Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ4087

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
00298/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ4087
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 3.1 WWM: voor wapens bestemde onderdelen en hulpstukken van wezenlijke aard. ‘s Hofs oordeel dat de schuifkolven met sluitveerstang en sluitveer i.c. zijn aan te merken als onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor wapens van cat. III en die van wezenlijke aard zijn a.b.i art. 3.1 WWM is onjuist, noch onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het hof als vaststaand heeft aangenomen dat genoemde onderdelen specifiek zijn bestemd voor een automatisch geweer, merk Heckler & Koch, voor o.m. model G3A4, en dat deze onontbeerlijk zijn om een vuurwapen volautomatisch en semi-automatisch te doen schieten. De WWM dwingt er niet toe slechts die onderdelen en hulpstukken te rekenen tot de onderdelen en hulpstukken van wezenlijke aard die staan opgesomd in onderdeel 3.1 Circulaire wapens en munitie 1997, terwijl (de Bijl. bij) de Richtlijn 91/477 EEG of de Europese overeenkomst inzake de controle op de verwerving en het bezit van vuurwapens door particulieren niet kunnen meebrengen dat een andere of beperktere maatstaf dient te worden aangelegd dan het hof heeft gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 67
NJ 2007, 95
RvdW 2007, 175
NJB 2007, 437
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00298/06

Mr. Wortel

Zitting:5 december 2006

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij bewezen is verklaard dat verzoeker zich heeft schuldig gemaakt aan een feit dat strafbaar is als "handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie", ter zake waarvan het Hof inbeslaggenomen voorwerpen, te weten wapenonderdelen, verbeurd heeft verklaard. Van andere inbeslaggenomen voorwerpen, eveneens omschreven als wapenonderdelen, is de teruggave aan verzoeker gelast.

2. Namens verzoeker heeft mr A.E.M. Röttgering, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

Bij aanvullende schriftuur heeft mr Röttgering, als nadere toelichting op het tweede middel, twee bladzijden overgelegd die deel zouden uitmaken van een uitspraak in een andere zaak.

3. De middelen bouwen alle voort op het in feitelijke aanleg gevoerde betoog dat de in de bewezenverklaring bedoelde wapenonderdelen niet mogen worden aangemerkt als wapens als bedoeld in art. 2, eerste lid, categorie II Wet wapens en munitie (hierna WWM).

4. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat hij op 19 maart 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, zonder consent wapens van categorie II (onder 2), te weten 526 schuifkolven met sluitveerstang en met sluitveer, heeft doen binnenkomen vanuit Iran.

5. De bij beoordeling van de middelen in aanmerking te nemen wettelijke bepalingen zijn:

i) Art. 2, eerste lid, WWM, luidende, voor zover hier van belang:

Wapens in de zin van deze wet zijn de hieronder vermelde of overeenkomstig dit artikellid aangewezen voorwerpen, onderverdeeld in de volgende categorieën.

(...)

Categorie II

(...)

2o vuurwapens, geschikt om automatisch te vuren

3o vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd

ii) Art. 3, eerste lid, WWM, luidende:

De bepalingen betreffende wapens zijn mede van toepassing op onderdelen en hulpstukken die specifiek bestemd zijn voor die wapens en van wezenlijke aard zijn.

6. De hiervoor, onder 4, weergegeven bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van verzoeker, luidende:

Ik heb op 19 maart 2003 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, zonder consent 526 schuifkolven met sluitveerstang en met sluitveer doen binnenkomen vanuit Iran. Die waren voor mij bestemd.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende:

Op 19 maart 2003 belde de heer Diehl, douaneambtenaar te Schiphol en werkzaam bij Team Invoer. Hij deelde mij, verbalisant Oosterlee, mede dat er een vrachtzending met wapenonderdelen voor bedrijf [A] was binnengekomen. Deze stond opgeslagen bij vrachtafhandelaar [B], gevestigd aan de [a-straat 1] te Schiphol. Diehl had hieruit onderdelen gehaald en wilde graag weten of deze goederen consentplichtig waren.

Wij, verbalisanten, zijn direct naar het Douanekantoor, gevestigd aan de Handelskade te Schiphol gegaan. Bij de heer Diehl zagen wij een schuifkolf met daaraan bevestigd een sluitveerstang met sluitveer.

Vervolgens toonde Diehl ons de Air Waybill en Commercial Invoice welke deze zending begeleidden. De Air Waybill was voorzien van nummer 096-95417523.

Hierop zagen wij dat de zending afkomstig was uit Iran, opgestuurd door "Defence Industries Organization" te Teheran.

Op de Commercial Invoice zagen wij dat de inhoud van deze zending onder meer bestond uit 526 schuifkolven voor de G3. Deze invoice was gericht aan "[A], Postbus [...], [plaats A], The Netherlands".

Uit later onderzoek bleek ons, verbalisanten, dat deze 526 schuifkolven voor de G3 elk voorzien waren van een sluitveerstang met sluitveer.

De schuifkolven met sluitveerstang en sluitveer zijn specifiek bestemd voor een automatisch geweer, merk Heckler & Koch, voor onder andere model G3A4. Dit onderdeel is onontbeerlijk om een vuurwapen vol-automatisch en semi-automatisch te doen schieten. Dit onderdeel zorgt ervoor dat na elk schot voldoende druk aanwezig is om de afsluiter weer naar voren te bewegen, waardoor er een nieuw patroon in de kamer wordt geschoven en afgeschoten. Zonder dit onderdeel is het niet mogelijk om met dit geweer automatisch te schieten.

3. Een ambtsedig rapport van een vast gerechtelijk deskundige, inhoudende:

De schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang voldoet aan het criterium "specifiek bestemd voor die wapens en van wezenlijke aard zijn" zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang is een onderdeel dat valt in categorie II, ten 3e, van de WWM"

7. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed omdat bewijsmiddel 2, het proces-verbaal van opsporingsambtenaren, geen uitdrukking geeft aan hetgeen de verbalisanten zelf hebben waargenomen of ondervonden doch stellingen en aan de rechter voorbehouden conclusies bevat, terwijl bewijsmiddel 3, het rapport van de deskundige, een conclusie bevat die niet op de specifieke deskundigheid van de deskundige kan berusten.

8. Uit de weergave van bewijsmiddel 1 in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv blijkt dat het proces-verbaal is opgesteld door opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee, werkzaam bij een Bureau Bijzondere Wetten.

9. De mededeling, in dit proces-verbaal, dat de verbalisanten bij "later onderzoek" is gebleken dat het gaat om 526 schuifkolven, elk voorzien van een sluitveerstang met sluitveer, specifiek bestemd voor een automatisch geweer van het merk Heckler & Koch, onder andere model G3A4, en dat dit onderdeel onontbeerlijk is om een vuurwapen volautomatisch en semi-automatisch te laten schieten, alsmede de korte aanduiding van de werking van dit onderdeel, laten zich aldus verstaan dat het betreffende wapenonderdeel is onderzocht bij het Bureau Bijzondere Wetten, zijnde een afdeling van de Koninklijke Marechaussee die in het bijzonder is aangewezen voor het toezicht op de naleving van de WWM, welk onderzoek heeft uitgewezen dat het onderzochte voorwerp de door de verbalisanten gerelateerde kenmerken bezit.

10. Een dergelijk resultaat van onderzoek, uitgevoerd bij een met toezicht en opsporing belaste instantie, is vatbaar voor de eigen waarneming van de aldaar werkzame opsporingsambtenaren.

11. In de toelichting op het middel wordt ten aanzien van het hierboven weergegeven bewijsmiddel 3 betoogd dat de daarin weergegeven vaststellingen niet aangemerkt (hadden) mogen worden als de bevindingen van een deskundige, aangezien kennisneming van het originele rapport leert dat deze deskundige enkele van zijn gevolgtrekkingen heeft aangemerkt als een persoonlijke zienswijze.

12. Bedoeld rapport, dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt, is opgemaakt door W. Kerkhoff, werkzaam bij het Nederlands Forensisch Instituut. In dit rapport is, aansluitend aan de vragen die de rechter-commissaris in de Rechtbank te Haarlem aan de deskundige heeft voorgelegd, vermeld:

"Nb: ondergetekende is beëdigd als vast gerechtelijk deskundige m.b.t. vergelijkend kogel- en hulsonderzoek, wapentechnisch onderzoek en aspecten die daarmee samenhangen. Het eerste deel van het onderzoek valt binnen dit deskundigheidsgebied. Het tweede deel is een interpretatie van de WWM en de CWM. Dit deel valt buiten het specifieke deskundigheidsgebied van ondergetekende en moet daarom worden gezien als een persoonlijke zienswijze."

[CWM: Vaststellingsregeling Circulaire wapens en munitie 1997, Stcrt 180 (20 augustus 1997), per 1 augustus 2005 vervangen door de Vaststellingsregeling Circulaire wapens en munitie 2005, Stcrt 138 (11 juli 2005), A-G]

In dit rapport is, onder "Technisch onderzoek / Gecombineerde schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang" vermeld dat het gaat om een onderdeel dat is bestemd voor gebruik op een geweer van het merk Heckler & Koch of een daarvan afgeleid wapen; dat het onderdeel uitwisselbaar is met een niet-uitschuifbare kolf van een bepaald type geweer maar niet met de kolf van een bepaald type machinepistool. Tevens is de werking van het onderdeel beschreven.

Daarop volgt een paragraaf ("WWM en CWM"), met beschouwing omtrent hetgeen in wettelijke bepalingen is te vinden ten aanzien van a) wapenonderdelen met een specifieke bestemming en van wezenlijke aard, b) vuurwapens die geschikt zijn om automatisch te vuren (categorie II onder 2o) en c) vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel de aanvalskracht wordt verhoogd (categorie II onder 3o).

Tenslotte heeft de deskundige onder "Conclusie" opgemerkt:

"Mijns inziens voldoet de schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang [2] aan het criterium "specifiek bestemd voor die wapens en van wezenlijke aard zijn" zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid van de WWM. De schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang [2] is een onderdeel dat valt in categorie II ten 3o van de WWM".

13. Kennelijk, en niet onbegrijpelijk, heeft het Hof aan het als bewijsmiddel 3 weergegeven deel van het rapport van de deskundige deze betekenis gehecht dat de deskundige bij het binnen zijn deskundigheid vallende technisch onderzoek heeft vastgesteld dat de schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang slechts passend is voor wapens van een bepaald merk en type (en daarvan afgeleide wapens), en na montage op een dergelijk wapen, wezenlijk is voor de beoogde werking ervan.

Even kennelijk, en evenmin onbegrijpelijk, heeft het Hof de daaraan verbonden conclusie van de deskundige dat het onderdeel op grond van art. 3, eerste lid WWM met zo een wapen moet worden gelijkgesteld juist bevonden en tot de zijne gemaakt.

14. Opmerking verdient voorts dat de deskundige en de verbalisanten de hoedanigheid van het wapen, waarvoor het onderdeel specifiek bestemd en onontbeerlijk is, binnen categorie II verschillend waardeerden. De deskundige meende dat het wapen na montage van het onderdeel moet worden gezien als een wapen dat zodanig is gewijzigd dat het dragen ervan niet of minder zichtbaar wordt dan wel de aanvalskracht ervan is verhoogd (categorie II onder 3o). De verbalisanten gaven er de voorkeur aan het wapen, na montage van het onderdeel, te blijven zien als een wapen dat geschikt is voor automatisch vuur (categorie II onder 2o).

15. Het Hof heeft, blijkens de bewezenverklaring, het onderdeel gelijkgesteld met een wapen van categorie II onder 2o, in zoverre de bevindingen van de deskundige ter zijde gesteld. De keuze tussen "wapen dat zodanig is gewijzigd dat het dragen ervan niet of minder zichtbaar wordt dan wel de aanvalskracht ervan is verhoogd" en "wapen, geschikt om automatisch te vuren", lijkt mij niet te getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, overwegend feitelijk, en niet onbegrijpelijk in het licht van hetgeen bij de behandeling in hoger beroep aan de orde is geweest.

16. Het middel faalt.

17. Het tweede middel beoogt de rechtsvraag aan de orde te stellen of de in de bewezenverklaring genoemde wapenonderdelen, gelet op hetgeen daaromtrent in de bewijsmiddelen is vermeld, aangemerkt mogen worden als "onderdelen die specifiek bestemd zijn voor die wapens en die van wezenlijke aard zijn" als bedoeld in art. 3, eerste lid, WWM.

18. In de toelichting op het middel worden in hoofdzaak twee redenen genoemd waarom 's Hofs oordeel niet juist zou kunnen zijn.

Ten eerste: Er is een richtlijn van de EEG betreffende de controle op het verwerven en voorhanden hebben van wapens, en binnen de Raad van Europa is een overeenkomst tot stand gekomen met betrekking tot hetzelfde onderwerp. In zowel richtlijn als overeenkomst is een omschrijving te vinden van een met een wapen te vereenzelvigen onderdeel. Daarbij wordt niet (met zoveel woorden) gewag gemaakt van een (schuif)kolf met sluitveer.

De wenselijkheid van eenvormige wetsuitleg binnen de lidstaten van de EEG en de Raad van Europa, zo wordt betoogd, noopt ertoe om een schuifkolf met sluitmechanisme, als zodanig noch in de (bijlage bij de) richtlijn, noch in de RvE-overeenkomst genoemd, buiten het begrip van 'essentieel' wapenonderdeel te houden.

Ten tweede: een van oorsprong voor automatisch vuur geschikt wapen als bedoeld in categorie II onder 2o kan een categorie III wapen worden door het voor automatische werking duurzaam ongeschikt te maken. Voor dit duurzaam ongeschikt maken zijn wettelijke criteria voorhanden, en aan die criteria kan niet worden voldaan door een schuifkolf met sluitveer en sluitveerstang aan te brengen. Dat onderdeel kan immers ook weer worden verwijderd, en dan blijft het wapen voor automatisch vuren geschikt. Ook daarom kan die kolf met sluitmechanisme niet als een essentieel onderdeel van een automatisch vurend wapen worden gezien.

19. Deze argumenten gaan niet op. De aangehaalde Richtlijn (91/477/EEG, PbEG (1991) L 256) strekt niet tot volledige harmonisatie doch laat de lidstaten de bevoegdheid eigen, strengere, maatregelen te treffen of te handhaven ter bestrijding van de illegale wapenhandel. In het midden kan dus blijven of een richtlijnconforme interpretatie in het voordeel van verzoeker zou kunnen zijn, aangezien de Bijlage bij de Richtlijn onder meer "sluitingsmechanismes" als essentiële onderdelen noemt. Het zou nadere uitleg behoeven waarom een "(schuif)kolf met sluitveer en sluitveerstang" geen "sluitingsmechanisme" is.

De binnen de Raad van Europa tot stand gekomen overeenkomst is al helemaal geen instrument waarvan de bepalingen zich voor rechtstreekse toepassing lenen, in die zin dat bepalingen van nationaal recht uitgelegd zouden moeten worden conform de strekking van dit verdrag.

Wat het aan 'duurzaam ongeschikt maken' ontleende argument betreft: dat lijkt mij in het geheel niet ter zake. Blijkens de bewijsmiddelen zal een wapen van het type waarvoor de in de bewezenverklaring bedoelde sluitveer met -stang bedoeld is niet (semi-) automatisch functioneren indien dat sluitmechanisme ontbreekt. Daarmee kan het worden beschouwd als een wezenlijk onderdeel in de zin van art. 3, eerste lid, WWM, waaraan niet afdoet dat het wapen even goed zal werken met het oorspronkelijk door de fabrikant aangebrachte sluitmechanisme met een niet-uitschuifbare kolf.

Het middel faalt.

20. In het derde middel wordt er over geklaagd dat het Hof heeft verzuimd een gemotiveerde beslissing te geven op verzoekers uitdrukkelijk onderbouwde, want in diens ter zitting ter sprake gebrachte 'bezwaarschrift' neergelegde, standpunt dat het tenlastegelegde geen strafbaar feit kan opleveren omdat het niet gaat om een essentieel onderdeel als bedoeld in art. 3, eerste lid, WWM.

21. Verzoekers beschouwingen vinden een (voldoende gemotiveerde) verwerping in de gebezigde bewijsmiddelen, vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130.

Ook het laatste middel faalt

22. Naar mijn inzicht lenen de middelen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

23. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,