, A-G):

'Deze wet is van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.'

In deze zaak is onder meer aan de orde de uitleg van het begrip 'bestand' en de vraag of bijvoorbeeld bandopnamen van telefoongesprekken of bepaalde notities van persoonsgegevens deel uitmaken van een bestand in de zin van art. 1 onder c Wbp. Het begrip 'bestand' wordt in art. 1 onder c Wbp als volgt gedefinieerd:

'Elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens, ongeacht of dit geheel van gegevens gecentraliseerd is of verspreid is op een functioneel of geografisch bepaalde wijze, dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen'.

4.5. In de MvT wordt over dit begrip het volgende opgemerkt:(14)

'Het begrip "bestand" is in het onderhavige wetsvoorstel enkel van belang als criterium voor de afbakening van de reikwijdte van het wetsvoorstel en bepaalde onderdelen daarvan. Wat betreft de niet-geautomatiseerde verwerkingen vallen alleen bestanden, en dus bijvoorbeeld niet ongestructureerde dossiers onder het toepassingsbereik van dit wetsvoorstel (artikel 2, eerste lid). Het wetsvoorstel beoogt in deze geen wijziging aan te brengen ten opzichte van hetgeen geldt onder de WPR. [...]

Een "bestand" kan zowel geautomatiseerde als niet-geautomatiseerde verwerkingen bevatten. Van een bestand is sprake als de persoonsgegevens onderdeel uitmaken van een gestructureerd geheel dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen. In overweging 27 van de richtlijn is aangegeven dat de nationale wetgeving een nadere invulling kan geven aan deze omschrijving.

Op grond van artikel 1 van de WPR is voor de vraag of er sprake is van een persoonsregistratie van belang dat het gaat om een "samenhangende verzameling". Bij handmatige verwerkingen gaat het eveneens om de vraag of de verzameling "met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd". Beide vereisten - een samenhangend geheel en systematische toegankelijkheid - zijn eveneens bepalend voor de vraag of er sprake is van een bestand in de zin van het onderhavige artikel. In de begripsomschrijving van "bestand" hebben de vereisten echter een ruimer bereik: ook de geautomatiseerde gegevensverwerkingen moeten aan beide vereisten voldoen wil er sprake zijn van een bestand. Materieel leidt dit niet tot een wijziging ten opzichte van hetgeen onder de WPR geldt. Bij geautomatiseerde verwerkingen wordt de systematische toegankelijkheid in de WPR steeds aanwezig geacht. Wat handmatige verwerkingen betreft komt die reikwijdte van het begrip "bestand" overeen met die van het begrip "persoonsregistratie" in de WPR. Hieronder zal nader worden ingegaan op beide vereisten.

1. Een (gestructureerd) geheel

Het vereiste van een samenhangend geheel komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in het woord "geheel". Het vereiste "gestructureerd geheel" of "samenhangende verzameling" houdt in dat de gegevensverwerkingen of de verzameling op grond van meer dan één kenmerk een onderlinge samenhang moet(-en) vertonen. Onderlinge samenhang kan blijken uit een gemeenschappelijke bestemming of uit het feit dat de verzameling in de praktijk als geheel worden beschouwd. De samenhang kan zitten in een vooraf aangebrachte structuur van de verzameling of in een raadpleegmethodiek die samenhang brengt in de ogenschijnlijk willekeurige gegevensverwerkingen. Daarnaast zijn, vooral bij geïntegreerde systemen, het doel of de doelen van de verwerkingen en het feitelijk gebruik van de gegevens van belang voor het antwoord op de vraag of er sprake is van één of meerdere bestanden [...].

Het criterium "gestructureerd geheel" is eveneens van belang om vast te stellen of er sprake is van één of wellicht meerdere bestanden. Alsdan is niet zozeer de fysieke verschijningsvorm als wel de logische samenhang van de verzameling van belang. Dit brengt met zich dat back-ups en schaduwbestanden niet als een afzonderlijk bestand moeten worden aangemerkt maar zijn te beschouwen als hulpmiddelen bij het voeren van het bestand ten dienste waarvan zij zijn aangelegd. Een zelfde opmerking kan worden gemaakt ten aanzien van een geheel van handmatige bestanden die op verschillende lokaties worden bijgehouden. Een bestand dat zich bevindt op verschillende lokaties kan als één bestand worden aangemerkt indien de verschillende onderdelen van het bestand logisch als één geheel kunnen worden beschouwd.

2. Systematische toegankelijkheid

Het vereiste van een systematische toegankelijkheid komt in de begripsomschrijving van "bestand" in artikel 1 van de WBP terug in de woorden "gestructureerd" geheel "dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is". Het gaat hierbij vooral om de vraag of verzamelingen een duidelijke, vooraf met het oog op raadpleging aangebrachte structuur bezitten. De methode van gegevensopslag en -verwerking is van belang. De inhoud van het bestand moet met het oog op doeltreffende raadpleging volgens bepaalde criteria aangelegd zijn. Door de systematische structuur zijn de persoonsgegevens gemakkelijk toegankelijk. Kaartsystemen en gegevensverzamelingen die in hoofdzaak bestaan uit voorbedrukte formulieren voldoen aan deze eis. Dossierverzamelingen kunnen aan de eis van systematische toegankelijkheid voldoen, bijvoorbeeld in combinatie met een al dan niet geautomatiseerd bestand met een verwijsfunctie naar de dossiers. Dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard, zullen niet voldoen aan het vereiste van systematische toegankelijkheid. De vraag of handmatige dossierverzamelingen aan deze criteria voldoen, is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

Naast bovenstaande vereisten dient tot slot - wil er sprake zijn van een bestand - het gestructureerd geheel van gegevens betrekking te hebben op verschillende personen. Deze voorwaarde werd ook in de WPR gesteld. Het advies van de Registratiekamer(15) dit vereiste te schrappen wordt niet overgenomen. De reikwijdte van het begrip bestand met het oog op dossierverzamelingen is thans in de jurisprudentie enigszins uitgekristalliseerd. Het is onwenselijk daarin nu weer wijziging te brengen.

Gegevens die op grond van de hierboven omschreven criteria niet worden geacht te zijn opgenomen in een bestand, vallen bijvoorbeeld onder de bescherming van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad). [...]'

4.6. Tot zover mijn opmerkingen over het begrip 'bestand' in verband met de nationale wetsgeschiedenis. Zoals reeds vermeld, strekt de Wbp mede tot implementatie van Richtlijn 95/46/EG. Art. 3 van de Richtlijn omschrijft de werkingssfeer. Artikel 3 lid 1 luidt:

'De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede op de niet-geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen.'

Art. 3 lid 1 van de Richtlijn en art. 2 lid 1 Wbp zijn dus (zo goed als) identiek.

Art. 2 van de Richtlijn, dat definities omvat, bepaalt onder c wat verstaan wordt onder 'bestand van persoonsgegevens':

'c. "bestand van persoonsgegevens", hierna "bestand" te noemen, elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens die volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn, ongeacht of dit geheel gecentraliseerd dan wel gedecentraliseerd is of verspreid op een functioneel of geografisch bepaalde wijze'.

Deze omschrijving is vrijwel gelijk aan die van art. 1 sub c Wbp, maar de voorwaarde dat het gestructureerde geheel van persoonsgegevens 'betrekking heeft op verschillende personen' ontbreekt. Uit de Richtlijnconsiderans blijkt echter dat dit vereiste toch met de Richtlijn in overeenstemming is.(16)

B. Inzageverzoek ex art. 35 Wbp

4.7. Aan de onderhavige procedure ging een op art. 35 Wbp gebaseerd verzoek van [verweerder] aan Dexia vooraf. Op grond van art. 35 lid 1 Wbp heeft een betrokkene (dat is degene op wie een persoonsgegeven betrekking heeft) het recht zich 'vrijelijk en met redelijke tussenpozen' tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of er hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. Als er persoonsgegevens worden verwerkt, dient de verantwoordelijke binnen vier weken de volgende gegevens te verstrekken: (i) een volledig overzicht in begrijpelijke vorm van de betrokkene betreffende persoonsgegevens; (ii) een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking; (iii) de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers alsmede (iv) de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. Dit inzagerecht ligt besloten in lid 2 van art. 35 Wbp.

4.8. Buiten kijf staat dat het inzagerecht is bedoeld om een betrokkene in staat te stellen na te gaan of hem betreffende gegevens worden verwerkt, en zo ja welke.

Hoewel begrijpelijkerwijs vaak - ook in de wetsgeschiedenis - een link gelegd wordt met andere rechten van de betrokkene, met name de in art. 36 Wbp geregelde correctie- en verwijderingsrechten, die een (voorafgaand) inzagerecht als het ware veronderstellen, meen ik dat het inzagerecht niet alleen met het oog dáárop geldt. Het - in 1983 in Nederland in art. 10 lid 3 van de Grondwet neergelegde - inzagerecht diende óók om de betrokken personen tegemoet te komen in (persoonlijkheidsrechtelijke) gevoelens van onbehagen over datgene wat anderen (in de Wbp-terminologie thans: 'verantwoordelijken') omtrent het individu (wel of niet en meer of minder) vastleggen/verwerken. Niet voor niets spreekt art. 10 lid 3 Grondwet over 'aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van die gegevens', en niét over: 'aanspraken van personen op kennisneming [...] met het oog op verbetering van die gegevens'.(17) Bij de totstandkoming van de Wbp - die diende ter implementatie van Richtlijn 95/46/EG - is gewezen op het 'transparantiebeginsel' dat ten grondslag ligt aan deze wetgeving. Volgens dat uitgangspunt dient duidelijkheid te bestaan over de verwerking van de gegevens; een ieder dient in de gelegenheid te zijn om na te gaan waar gegevens over hem zijn vastgelegd en zijn verwerkt(18).

Het inzagerecht dient dus ook om te verzekeren dat het individu reeds inzage moet kunnen krijgen om 'te weten wat anderen over je registreren', ook lós van eventuele stappen van het individu tegen die registratie.

Daaraan doet m.i. niet af Richtlijnconsiderans 41, luidende:

'(41) Overwegende dat een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen. (...)'

Het woord 'zodat' is natuurlijk op zijn plaats in die zin dat toegang (inzage) de controle op de juistheid kan dienen, maar kan m.i. niet worden opgevat als een voorwaarde in de zin van 'uitsluitend opdat'. Dat considerans 41 niet in een zo beperkte zin moet worden opgevat, blijkt ook uit considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren'.

4.9. Intussen zal - hoe dan ook - op een dusdanige manier inzage moeten worden verleend dat de betrokkene in staat is de wijze waarop zijn gegevens worden verwerkt te herkennen, te begrijpen, te controleren en - zonodig - aan te vechten.

Dat geeft een belangrijke indicatie voor het antwoord op de vraag wat onder een 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp) moet worden verstaan, en op de vraag of dit de betrokkene - zoals in de onderhavige zaak door [verweerder] wordt betoogd - bijvoorbeeld ook recht geeft op kopieën van documenten waarin persoonsgegevens zijn opgenomen.

4.10. De voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, luidde (mijn cursiveringen):(19)

'1. De houder deelt een ieder op diens verzoek schriftelijk binnen vier weken mede of hem betreffende persoonsgegevens in de registratie zijn opgenomen.

2. Indien zodanige gegevens in de registratie zijn opgenomen, stelt de houder de verzoeker desverlangd binnen vier weken na ontvangst van het verzoek schriftelijk een volledig overzicht daarvan met inlichtingen over de herkomst ter beschikking.

(...)'

Bij de totstandkoming van dit artikel is de vraag, hoe uitgebreid op een inzageverzoek dient te worden gereageerd, aan de orde gekomen. De ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken antwoordden op de vraag of de 'houder' bij een verzoek om kennisneming kan volstaan met globale informatie:

'Het eerste lid van artikel 29 schrijft slechts voor dat moet worden meegedeeld of gegevens over de verzoeker zijn opgenomen. Deze vraag kan worden beantwoord met een eenvoudig ja of nee. Het tweede lid bepaalt dat desgevraagd een volledig overzicht van de opgenomen persoonsgegevens ter beschikking moet worden gesteld. De houder kan dan niet volstaan met het verstrekken van globale informatie. Wel kan hij ingevolge artikel 36 hiervoor een kostenvergoeding verlangen. Tevens dient de houder desverlangd inlichtingen over de herkomst te geven. Omdat hier wordt gesproken over 'inlichtingen' in plaats van over een 'overzicht' kan in dit opzicht met globale informatie worden volstaan. De reden hiervan is dat niet van de houder kan worden verlangd in alle gevallen de herkomst van gegevens vast te leggen.'(20),(21)

4.11. Uit deze passage blijkt dat een houder van persoonsgegevens (in de huidige Wbp-terminologie: 'verantwoordelijke') dus niet kan volstaan met het verschaffen van 'globale informatie' in reactie op een inzageverzoek.

Naar mijn mening is - het bovenstaande nog iets verder uitwerkend - beslissend dat het individu/de betrokkene ten aanzien van de over hem zelf verwerkte persoonsgegevens als regel aanspraak heeft op wetenschap ten aanzien van 'hetzelfde' als hetgeen de verantwoordelijke over hem bewaart/verwerkt.(22) Tegen die achtergrond lijkt het mij dienstig om stil te staan bij de ontwikkeling van inmiddels meer 'ouderwetse' naar meer 'nieuwerwetse' bewaring en opslag van persoonsgegevens, en bij het ervaringsfeit dat daarbij - al lang, en nog heel lang - mengvormen kunnen voorkomen.

4.11.1. Ouderwets. Met (uiteraard) in het achterhoofd een langlopend contract als het onderhavige, kan ik mij voorstellen dat in de stukken uit de aanvangsfase, te weten een aanvraagformulier of intekeningsformulier in duplo van de kant van het individu/de betrokkene, en het tussen partijen gesloten, in schriftelijke vorm in duplo opgemaakte contract, sprake is van op klassieke/ouderwetse wijze opgemaakte documenten, die als zodanig door de verantwoordelijke worden bewaard, terwijl de verantwoordelijke ervan mag uitgaan dat de betrokkene die ook bewaart. Hetzelfde geldt voor op ouderwetse wijze aan de betrokkene per post toegezonden periodieke mutatie-overzichten, waaronder jaarlijkse, mede voor fiscale doeleinden toegezonden verstrekte geschriften. Wat dit een en ander betreft, kan het door de verantwoordelijke te verschaffen 'volledig overzicht' m.i. globaal zijn, in die zin dat het verwijst naar die stukken.

Maar ook in deze 'ouderwetse' context kan er sprake zijn van verdere geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede niet geautomatiseerde verwerking van in een bestand opgenomen of op te nemen persoonsgegevens (vgl. art. 2 lid 1 Wbp). Omdat de betrokkene daaromtrent niet weet en niet geacht kan worden te weten wat de verantwoordelijke vastlegt/verwerkt, zal het 'volledige overzicht' in die zin zó volledig moeten zijn, dat het neerkomt op verschaffing van kopieën, of 'uitdraaien', voor zover de gegevens uitsluitend c.q. 'één op één' digitaal zijn vastgelegd.

Het ontgaat mij overigens waarom, wat deze gegevens betreft, het verschaffen van die kopieën/uitdraaien voor de verantwoordelijke bezwaarlijker zou zijn dan het verschaffen van een alternatief 'volledig overzicht': het eenvoudig verschaffen van het eerste bespaart immers personeelskosten bij een verwerkingsslag naar het laatste. En de (eenvoudige) kopie/paperkosten mogen ingevolge het wettelijk stelsel aan de betrokkene in rekening worden gebracht.

4.11.2. Nieuwerwets. In een paperless environment - waarbij in de zin van de Wbp dus per definitie sprake is van een 'geautomatiseerde verwerking' - wordt elektronisch aangevraagd en gecontracteerd (of worden het schriftelijke aanvraagformulier en contract gedigitaliseerd 'ingescand'), en verlopen ook de vervolghandelingen elektronisch.

Zoals in de vorige subparagraaf al bleek, brengt de aanspraak op een 'volledig overzicht' dan m.i. een aanspraak mee op kopieën/uitdraaien: wat is/wordt er nu geregistreerd/verwerkt? Daar staat, naar reeds bleek, tegenover dat de verantwoordelijke ter compensatie van de kosten die hij maakt om aan een inzageverzoek tegemoet te komen een vergoeding van de betrokkene kan vragen. Dit impliceert ook dat de wetgever destijds rekening heeft gehouden met het feit dat een reactie op een inzageverzoek uitgebreid kan zijn (lees: een groot aantal pagina's kan omvatten).(23) Dat - inmiddels - menige internetgebruiker elektronisch toegang zal hebben tot (grote delen van) het over hem of haar door de verantwoordelijke aangehouden dossier, doet aan het vorenstaande niet af. Het gaat juist om degenen die niet van die internet-faciliteiten gebruik kunnen of willen maken, of daarop niet vertrouwen.

4.11.3. Tot de nieuwerwetse gegevensverzameling reken ik ook de elektronische vastlegging van communicatie per telefoon. Ik kan niet inzien waarom daarvoor iets anders dan het bovenstaande zou gelden. Dat geldt uiteraard in gevallen waarin die vastlegging aanstonds via naam of codering (door een verbinding met) de elektronische file van de betrokken persoon terugvindbaar is gemaakt.

Geldt het ook in gevallen waarin slechts per tijdseenheid tapes van telefoongesprekken worden gemaakt, en die tapes slechts per tijdseenheid, zonder enige nadere ingang op de 'bellers' (of 'gebelden') worden opgeslagen? Voor zover die casus realiteitsgehalte heeft, moet die vergeleken worden met bij een bank als Dexia binnenkomende post (enkele kilo's per dag?), die door de bank nog wel geopend wordt, maar vervolgens slechts in volgorde van binnenkomst wordt bewaard. Het realiteitsgehalte daarvan komt mij niet groot voor.

Indien niettemin daarmee rekening gehouden moet worden, speelt bij de verantwoordelijke blijkbaar een gedachtegang in de volgende zin: het is duurder om de post / de telefoongesprekken nu op naam van de betrokkenen te 'filen' of te indexeren, dan dat het is om, als het er een keer werkelijk op aankomt, de poststapels resp. gesprekkentapes alsnog te doorzoeken. Kan de verantwoordelijke de elektronisch, en dus geautomatiseerd verwerkte telefoongesprekken - die als regel uiteraard persoonsgegevens zullen bevatten(24) - aldus buiten de werkingssfeer van de Wbp plaatsen? Ik meen dat uit art. 2 lid 1 in verbinding met art. 1 sub c Wbp het tegendeel blijkt. Bij de bespreking van middelonderdeel 4 in nr. 5.22 e.v. kom ik hierop terug.

C. Gedragscode Verwerking persoonsgegevens Financiële Instellingen

4.12. Ik wijs vervolgens op de in deze zaak mede spelende(25) Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen, opgesteld op de voet van art. 25 Wbp.

4.13. Evenals voorheen de WPR, stimuleert de Wbp (nadere) zelfregulering en/of sanctionering door middel van 'gedragscodes'. Het systeem van art. 25 Wbp komt erop neer dat (representatieve, zie lid 3) branche-organisaties kunnen overgaan tot nadere invulling van de in de Wbp neergelegde (relatief vagere) normen en/of in een vorm van alternatieve geschillenbeslechting. Zo'n (concept-)gedragscode kan ter beoordeling worden voorgelegd aan het CBP, met het verzoek dat dit College - na toetsing aan in art. 25 aangegeven criteria - verklaart dat de code 'een juiste uitwerking van de wet of van andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens vormt', respectievelijk, wat de geschillenbeslechting betreft, 'voorziet in waarborgen met betrekking tot de onafhankelijkheid'.

De status van de gedragscode is niet verder wettelijk geregeld, dan dat een beslissing van het CBP op het verzoek geldt als een besluit in de zin van de Awb; op de voorbereiding is afd. 3.4 van die wet van toepassing (art. 25 lid 4 Wbp).

Het is m.i. niet nodig hier diep in te gaan op de - tussen partijen in cassatie niet aan de orde gestelde, en voor zover ik zie in de literatuur nog niet of amper belichte vragen - naar de status van een gedragscode die de in art. 25 Wbp bedoelde verklaring van het CBP heeft verkregen. Vooralsnog houd ik het erop dat zo'n gedragscode louter aan de verklaring van het CBP niet de status van 'recht' in de zin van art. 79 RO ontleent, en ook niet 'formele rechtskracht' jegens diegenen die in de (summiere) voorbereidingsprocedure op de voet van art. 3.4 Awb niet van bezwaren hebben doen blijken.

De rechter is m.i. niet gebonden aan hetgeen de betrokken branche qua interpretatie van de Wbp in de gedragscode heeft neergelegd, ook niet na de - instemmende - verklaring van het CBP ingevolge art. 25 lid 1 Wbp. Wél levert een beroep daarop allicht een 'gezichtspunt', resp. een 'essentiële stelling' op, waarover de rechter een oordeel dient te geven. Bij de interpretatie van de gedragscode ligt de methode van de zgn. CAO-norm in de rede.(26)

4.14. Wat in deze statusdiagnose verder op te merken valt, is dat een 'verantwoordelijke' die in zijn contractuele betrekking met een cliënt naar een gedragscode verwijst, daaraan contractueel gehouden kan worden, ook als zijn verplichtingen daarmee verder zouden gaan dan uit de Wbp zelf zou voortvloeien. Het omgekeerde stuit m.i. af op het gegeven dat de bepalingen van de Wbp naar hun aard in die zin dwingend zijn dat daarvan niet ten nadele van de 'betrokkene' (de geregistreerde persoon) kan worden afgeweken(27).

Is er louter sprake van deel uitmaken van de branche, en niet van directe of indirecte expliciete onderschrijving van de gedragscode, dan heeft de branchegenoot die de Wbp beperkter interpreteert allicht de schijn tegen, met name als het gaat om de invulling van de vage normen daarvan (zoals bijv. 'bezwaarlijkheid' van het voldoen aan de wettelijke regeling).

4.15. Terzijde merk ik nog op dat het CBP tijdens de periode dat zijn verklaring ex art. 25 lid 1 Wbp werkzaam is (max. 5 jaar, zie art. 25 lid 5), in het kader van zijn eigen toezichthoudende (art. 51 e.v.) Wbp en sanctionerende taak (art. 65 e.v. Wbp) niet op de door hem afgegeven verklaring kan terugkomen, en daaraan in zoverre dus gebonden is. In zoverre kan tegenover de betrokken branche van een 'comfort letter' gesproken worden.

4.16. Aldus mijn gezichtspunten ten deze.

4.17. De onderhavige Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Financiële Instellingen (hierna: 'de Gedragscode')(28) is op de voet van art. 25 Wbp opgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken en het Verbond van Verzekeraars en geeft een nadere invulling aan de bepalingen van de Wbp.(29) Zo bepaalt art. 7.1.1. van de Gedragscode (mijn cursivering):

'Een betrokkene is gerechtigd een Financiële instelling schriftelijk een overzicht te vragen van de hem of haar betreffende Persoonsgegevens die door die Financiële instelling worden verwerkt. De Financiële instelling zal, behoudens in de genoemde uitzonderingsgevallen in de WBP, de Betrokkene binnen vier weken na de datum van het verzoek een overzicht van de Persoonsgegevens doen toekomen. (...)'

In de toelichting op deze bepaling wordt opgemerkt:

'Het recht kennis te nemen van de eigen gegevens is een algemeen erkend recht dat slechts in uitzonderingssituaties vervalt. Naast de eigen gegevens dient de Betrokkene bij een verzoek ook op de hoogte te worden gesteld van het doel van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers of categorieën van ontvangers en de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.'

4.18. Andere voor de beoordeling van de onderhavige zaak van belang zijnde bepalingen in de Gedragscode betreffen de bepalingen die voorschriften bevatten met betrekking tot het opnemen van telefoongesprekken. [verweerder] vordert in casu immers ook inzage in de gespreksverslagen van de tussen hem en Dexia gevoerde (opgenomen) telefoongesprekken. Ten aanzien van het opnemen van telefoongesprekken bepaalt art. 8.5 van de Gedragscode:

'8.5.1 Behoudens ten behoeve van het gebruik voor trainings-, coachings- en beooordelingsdoeleinden worden telefoongesprekken slechts opgenomen:

a. ter verificatie en onderzoek naar of ten bewijze van opdrachten, transacties en andere (precontractuele) afspraken met de Cliënt;

b. indien dat noodzakelijk is ter bestrijding van frauduleuze of andere strafbare gedragingen gericht tegen de Financiële instelling, de Groep waartoe de Financiële instelling behoort dan wel Cliënten en medewerkers;

c. indien daartoe een voorschrift is gegevens krachtens de wet.

(...)

8.5.3 De opgenomen telefoongesprekken en andere Persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken worden zodanig bewaard en beveiligd dat deze niet toegankelijk zijn voor onbevoegden. Technische en organisatorische voorzieningen worden getroffen om manipulatie van de gegevens te voorkomen en om deze gegevens zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.

8.5.4.De opgenomen telefoongesprekken worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is voor de in artikel 8.5.1 genoemde doeleinden.

8.5.5 Een Cliënt heeft bij interpretatieverschillen of onenigheden met betrekking tot de inhoud van de opgenomen telefoongesprekken het recht het opgenomen telefoongesprek te beluisteren en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek te verkrijgen.'

Ik kom op deze bepalingen van de Gedragscode hierna (in nrs. 4.35, 5.8-5.9 en 5.25-5.26) nog terug.

D. Buitenlandse wetgeving

4.19. Het lijkt mij dienstig om te bezien hoe art. 12, onder a, van de Richtlijn in enige andere landen is geïmplementeerd.

4.20. De Belgische 'wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens' geeft de betrokkene in art. 10 sub b recht op 'verstrekking in begrijpelijke vorm van de gegevens zelf die worden verwerkt, alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van die gegevens.'(30)

4.21. De Britse Data Protection Act 1998 bepaalt in art. 7 sub c dat individuen het recht hebben 'to have communicated to him in an intelligible form (i) the information constituting any personal data of which that individual is the data subject and (ii) any information available to the data controller as to the source of those data.'

Het Court of Appeal voor Engeland en Wales heeft zich in de zaak Durant v. Financial Service Authority uitgelaten over het inzagerecht onder de Data Protection Act.(31) In de rov. 26 en 27 van die uitspraak gaat het Court of Appeal in op de reikwijdte van het inzagerecht:

'26. The intention of the Directive, faithfully reproduced in the Act, is to enable an individual tot obtain a data controller's filing system, whether computerised of manual, his personal data, that is, information about himself. It is not an entitlement to be provided with original or copy documents as such, but, as section 7 (1)(c)(i) and 8(2) provide, with information constituting personal data in intelligible and permanent form. This may be in documentary form prepared for the purpose and/or where it is convenient in the form of copies of original documents redacted if necessary to remove matters that do not constitute personal data (and/or to protect the interests of other individuals under section 7(4) and (5) of the Act).

27. In conformity with the 1981 Convention and the Directive, the purpose of section 7, in entitling an individual to have access to information in the form of his 'personal data' is to enable him to check whether the data controller's processing of it unlawfully infringes his privacy and, if so, to take such steps as the Act provides, for example in sections 10 to 14, to protect it. It is not an automatic key to any information, readily accessible or not, of matters in which he may be named or involved. Nor is to assist him, for example, to obtain discovery of documents that may assist him in litigation or complaints against third parties. As a matter of practicality and given the focus of the Act on ready accessibility of the information - whether from a computerised or comparably sophisticated non-computerised system - it is likely in most cases that only information that names or directly refers to him will qualify. In this respect, a narrow interpretation of 'personal data' goes hand in hand with a narrow meaning of 'a relevant filing system', and for the same reasons (...). But ready accessibility, though important, is not the starting point.'

Volgens het Court of Appeal geeft het inzagerecht als zodanig dus geen recht op originele documenten of kopieën daarvan.

4.22. Het Duitse Bundesdatenschutzgesetz bepaalt in paragraaf 34 onder (i): 'Der Betroffene kann Auskunft verlangen über( 1) die zu seiner Person gespeicherten Daten, auch soweit sie sich auf die Herkunft dieser Daten beziehen, (2) Empfänger oder Kategorien van Empfängern, an die Daten weitergegeben werden, und (3) den Zweck der Speicherung.'(32)

4.23. In de Franse Loi relative à l'informatique, aux fichiers et aux libertés(33) geeft art. 39 sub 4 recht op 'La communication, sous une forme accessible, des données à caractère personnel qui la concernent ainsi que de toute information disponible quant à l'origine de celles-ci.' De toelichting op art. 39 vermeldt:(34)

'Une copie des données à caractère personnel est délivrée à l'interessé à sa demande. Le responsible du traitement peut subordonner la délivrance de cette copie au paiement d'une somme qui ne peut excéder le coût de la reproduction.'

Deze toelichting doet vermoeden dat de betrokkene volgens de Franse wetgever ook recht heeft op kopieën van de gegevensdragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt.

4.24. Dit lijkt ook de gedachte van de Spaanse wetgever te zijn geweest bij de implementatie van art. van de 12 Richtlijn in art. 15 van de Spaanse wet, via de vermelding van alternatieve vormen van kennisneming in lid 2:

'1. El interesado tendrá derecho a solicitar y obtener gratuitamente información de sus datos de carácter personal sometidos a tratamiento, el origen de dichos datos, así como las comunicaciones realizadas o que se prevén hacer de los mismos.

2. La información podrá obtenerse mediante la mera consulta de los datos por medio de su visualización, o la indicación de los datos que son objeto de tratamiento mediante escrito, copia, telecopia o fotocopia, certificado o no, en forma legible e intelegible, sin utilizar claves o códigos que requieran el uso de dispositivos mecánicos especificos.

(...)' (35)

Ik geef hier ook de (onofficiële) Engelse vertaling weer:

'1. The data subject shall have the right to request and obtain free of charge information on his personal data subjected to processing, on the origin of such data and on their communication or intended communication.

2. The information may be obtained by simply displaying the data for consultation or by indicating the data subjected to processing in writing, or in a copy, fax or photocopy, whether certified a true copy or not, in legible and intelligible form, and without using keys or codes which require the use of specific devices.

(...)'

De Spaanse wet spreekt, zoals hierboven blijkt, niet over een optie voor de verantwoordelijke om de data te verstrekken in de vorm van kopieën (naast een alternatief als loutere inzage), maar over een recht van de betrokkene op het verkrijgen ('obtener'; 'obtain') van de data in de vorm van kopieën, als de betrokkene dat wenst.

E. De weigeringsgrond in art. 43 sub e Wbp

4.25. Dexia stelt zich in de onderhavige procedure - en in procedures tegen andere effectenlease-contractanten - op het standpunt dat het voldoen aan het kennisnemingsverzoek voor haar zou leiden tot onevenredige administratieve lasten. Daarom zou zij op grond van art. 43 sub e Wbp niet gehouden zijn aan het verzoek te voldoen.

Op grond van art. 43 Wbp kan de verantwoordelijke de verstrekking van een overzicht van de verwerkte persoonsgegevens weigeren voor zover dit noodzakelijk is in het belang van (a) de veiligheid van de staat; (b) de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten; (c) gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen; (d) het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder (b) en (c); of (e) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

4.26. In casu gaat het slechts om de laatste weigeringsgrond (e). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft die laatste weigeringsgrond onder 'anderen' ook de 'verantwoordelijke' (in het onderhavige geval dus Dexia) dient te worden begrepen.(36) Dat is tussen partijen onomstreden.(37) Uit de parlementaire geschiedenis blijkt tevens dat de verantwoordelijke niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om informatie als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp zal mogen afwijzen. Hij zal daarentegen aannemelijk moeten maken dat door inwilliging van een verzoek tot inzage in persoonsgegevens de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.(38)

F. (Oordeel) College Bescherming Persoonsgegevens

4.27. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft tot taak toe te zien op de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig het bij of krachtens de wet bepaalde.(39) Daarnaast vervult het CBP ook andere taken. Zo kan het CBP op grond van art. 60 Wbp al dan niet ambtshalve een onderzoek instellen naar de wijze waarop ten aanzien van gegevensverwerking toepassing wordt gegeven aan het bij of krachtens de wet bepaalde.

Naar aanleiding van een aantal klachten van effectenlease-contractanten heeft het CBP een dergelijk onderzoek ingesteld. Onderzocht is de wijze waarop door Dexia aan het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp toepassing wordt gegeven. Het CBP heeft zijn (definitieve) bevindingen neergelegd in een brief aan Dexia van 3 september 2004.(40) Uit die brief blijkt dat het CBP aan het begrip 'volledig overzicht in begrijpelijke vorm' (in de zin van art. 35 lid 2 Wbp) de volgende uitleg geeft:

'Het overzicht moet de betrokkene in ieder geval in staat stellen zijn recht om ingevolge artikel 36 WBP te verzoeken om verwijdering of correctie te effectueren. Om te kunnen overzien of gegevens feitelijk onjuist zijn voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt is het noodzakelijk zicht te hebben op zoveel mogelijk details van de verwerkte persoonsgegevens.

Hieruit volgt dat in het algemeen niet volstaan kan worden met een samenvatting van de gegevens. Een belangrijk deel van de informatiewaarde zal hiermee immers verloren gaan. De precieze context waarin gegevens worden verwerkt kan cruciaal zijn en het kan de betrokkene juist gaan om de details van gegevens die over hem verwerkt worden. Details zullen in veel gevallen van beslissende betekenis zijn voor de ratio van het recht op kennisneming. Dit geldt zeker ook voor de daarmee verbonden rechten om te verzoeken om correctie, afscherming en verwijdering van gegevens alsmede het recht om zich te verzetten tegen - verdere - verwerking. [...] Het is onvoldoende als de betrokkene slechts geïnformeerd wordt over de categorieën van gegevens die op hem betrekking hebben. De gegevens zelf die vallen onder deze categorieën moeten in beginsel ontsloten worden opdat de betrokkene inzicht kan krijgen in de verwerking van de op hem betrekking hebbende gegevens en zonodig zijn rechten kan effectueren.'

Meer specifiek ten aanzien van telefoonnotities en gespreksverslagen merkt het CBP op:

'Mede aan de hand van notities, gespreksverslagen en telefoonnotities zal een verantwoordelijke de (financiële) positie van de betrokkene beoordelen en zonodig maatregelen treffen. Op grond van art. 35, tweede lid WBP dienen deze overgelegd te worden als de betrokkene daarom verzoekt, tenzij een van de uitzonderingen op het inzagerecht van toepassing is. De betrokkene dient, om de rechtmatigheid van deze verwerking te kunnen controleren kennis te kunnen nemen van deze stukken. De betrokkene moet bovendien in staat zijn de verantwoordelijke om wijzigingen en/of correctie te verzoeken (zie art. 36 WBP).

Dexia verwijst naar een uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 3 maart 2004 (JB 2004, 156), waarin de rechter zich uitlaat over de betekenis van het correctierecht: het recht op verbetering en verwijdering van persoonsgegevens is niet bedoeld om gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies omtrent de persoon van de betrokkene waarmee die zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Aan deze overweging ontleent Dexia een argument om telefoonnotities niet ter inzage te geven. Echter de Afdeling rechtspraak overweegt ook dat in geval van gegevens, bestaande uit indrukken, meningen en conclusies, volstaan kan worden met het toevoegen van het schriftelijk commentaar van de betrokkene aan het dossier. Inzage in dergelijke gegevens gaat ook in de zienswijze van de Raad van State hieraan vooraf. De verantwoordelijke moet derhalve - tenzij één van de uitzonderingen van artikel 43 van toepassing is - (een afschrift van) de telefoonnotities en gespreksverslagen overleggen.'

In reactie op het betoog van Dexia dat de opgenomen telefoongesprekken geen bestand vormen in de zin van art. 1 sub c Wbp, schreef het CBP dat hij

'het niet goed voorstelbaar acht dat Dexia wel kosten maakt en de faciliteiten heeft om gesprekken op te nemen, maar niet in staat is deze gesprekken gestructureerd terug te vinden en uit te luisteren. Het CBP gaat er dan ook vanuit dat een zoekfunctie aanwezig zal zijn die de telefoongesprekken ontsluit op een wijze die de verzameling onder het bestandsbegrip van de Wbp brengt.' (41)

Volgens het CBP dient Dexia bij een verzoek om kennisneming interne notities ook te overleggen, althans voorzover die interne notities de betrokkene als onderwerp hebben en Dexia geen beroep toekomt op een van de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp.(42) De vraag wanneer Dexia een beroep op een dergelijke weigeringsgrond toekomt beantwoordt het CBP als volgt:

'De toepassing van de weigeringsgronden is onderworpen aan het "noodzakelijkheidscriterium". Een strikte uitleg van dit begrip is aangewezen daar de uitzonderingsgronden zelf slechts in algemene zin kunnen worden geformuleerd (MvT, 25 892, nr. 3, pagina 171).

Het antwoord op de vraag of de uitzonderingsgronden van toepassing zijn vraagt een afweging van de in het geding zijnde belangen. Deze afweging wordt in eerste instantie door de verantwoordelijke gemaakt. Bij deze afweging spelen de begrippen proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Met andere woorden, staat de beperking in het aan de betrokkene toekomende recht door weigering van inzage in redelijke verhouding tot het te beschermen belang van een ander en is deze beperking noodzakelijk? De belangenafweging zal steeds gericht zijn op de omstandigheden van het concrete geval en het is in eerste instantie aan de verantwoordelijke om in het licht van de uitzondering een exacte werkwijze te bepalen. Indien de betrokkene echter van oordeel is dat inzage ten onrechte op grond van artikel 43 WBP wordt geweigerd kan hij zich wenden tot het CBP (op grond van artikel 47 WBP) en de rechter (artikel 46 WBP). De verantwoordelijke moet de gemaakte afweging dan voor dat concrete geval inzichtelijk kunnen maken.

De verantwoordelijke kan niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om kennisneming als bedoeld in artikel 35 WBP afwijzen. Het CBP wijst erop dat de keerzijde van het hebben van veel cliënten kan zijn dat in evenredige mate een beroep op de hen toekomende rechten wordt gedaan. De verantwoordelijke moet conform artikel 43, onder e, WBP aannemelijk maken dat door inwilliging van een verzoek om kennisneming de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat weigering noodzakelijk is, omdat hij anders in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (MvT 25 892, nr. 3, pagina 171).'

Het CBP sluit niet uit dat daadwerkelijk schade aan de processuele positie van Dexia tot een gerechtvaardigd beroep op art. 43 sub e Wbp kan leiden. Daartoe zal volgens het CBP dan wel een afweging moeten plaatsvinden tussen Dexia's belang en het - processuele - belang van de betrokkene. Dexia zal dus per betrokkene en per document aannemelijk moeten maken dat kennisneming tot een dusdanige schade voor haar leidt dat weigering hiervan noodzakelijk is voor de bescherming van haar rechten en vrijheden, aldus het CBP.(43)

Op basis van het onderzoek concludeerde het CBP dat Dexia op bovengenoemde punten niet in overeenstemming met de Wbp handelt. Het CBP spoorde Dexia daarom aan haar werkwijze alsnog aan te passen.(44) Nadat bleek dat Dexia hieraan geen gehoor zou geven, omdat zij meende - en thans overigens nog steeds meent - te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, heeft het CBP de effectenlease-contractanten - waaronder [verweerder](45) verwezen naar de rechter.

G. Rechtspraak inzake inzageverzoeken

4.28. Uw Raad heeft zich al eerder gebogen over zaken waarin het ging om inzage-verzoeken. In HR 2 december 1988, NJ 1989, 752, m.nt. Ma - waar van de Gemeenschappelijke Medische Dienst kopie werd gevraagd van medische en niet-medische stukken betreffende verzoeker - heeft uw Raad, in rov. 3.3, in algemene termen aangenomen dat degene, van wie een instelling als de GMD een dossier heeft aangelegd, in beginsel recht heeft op kennisneming van de zich daarin bevindende stukken. Al vóór de inwerkingtreding van de WPR vond een inzagerecht derhalve reeds erkenning bij de Hoge Raad.(46) De Hoge Raad oordeelde in rov. 3.2 voorts 'De aard van de stukken in een medisch dossier als waarvan hier sprake is, zal in de regel meebrengen dat kennisneming door middel van een aan de betrokkene te verschaffen afschrift kan worden verlangd.'(47)

4.29. Maar ook over weigeringsmogelijkheden heeft uw Raad zich reeds uitgelaten. HR 16 juni 2000, NJ 2000, 613, m.nt. DWFV, betrof een verzoek om inzage op grond van art. 34 in verbinding met art. 29 WPR. In die zaak had de verzoeker ('N') het GAK om inzage verzocht in het hem betreffende dossier. Aanleiding tot dat verzoek was dat N ter ore was gekomen dat een derde aan het GAK informatie had gegeven omtrent financiële middelen waarover N de beschikking zou hebben; informatie die van invloed kon zijn op het recht op een uitkering. Het GAK verschafte N inzage in het hem betreffende dossier, maar weigerde hem de brieven van de informant ter inzage te geven. Naar aanleiding van het verzoek van N het GAK te bevelen hem inzage te verlenen in de hem betreffende dossiers, oordeelde het hof o.m.:

'Het GAK heeft belang bij het verkrijgen van voor zijn werkzaamheden relevante informatie via derden. Deze derden, en daarmee ook het GAK, zullen er veelal belang bij hebben dat door hen verstrekte informatie vertrouwelijk wordt behandeld. Tegenover genoemde belangen van het GAK en de derden staan de belangen van N.

N. heeft weliswaar geen inzage verkregen in de onderhavige correspondentie, maar is wel geïnformeerd over de, in het kader van de uitvoering van de taken van het GAK, door de informant verstrekte relevante gegevens. Dat brengt het hof tot het oordeel dat genoemde belangen van het GAK en de derden in de gegeven omstandigheden zwaarder dienen te wegen dan die van N. Het GAK heeft derhalve, op grond van het gestelde in art. 30 aanhef en onder e van de Wet (voorloper van art. 43 sub e Wbp; toevoeging A-G), N. terecht de kennisneming van bedoelde correspondentie kunnen weigeren.'

Uw Raad liet dit oordeel in stand.(48)

4.30. De Hoge Raad heeft zich nog niet uitgesproken over de nu aan de orde gestelde vragen (i) of het recht op kennisneming als nu neergelegd in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op kopieën/afschriften van de verwerkte persoonsgegevens omvat; (ii) of bandopnamen en/of notities van persoonsgegevens vallen onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht, en; (iii) of in een situatie als de onderhavige een succesvol beroep kan worden gedaan op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 43 sub e Wbp.

4.31. In de lagere (Dexia-)rechtspraak zijn deze vragen al wél meermaals aan de orde gekomen. Daarbij is gebleken dat rechters (zeer) verschillend denken over reikwijdte van het recht op kennisneming van persoonsgegevens.(49)

Zo heeft het hof ('s-Hertogenbosch) in de onderhavige zaak de lijn van het CBP gevolgd. Ook het hof te Arnhem volgde in een beschikking van 28 februari 2006 grotendeels de lijn van het CBP. (50) In die zaak speelde overigens niet (meer) de vraag of het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp tevens het recht op inzage in opgenomen telefoongesprekken omvat.(51) De rechtbank te Almelo(52) had hierover in eerste aanleg geoordeeld dat de bandopnamen als zodanig niet als een gestructureerd bestand konden worden aangemerkt en dat Dexia daarom niet gehouden was om de betreffende verzoeker te informeren omtrent de met hem gevoerde telefoongesprekken die op die banden voorkwamen.(53) Hieraan voegde de rechtbank echter toe dat een en ander anders zou zijn geweest indien de verzoeker exact had aangegeven op welke dag en welk tijdstip hij met welke medewerker van Dexia had gesproken. De rechtbank ging er daarbij vanuit dat de bewaard gebleven telefoongesprekken op datum en uur waren opgeslagen.

In een zaak waarin wél vaststond op welke dagen en tijdstippen de verzoekers met Dexia telefoongesprekken hadden gevoerd, oordeelde de rechtbank te Almelo dat de betreffende bandopnamen deel uitmaakten van een bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp. Volgens de rechtbank zijn de bandopnamen met die informatie voldoende toegankelijk en vallen deze onder het bereik van art. 35 Wbp.(54)

4.32. Geheel anders dan de hoven te 's-Hertogenbosch en Arnhem oordeelde het hof te Amsterdam(55) dat de betreffende verzoeker met zijn verzoek misbruik van recht maakte omdat hij deze bevoegdheid uitoefende 'met geen ander doel dan Dexia (in haar bedrijfsuitoefening) te schaden.' Het hof achtte voldoende aannemelijk dat het verzoek was ingegeven door een oproep daartoe in het televisieprogramma Tros Radar in september 2004, die kennelijk heeft geleid tot circa 4000 van dergelijke verzoeken. Het hof overwoog daarbij dat 'uit niets blijkt dat het in die uitzending ging om het belang van het controleren van (de juistheid van) door Dexia geregistreerde gegevens' en dat de bijdragen op het websiteforum van Tros Radar 'een geest van rancune en strijdlustigheid ten opzichte van Dexia, niet een van bezorgdheid om de door Dexia geregistreerde gegevens' uitademden. Voor het Amsterdamse hof vormde deze context voldoende reden om aan te nemen dat het inzageverzoek geen ander doel had dan Dexia te schaden.

4.33. De hoven te 's-Hertogenbosch, Arnhem en Amsterdam hebben in voornoemde beschikkingen alle drie een ander verweer van Dexia, nl. dat de verzoeker de gevraagde gegevens zou willen gebruiken met het oog op een door hem tegen Dexia in te stellen procedure, verworpen.

De rechtbank te Arnhem honoreerde dit misbruik-van-bevoegdheid-verweer van Dexia (in een beschikking van 22 februari 2005(56)) daarentegen wel. Daarmee legde de rechtbank Arnhem het standpunt van het CBP uitdrukkelijk naast zich neer, waarmee ik doel op de volgende passage uit de eerder vermelde brief van het CBP aan Dexia van 13 oktober 2004:(57)

'Inzageverzoeken mogen niet geweigerd worden met als argument dat ze gedaan worden met een ander doel dan waarvoor het inzagerecht bedoeld is. Ieder heeft het recht kennis te nemen van de verwerkingen van zijn persoonsgegevens. De wetgever heeft geen motiveringsplicht voor een verzoek om kennisneming bij de betrokkene gelegd. Het belang van kennisneming is voorondersteld. Het doel waarmee inzage gevraagd wordt is daarmee niet relevant en mag geen rol spelen bij het besluit om een verzoek al dan niet te honoreren.'(58)

4.34. Ten aanzien van de vraag of in het recht op informatie als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën besloten ligt bestaat (ook) verdeeldheid, al lijkt het erop dat de meeste rechtbanken deze vraag tot nu toe ontkennend hebben beantwoord.(59) Het door de Amsterdamse rechtbank in haar beschikking van 19 mei 2005(60) gehanteerde uitgangspunt lijkt op dat van het Engelse Court of Appeal in de zaak Durant vs. FSA (zie hiervoor, nr. 4.21): Dexia is naar het oordeel van de Amsterdamse rechtbank niet, 'althans niet zonder meer,' verplicht tot afgifte van kopieën van alle bij haar aanwezige, de verzoeker betreffende gegevens en stukken. De rechtbank voegde hieraan toe dat Dexia's verplichting tot het verstrekken van een volledig overzicht in begrijpelijke vorm wel kan impliceren dat tevens kopieën van gegevens en/of stukken aan hem dienen te worden gegeven.(61)

Volgens de rechtbanken te Zwolle en te Rotterdam ligt in het recht op kennisneming als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën (zonder meer) besloten.(62)

4.35. Ook de Geschillencommissie Bankzaken heeft zich (op 10 februari 2005 in drie zaken(63)) uitgesproken over de inhoud en de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp. De Geschillencommissie conformeerde zich in die uitspraken aan het (hierboven besproken) oordeel van het CBP: ook ten aanzien van de vraag of en in welke mate Dexia aan het verzoek van de effectenlease-contractant om een volledig afschrift van zijn dossier moet voldoen. Dit betekent dat volgens de Geschillencommissie in beginsel alle afschriften van alle aanwezige stukken dienen te worden overgelegd. Naarmate het door de bank te verstrekken overzicht meer gespecificeerd is, zal minder snel behoefte bestaan aan een volledig afschrift van alle relevante stukken en zal de bank - ter vermindering van zijn administratieve lasten - ook eerder met een beperkt aantal afschriften aan de consument kunnen volstaan, aldus de Geschillencommissie.

Het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de gevoerde telefoongesprekken een ongestructureerd, niet volgens bepaalde criteria (of systematisch) toegankelijk geheel zouden vormen, wordt door de Geschillencommissie verworpen. In dat verband wees de Geschillencommissie erop dat art. 8.5.3 van de Gedragscode (zie hiervoor nr. 4.18) financiële instellingen verplicht om technische en organisatorische maatregelen te treffen om telefoongesprekken die zijn opgenomen zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. Op grond daarvan dient Dexia de opgenomen telefoongesprekken naar het oordeel van de Geschillencommissie alsnog te ontsluiten en de betrokkenen daarvan in kennis te stellen.(64)

4.36. Met het voorgaande heb ik niet gepoogd de lagere 'Dexia-rechtspraak' uitputtend te bespreken. Zelfs zonder die poging te wagen heb ik m.i. wel aangetoond dat er zeer verschillend wordt gedacht over de reikwijdte van het kennisnemingsrecht als bedoeld in art. 35 Wbp.(65)

H. Literatuur inzake inzageverzoeken

4.37. Ook in de literatuur lopen de meningen uiteen. Het verbaast niet dat Rank en Haasjes - advocaten die regelmatig voor banken optreden in procedures met betrekking tot de Wbp - verdedigen (i) dat het recht op inzage als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp geen recht geeft op kopieën/afschriften van de documenten waarin de betreffende persoonsgegevens zijn opgenomen, en (ii) dat bandopnames van telefoongesprekken (of de schriftelijke uitwerking van telefoongesprekken) niet onder het hiervoor bedoelde kennisnemingsrecht vallen.(66) Het verbaast evenmin dat Van den Bergen, die als advocaat optreedt voor beleggers die gebruik maken van het kennisnemingsrecht, een tegengestelde mening is toegedaan.(67)

4.38. Berkvens(68), en Zwenne & Webbink(69) lijken zich aan te sluiten bij het standpunt van Rank en Haasjes. Ook zij menen dat het begrip 'volledig overzicht' als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet zo ruim geïnterpreteerd kan worden dat hieronder tevens kopieën van documenten en transcripties van telefoongesprekken moeten worden verstaan. Holvast lijkt zich daarentegen aan de zijde van Van den Bergen te scharen daar waar hij betoogt dat in het recht op informatie het recht op kopieën besloten ligt. Hij verwijst naar de voorloper van de Wbp, de WPR. Volgens Holvast werd onder die wet algemeen erkend dat recht op inzage een recht van kopie kon inhouden. Omdat met de overgang van de WPR naar de Wbp geen verandering in de positie van de betrokkene is beoogd, geldt dit ook voor de Wbp, aldus Holvast. Volgens Holvast is mede daarom in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkenen Wbp bepaald dat een vergoeding van € 0,23 per pagina kan worden gevraagd.(70) Holvast meent dat het kennisnemingsrecht zich ook uitstrekt tot bandopnamen van telefoongesprekken/transcripties van telefoongesprekken.(71)

4.39. Bij lezing van buitenlandse literatuur over het inzagerecht stuitte ik nog op de volgende passage van de Brit Bainbridge over het recht op inzage in persoonsgegevens in het Verenigd Koninkrijk vóór en na de Richtlijn:

'More information must be given to the data subject exercising his or her right of access than before. Under the Directive, in addition to being furnished with a copy of the data[voetnoot], information must be given as to the purposes of processing, the categories of data concerned and the recipients and categories of recipients to whom the data are disclosed.'(72)

In de voetnoot wordt verwezen naar het eerder besproken art. 12 sub a van de Richtlijn, dat vereist 'communication of the data in an intelligible form together with any available information as to their source.' Kennelijk leidt Bainbridge uit deze Richtlijnbepaling af dat het op de Richtlijn gebaseerde kennisnemingsrecht ruimer dan vóór de Richtlijn is, en dat daarin het recht op kopieën besloten ligt.

5. Bespreking van het middel

5.1. Het middel, dat zes onderdelen telt, behelst mede rechtsklachten over de uitleg van de Wbp, die - zoals reeds bleek - mede gebaseerd is op Richtlijn 95/46/EG. Ik heb, naar blijken zal, evenwel geen aanleiding gevonden om te concluderen tot het stellen van een of meer prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EG. De kwesties van uitleg van aan de Richtlijn ontleende begrippen die in deze zaak aan de orde zijn, komen m.i. in aanmerking voor de kwalificatie 'acte clair'. Ik laat dan nog daar dat Richtlijn 95/46/EG blijkens considerans 9, waar overwogen wordt 'dat de Lid-Staten er daarbij naar dienen te streven de momenteel door hun wetgeving geboden bescherming te verbeteren', niet het karakter van een 'maximumharmonisatie' in zich draagt.

5.2. Onderdeel 1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, althans buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Omdat Dexia dit onderdeel aanvoert onder de voorwaarde dat de middelonderdelen 2 en/of 4 (die respectievelijk de vraag aan de orde stellen of art. 35 Wbp recht geeft op kopieën en of bandopnamen van telefoongesprekken een bestand vormen) falen, bespreek ik deze klacht pas nadat ik de overige middelonderdelen heb besproken: zie nrs. 5.34-5.38.

5.3. Onderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.7.3 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof met zijn oordeel - dat in art. 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken besloten ligt - blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

5.4. Op grond van art. 35 Wbp heeft de betrokkene recht op een mededeling houdende een 'volledig overzicht (...) in begrijpelijke vorm' van de hem betreffende persoonsgegevens die door de verantwoordelijke worden verwerkt, 'een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens'. Hieronder vallen - aldus onderdeel 2 - in beginsel(73) niet de kopieën van alle concrete verwerkingen in de betreffende basisdocumenten en evenmin de transcripties van opgenomen telefoongesprekken.

Het onderdeel meent voor dit standpunt steun te vinden in o.m. de tekst van art. 35 lid 2 Wbp; in de parlementaire geschiedenis; in de tekst van art. 12 sub a van de Richtlijn; in de wijze waarop art. 12 sub a in een aantal andere landen is geïmplementeerd, in de lagere 'Dexia-rechtspraak' en in de literatuur.

5.5. In onderdeel 2.2.3, tweede t/m vierde volzin van het middel, wordt gefocust op het begrip 'overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp in plaats van op de wettelijke terminologie 'volledig overzicht'. Maar zelfs als men zou menen dat het begrip 'volledig overzicht' niet direct een aanknopingspunt zou bieden voor het standpunt dat het recht op inzage het recht op kopieën en een schriftelijke uitwerking van gevoerde telefoongesprekken geeft, miskent het onderdeel m.i. de gedachte achter het inzagerecht. Het recht op inzage heeft tot doel de burger de mogelijkheid te geven om te weten hoe zijn persoonsgegevens zijn verwerkt, en tevens te controleren of dat op juiste wijze is gebeurd zodat - indien dit niet het geval is - de betrokkene zijn correctierecht (als bedoeld in art. 36 Wbp, dat tevens omvat een aanspraak op verwijdering indien de gegevens niet ter zake dienend zijn) zou kunnen uitoefenen: zie hierboven nr. 4.8 e.v. In de Richtlijnconsiderans (sub 41) is het zelfs zo geformuleerd dat 'een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen.' M.i. kan aan dit doel slechts tegemoet worden gekomen als de betrokkene tevens inzage krijgt in de context waarin de hem betreffende persoonsgegevens zijn verwerkt.

Artikel 35 lid 2 laat een zekere vaagheid toe ten aanzien van de omschrijving van de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de (categorieën) van ontvangers.

De wetsbepaling is evenwel preciezer ten aanzien van de verwerkte persoonsgegevens als zodanig, waarvan een 'volledig overzicht' moet worden gegeven. Bovendien moet ten aanzien van de herkomst van de gegevens inzage worden gegeven in de 'daarover beschikbare informatie'.

Bij de uitoefening van het inzagerecht komt het dus aan op de precieze geregistreerde persoonsgegevens, ook al omdat de uitoefening van het correctierecht ingevolge art. 12, aanhef en onder b van de Richtlijn en art. 36 Wbp anders al gauw een slag in de lucht zou kunnen zijn (wat ook niet in het belang is van de verantwoordelijke). Dat de Richtlijn en de Wbp uitgaan van precieze gegevens blijkt niet alleen uit het begrip 'verstrekking, in begrijpelijke vorm, van de gegevens die zijn verwerkt' in de Richtlijn en het 'volledig overzicht' in art. 35 lid 2 Wbp, maar ook uit art. 36 lid 1, laatste volzin, Wbp waarin staat dat een correctieverzoek 'de aan te brengen wijzigingen' moet bevatten. Aan die eis kan de betrokkene natuurlijk niet voldoen als de verantwoordelijke bij het geven van het 'volledig overzicht' kan volstaan met gemeenplaatsen als bijvoorbeeld 'gegevens met betrekking tot lopende en/of verrichte transacties en additionele gegevens verkregen door rechtstreeks contact'.

Het verstrekken van kopieën of 'uitdraaien' is dus de (meest) adequate vorm van het verstrekken van een 'volledig overzicht'. Zou de verantwoordelijke willen volstaan met een door hem op te maken rapport of opstel, dan bestaat - zeker in het geval van massale verzoeken - het risico dat in zo'n bewerkingsslag fouten (c.q. nieuwe fouten) worden gemaakt, waarmee noch de betrokkene, noch de verantwoordelijke gediend is. Bovendien is zo'n bewerkingsslag voor de verantwoordelijke duurder dan de verstrekking van kopieën (terwijl voor dit laatste een vergoeding van de betrokkene mag worden gevraagd). Onderdeel 2 van het middel maakt m.i. op verschillende plaatsen dan ook een onzuivere tegenstelling tussen enerzijds aanspraak op een (volledig) overzicht en anderzijds aanspraak op kopieën/uitdraaien. Ik verwijs verder naar hetgeen ik opmerkte in nrs. 4.11-4.11.3(74).

5.6. Niet alleen in art. 36 lid 1, laatste volzin Wbp, maar ook in het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (zie hiervoor nrs. 4.11.1-4.11.2 is klaarblijkelijk rekening gehouden met aanspraak op kopieën of uitdraaien. Waarom zou de wetgever anders een compensatieregeling hebben getroffen voor het geval 'het afschrift van de persoonsgegevens meer beslaat dan 100 pagina's'? Dat de wetgever dit ook reeds deed bij de totstandkoming van de voorloper van art. 35 Wbp, art. 29 WPR, blijkt uit het in de voetnoot bij nr. 4.11.2 vermelde citaat uit de parlementaire geschiedenis. Dit als tegenwicht tegen onderdelen 2.2.4, 2.2.8 en 2.2.9 van het middel.

Tegen onderdeel 2.2.2 en 2.2.5 valt in te brengen dat dit standpunt ook aansluit bij de wijze waarop de Franse en Spaanse wetgever art. 12, aanhef en onder a, van de Richtlijn hebben geïmplementeerd.(75) De toelichting op art. 39 van de 'Loi relative à l'information, aux fichiers et aux libertés' en art. 15 lid 2 van de betreffende Spaanse wet duiden erop dat zowel de Franse als de Spaanse wetgever ervan uitgaan dat de betrokkene ook recht heeft op kopieën.

5.7. Nu m.i. aan het doel van het inzagerecht slechts kan worden tegemoet gekomen indien de betrokkene tevens inzage krijgt in de manier waarop zijn persoonsgegevens precies zijn verwerkt, en de context waarin dat is gebeurd, meen ik dat art. 35 Wbp in beginsel(76) ook recht geeft op het beluisteren van opgenomen telefoongesprekken en/of een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek. Slechts dan wordt de betrokkene voldoende gelegenheid geboden te controleren of de van hem verwerkte persoonsgegevens al dan niet juist zijn.

5.8. Het middel geeft in onderdeel 2.1.1 op correcte wijze een aantal (merendeels hierboven reeds besproken) argumenten weer, die het hof gebruikt heeft voor zijn in onderdeel 2.1 aangevochten oordeel, maar het laat - toch wel selectief - één van 's hofs argumenten (in rov. 4.7.3) weg: nl. dat de aanspraak ex art. 35 Wbp op kopieën en afschriften (en transcripties van telefoongesprekken) óók aansluit bij de Gedragscode verwerking persoonsgegevens financiële instellingen. Hoewel ik in 's hofs verwijzing naar deze Gedragscode niet een zodanig zelfstandig dragend element lees, dat reeds daarom alle andere deelklachten van onderdeel 2 zouden falen, acht ik die verwijzing door het hof (en het weglaten van kritiek daarop door Dexia) het signaleren waard. Zo gaat ook art. 7.1.3 van de Gedragscode ervan uit dat een verzoek om correctie een specificatie dient te bevatten van de persoonsgegevens die gecorrigeerd moeten worden.

Dat veronderstelt - andermaal - verstrekking van gespecificeerde gegevens door de verantwoordelijke, waarbij - andermaal - de verstrekking daarvan in de vorm van kopieën/uitdraaien de meest voor de hand liggende is.

5.9. Volgens de Gedragscode heeft een bank als Dexia mede technische en organisatorische voorzieningen moeten treffen om de opgenomen telefoongesprekken en andere persoonsgegevens betreffende de opgenomen telefoongesprekken zonodig te kunnen traceren en reconstrueren.(77) De mogelijkheid tot het beluisteren van een opgenomen telefoongesprek en/of het verkrijgen van een transcriptie van het opgenomen telefoongesprek bestaat derhalve: het middel beweert in ieder geval niet dat het hof in dit opzicht iets miszegd zou hebben.

5.10. Tegen deze achtergrond meen ik voorts dat een betrokkene op basis van art. 35 lid 2 Wbp in beginsel inzage zou moeten kunnen verkrijgen in die bandopnamen; door middel van het beluisteren daarvan of door middel van het verkrijgen van een schriftelijke uitgewerkt telefoonverslag. Op deze plaats ga ik uit van de veronderstelling dat de bandopnamen een bestand vormen in de zin van de Wbp. De (voor)vraag of dit daadwerkelijk het geval is, komt zo dadelijk bij de bespreking van middelonderdeel 4 aan de orde.

5.11. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht ik 's hofs oordeel - dat in art. 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens besloten ligt alsmede het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken (behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden(78)) - juist. Bovendien strookt dit oordeel m.i. met het toch wel ruime inzagerecht zoals dat in de rechtspraak - ook die van de Hoge Raad - i.h.a. wordt aangenomen. Ik verwijs in dit verband naar de jurisprudentie over het recht op inzage in bijv. processen-verbaal, afstammingsgegevens en medische, psychologische en psychiatrische dossiers zoals dat onder art. 29 WPR en ook dáárvoor en daarbuiten reeds erkenning vond.(79) Het is kennelijk (onder meer) deze rechtspraak die het hof aanleiding heeft gegeven (in rov. 4.7.3) te overwegen dat het thans in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is om iemand desgewenst inzage in zijn persoonsgegevens te verschaffen door middel van kopieën en transcripties.

5.12. Dexia's (selectieve) beroep op de lagere 'Dexia-rechtspraak' (in onderdeel 2.2.6) en op literatuur (in onderdeel 2.2.7) behoeft geen nadere bespreking na hetgeen ik daarover in nrs. 4.28-4.39 heb opgemerkt.

Ik constateer terzijde dat in de toelichting op onderdeel 2 niet rechtstreeks geklaagd wordt over 's hofs kennelijke aansluiting bij het oordeel van het College Bescherming Persoonsgegevens.

5.13. De overige subonderdelen van onderdeel 2 delen het lot van de hierboven besproken subonderdelen en behoeven geen afzonderlijke bespreking.

5.14. Onderdeel 3 keert zich tegen 's hofs verwerping van Dexia's beroep op art. 43 sub e Wbp (in rov. 8.4.3) en de overwegingen (4.6.1 t/m 4.6.3) met betrekking tot Dexia's 'misbruik-van-recht-verweer' die aan dit oordeel vooraf gingen.

Het hof heeft in de rov. 4.6.2 en 4.6.3 Dexia's grief beoordeeld die strekte tot het betoog dat [verweerder] misbruik maakt van zijn bevoegdheid ex art. 35 Wbp door deze bevoegdheid te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven, namelijk om zijn processuele positie te verbeteren ten nadele van Dexia. Volgens Dexia mag zij daarom weigeren te voldoen aan het verzoek van [verweerder].

Na in rov. 4.6.2 te hebben vooropgesteld (i) dat een betrokkene zijn bevoegdheid uit art. 35 Wbp kán misbruiken waardoor deze bevoegdheid (o.g.v. art. 3.15 BW jo. art. 3.13 BW) niet kan worden ingeroepen en (ii) dat de vraag of sprake is van misbruik van recht aan de hand van de (door Dexia te stellen) concrete omstandigheden moet worden beoordeeld, overweegt het hof in rov. 4.6.3 dat Dexia onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te nemen dat sprake is van misbruik van recht. Daarbij nam het hof in overweging:

'dat het doel van artikel 35 Wbp is om de betrokkene (in casu: [verweerder]) in de gelegenheid te stellen om na te gaan of en zo ja welke hem betreffende persoonsgegevens door de verantwoordelijke (in casu: Dexia) worden verwerkt, en of de weergave van zijn persoonsgegevens in de verwerking van de verantwoordelijke juist is, voor het doel of de doeleinden van de verwerking volledig en ter zake dienend is en of de verantwoordelijke zijn persoonsgegevens in overeenstemming met wettelijke voorschriften verwerkt. Dienaangaande is van belang dat [verweerder] kennelijk wil nagaan welke persoonsgegevens Dexia heeft verwerkt en of deze verwerking correct is, en hij heeft ter zake zelfs een procedure tegen Dexia aanhangig gemaakt met het risico van een proceskostenveroordeling. Het hof beschouwt het verzoek van [verweerder] dan ook als een serieus verzoek dat in overeenstemming is met het doel van artikel 35 Wbp. De enkele omstandigheid dat [verweerder] met de eenmaal verkregen gegevens vervolgens tevens een ander doel zou kunnen dienen, bijvoorbeeld door deze te gebruiken in een eventuele civiele procedure tegen Dexia of tegen de tussenpersoon van [verweerder], is daarbij naar 's hofs oordeel ontoereikend om misbruik van recht aan te nemen. Dit kan anders zijn indien dat andere doel onrechtmatig is, maar dat heeft Dexia niet gesteld. Dexia stelt wel dat zij processuele schade zal lijden, maar, zoal sprake zou kunnen zijn van schade, is dat rechtmatige schade. Ook het enkele feit dat sprake is van een conflictsituatie tussen partijen staat er niet aan in de weg dat [verweerder] gebruik maakt van zijn rechten uit de Wbp, en levert op zichzelf genomen geen misbruik van recht op. Tenslotte is het hof van oordeel dat het verzoek van [verweerder] ex artikel 35 Wbp geen doorkruising oplevert van artikel 843a Rv. Beide procedures kunnen naast elkaar lopen in die zin dat (de mogelijkheid van) toepassing van de procedure van artikel 843a Rv niet aan toepassing van die van artikel 35 Wbp in de weg kan staan, noch de toepassing van laatstgenoemde procedure op enigerlei wijze kan belemmeren of inkorten. Daarbij is niet van belang dat voor een verzoek ex artikel 35 Wbp niet dezelfde eisen gelden als voor een vordering ex artikel 843a Rv en dat Dexia niet op gelijke voet gegevens kan opvragen bij [verweerder], omdat dit nu eenmaal een gevolg is van de wettelijke regeling zoals neergelegd in de Wbp, en van de daaraan ten grondslag liggende Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995, waarbij alleen aan de betrokkene een onvoorwaardelijk recht op kennisneming van de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens is verleend. Voorts heeft Dexia niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] zijn verzoek met geen ander doel heeft gedaan dan om Dexia financiële schade toe te brengen en haar bedrijfsvoering te frustreren, zodat op deze grond evenmin misbruik van recht kan worden aangenomen. Anders dan Dexia heeft gesteld, volgt het tegendeel niet uit het enkele feit dat [verweerder], net als vele anderen, gebruik heeft gemaakt van een voorbeeldbrief van TROS Radar, temeer daar uit de op de website van TROS Radar gegeven toelichting op deze brief geenszins blijkt dat het de bedoeling is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering. Bovendien acht het hof het bepaald niet onaannemelijk dat een betrokkene zoals [verweerder], die niet juridisch geschoold is, eerst een schriftelijk verzoek ex artikel 35 Wbp doet nadat hem daartoe een voorbeeldbrief is aangereikt.'

5.15. Vervolgens gaat het hof in rov. 4.8.1 in op de grief van Dexia dat - kort gezegd - de rechtbank ten onrechte haar beroep op art. 43 sub e Wbp heeft verworpen. Dexia voert hiertoe aan dat zij zich geconfronteerd ziet met een groot aantal verzoeken ex art. 35 Wbp - zij zou al meer dan 3800 verzoeken ex art. 35 Wbp hebben ontvangen - en dat de honorering van al die verzoeken hoge administratieve lasten meebrengt en de bedrijfsvoering van Dexia frustreert. Volgens Dexia kan daarom niet van haar worden verwacht dat zij al deze verzoeken inwilligt. Dit geldt - aldus Dexia - temeer voor het verzoek van [verweerder], nu dat een gestandaardiseerd verzoek betreft dat een rechtstreeks gevolg is van de oproep van Tros Radar, welke oproep ertoe strekt Dexia op collectieve wijze te schaden.

5.16. Naar het oordeel van het hof (rov. 4.8.2) treffen deze stellingen geen doel, omdat de stellingen eraan voorbij zouden zien dat het verzoek van [verweerder] moet worden beoordeeld als een individueel verzoek. Volgens het hof is voorts niet gebleken dat het de bedoeling van de oproep van TROS Radar is om Dexia op collectieve wijze te schaden in haar bedrijfsvoering en evenmin dat [verweerder] die bedoeling heeft. Volgens het hof gaat het erom of door de inwilliging van het enkele verzoek van [verweerder] de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat Dexia in één van haar rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast. Daarbij geldt dat Dexia per persoonsgegeven en per document aannemelijk zal moeten maken dat dit het geval is, omdat - aldus het hof - art. 43 Wbp slechts de mogelijkheid biedt om art. 35 Wbp buiten toepassing te laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de in art. 43 Wbp genoemde gronden. Nu van een dergelijke situatie niet is gebleken, heeft het hof het beroep van Dexia op art. 43 sub e verworpen (zie rov. 4.8.3).

5.17. M.i. getuigen deze overwegingen wél van een juiste rechtsopvatting. Bovendien acht ik de redenering van het hof - leidend tot het oordeel dat Dexia's beroep op art. 43 sub e Wbp moet worden verworpen - begrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Anders dan onderdeel 3 betoogt (ook in de subonderdelen 3.2.1-3.2.2) , dient een verzoek als dat van [verweerder] - zoals het hof heeft gedaan - individueel te worden beoordeeld ook al zijn er naast dit verzoek nog vele andere verzoeken van dezelfde strekking bij Dexia ingediend. Dit vloeit m.i. reeds voort uit het feit dat 'een ieder over het recht moet kunnen beschikken toegang te verkrijgen tot de gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen en hemzelf betreffen, zodat hij zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking ervan kan vergewissen.'(80)

Een individuele benadering volgt m.i. ook uit de wetsgeschiedenis van art. 43 Wbp, nu daarin wordt opgemerkt dat de verantwoordelijke (in casu: Dexia) aannemelijk zal moeten maken dat door inwilliging van een 'verzoek' als bedoeld in art. 35 lid 1 Wbp de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in een van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.(81) Bij de beantwoording van de vraag of (i) een verzoeker misbruik maakt van zijn recht door een verzoek ex art. 35 Wbp in te dienen en/of (ii) dat een dergelijk verzoek voor de verantwoordelijke tot disproportionele lasten leidt, dient daarom in beginsel geen gewicht te worden toegekend aan het feit dat wellicht nog vele andere - soortgelijke - verzoeken bij de verantwoordelijke zijn ingediend. Bovendien kan - zoals het CBP in zijn brief van 13 oktober 2004 m.i. terecht heeft opgemerkt(82) - de keerzijde van het hebben van veel cliënten zijn dat in evenredige mate een beroep op de hen toekomende rechten wordt gedaan. M.i. mag deze omstandigheid in beginsel niet van invloed zijn op de afweging van het belang van de betrokkene bij zijn verzoek ex art. 35 Wbp tegen het belang van Dexia (lees: de bezwaren van Dexia tegen de inwilliging van dat verzoek).

5.18. Het gegeven dat [verweerder] zijn verzoek heeft gedaan naar aanleiding van een oproep (van TROS Radar) waaraan massaal gevolg gegeven is, maakt dit m.i. niet anders.

De gedachte dat het (massaal) gebruik maken van een aanspraak op inzage misbruik van recht zou opleveren omdat gevolg wordt gegeven aan een oproep in de pers (in dit geval een omroep) staat m.i. immers haaks op de in een grondrecht verankerde functie van de pers. Uit vele mogelijkheden kies ik één citaat uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens over art. 10 EVRM:

'[...] whilst the mass media must not overstep the bounds imposed in the interest of proper administration of justice, it is incumbent on them to impart information and ideas concerning matters that come before the courts just as in other areas of public interest. Not only do the media have the task of imparting such information and ideas: the public also has the right to receive them [...]'.(83)

Bovendien meen ik dat indien een massaal gebruik maken door betrokkenen werkelijk zodanige problemen bij een verantwoordelijke zou oproepen dat van een tijdelijke 'noodtoestand' moet worden gesproken, de rechter daarmee rekening kan houden door een rechtvaardigingsgrond of schulduitsluitingsgrond aan te nemen ten aanzien van een (nader te bepalen) tijdoverschrijding van de in art. 35 lid 1 Wbp bepaalde termijn van vier weken.(84)

5.19. Onderdeel 3 betoogt - onder 3.2.3 - voorts dat het inzageverzoek van [verweerder] - anders dan het hof in rov. 4.6.3 heeft overwogen - een doorkruising van art. 843a Rv(85) vormt en daarom onevenredig nadeel toebrengt aan haar processuele positie. De redenering die achter dit betoog schuilgaat is dat het inzageverzoek van [verweerder] in feite een 'fishing expedition' is, waarbij [verweerder] op oneigenlijke wijze zijn positie ten nadele van Dexia probeert te versterken.

M.i. is het hof terecht ervan uitgegaan dat art. 35 Wbp en art. 843a Rv gescheiden trajecten vormen, die elk hun eigen regels kennen.(86) Men kan misschien ook zeggen dat art. 35 Wbp op het door de Wbp bestreken gebied een lex specialis vormt ten opzichte van art. 843a Rv. Ik verwijs met instemming naar hetgeen het CPB hierover in zijn - eerder genoemde - brief van 13 oktober 2004 heeft opgemerkt:

'Allereerst merkt het CBP op dat het begrip 'fishing expedition' betrekking heeft op het verzamelen van vertrouwelijke informatie. Er zijn voor zover het CBP bekend geen aanwijzingen dat betrokkenen uit zijn op, normaliter niet te verkrijgen, vertrouwelijke informatie. Zij vragen inzage in de gegevens betreffende henzelf die Dexia verwerkt in het kader van de contractuele relatie tussen henzelf en Dexia.

Het CBP merkt voorts op dat het hier twee naast elkaar staande wettelijke stelsels betreft. De procedure in gevolge artikel 843a Rv. is gerelateerd aan het zijn van procespartij en het betreft mogelijke processtukken. De inzageprocedure is geregeld in de WBP en is gerelateerd aan het zijn van betrokkene en betreft uitsluitend die gegevens die de betrokkene zelf betreffen. Overlap van beide procedures is aanwezig als de betrokkene procespartij is, en voor zover de 'hem betreffende' gegevens processtukken zijn. Richt een procespartij als betrokkene een verzoek om inzage tot de verantwoordelijke dan bieden de uitzonderingsbepalingen van de WBP (waarmee het CBP doelt op de uitzonderingen genoemd in art. 43 Wbp; toevoeging A-G) ruimte om rekening te houden met het naastgelegen rechtsstelsel.'(87)

5.20. Voor zover onderdeel 3.2.3 zich mede beroept op art. 6 EVRM ('equality of arms') stuit het m.i. reeds af op het gegeven dat de in de Raad van Europa verenigde staten in het Verdrag tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens van 28 januari 1981(88), bij wege van 'lex specialis', in art. 8, aanhef en onder b van deze conventie, (ook) het recht van het individu erkend heeft 'met redelijke tussenpozen en zonder overmatige vertraging of kosten uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of persoonsgegevens over hem in het geautomatiseerde bestand zijn opgeslagen en die gegevens in begrijpelijke vorm medegedeeld te krijgen'.

5.21. Voor zover onderdeel 3 verdere klachten inhoudt, delen die het lot van de hierboven besproken subonderdelen en behoeven zij geen afzonderlijke bespreking.

5.22. Onderdeel 4 keert zich met een rechts- en motiveringsklacht tegen 's hofs verwerping (in rov. 4.10.5) van het verweer van Dexia dat de bandopnamen van de telefoongesprekken geen bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp vormen en ook niet bestemd zijn om te worden opgenomen in een bestand, zodat deze bandopnamen op grond van artikel 2 lid 1 Wbp buiten het bereik van de Wbp zouden vallen.

5.23. Zoals al eerder vermeld, bepaalt art. 2 lid 1 Wbp dat deze wet van toepassing is op de geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, alsmede de niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die in een bestand zijn opgenomen of die bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Het begrip 'bestand' is in art. 1 sub c Wbp gedefinieerd als 'elk gestructureerd geheel van persoonsgegevens (...) dat volgens bepaalde criteria toegankelijk is en betrekking heeft op verschillende personen.'

Zijdens [verweerder] is in cassatie betoogd dat het hof terecht ervan is uitgegaan dat de opgenomen telefoongesprekken onder de Wbp vallen, omdat de bandopnamen van telefoongesprekken als 'geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens' dienen te worden gekwalificeerd, waardoor deze gelet op art. 2 lid 1 Wbp per definitie onder de Wbp vallen. Aan (nadere) vereisten die worden gesteld aan het begrip 'bestand' behoeft - aldus [verweerder] in cassatie - niet te worden voldaan, omdat die slechts van toepassing zijn in het geval sprake is van niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens.(89)

Dit betoog gaat m.i. niet op, nu het eraan voorbij ziet dat de term 'geautomatiseerde gegevensverwerking' impliceert dat dergelijke gegevens - door middel van een zoekfunctie - raadpleegbaar zijn,(90) terwijl er in cassatie niet van kan worden uitgegaan dat dat bij de bandopnamen van Dexia het geval is (vgl. ook 4.11.3). Dat - wil er sprake zijn van geautomatiseerde gegevensverwerking - deze gegevens op de een of andere manier raadpleegbaar moeten zijn, blijkt ook uit de - zijdens [verweerder] in cassatie geciteerde - wetsgeschiedenis van art. 2 Wbp:

'Cassettebandjes, film- of videobanden, grammofoonplaten, televisie etc. zijn vormen van dergelijke vormen van klassieke vastlegging van informatie. Niet relevant is of het gaat om stilstaande of bewegende beelden. Zodra evenwel het materiaal min of meer toegankelijk is voor latere raadpleging (cursivering toegevoegd; A-G), is het wetsvoorstel van toepassing. Het gaat daarbij telkens om geluid of beeld waaraan bepaalde informatie omtrent een persoon kan worden ontleend. Een geluidsband bijvoorbeeld waarop een stem van een bepaalde persoon herkenbaar is, ook al is deze band niet voorzien van een naam, is ook informatie over die persoon.'(91)

5.24. Resteert (dus toch) de vraag of de opgenomen telefoongesprekken een bestand in de zin van art. 1 sub c vormen of bestemd zijn om te worden opgenomen in een dergelijk bestand.

De bandopnamen kunnen eerst als een bestand worden gekwalificeerd indien zij voldoen aan de eisen van (i) een 'gestructureerd geheel' dat (ii) 'volgens bepaalde criteria toegankelijk' is en (iii) 'betrekking heeft op verschillende personen'. Dit laatste vereiste levert geen problemen op. Volgens Dexia voldoen de bandopnamen daarentegen niet aan de eerste twee hiervoor genoemde vereisten. Dit blijkt uit hetgeen zij terzake van de bandopnamen van telefoongesprekken heeft gesteld: (i) Dexia zou eerst - aan de hand van de door een cliënt/verzoeker op te geven data - de banden moeten traceren waarop - mogelijk - telefoongesprekken met hem zijn te vinden; (ii) Dexia zou vervolgens de gehele betreffende banden moeten afluisteren om de gesprekken met die bepaalde cliënt/verzoeker te kunnen vinden; (iii) Dexia zou terzake namelijk niet beschikken over een 'zoekfunctie'.(92)

5.25. Daarmee neemt Dexia in wezen het standpunt in dat het voor haar (onevenredig) bezwaarlijk is om aan verzoeken ex art. 35 Wbp tot inzage in bandopnamen van telefoongesprekken tegemoet te komen. Maar dat is voor de beoordeling aan de hand van het criterium van art. 35 Wbp de vraag niet. Bovendien volgt, zoals al eerder vermeld, uit (art. 8.5.3 van) de Gedragscode dat banken als Dexia technische en organisatorische voorzieningen behoren te treffen om opgenomen telefoongesprekken (en andere gegevens betreffende opgenomen telefoongesprekken) zonodig te kunnen traceren en reconstrueren. Indien en voorzover Dexia aan dit voorschrift reeds heeft voldaan, kunnen de bandopnamen zonder meer worden gekwalificeerd als een bestand in de zin van art. 1 sub c Wbp. Niet voor redelijke twijfel vatbaar acht ik dat de bandopnamen in dat geval voldoen aan de drie vereisten die aan een 'bestand' worden gesteld.

Mocht Dexia dergelijke technische en organisatorische voorzieningen (nog) niet hebben getroffen, dan laat dat m.i. onverlet dat de bandopnamen wél bestemd zijn om in een bestand te worden opgenomen.(93) Het mag immers niet zo zijn dat Dexia de gegevens wél kan 'oproepen' als het haar uitkomt (bijvoorbeeld in een civiele procedure) en dat - indien een betrokkene inzage in de tussen hem en Dexia gevoerde (opgenomen) telefoongesprekken verzoekt - deze mogelijkheid opeens niet bestaat.(94) Een organisatie met veel cliënten - zoals Dexia - moet m.i. bedacht zijn (lees: ingericht zijn) op een groot aantal verzoeken ex art. 35 Wbp. Is zij dat niet, dan kan zij zich niet op een later moment - ten nadele van de betrokkenen - verschuilen achter de 'bezwaarlijkheid' van het tegemoet komen aan dergelijke verzoeken; ook niet als het de verzoeken tot inzage in opgenomen telefoongesprekken betreft.

5.26. Tegen de achtergrond van het voorgaande acht ik 's hofs oordeel juist en voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ook het hof is kennelijk van oordeel dat voor zover de bandopnamen van telefoongesprekken nog niet zijn ontsloten (lees: voor zover Dexia nog niet zou hebben voldaan aan het eerder genoemde voorschrift van art. 8.5.3 in de Gedragscode), deze bandopnamen wél bestemd zijn om in een bestand te worden opgenomen. Dit lees ik in 's hofs overwegingen (aan het slot van rov. 4.10.5):

'Dexia stelt wel dat deze banden niet gestructureerd en niet gemakkelijk toegankelijk zouden zijn, maar daar staat tegenover dat zij de banden desondanks bewaart met het oog op haar procespositie en deze dus als bewijs kan gebruiken tegen haar cliënten. Het hof gaat er daarom, anders dan de rechtbank, van uit dat de banden een ontsluiting hebben waardoor deze volgens bepaalde criteria toegankelijk zijn.'

Onderdeel 4 faalt derhalve.

5.27. Onderdeel 5 richt zich tegen rov. 4.10.10, waarin het hof toepassing geeft aan art. 46 lid 6 Wbp door Dexia te verzoeken een aantal - in die rov. genoemde - schriftelijke inlichtingen en onder Dexia berustende stukken in te zenden. In het dictum heeft het hof Dexia verzocht deze schriftelijke inlichtingen en kopieën van stukken ook in afschrift naar [verweerder] te sturen.

5.28. Voordat ik de klacht(en) weergeef, zal ik eerst art. 46 lid 6 Wbp en het daarin genoemde art. 8:29 Algemene wet bestuursrecht citeren:

Art. 46 lid 6 Wbp:

'De rechtbank kan [in een verzoekschriftprocedure als de onderhavige; toevoeging A-G] partijen en anderen verzoeken binnen een door haar te bepalen termijn schriftelijke inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. De verantwoordelijke en belanghebbende zijn verplicht aan dit verzoek te voldoen. De artikelen [...] en 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.'

Art. 8:29 Awb:

'1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2. [...]

3. De rechtbank beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de rechtbank heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5. Indien de rechtbank heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan zij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.'

5.29. De in onderdeel 5 vervatte klachten betogen dat 's hofs - op art. 46 lid 6 Wbp - gebaseerde verzoek (i) de facto reeds een toewijzing van een deel van het oorspronkelijk door [verweerder] gevorderde inhoudt en (ii) bovendien een verwerping bij voorbaat van Dexia's mede als gewichtige bezwaren in de zin van art. 8:29 Awb te kwalificeren respectievelijk te herformuleren verweren (waarmee Dexia doelt op de verweren (i) dat [verweerder] geen recht heeft op afschriften en (ii) dat Dexia een beroep toekomt op art. 43 sub e Wbp). Hiermee zou het hof blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en zou het een onbegrijpelijke althans onvoldoende gemotiveerde beslissing hebben gegeven.

5.30. M.i. faalt het onderdeel. Aan Dexia kan worden toegegeven dat de door het hof in rov. 4.10.10 gegeven instructiemaatregel inhoudelijk neerkomt op een gedeeltelijke toewijzing van het door [verweerder] gevorderde. Onderdeel 5 maakt echter niet duidelijk wat hierop tegen is, zodat de klacht in zoverre reeds faalt. Voor zover het onderdeel nog betoogt dat het hof - kort gezegd - een onjuiste en/of onbegrijpelijke toepassing heeft gegeven aan art. 46 lid 6 Wbp jo. art. 8:29 Awb, faalt het wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de hierboven geciteerde artikelen blijkt dat Dexia, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken kan weigeren. De beslissing van de rechter of een dergelijke weigering al dan niet gerechtvaardigd is, betreft een tussenbeslissing.(95) De tussenbeschikking van het hof is echter van geheel andere aard. Het hof heeft zijn op art. 46 lid 6 Wbp gebaseerde verzoek gedaan nadat hij (in rov. 4.9.1) had geconcludeerd dat het beroep van Dexia op misbruik van recht en art. 43 sub e Wbp niet opging en [verweerder] voldoende belang had bij zijn verzoek ex art. 35 Wbp. Nu - met andere woorden - de verweren van Dexia niet opgingen, diende Dexia - aldus het hof - aan [verweerder] een volledig overzicht in begrijpelijke vorm als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp te verstrekken. Dat overzicht moet volgens het hof voldoende concreet zijn om de betrokkene in staat te stellen om zijn recht tot correctie en verwijdering te effectueren (zie rov. 4.9.2. van het bestreden arrest). Teneinde te kunnen beoordelen in hoeverre Dexia voldoet aan haar informatieplicht uit art. 35 Wbp, heeft het hof vervolgens de in rov. 4.10.10. bedoelde inlichtingen verzocht. Toen het hof aan deze instructie toekwam, had hij de voorvragen - (i) of het verzoek ex art. 35 Wbp recht geeft op kopieën en (ii) of de rechtbank terecht had geoordeeld dat Dexia geen beroep op de weigeringsgrond als bedoeld in art. 43 sub e toekwam - reeds bevestigend beantwoord. Dexia had deze voorvragen niet verpakt in de vorm van 'gewichtige redenen' voor het weigeren van het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken, maar opgeworpen in de vorm van grieven (1 en 4) tegen de beschikking van de rechtbank. Zoals hiervoor - bij de bespreking van de middelonderdelen 2 en 3 - is gebleken, heeft het hof deze grieven m.i. terecht verworpen. Bovendien kon Dexia naar aanleiding van de tussenbeslissing van het hof alsnog op de voet van art. 46 lid 6 Wbp jo. art. 8:29 lid 1 Awb daartegen bezwaar maken, door het aanvoeren van gewichtige redenen tegen 's hofs verzoek aan Dexia tot het geven van inlichtingen.(96) Daarmee stuiten de klachten (ook) af op art. 399 Rv.

5.31. Onderdeel 6 keert zich tegen rov. 4.10.11 voor zover het hof aldaar overweegt dat notities van persoonsgegevens die bij derden of bij [verweerder] zelf zijn opgevraagd vallen 'onder het recht op kennisneming ingevolge art. 35 Wbp'. Het middel klaagt allereerst dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, indien hij tot uitgangspunt heeft genomen dat de Wbp ook op dit soort notities van toepassing is zonder dat die notities onderdeel uitmaken van een bestand (in de zin van art. 1 sub c Wbp).

5.32. Deze klacht faalt m.i. wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het is juist dat de Wbp in het geval van handmatig verwerkte gegevens(97) slechts van toepassing is indien deze gegevens zijn opgenomen in een bestand of zijn bestemd om in een bestand te worden opgenomen. Dit volgt uit art. 2 lid 1 Wbp, welke bepaling de werkingssfeer van de Wbp weergeeft.

M.i. heeft het hof het toepassingsbereik van de Wbp goed onder ogen gezien. In rov. 4.10.11. heeft het overwogen (cursivering van mij, A-G):

'Evenmin zal het hof Dexia verzoeken om kopieën over te leggen van interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van Dexia bevatten en die uitsluitend zijn bedoeld voor intern overleg en beraad, aangezien [verweerder] daarop geen recht heeft (vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003, 491 en artikel 2 lid 2 sub a Wbp). Dat wordt anders als deze notities in een bestand worden opgenomen. Het hof merkt op dat onder bovenbedoelde interne notities niet kunnen worden begrepen notities van persoonsgegevens die Dexia bij derden heeft opgevraagd zoals bij het BKR, of notities van persoonsgegevens die Dexia heeft opgevraagd bij [verweerder] zelf, bijvoorbeeld in verband met het opstellen van zijn cliëntenprofiel. Laatstbedoelde notities vallen dus wél onder het recht op kennisneming ingevolge artikel 35 Wbp.'

Hoewel deze overwegingen wellicht (tevens) aldus zouden kunnen worden gelezen dat het hof het bestandscriterium niet van toepassing acht op 'notities van persoonsgegevens die Dexia bij derden heeft opgevraagd of notities van persoonsgegevens die Dexia heeft opgevraagd bij [verweerder] zelf', meen ik dat het hof dit niet zo heeft bedoeld. Mijn lezing van rov. 4.10.11 vindt bevestiging in 's hofs (eerdere) overweging (4.10.5) ten aanzien van de vraag of bandopnamen van telefoongesprekken al dan niet een bestand vormen of bestemd zijn om te worden opgenomen in een bestand. In die context had het hof immers al ervan blijk gegeven bewust te zijn van de werkingssfeer van de Wbp.

5.33. Tegen deze achtergrond dient 's hofs oordeel - dat de betreffende notities onder het recht op kennisneming in de zin van art. 35 Wbp vallen - kennelijk aldus te worden gelezen dat het hof doelt op notities voor zover deze (reeds) deel uitmaken van een bestand of bestemd zijn om daarin te worden opgenomen. Daarom faalt m.i. ook bij gebrek aan feitelijke grondslag de andere klacht vervat in onderdeel 6, waarmee wordt betoogd dat 's hofs oordeel tevens onjuist is, althans onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd indien het hof mocht menen dat voor dit soort notities zou gelden dat zij naar hun aard van een bestand deel uitmaken of bestemd zijn om in dat bestand te worden opgenomen. Ten overvloede merk ik op dat uit de eerder geciteerde MvT bij art. 1 sub c blijkt dat in ieder geval niet als bestanden zijn aan te merken de 'dossierverzamelingen die uitsluitend bestaan uit een hoeveelheid op alfabet gerangschikte dossiers, met losse aantekeningen en min of meer chronologisch geordende documenten van velerlei aard.'(98) Zodra echter sprake is van een mogelijkheid om een op zich ongestructureerde dossierverzameling met behulp van enige vorm van automatisering te ontsluiten, is er toch sprake van een gestructureerd bestand waarbij de structuur dan door de parallelle 'vorm van automatisering' wordt gevormd.(99) Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof uitgegaan van de mogelijkheid dat de door hem bedoelde notities reeds door middel van enige 'geautomatiseerde' methode boven tafel te krijgen en dus te ontsluiten zijn.

5.34. Onderdeel 1. Nu hiervoor is gebleken dat naar mijn mening de onderdelen 2 en 4 falen, moet dit voorwaardelijk voorgestelde onderdeel alsnog aan bod komen.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend, althans buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door ondanks het ontbreken van grieven terzake zijdens [verweerder] in te gaan op de (door de rechtbank ontkennend beantwoorde) vragen of art. 35 Wbp recht geeft op kopieën en afschriften van gegevensdragers, en te beslissen dat [verweerder] recht heeft op en belang heeft bij een kopie/afschrift van de door hem met Dexia gesloten overeenkomst en van andere stukken alsmede de transcripties van door Dexia met hem gevoerde en opgenomen telefoongesprekken.(100)

5.35. De devolutieve werking van het hoger beroep houdt in dat de behandeling van de zaak door hoger beroep in te stellen in beginsel geheel wordt afgewenteld op de appelrechter. De devolutieve werking van het appel kent twee kanten: een positieve en een negatieve. De positieve zijde van de devolutieve werking is, dat in eerste aanleg aan de orde gestelde maar nog niet behandelde en niet prijsgegeven stellingen door de appelrechter moeten worden behandeld. De negatieve zijde van de devolutieve werking houdt in dat de taak van de rechter in hoger beroep in beginsel is beperkt tot datgene wat in hoger beroep door middel van (tijdige) grieven tegen de bestreden uitspraak is ingebracht. Het onderdeel betoogt dat het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking heeft miskend. Om deze klacht te kunnen beoordelen dient eerst de beslissing van de rechtbank te worden 'opgehaald'.

5.36. De rechtbank had Dexia - zoals als eerder in 3.4 vermeld - in haar beschikking bevolen om aan [verweerder] een schriftelijk overzicht als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp te verstrekken (met inachtneming van hetgeen de rechtbank hieromtrent overigens in haar beschikking had overwogen). Volgens de rechtbank hoefde Dexia niet alle gegevens waarom [verweerder] had verzocht in zijn brief van 14 september 2004 te verstrekken. Zo overwoog de rechtbank in rov. 4.3.9 dat in het recht op informatie als bedoeld in art. 35 lid 2 Wbp niet het recht op kopieën besloten ligt, zodat [verweerder] volgens haar geen recht heeft op een kopie van de overeenkomst (rov. 4.3.9) en evenmin op de verzochte afschriften van dividendenuitkeringen (rov. 4.3.12). Ten aanzien van de verzochte aankoopbewijzen van aandelen oordeelde de rechtbank dat deze buiten het bereik vallen van de Wbp, omdat zij geen persoonsgegevens in de zin van art. 1, aanhef en onder a Wbp vormen (rov. 4.3.11). Ten aanzien van de verzochte schriftelijke uitwerking van de opgenomen telefoongesprekken oordeelde de rechtbank (in rov. 4.3.14) dat de bandopnamen buiten het bereik vallen van de Wbp, omdat zij geen bestand vormen in de zin van art. 2 lid 1 Wbp (rov. 4.3.14).

5.37. Naar aanleiding van het hiertegen door Dexia ingestelde hoger beroep heeft het hof in zijn beschikking - kort gezegd - een ruimere uitleg gegeven aan het door Dexia aan [verweerder] te verschaffen 'overzicht in begrijpelijke vorm'. Zo heeft het hof (zonder dat [verweerder] terzake grieven had opgeworpen(101)) geoordeeld dat in het recht op inzage als bedoeld in art. 35 Wbp het recht op kopieën en afschriften van persoonsgegevens (waaronder o.m. het recht op transcripties van opgenomen telefoongesprekken) besloten ligt, behoudens door Dexia te stellen bijzondere omstandigheden; dat [verweerder] ook belang heeft bij de verstrekking van de bedoelde kopieën en transcripties en dat in het algemeen niet kan worden volstaan met een samenvatting van die persoonsgegevens, zonder de precieze context en de details van de verwerking ervan. Aan- en verkopen van aandelen, dient Dexia (volgens 's hofs rov. 4.10.10 onder 3 in verbinding met rov. 4.10.3 in fine) wel te vermelden op het overzicht ex artikel 35 lid 2 Wbp, indien Dexia in verband hiermee persoonsgegevens van [verweerder] zou hebben verwerkt.

Met dit een en ander heeft het hof de regel miskend dat de uitspraak (in appel) voor de appellant - in vergelijking met wat hij in eerste aanleg verkreeg - niet tot een ongunstiger resultaat mag leiden en is hij dus (inderdaad) buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.(102) Dit betekent dat middelonderdeel 1 slaagt.

5.38. De aard van deze procedure, waarbij ik in aanmerking neem de blijkens het ontbreken van de verplichting tot procureurstelling door de wetgever bedoelde 'laagdrempeligheid' voor de (in casu te [woonplaats] wonende) verzoeker, en ook de omstandigheid dat het Bossche hof de zaak goed 'kent', brengen mij ertoe om de Hoge Raad in overweging te geven om, bij vernietiging, de zaak terug te verwijzen naar hetzelfde hof.

6. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en verwijzing.

De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Ontleend aan G.J. Zwenne en J. Webbink, De winstverdubbelaar en de WBP: over de reikwijdte en inhoud van het kennisnemingsrecht van art. 35, P&I 2006, afl. 1, p. 2.

2 Zie over de stand van die zaken in het algemeen de brief van de minster van financiën aan de Tweede Kamer d.d. 25 oktober 2006, Kamerstukken II (2006-2007), 28965, nr. 19. Daarin valt onder meer te lezen over de ca. 4.500 bij de rechtbank te Amsterdam aanhangige zaken, die geschorst zijn in afwachting van de tegen eind 2006 verwachte uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam over (al dan niet) algemeen-verbindverklaring van de zgn. Duisenberg-regeling op basis van de Wet collectieve afwikkeling massaschade.

3 De beschikking a quo in deze zaak is gepubliceerd in Computerrecht 2006, nr. 103, p. 223 met commentaar van J.P. van Schoonhoven op pp. 200-205.

4 Ontleend aan rov. 4.2.1 van de bestreden beschikking.

5 Ontleend aan rov. 4.2.4. van de bestreden beschikking.

6 Zie rov. 4.3.9 en 4.3.12 van de beschikking van de rechtbank.

7 Zie rov. 4.3.11 en 4.3.14 van de beschikking van de rechtbank. De rechtbank voegde in rov. 4.3.14 echter hieraan toe dat e.e.a. anders is met telefoongesprekken die op digitale of schriftelijke wijze zijn vastgelegd en persoonsgegevens bevatten. Deze vallen volgens de rechtbank wél onder het bereik van de Wbp, zodat daarvan melding dient te worden gemaakt in het door Dexia te verstekken overzicht.

8 Uit de bestreden beschikking van de rechtbank blijkt niet van een veroordeling tot enige betaling. Mogelijk heeft Dexia hier bij vergissing een deel van het petitum uit een andere zaak gekopieerd.

9 Vlg. 's hofs rov. 2.5 van de bestreden beschikking.

10 Het rekest, gericht tegen de beschikking van 16 januari 2006, is per fax ter griffie van de Hoge Raad ontvangen op dinsdag 18 april 2006 en in gewone schriftelijke vorm op 19 april 2006; op 16 en 17 april vielen 1e resp. 2e Paasdag.

11 Stb. 302, zoals nadien gewijzigd, laatstelijk bij de wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 24. Ik vermeld hier reeds drie boeken over de Wbp: J.E.J. Prins & J.M.A. Berkvens (red.), Privacyregulering in theorie en praktijk, 3e druk 2002; J.M.A. Berkvens & R.J.M. van der Horst, Wet bescherming persoonsgegevens, Leidraad voor de praktijk (losbladige uitgave Kluwer), en (recent verschenen) S.M. Huydecoper (red.),Wet bescherming persoonsgegevens en ICT, 2006, waarin hoofdstuk 2 geheel gewijd is aan de Wbp.

12 PbEG L281/31.

13 's Hofs beslissing in rov. 2.3 van de bestreden beschikking - dat [verweerder] ook in hoger beroep zonder advocaat of procureur kan procederen (waartegen overigens geen klacht is gericht) - lijkt mij juist. Weliswaar bepaalt art. 46 lid 4 WBP (slechts) dat de indiening van een verzoekschrift, als bedoeld in leden 1 en 2, bij de rechtbank niet door een procureur behoeft te geschieden, hetgeen de vraag oproept of e.e.a. ook geldt in hoger beroep, maar uit de wetsgeschiedenis kan m.i. worden afgeleid dat art. 46 lid 4 geen andere betekenis heeft dan haar voorloper: art. 34 lid 6 WPR (zie TK 1997/1998, 25892, nr. 3, p. 175). Art. 34 lid 6 WPR bepaalde dat de verzoekschriftprocedure van toepassing was, maar niét art. 429d Rv (oud; thans art. 278 Rv.), zodat verplichte procureursbijstand niet werd voorgeschreven. Dat het hof bij zijn oordeel dat [verweerder] ook in hoger beroep zonder procureur kan optreden heeft verwezen naar HR 22 november 2002, NJ 2003, 229, (een zaak die ziet op een verzoek tot wijziging van persoonsgegevens in de politieregisters) valt te verklaren uit het feit dat art. 23 lid 2 Wet politieregisters (oud) art. 34 lid 6 WPR (oud) van overeenkomstige toepassing verklaarde. Uw Raad heeft in genoemde zaak geoordeeld dat in een verzoekschriftprocedure ex art. 23 Wet politieregisters zowel in eerste aanleg als in hoger beroep geen verplichting tot procureursstelling bestaat. Thans luidt art. 23 lid 6 Wet politieregisters net als art. 46 lid 4 WBP: 'De indiening van een verzoekschrift behoeft niet door een procureur te geschieden.' Tegen de achtergrond van het voorgaande betekent dit m.i. dus niet dat deze bepaling beperkter moet worden opgevat dan hetgeen werd voorgeschreven door art. 34 lid 6 WPR (oud).

14 Kamerstukken II 1997-1998, 25 892, nr. 3, pp. 53-55. (De MvT bij het 83 artikelen tellend ontwerp besloeg zo'n 200 pagina's).

15 De Registratiekamer was de voorganger van het huidige College bescherming persoonsgegevens (art. 51 Wbp).

16 Zie (de Engelstalige) par. 27 van de considerans, waaruit blijkt dat, wat de niet-automatische verwerking van persoonsgegevens betreft, het aan de bevoegdheid van de lidstaten is overgelaten de regeling van de verschillende criteria die de elementen van een gestructureerd geheel van persoonsgegevens bepalen. In mijn conclusie voor HR 3 juni 2005, R04/072, LJN AT1093 (onder 4.8) heb ik de betreffende passage uit de considerans geciteerd.

17 Vgl. de MvT bij w.v. 13872 ('Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de grondrechten'), TK 1975-1976, p. 42: 'De grote en niet altijd voorzienbare mogelijkheden van aantasting van de persoonlijke levenssfeer door het vastleggen van persoonsgegevens roept de vraag op of moet worden bevorderd dat de burger voor zijn belangen ter zake kan opkomen, in dier voege dat hij ervan kan kennis nemen welke gegevens over hem zijn vastgelegd en dat hem de gelegenheid tot verbetering wordt geboden.'

18 MvT bij w.v. 25 892, TK 1997-1998, nr 3, pp. 9-10, 18-20, 157.

19 Uit de MvT blijkt dat art. 35 Wbp aansluit bij art. 29 WPR (zie TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, pp. 157-158).

20 TK 1986-1987, 19 095, nr. 6, pp. 57-58.

21 Rank en Haasjes verwijzen - ter ondersteuning van hun standpunt dat een betrokkene bij een verzoek om inzage geen recht heeft op afschriften/kopieën van documenten waarin zijn persoonsgegevens zijn opgenomen - naar een andere passages uit de WPR-wetsgeschiedenis: het antwoord van de minister van justitie op een Kamervraag van het Eerste Kamerlid Wagemakers (W.A.K. Rank en A.J. Haasjes, Misbruik van de Wbp in civiele procedures tegen financiële instellingen, Tijdschrift voor financieel recht 2005, p. 372). Deze verwijzing biedt m.i. evenwel geen steun voor hun opvatting, omdat de betreffende discussie tussen de minister en Wagemakers duidelijk op een misverstand berustte. Wagemakers begreep dat de minister betoogde dat indien iemand zich tot een bank wendt met de vraag welke informatie de bank van hem heeft, de bank volgens de minister dan niet alleen de actuele informatie zou moeten geven maar ook alles wat in het archief ter zake voorkomt. Uit het antwoord van de minister blijkt dat er sprake was van een communicatiestoring: 'Nee, want de informatie waarover wij spreken, is niets anders dan het historisch verloop van de rekening-courant, waarvan iedereen zelf alle gegevens altijd thuisgestuurd gekregen heeft. Als iemand een kredietdossier heeft laten aanleggen, is dat een ander verhaal. Maar dit dossier pleegt dan, zolang de desbetreffende kredietrelatie duurt, in het actuele bestand voorhanden te zijn. Ik had het gevoel dat de heer Wagemakers informeerde naar de situatie waarin een cliënt in een simpele, eenvoudige rekeningcourantrelatie staat tot de bank en de bank beleefdheidshalve dagafschriften naar de cliënt stuurt, zodat hij weet of hij rood staat of niet. (...) Als de cliënt vraagt welke gegevens de bank heeft, dan is het antwoord van de bank: Niet meer dan wat wij u nu al jaar en dag eens per week toesturen' (EK 1987-1988, 19 095, nr. 14, pp. 589-590).

Van den Bergen meent daarentegen dat de wetsgeschiedenis van de WPR aanknopingspunten biedt voor het standpunt dat het recht op inzage wél het recht op kopieën omvat. Daartoe verwijst hij naar de volgende passage: 'De omstandigheid dat de geregistreerde recht heeft op een volledig overzicht, staat er verder niet aan in de weg dat hij zijn verzoek op bepaalde gegevens kan toespitsen. Evenzo is het denkbaar, dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gegevens die zonder meer en gegevens die, omdat zij moeilijker bereikbaar zijn, alleen op daartoe strekkend verzoek worden verstrekt. Daarover zal dan wel voldoende openheid moeten bestaan. Op deze wijze zal in de praktijk een redelijk evenwicht kunnen worden gevonden, zonder dat aan de rechten van de geregistreerde afbreuk wordt gedaan.' (A.J.E. van den Bergen, De Wet bescherming persoonsgegevens in de financiële procespraktijk, Tijdschrift voor financieel recht 2005, p. 304).

22 Dat dit niet in dezelfde mate geldt voor herkomst van de gegevens, blijkt al uit art. 35 lid 2 (in fine).

23 Thans bepaalt art. 39 Wbp dat de verantwoordelijke voor een bericht als bedoeld in art. 35 Wbp een kostenvergoeding van de betrokkene (die een inzage verzoek heeft gedaan) kan verlangen. Conform het Besluit kostenvergoeding rechten betrokkene Wbp (Stb. 2001, 305) bedraagt de vergoeding € 0,23 per pagina, met een maximum van € 4,50 per bericht. Dit maximum geldt ook wanneer een bericht op een andere gegevensdrager dan papier wordt verstrekt. Wanneer het afschrift meer beslaat dan 100 pagina's of bestaat uit een afschrift van een, vanwege de aard van de verwerking, moeilijk toegankelijke gegevensverwerking, mag een maximum bedrag worden gevraagd van € 22,50.

24 'U spreekt met Verkade', of omgekeerd 'Dag meneer Verkade/spreek ik met meneer Verkade'.

25 Vgl. 's hofs rov. 4.7.3.

26 Omdat de CAO-norm bij de uitleg van een schriftelijke overeenkomst meer in aanmerking komt in het geval niet beide partijen bij de totstandkoming daarvan betrokken zijn geweest. niet II, 2005, nrs.aarvan tot de Haviltex-norm In HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493, m.nt. C.E. du Perron, heeft de Hoge Raad een nadere invulling gegeven aan deze uitlegmethode. Zie over de CAO-maatstaf (en de verhouding tot de zgn. Haviltex-norm) voorts: Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nrs. 286a en 286b.

27 Daargelaten dat het onaannemelijk is dat het CBP in zo'n geval de verklaring ex art. 25 zal geven.

28 De Gedragscode is (o.m.) te raadplegen op de website van het College Bescherming Persoonsgegevens: www.cbpweb.nl. onder 'wetten en zelfregulering'; 'Gedragscodes'. Zij is ook opgenomen in Berkvens & Van der Horst, a.w. (voetnoot 11) onder VI.B.2.

29 Het CBP heeft op 27 januari 2003 verklaard dat deze Gedragscode een juiste uitwerking vormt van de Wbp en andere wettelijke bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens (zie Stcrt. 2003, 23, p. 16).

30 De teksten van de hier genoemde wetten kunnen worden gevonden op de website van de Europese Commissie: www.ec.europa.eu ; interne markt; protection of rights; data protection; status of implementation of Directive 95/46/EC.

31 Durant vs. FSA; Case No: B2/2002/2636 van 8 december 2003; zie over deze uitspraak nader J.M.A. Berkvens, Durant vs. FSA, Privacy & Informatie, 2004 (3), pp. 110-113.

32 In lid 3 van paragraaf 34 staat dat 'Die Auskunft schriftlich wird erteilt, soweit nicht wegen der besonderen Umstände eine andere Form der Auskunfterteilung angemessen ist.'

33 Loi nº 78-17 van 6 januari 1978, als gewijzigd door Loi nº 2004-801 van 6 augustus 2004.

34 Althans onder het laatste lid (5) van art. 39.

35 Ley Orgánica 15/1999 de 13 diciembre de Proteccion de Datos de Caractér Personal.

36 TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 171.

37 Vgl. nrs. 3.30 en 3.32 van het verweerschrift in cassatie.

38 TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 171.

39 Zie art. 51 Wbp.

40 Deze brief is als productie 10 bij het verweerschrift van Dexia (in eerste aanleg) overgelegd. De brief van 3 september 2004 is tevens op internet te raadplegen: www.cbpweb.nl. (kenmerk: z2003-1617). Het CBP heeft zijn standpunt ten aanzien van de wijze waarop Dexia aan de inzageverzoeken ex art. 35 Wbp voldoet nader onderbouwd in een brief (aan Dexia) van 13 oktober 2004 (kenmerk: z2003-1617). Deze brief is eveneens te vinden op voormelde website (zie ook bijlage 12 bij het verweerschrift van Dexia in eerste aanleg).

41 Zie p. 3 van de brief van het CBP aan Dexia van 13 oktober 2004. Deze brief is zoals al eerder opgemerkt eveneens te vinden op www.cbp.web.nl (en als bijlage 12 bij het verweerschrift van Dexia in eerste aanleg overgelegd).

42 Zie p. 12 van de brief van 3 september 2004.

43 Zie p. 2 van de eerder genoemde brief van 13 oktober 2004.

44 Zie p. 14 van de brief van 3 september 2004.

45 Zie hiervoor 2.6; [verweerder] heeft de brief waarbij het CBP hem naar de rechter heeft verwezen als bijlage 1 bij zijn verzoekschrift d.d. 26 november 2004 overgelegd.

46 Ik wijs in dit verband ook op EHRM 7 juli 1989, NJ 1991, 659, m.nt. EJD (Gaskin), waarin - kort samengevat - een inzagerecht in het eigen kinderbeschermingsdossier op basis art. 8 EVRM aan de orde was, en waarbij de toekenning van dat recht niet afhankelijk werd gesteld van een wens tot eventuele rectificatie.

47 Dat de verzoeker in casu daarop geen aanspraak kon maken, doet aan bovenstaande vooropstelling niet af.

48 Ik kan terzijde nog wijzen op HR 3 juni 2005 (R04/072; A./Stichting Sint Jans Gasthuis). Die zaak betrof de vraag of een bepaald dossier, waarvan inzage was gevraagd, onder de werkingssfeer van de Wbp viel (des neen).

49 Zie voor in sommige opzichten uitgebreidere besprekingen van de verschillende gerechtelijke uitspraken in Dexia-zaken de eerder genoemde artikelen Van den Bergen, Tijdschrift voor financieel recht 2005, pp. 296-306, Rank/Haasjes, Tijdschrift voor financieel recht 2005, pp. 370-379, Holvast, Computerrecht 2005, pp. 323-327 (annotatie), Zwenne/Webbink, P&I 2006, pp. 2-8 en Van Schoonhoven, Computerrecht 2006, pp. 200-205.

50 JOR 2006, 129, m.nt. P.J. van der Korst. Dexia verwijst in het verzoekschrift tot cassatie (in voetnoot 24) naar rov. 4.5 van een andere - op diezelfde datum gegeven - beschikking van het hof Arnhem (rekestnr. 595/2005). Aldaar overwoog het hof Arnhem inderdaad dat het recht op inzage geen recht op kopieën geeft. Het hof voegde hieraan echter wél toe dat indien het door Dexia verstrekte overzicht niet de benodigde informatie bevat op grond waarvan de betrokkene zich op behoorlijke wijze een oordeel kan vormen over de rechtmatigheid daarvan, de betrokkene alsnog kopieën kan opvragen.

51 Zie rov. 4.4. van die beschikking.

52 Zie rb. Almelo 14 februari 2005, JOR 2005, 75 (rov. 14)

53 Vgl. in dezelfde zin rov. 4.3.14 van de beschikking van de rechtbank Roermond in de onderhavige zaak en rb. Utrecht 12 januari 2005, NJF 2005, 93 (rov. 3.8), beide met de toevoeging dat dit anders is indien de telefoongesprekken op digitale of schriftelijke wijze zijn vastgelegd en persoonsgegevens betreffen.

54 Deze uitspraak van de rb. Almelo dateert ook van 14 februari 2005, LJN AS5909 (zie rov. 5.3).

55 Hof Amsterdam 10 november 2005, JOR 2006, 14.

56 JOR 2005, 124.

57 Zie voor de vindplaats van deze brief voetnoot 40

58 Overigens heeft het hof Amsterdam dit standpunt van het CBP in zijn eerder genoemde beschikking van 10 november 2005 (JOR 2006, 14) ook uitdrukkelijk van de hand gewezen (zie rov. 3.8).

59 Vgl. ook de in voetnoot 49 genoemde publicaties.

60 Rechtbank Amsterdam 19 mei 2005, Computerrecht 2005, nr. 49, p. 320, m.nt. J. Holvast.

61 Zie rov. 3.6 van deze uitspraak.

62 Rb. Zwolle 9 maart 2005, LJN AS9407 (rov. 4.8) en Rb. Rotterdam 20 mei 2005, LJN AT8525 (rov. 4.5.2). Uit Rb. 's-Hertogenbosch 31 maart 2005, LJN AT3148 - een zaak die zich buiten de 'Dexia-sfeer' afspeelde - kan m.i. worden afgeleid dat deze rechtbank dezelfde mening was toegedaan. In die zaak ging het om een verzoek tot het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal.

63 De niet gepubliceerde uitspraken hebben de zaaknummers BAN 03-1128, BAN 03-1072 en BAN 03-1131 en zijn online te raadplegen: www.platformaandelenlease.nl; uitpraken; uitspraken gedaan door de Geschillencommissie Bankzaken.

64 De Geschillencommissie voegde hier nog aan toe dat dit slechts geldt voorzover het Dexia krachtens art. 8.5.1 van de Gedragscode is toegestaan telefoongesprekken op te nemen en dat buiten deze bepaling vallende telefoongesprekken moeten worden gewist.

65 Vgl. ook voetnoot 49.

66 Rank/Haasjes, a.w. (noot 21, 2005), pp. 370-379.

67 Van den Bergen, a.w. (noot 21, 2005), pp. 296-306.

68 J.M.A. Berkvens, WBPerikelen; inzage, inzicht of overzicht?, Privacy & informatie, 2005 (3), p. 119-121.

69 Zwenne/Webbink, a.w. (noot 1, 2006), pp. 2-8.

70 Zie zijn noot onder Rb. Amsterdam 19 mei 2005 in Computerrecht, 2005, nr. 49, p. 325. Het betoog van Holvast - dat onder de WPR algemeen werd erkend dat het recht op inzage het recht op kopie(ën) inhield - grijpt terug op het commentaar van Holvast in de (oude) losbladige WPR, Verwante regelgeving bij art. 29, Wet politieregisters, aant. 1.3, waar staat dat 'een belangrijk verschil met de WPR [is] dat (op basis van de Wet politieregisters; toevoeging A-G) geen afschrift of kopie van de gegevens kan worden verkregen.'

71 Zie pp. 325-326 van de in de vorige voetnoot genoemde annotatie.

72 David Bainbridge, EC Data Protection Directive, 1996, p. 162.

73 Het onderdeel laat ruimte voor het recht op kopieën voor het geval zich bijzondere door de betrokkene te stellen en te onderbouwen omstandigheden voordoen (zie nr. 2.2.1 van het cassatiemiddel).

74 Aldaar gaf ik tevens aan welke documenten m.i. niet of niet zonder meer bij een 'volledig overzicht' behoeven te worden gevoegd: kort gezegd: duplicaten van geschriften waarvan aangenomen mag worden dat de betrokkene die reeds heeft.

75 Zie hiervoor de nrs. 4.23-4.24.

76 Tenzij een beroep op (een van) de weigeringsgronden als bedoeld in art. 43 Wbp opgaat, waarover hierna - bij de bespreking van onderdeel 3 - meer.

77 Zie art. 8.5.3 van de Gedragscode, zoals hiervoor onder 4.18 geciteerd.

78 Met deze 'escape-mogelijkheid' doelt het hof kennelijk op de in art. 43 Wbp genoemde weigeringsgronden. Middelonderdeel 3 stelt de vraag aan de orde of het hof Dexia's beroep op art. 43 sub e al dan niet terecht heeft verworpen.

79 Vgl. mijn bijdrage in Prins & Berkvens, Privacyregulering in theorie en praktijk, 3e druk 2002, pp. 69-73, alsmede de rechtspraak als vermeld in de 'oude' losbladige 'Wet persoonsregistraties - Leidraad voor de praktijk' bij art. 29 WPR (p. I.Art.29. Jur - 13 e.v.).

80 Zie Richtlijnconsiderans 41 (hiervoor in nr. 4.8 geciteerd). Vgl. het hof dat aan het slot van rov. 4.6.3 spreekt van een 'aan de betrokkene onvoorwaardelijk verleend recht op kennisneming van de verwerking van de hem betreffende persoonsgegevens.'

81 Zie TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 171.

82 Zie p. 3 van die eerder (in voetnoot 40) genoemde brief.

83 EHRM 26 april 1979, NJ 1980, 146 m.nt. EAA (Sunday Times), rov. 65.

84 In deze zin ook rb. Almelo 14 februari 2005, LJN: AS 5909; rov. 4.4, en J.P. van Schoonhoven, a.w. (zie noot 3), op p. 203.

85 Op basis van dit artikel kan een procespartij een vordering tot inzage of afschrift van bepaalde bescheiden indienen.

86 Zo moet het in geval van art. 843a Rv gaan om een rechtmatig belang en (ook daar) om bepaalde bescheiden.

87 Zie p. 2 van de brief van het CBP van 13 oktober 2004 (vindplaats in voetnoot 40).

88 Trb. 1988, 7.

89 Zie p. 16 van het verweerschrift in cassatie.

90 Vgl. ook de Grote Van Dale (14e druk) over het begrip 'automatiseren': '(mbt. gegevens, informatie) in computerbestanden opslaan en daarin opzoekbaar maken'.

91 Zie TK 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 71

92 Zie voor de vindplaatsen van deze stellingen nr. 4.2.1 in het cassatiemiddel.

93 Ik verwijs in dit verband naar Prins & Berkvens, a.w. (voetnoot 11), p. 84, waar in het kader van het onderscheid tussen geautomatiseerde bestanden en niet-geautomatiseerde verwerking van gegevens ten aanzien van de laatste categorie het volgende wordt opgemerkt: 'Voorts kan sprake zijn van een op zich ongestructureerde dossierverzameling. Zodra er sprake is van een mogelijkheid om een dergelijke verzameling met behulp van enige vorm van automatisering te ontsluiten is er toch sprake van een gestructureerd bestand waarbij de structuur door de parallelle "vorm van automatisering" wordt gevormd.'

94 Vgl. het standpunt van het CBP in deze: zoals al eerder, in nr. 4.27, opgemerkt acht het CBP het niet goed voorstelbaar dat Dexia wel kosten maakt en de faciliteiten heeft om gesprekken op te nemen, maar niet in staat is deze gesprekken gestructureerd terug te vinden en uit te luisteren. Het CBP gaat er daarom vanuit dat een zoekfunctie aanwezig zal zijn die de telefoongesprekken ontsluit op een wijze die de verzameling onder het bestandsbegrip van de Wbp brengt.

95 Zie T&C Awb (Borman), aant. 4 bij art. 8:29.

96 Vgl. ook het verweer dat zijdens [verweerder] op dit punt in cassatie is gevoerd (zie p. 17 en 18 van het verweerschrift in cassatie, onder 3.45 en 3.33).

97 Of - zoals art. 2 lid 1 Wbp het formuleert - 'niet geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens'.

98 Zie hiervoor nr. 4.5, waar ik deze andere passages uit de MvT bij art. 1 sub c Wbp heb geciteerd. Het oordeel van het CBP - dat Dexia ook interne notities dient te overleggen bij een verzoek om kennisneming, indien die notities de betrokkene als onderwerp hebben (zie hiervoor nr. 4.27) - lijkt mij tegen de achtergrond van de vereisten die aan het begrip bestand worden gesteld, té ruim geformuleerd.

99 Zie Prins & Berkvens, a.w. (voetnoot 11), p. 84.

100 Zie rov. 4.7.3 t/m 4.7.7 van de bestreden beschikking, alsmede rov. 4.10.10 (sub 2-4) voor zover het kopieën van 'andere stukken' betreft.

101 Hetgeen in de s.t. namens [verweerder] in nrs. 3.2-3.6 hieromtrent wordt opgeworpen, acht ik niet toereikend om tot een andere visie te komen.

102 Zie hierover bijv. Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (3e druk 2004), pp. 77-78.