Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3858

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2007
Datum publicatie
14-02-2007
Zaaknummer
00927/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3858
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. Tegenstrijdigheid in bewijsvoering. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij X opzettelijk van het leven heeft beroofd. Uit de bewijsmiddelen noch uit de nadere bewijsoverweging volgt dat het hof het oog heeft gehad op bij verdachte aanwezig voorwaardelijk opzet. Uit bewijsmiddel g volgt dat het de bedoeling van verdachte was om 3 mensen die in de richting van het huis renden, te overrijden. Uit bewijsmiddel g noch uit de overige gebezigde bewijsmiddelen kan evenwel zonder meer worden afgeleid of zich onder de 3 mensen die naar het huis renden, ook X bevond. De op dit punt bestaande tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen, die niet als van ondergeschikte betekenis kan worden aangemerkt, tast de toereikendheid van de bewijsmotivering aan. HR vernietigt in zoverre.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 103
RvdW 2007, 212
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00927/06 A

Mr. Bleichrodt

Zitting 28 november 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft de verdachte bij vonnis van 8 november 2005 ter zake van 1. "doodslag" en 2. "poging tot doodslag" veroordeeld tot negen jaren gevangenisstraf.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3. Beide middelen richten zich tegen de bewijsvoering. Het eerste middel heeft blijkens de toelichting betrekking op feit 1, het tweede op feit 2.

4.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. dat hij op 15 juli 2004 op het eiland Curaçao, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, zijnde hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk met een motorrijtuig (pick-up) tegen [slachtoffer] aangereden, waardoor [slachtoffer] verwondingen (te weten, onder meer inwendige bloedingen) bekwam, tengevolge van welke verwondingen [slachtoffer] is overleden;

2. dat hij op 15 juli 2004 op het eiland Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [getuige 1], van het leven te beroven, toen aldaar opzettelijk met een motorrijtuig (pick-up) op [getuige 1] en het huis waarin of waarbij [getuige 1] zich bevond is ingereden, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf niet voltooid, alleen tengevolge van de van zijn, verdachtes, wil onafhankelijke omstandigheid dat het motorrijtuig (pick-up) [getuige 1] niet heeft geraakt."

4.2 Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Een proces-verbaal (nummer 195/04), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 4 november 2004 voor zover inhoudende als relatering van verbalisanten, -zakelijk weergegeven-

Op 15 juli 2004 omstreeks 19.05 uur werd de patrouille van ons wijkbureau gedirigeerd naar [A], gelegen te [a-straat 1], alwaar de verdachte, genaamd [verdachte], met zijn pick-up op een vrouw zou zijn ingereden.

De vrouw, die bleek te zijn genaamd [slachtoffer], geboren in Nederland op [geboortedatum] 1980, werd in zorgwekkende toestand naar het SEHOS vervoerd. Later ontvingen wij bericht dat de vrouw aan haar verwondingen was overleden.

2.

Een verklaring van een deskundige, te weten een verslag van obductie d.d. 6 september 2004, verricht op 19 juli 2004 op [slachtoffer] geboren te Curaçao op [geboortedatum] 1980, voor zover inhoudende als verklaring van de deskundige patholoog G. Abreu de Martinez:

Epicrisis: About a total of 800 cc of bloody fluid was found in the thoracical and abdominal cavities. Probable cause of death bleeding due to polytraumatism with left pelvic fracture and probably involving of iliac vein.

3.

Een proces-verbaal (nummer 196/04, bijlage 1), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], respectievelijk brigadier en hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 16 juli 2004 voor zover inhoudende als relatering van verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

Op de plaats waar de pick-up stond was te concluderen dat kort daarvoor een hoekpilaar had gestaan die als steun voor het balcon diende. Van de pilaar lagen in de naaste omgeving brokstukken. In de laadbak van de pick-up lag een witgeverfd brokstuk vermoedelijk afkomstig van de pilaar.

Op de betonnen stoep waren ook verse sporen te zien, waaruit kon worden afgeleid dat er een voorwerp hard tegenaan was aangekomen.

4.

De verklaring van getuige [getuige 1] op l4juni 2005 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Het klopt dat [verdachte] mij - op de bewuste avond, toen ik met de meisjes Dominicaanse meisjes die bij mij in de bar werken langs de Soto snack reed - toeriep dat hij mij nodig had en dat hij bij mij zou komen. Ik had geen idee wat hij daarmee bedoelde, omdat hij niet iemand is waarmee ik sprak. Ik had trouwens nooit eerder met hem gesproken.

Op die avond was ik in mijn huis dat hoger gelegen is dan de bar. Ik hoorde veel lawaai dat van de bar kwam. Ik zag [verdachte] voor de bar staan. Ik liep toen naar de bar en de meisjes die voor mij in de bar werken zeiden tegen mij:"Die man doet vervelend." Ik zei tegen mijn dochter, die aan een tafel met een vriend zat te dominoën, om naar mijn woning te gaan.

Ik liep de bar in en [verdachte] begon mij uit te schelden. Ik vroeg hem wat er aan de hand was en of hij problemen was komen zoeken. Hij bleef mij uitschelden. Er trad een dame de bar in die tegen mij zei dat ik de politie moest bellen. Ik vroeg [verdachte] om van daar weg te gaan.

[Verdachte] zei tegen mij dat hij wilde weten waarom ik hem niet mocht. Ik antwoordde hem dat ik niet hield van de dingen die hij deed. Ik ging achter de toonbank staan. Hij gaf mij een duw en ik duwde hem toen terug. Hij zei toen tegen mij:"Vandaag zul je te weten komen wie Korsou grandi is". Er waren drie flessen op de toonbank. Ik pakte een fles waarin Saniflush zat en heb daarmee in het gezicht van [verdachte] gespoten. Saniflush is een wc.-reiniger waarmee ik de kalk van de wc's schoonmaak. Ik wist niet dat er 31,2 % zoutzuur, zoals ik u nu hoor zeggen, in de wc-reiniger zat. [verdachte] is, nadat ik in zijn gezicht met dat spul had gespoten, naar buiten gerend. Buiten pakte hij een ijzeren staaf en deze heeft hij vervolgens naar mij gegooid.

Ik ben toen naar mijn woning, die op een afstand van ongeveer 200 tot 300 meter van de bar is gelegen, gerend.

Ik wilde naar het balkon, alwaar mijn dochter [slachtoffer] stond, gaan. Op gegeven moment reed [verdachte] achter mij aan. Ik zag mijn dochter achter een pilaar staan. [Verdachte] reed rechtdoor en maakte vervolgens een bocht bij de pilaar. Op geen enkel moment heeft [verdachte] geremd. Voordat ik tegen mijn dochter de woorden "[slachtoffer] ren" kon zeggen, had [verdachte] haar al doodgereden.

Toen ik [verdachte] zag komen aanrijden, ben ik naar binnen gerend. Ik was bang dat hij mij - omdat hij boos op mij was- met zijn pick up zou raken. Als ik buiten of bij mijn dochter had blijven staan, zou ik nu dood zijn.

5.

De verklaring van de verdachte op 14 juni 2005 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:

Op het moment dat [getuige 1] met een wc-reiniger in mijn gezicht spoot had ik ontzettend pijn. Ik weet dat ik met een ijzeren staaf heb gegooid en dat ik daarna ben weggereden.

6.

Een proces-verbaal (nummer 206/04, bijlage 14), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 16 juli 2004 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, -zakelijk weergegeven-:

Op 15 juli 2004 ging ik omstreeks 18.00 uur met [betrokkene 1] in de witte pickup van "Koop" naar de [A]. Daar bestelde ik een biertje voor ons. Wij werden bediend door de Dominicaanse achter de bar. Hierna vroeg ik aan [getuige 1] waarom ze me altijd zo boos aankijkt. Ik vroeg haar ook waarom ze rondvertelt dat ik niet welkom ben daar. Ze zei me daarop dat ze me niet mag en dat ik haar bar moest verlaten. Ik antwoordde haar dat we elkaar niet kennen en dat ze geen reden had om mij niet te mogen. Ze zei me opnieuw dat ik haar bar moest verlaten en dat ze anders de politie zou inschakelen. Ik zei dat ze dat maar moest doen omdat ik niets fout had gedaan.

Op een gegeven moment spoot [getuige 1] een vloeistof in mijn gezicht. Deze vloeistof trof me in de linker helft van mijn gezicht en ter hoogte van mijn linker bovenlijf. Meteen nadat ik de vloeistof in mijn oog kreeg begon ik mijn gezichtsvermogen te verliezen. Ik zag alles wazig.

Met mijn linkeroog zag ik helemaal niets meer. Ik voelde dat ik op het punt stond flauw te vallen. Ik vroeg aan [betrokkene 2] om mij iets te geven om mijn gezicht te wassen; mijn gezicht prikte erg.

Ik liep naar buiten naar mijn pick-up waar [betrokkene 2] mij een cup met een klein beetje bier gaf zodat ik mijn gezicht kon wassen. Mijn gezichtvermogen herstelde zich hierdoor iets. Hierna pakte ik een ijzeren staaf uit mijn pick-up die ik in de richting van [getuige 1] gooide, maar die haar niet raakte. [Getuige 1] bleef gewoon doorlopen. Ik werd nog kwader en besloot om in mijn pick-up te stappen. Ik startte mijn pick-up, zette deze in de richting van de vrouw [getuige 1] en trapte het gaspedaal in. Ik kan mij nog herinneren dat [getuige 1] op dat moment in de richting van haar woning liep. Ik had niemand meer daar buiten gezien. Ik ben toen tegen iets aangereden. Hierna voelde ik dat wederom iemand iets in mijn gezicht spoot. Ik ben toen rechts uit mijn pick-up gestapt en ben naar de wegzijde gelopen. Daar ben ik met iemand meegereden naar mijn ouderlijk huis.

7.

Een proces-verbaal van bevindingen (nummer 198/04, bijlage 6), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 5], respectievelijk brigadier en agent bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 18 juli 2004 voor zover inhoudende als relatering van verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

De verdachte werd door ons overgebracht naar het wijkbureau en wij waren afwisselend belast met het toezicht op hem.

Plotseling (en naar het Hof begrijpt: ongevraagd) verklaarde de verdachte [verdachte] dat:

- hij een hevige woordenwisseling had gehad met de eigenares van de [A];

- hij tijdens de woordenwisseling met een prikkelende substantie in zijn gezicht werd gespoten;

- hij hierdoor op de grond viel;

- hij hierna terstond opstond en naar zijn pick-up liep;

- hij nauwelijks iets kon zien;

- hij vervolgens zijn pick-up startte;

- hij op dat moment drie mensen zag rennen in de richting van het huis achter de bar;

- hij met volle vaart in de richting van die mensen was gereden, met de bedoeling hen te overrijden;

- hij verder niets meer wist.

8.

Een proces-verbaal (nummer 199/04, bijlage 7), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7], beiden inspecteur bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 15 juli 2004 voor zover inhoudende als relatering van verbalisant(en), -zakelijk weergegeven-:

Nadat de verdachte enkele malen geniest had wees hij met zijn geboeide handen in mijn richting en zei:

Ik ben klaar om mijn straf uit te gaan zitten. De eigenaar [getuige 1] van de bar heeft mij zo kwaad gemaakt dat ik besloot om hen met mijn pick-up te doden. Deze vrouw heeft mij tot tweemaal toe iets bijtends in mijn gezicht gespoten. Ik werd eerst bedwelmd. Toen ik weer bijkwam zei ik tegen [getuige 1] dat ik, [verdachte], weer terug was. Direct daarna gooide [getuige 1] weer dat bijtend iets in mijn gezicht. Het gelukte mij na een poosje de bar te verlaten. Ik besloot om hen met mijn pick-up dood te rijden. Ik stapte in mijn pick-up en zag drie personen ter hoogte van de woning van [getuige 1] en reed op hen in. Ik reed tegen de achterkant van de woning. Ik zag dat iemand gewond raakte. Ik ging vervolgens naar de woning van mijn moeder en vertelde daar wat er gebeurd was. Daarna ben ik terug gegaan naar de bar en heb mij overgegeven aan de politie.

De verdachte herhaalde die verklaring in bijzijn van de inspecteur [verbalisant 7] en zei meerdere malen: al die mensen moesten dood zijn. Ik had met die pick-up die woning moeten inrijden.

Een proces-verbaal (nummer 204/04, bijlage 9), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], brigadier bij het Korps Politic Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 16 juli 2004 voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 2], -zakelijk weergegeven-:

Ik ging op 15 juli 2004 omstreeks 18.00 uur naar de [A]. Aldaar bevonden zich op dat moment [verdachte] en [betrokkene 2], [getuige 1] en enkele Dominicaanse vrouwen en nog wat anderen die ik niet ken. [Betrokkene 2] en [verdachte] kwamen gelijk met mij aan bij die bar. Terwijl ik met [betrokkene 2] praatte hoorde ik [verdachte] en [getuige 1] heftig discussiëren. Ik kan niet zeggen wat daarvan de aanleiding was. Ik moet zeggen dat toen [verdachte] die bar binnen liep, [getuige 1] al tegen hem zei dat hij zich moest verwijderen. Dat hoorde ik haar weer zeggen tijdens die discussie. Ook hoorde ik dat [getuige 1] tegen [verdachte] zei dat ze de politie had gebeld. Ik zag verschillende keren hoe [getuige 1] de telefoon nam.

Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] achter de bar liep. Ik bleef niet naar hem kijken. Kort hierna kwam [getuige 1] bij mij en zei dat [verdachte] achter de toonbank sloeg waardoor zij een vloeistof in het gezicht van [verdachte] spoot.

[Verdachte] liep hierop naar zijn pick-up en haalde een ijzeren staaf en liep daarmee in de richting van de bar. [Getuige 1] rende de bar uit en ging in de richting van haar woning. [Verdachte] heeft haar niet met die staaf getroffen; hij gooide hem tegen de bar aan. [Verdachte] liep daarop naar zijn pick-up en startte die. Hij reed met volle vaart in de richting van de woning van [getuige 1]. Ik hoorde een harde knal. Ik liep naar de woning en zag dat de pick-up van [verdachte] op de achterstoep stond. [Verdachte] stapte uit en rende weg naar de hoofdweg. Hierna zag ik de dochter van [getuige 1] liggen.

Een proces-verbaal (ongenummerd, bijlage 20), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 17 juli 2004 voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [getuige 1], - zakelijk weergegeven-:

Op 15 juli 2004 omstreeks 18.30 uur was ik in mijn woning gelegen schuin achter de [A]. Mijn dochter [slachtoffer] zat buiten op de stoep aan de oostelijke zijde van de bar. Zij zat aan tafel. Tevens zaten daarbuiten vier Dominicaanse vrouwen die bij de bar werken en ook de chauffeur die ze gebracht had. Ik kon vanaf mijn huis de bar zien en hoorde dat daar hard gepraat werd, alsof er een woordenwisseling was. Ik zag de man die ik ken als [verdachte], die met harde stem tegen de vrouwen aan het praten was terwijl hij met zijn handen in de lucht zwaaide. Ik heb [verdachte] in het verleden uit de bar weggestuurd omdat hij problemen in de bar veroorzaakte. Ik liep vervolgens naar de bar. Ik vroeg aan een van de vrouwen, [betrokkene 3], wat het probleem was en zij gaf mij te kennen dat [verdachte] hen zonder reden uitschold.

Toen [verdachte] mij gezien had begon hij mij ook uit te schelden. Ik schonk geen aandacht aan hem en stuurde mijn dochter en de vrouwen naar mijn woning. Ik bleef in de bar samen met de man genaamd [betrokkene 4]. [Verdachte] en zijn vriend bleven ook in de bar. Ik stond achter de toonbank en de mannen stonden voor de toonbank. [Verdachte] bleef op mij schelden. Op een gegeven moment vroeg [verdachte] aan mij waarom ik hem haat. Ik antwoordde hem dat ik hem inderdaad haat en dat ik niet wil dat hij mijn bar bezoekt. [Verdachte] werd hierop boos en er ontstond een woordenwisseling tussen hem en mij. Tijdens die woordenwisseling kwam [verdachte] achter de bar en duwde mij. Ik duwde terug. Toen kwam [verdachte] weer op mij af met vastberaden blik en zei tegen mij: "Kiko bo ta kere, awe bo ta sa ken ta Korsou Grandi." Ik voelde mij bedreigd en weerloos en om mij tegen [verdachte] te verdedigen nam ik vervolgens een fles inhoudende een substantie die ik gebruik om wc's te reinigen en ik spoot deze substantie in zijn gezicht.

Nadat [verdachte] de substantie in zijn gezicht gekregen had zag ik dat hij naar buiten liep en zijn gezicht met zijn handen vast hield. Terstond daarna zag ik dat [verdachte] langs de stoep van de bar kwam met een ijzeren staaf in zijn hand. Toen [verdachte] mij zag gooide hij deze staaf op mij af. De staaf raakte een tafel buiten en kwam daarna tegen de deur van de bar aan.

[Betrokkene 3] riep mij vanaf mijn woning om thuis te komen. Ik liep via de zijdeur de bar uit. Toen ik naar mijn woning liep draaide ik me om en zag dat [verdachte] in de witte pick-up stapte. Ik zag dat de pick-up iets achteruit reed en daarna met grote snelheid naar voren in de richting van mijn woning reed. Ik haastte mij en ging op de stoep van het huis dat achter mijn woning gelegen is staan. Toen ik naar mijn woning keek, zag ik dat mijn dochter tegen de pilaar van de woning geleund stond. Op dat moment zag ik dat de pick-up zonder te remmen tegen de pilaar botste. Ik rende daarheen en heb [verdachte] opnieuw met de substantie in zijn gezicht gespoten. [Verdachte] stapte uit en rende weg.

Een proces-verbaal (nummer 218/04, bijlage 28), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 17 oktober 2004 voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [getuige 1], zakelijk weergegeven-:

Op het moment dat [verdachte] in zijn pick-up stapte liep ik ten westen van mijn woning in de zuidelijke richting. Ik hoorde op dat moment dat de pick-up van [verdachte] met spinnende banden begon te rijden. Toen ik omkeek zag ik dat [verdachte] met volle vaart in mijn richting reed. Ik begon te rennen om mijzelf veilig te stellen. Toen [verdachte] op een afstand van ongeveer 10 meter van mij verwijderd was gelukte het mij om de stoep achter mijn huis op te rennen.

Ik weet zeker dat als ik niet had gerend en de stoep was opgelopen ik door [verdachte] was overreden.

Een proces-verbaal (nummer 213/04, bijlage 22), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 18 juli 2004 voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 3], - zakelijk weergegeven-:

Ik zag dat de man achter de toonbank kwam en [getuige 1] met zijn hand op haar borst duwde. [Getuige 1] heeft hem teruggeduwd en probeerde vanachter de toonbank weg te komen. Toen zag ik dat [getuige 1] twee stappen achteruit deed en van onder de toonbank een fles met inhoud in haar handen nam en daarmee in het gezicht van de man spoot. Toen zag ik dat de man naar buiten liep.

Terstond daarna zag ik dat de man met een ijzeren staaf in zijn hand in de richting van de bar kwam. De man gooide de staaf met kracht in de richting van [getuige 1]. De staaf kwam tegen de tafel en de deur terecht. De staaf heeft [getuige 1] niet getroffen. Daarna liep de dochter van [getuige 1], die in de tussentijd bij de woning was, naar de bar om te kijken wat er gaande was. Op dat moment liep de man naar zijn pick-up. Ik dacht dat hij weg ging. Wij liepen met ons drieën naar de woning van [getuige 1] en zagen plotseling dat de pick-up niet de hoofdweg nam maar het erf ten oosten van de bar waar wij liepen.

Toen begonnen wij naar het huis te rennen. Ik rende naar een huis ten westen van de woning van [getuige 1] en ging op een stoep staan. [Getuige 1] en haar dochter renden de andere kant op.

Een proces-verbaal (nummer 197/04, bijlage 5), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] brigadier bij het Korps Politie Curaçao en dienstdoende aan het Bureau Wijkteam Barber, gesloten op 17 juli 2004 voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige 4], -zakelijk weergegeven-

Ik bevond mij heden op 15 juli 2004 omstreeks 19.15 uur in het huis gelegen ten zuiden van de woning van de bar van [getuige 1]. Ik hoorde harde stemmen vanuit de bar, die op een afstand van ongeveer 50 meter van mijn huis ligt. Ik merkte dat er een woordenwisseling in de bar was en ging in de deuropening van mijn huis staan en zag een man uit de bar komen die naar een witte pick-up liep die voor de bar stond en instapte.

Ik zag dat [getuige 1] uit de bar kwam en naar haar woning liep. Op dat moment zat de dochter van [getuige 1] op het looppad achter het huis.

Onmiddellijk daarna zag ik de pick-up waar de man in stapte met grote snelheid in de richting van het huis van [getuige 1] rijden en in de richting ging waar de dochter van [getuige 1] zat. Ik zag hoe de pick-up tegen de pilaar van het balcon van het huis botste en deze pilaar omver reed en tegen de dochter van [getuige 1] aanreed. Ik zag haar vallen. De bestuurder van de pick-up stapte daarna uit en liep weg."

4.3 Naar aanleiding van een gevoerd verweer heeft het Hof overwogen en beslist:

"Namens verdachte is met betrekking tot de feiten 1 en 2 het verweer gevoerd dat hij niet opzettelijk gehandeld heeft, maar dat hij door emotie gedreven tot impulsief handelen is gekomen.

Dat verweer wordt verworpen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte in zijn auto is gestapt met de intentie om [getuige 1 en slachtoffer] te doden en vervolgens nog steeds met die intentie op hen is ingereden. Daaruit volgt dat verdachte toen opzettelijk heeft gehandeld."

5. Het is niet eenvoudig om uit de bewijsmiddelen een duidelijk beeld te krijgen van de gang van zaken en in het bijzonder van de plaats van het delict. In het licht van het zich bij de stukken bevindende proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10], en de daarbij behorende fotomap(1), samengesteld door de verbalisant [verbalisant 11], wordt echter duidelijk dat zowel de bar [A], gedreven door [getuige 1], als haar achter die bar gelegen huis op een onverhard erf gelegen zijn en dat de afstand tussen die bar en dat huis niet 200 tot 300 meter bedraagt zoals [getuige 1] heeft verklaard (bewijsmiddel 4), maar 25 meter. Dan is er nog een huis op dat erf dat op 37 meter achter de bar ligt, maar dan meer naar het westen. Tegen de (zuidwestelijke) achterzijde van eerstgenoemde woning is de verdachte blijkbaar aangereden, vlakbij de plaats waar [slachtoffer] zich bevond.

Uit de bewijsmiddelen volgt, kort samengevat en voor zover thans van belang, dat in de bar tussen verzoeker en [getuige 1], die verzoeker uit de bar wilde hebben wegens zijn onbehoorlijk gedrag, een conflict is ontstaan. Op een gegeven moment heeft [getuige 1] een hoeveelheid Saniflush, een w.c-reiniger met een (bijtende) werking, in het gezicht van verzoeker gespoten. Even later heeft verzoeker de bar verlaten.

Verzoeker is in zijn voor de bar staande pick-up is gestapt, is iets achteruit is gereden en vervolgens in volle vaart in de richting van eerstgenoemd huis gereden, toen [getuige 1] daarnaar op weg was en waar ook haar dochter [slachtoffer] zich bevond, en wel (in elk geval ten tijde van de aanrijding) op de stoep aan de achterzijde van die woning, vlakbij een pilaar (in bewijsmiddel 4 wordt vermeld dat [slachtoffer] zich op het balkon bevond; daarmee is echter kennelijk bedoeld de stoep aan de achterzijde van de woning). Verzoeker is tegen [slachtoffer] en die stoep van het huis gereden, waarbij genoemde pilaar, die als steun voor het balkon diende, is vernield en [slachtoffer] zo zwaar gewond raakte dat zij kort daarop is overleden. [Getuige 1] heeft geen letsel opgelopen.

6.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten aanzien van feit 1 voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een deel van de verklaring van de verdachte dat niet redengevend is voor het bewijs.

6.2 Het gaat hier om de volgende passage:

"Ik kan mij nog herinneren dat [getuige 1] op dat moment in de richting van haar woning liep. Ik had niemand meer daar buiten gezien. Ik ben tegen iets aangereden".

6.3 Op zichzelf is deze verklaring inderdaad niet redengevend voor de bewezenverklaring van feit 1 en met name niet voor het bewijs dat het opzet van verzoeker was gericht op het aanrijden tegen [slachtoffer] en de dood van haar.(2)

6.4 Nu hoeft een zodanig verzuim niet onder alle omstandigheden tot vernietiging te leiden.

In het bijzonder wanneer de feitenrechter in een nadere bewijsoverweging uiteenzet hoe hij het bewijsmateriaal waardeert en welke gang van zaken hij als bewezen aanneemt, behoeft een niet redengevend gedeelte van de gebezigde bewijsmiddelen niet altijd aan een behoorlijke motivering van de bewezenverklaring in de weg te staan. Dat geldt in het bijzonder als uit die nadere bewijsmotivering volgt dat en waarom dat gedeelte nu juist niet aannemelijk is.(3)

Ook zonder dat sprake is van een nadere bewijsmotivering kan zo een verzuim zonder gevolgen blijven, met name indien het gaat om een onderdeel van de bewijsvoering van ondergeschikte betekenis.(4)

6.5 Het Hof heeft hier niet een voor de hier aan de orde zijnde kwestie relevante nadere bewijsoverweging gegeven.(5) Daarom is het zaak om de gewraakte passage in de context van de gehele bewijsconstructie te bezien. Uit de hiervoor onder 4.3 weergegeven nadere bewijsoverweging van het Hof volgt overigens wel dat het Hof heeft aangenomen dat de verdachte ook de bedoeling had om [slachtoffer] te doden. De figuur van het voorwaardelijk opzet is in de visie van het Hof niet aan de orde.

6.6 De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen 7 en 8 houden, zakelijk weergegeven, als verklaring van de verdachte onder meer in a) dat hij drie mensen zag rennen in de richting van het achter de bar gelegen huis van [getuige 1] en dat hij met de bedoeling hen te overrijden met volle vaart op die mensen is ingereden, waarbij hij tegen de achterkant van de woning is gereden en iemand gewond raakte, en b) dat al die mensen dood moesten.

Hiermee heeft het Hof vastgesteld dat het verzoekers' bedoeling was en dus zijn opzet erop was gericht dat bedoelde drie personen het leven zouden laten.

6.7 Als vaststaand kan worden aangenomen dat [getuige 1] tot de door de verzoeker bedoelde personen behoorde. Op haar was zijn agressie ook primair gericht. Voordat hij was gaan rijden had hij al een ijzeren staaf in haar richting gegooid. Maar de bewijsmiddelen laten ten minste onzekerheid bestaan over de vraag of ook haar dochter [slachtoffer] bij die personen hoorde. Gelet op het onder nr. 9 opgenomen proces-verbaal, houdende een verklaring van [getuige 3], zou die vraag bevestigend kunnen worden beantwoord, maar de daarop volgende, eveneens tot het bewijs gebezigde, verklaring van [getuige 4] is daar niet mee te verenigen. Hij verklaart immers dat de man (verzoeker, C.B.) onmiddellijk nadat [getuige 1] de bar had verlaten op weg naar haar huis, met grote snelheid in de richting reed waar de dochter van [getuige 1] - op het looppad - achter het huis zat. Er zijn meer aanwijzingen dat de dochter van [getuige 1] al eerder naar huis was gegaan en daar al was toen verzoeker is gaan rijden. Volgens [getuige 1] (zie bewijsmiddelen 4 en 8) had zij haar dochter, die aanvankelijk bij de bar aanwezig was, al eerder naar huis gestuurd, terwijl uit die verklaringen tevens zou kan worden afgeleid dat haar dochter al op de stoep van het huis was toen zij, [getuige 1], voor de pick-up wegvluchtte tot in haar woning.(6)

6.8 Als de lezing van [getuige 4], die voor zover thans kan worden nagegaan het meest aansluit bij die van [getuige 1], juist is, dan zou wat de verdachte heeft verklaard omtrent de drie personen en zijn bedoeling om hen te doden, geen betrekking kunnen hebben op [slachtoffer]. Dan nog kan verzoeker het (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] hebben gehad, maar de bewijsvoering houdt dienaangaande vanzelfsprekend niets in, gelet op 's Hofs uitgangspunt, zoals hiervoor onder 6.5 is vermeld. Het is goed mogelijk dat [getuige 1] de stoep vlakbij de plaats waar [slachtoffer] stond, is opgevlucht en vervolgens haar woning is ingerend. In dat geval zou de conclusie kunnen zijn dat het niet anders kan dan dat verzoeker [slachtoffer], zij het mogelijk in een (wat) later stadium heeft gezien en dat hij, die het in de eerste plaats gemunt had op [getuige 1], ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Maar de precieze vluchtroute van [getuige 1] kan niet zonder meer uit de bewijsmiddelen worden afgeleid.(7) Verder heeft het Hof, zoals opgemerkt, uitdrukkelijk niet de figuur van het voorwaardelijk opzet in zijn beschouwingen betrokken.

6.9 Onder de hiervoor vermelde omstandigheden kan mijns inziens het bestreden vonnis voor wat betreft feit 1 niet in stand blijven. De door het middel genoemde passage kan mijns inziens in de context van de bewijsvoering en gelet op het belang van de vraag of opzet voor wat betreft feit 1 aanwezig was, redelijkerwijze niet worden gezien als een onderdeel van ondergeschikte betekenis. Bovendien is mijns inziens ook sprake van een tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen op een betrekkelijk cruciaal punt, te weten de plaats waar [slachtoffer] zich bevond toen verzoeker de pick-up in beweging bracht en koers zette in de richting van de woning: was zij op weg van de bar naar het huis en vluchtte zij met haar moeder mee, of bevond zij zich toen al aan de achterzijde van het huis.

6.10 Het middel is terecht voorgesteld.

7.1 Het tweede middel klaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde feit niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Het voert aan dat met name uit die bewijsmiddelen niet kan volgen het onderdeel van de bewezenverklaring, inhoudende dat het feit niet is voltooid alleen tengevolge van de van verzoekers wil onafhankelijke omstandigheid dat zijn motorrijtuig [getuige 1] niet heeft geraakt.

7.2 Het middel gaat ervan uit dat verzoeker tegen de pilaar is gebotst en dat daaruit volgt dat verzoeker zijn voornemen om [getuige 1], die het huis invluchtte, te raken heeft laten varen.

Ik stel voorop dat ter zake in hoger beroep geen verweer is gevoerd. In cassatie kan niet met een beroep op bepaalde nieuwe feiten - zoals de, op het eerste gezicht nogal onaannemelijk voorkomende, omstandigheid dat verzoeker willens en wetens tegen de pilaar zou zijn gereden - voor het eerst worden aangevoerd dat de betrokkene vrijwillig is teruggetreden.

's Hofs oordeel dat het misdrijf door de in de bewezenverklaring genoemde omstandigheid niet is voltooid, is verder allerminst onbegrijpelijk. Het uitgangspunt van het middel mist bovendien feitelijke grondslag. Het Hof heeft niet vastgesteld dat de pick-up tegen de pilaar is gereden. Bewijsmiddel 3 houdt in dat op de betonnen stoep verse sporen waren te zien waaruit kan worden afgeleid dat er een voorwerp hard tegenaan was gekomen. Ten aanzien van de pilaar houdt dat bewijsmiddel verder niet meer in dan dat in de naaste omgeving brokstukken daarvan lagen, alsmede in de laadbak van de pick-up een witgeverfd brokstuk dat vermoedelijk afkomstig was van de pilaar. Dit stemt ook overeen met de inhoud van het hiervoor onder 5 genoemde proces-verbaal voor zover dat inhoudt dat er geen contactpunten waren tussen de voorzijde van bedoeld motorrijtuig en de betonnen pilaar, en met de conclusie van het sporenonderzoek in dat proces-verbaal dat de pick-up eerst [slachtoffer] heeft geraakt die daardoor tegen de pilaar werd gedrukt of geslingerd, waardoor de pilaar in stukken afbrokkelde en dat het motorrijtuig daarna (kennelijk direct daarna) met kracht is gebotst tegen de betonnen stoep, door de kracht van welke botsing het motorrijtuig een eindje achteruit ging en tot stilstand kwam ter hoogte van de plaats waar de pilaar zich oorspronkelijk bevond. Dat sommige getuigen kennelijk de indruk hadden dat verzoeker tegen de pilaar was gebotst, is voorstelbaar, maar doet aan het voorgaande niet af.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen is de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde voldoende gemotiveerd.

7.3 Het middel faalt en kan mijns inziens met de aan art. 81 RO ontleende korte motivering worden afgedaan.

8. Ik heb geen gronden aangetroffen waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.

9. Het eerste middel gegrond achtende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging, met verwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Een situatietekening heb ik niet aangetroffen.

2 Als verzoeker over "buiten" spreekt kan dat m.i. namelijk redelijkerwijze niet worden opgevat als "buiten op het erf", dus met uitsluiting van degene(n) die zich op de achterstoep van een huis bevond(en).

3 Zie b.v. HR 4 januari 2001, LJN ZD1699. HR 4 juni 2002, NJ 2002, 603 rubr. 4. en HR 20 juni 2006, LJN AW4479.

4 Zie HR 1 juni 1976, NJ 1977, 42 en HR 12 september 2006, LJN AV6192 (een kennelijk leugenachtig geoordeelde verklaring van een getuige, die uiteraard niet redengevend kan zijn voor de bewezenverklaring).

Ook een tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen van ondergeschikte betekenis hoeft niet fataal te zijn: HR 7 februari 2006, LJN AU8289.

5 Wel heeft het Hof een overweging gewijd aan het opzet van verzoeker ( zie hiervoor onder 4.3), maar dat was een antwoord op een verweer dat specifiek de geestestoestand van verzoeker betrof . Primair was aangevoerd dat verzoeker in een schemertoestand verkeerde en dat de feiten hem niet konen worden toegerekend. In het verlengde daarvan was betoogd dat verzoeker op die grond niet met het vereiste opzet had gehandeld.

6 Volgens [getuige 3] was de dochter van [getuige 1] inderdaad eerst naar het huis gegaan, maar vervolgens, nadat verzoeker met de staaf had gegooid, weer teruggegaan naar of in de richting van de bar.

7 Wel houdt haar verklaring in dat zij ten westen van de woning in zuidelijke richting liep.