Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3309

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
24-04-2007
Zaaknummer
00966/05 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3309
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bezwaarschriftprocedure ex art. 262 Sv. Taak wetgever. 1. Geen bevelbevoegdheid obv art. 2 Politiewet 1993? 2. Krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel ex art. 184.1 Sr. Door een hoofdagent van de Spoorwegpolitie is aan verdachte het bevel gegeven zich te verwijderen uit Amsterdam CS waaraan verdachte niet heeft voldaan. Ad 1. Terecht wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat sprake is van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel a.b.i. art. 184 Sr . Vzv. het hof immers die bevoegdheid heeft gebaseerd op art. 2 Politiewet 1993, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, nu daaruit niet een bevoegdheid tot het geven van bevelen als i.c. kan worden afgeleid. Ad 2. Van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel ex art. 184.1 Sr kan slechts sprake zijn indien dit bevel is gegeven in overeenstemming met een op dat wettelijk voorschrift berustende bevoegdheid (HR NJ 1991, 423 en HR NJ 2003, 80). Het ARV berustte t.t.v. het tenlastegelegde op art. 27 Spoorwegwet 1875. Art. 7 ARV richt zich tot een ieder die zich als niet-reiziger op een station bevindt met het gebod de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen die hem “door of vanwege de spoorweg” duidelijk kenbaar zijn gemaakt. Deze bepaling zelf houdt niet in dat en welke (rechts)personen zijn belast met de wettelijke taak van het toezicht op de naleving van dit voorschrift, terwijl zij evenmin inhoudt dat opsporingsambtenaren dergelijke aanwijzingen mogen geven. In de Spoorwegwet 1875 ontbreekt een overeenkomstig voorschrift als vervat in art. 87 WPV 2000. Het opvullen van deze lacune gaat de taak van de HR te buiten.Vzv. ’s hofs oordeel dat het bevel i.c. bevoegd is gegeven i.d.z.v. van art. 184.1 Sr berust op de opvatting dat dit bevel is gegeven krachtens art. 7 ARV of enig voorschrift van de Spoorwegwet 1875, is het onjuist. Tot het geven van het bevel ontbreekt immers een daartoe strekkend voorschrift dat de met uitoefening van het toezicht belaste ambtenaar of (rechts)persoon of opsporingsambtenaar daartoe uitdrukkelijk bevoegd verklaart. Het (opzettelijk) niet opvolgen van de in art. 7 ARV bedoelde aanwijzing die door de tot de dienst Spoorwegpolitie behorende opsporingsambtenaar is gegeven, kan dan ook niet worden aangemerkt als het niet voldoen aan een bevel “krachtens art. 7, lid 2 van het ARV” of “krachtens een wettelijk voorschrift”, gedaan door een “ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” i.d.z.v. art. 184.1 Sr. Met zodanig toezicht zijn bij of krachtens de Spoorwegwet 1875 ook niet NS Reizigers BV en NS Stations B.V. belast, zodat reeds daarom van een door deze rechtsgeldig verleend (onder)mandaat tot het geven van bedoeld bevel geen sprake kan zijn. De HR doet de zaak zelf af en verklaart het bezwaarschrift tegen de dagvaarding gegrond en stelt verdachte buiten vervolging. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 215
AB 2008, 327
JOL 2007, 297
NJ 2007, 266
RvdW 2007, 478
NJB 2007, 1133
Silvis annotatie in VA 2008/18

Conclusie

Griffienr. 00966/05 B

Mr. Wortel

Zitting:21 november 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij, met vernietiging van een door de Rechtbank aldaar gegeven beschikking, een bezwaarschrift tegen een aan verzoeker uitgebrachte dagvaarding ongegrond is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr A.E. van der Wal, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

Deze conclusie is geruime tijd aangehouden omdat ik ervan uitging dat de in deze zaak opgeworpen rechtsvragen beantwoord zouden worden in een zaak waarin één mijner ambtgenoten (inmiddels bijna een jaar geleden) heeft geconcludeerd. Ik achtte het doelmatig de beslissing van de Hoge Raad in die zaak af te wachten. Dat arrest is op 7 november jongstleden gewezen (griffienr 00325/05).

3. Bij de inleidende dagvaarding, waartegen het namens verzoeker ingestelde bezwaar is gericht, is verzoeker ten laste gelegd dat hij op 21 november 2003 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 7, lid 2 van het Algemeen Reglement Vervoer gegeven aanwijzing betreffende de orde, rust en veiligheid of goede [lees:] bedrijfsgang, in elk geval een krachtens een wettelijk voorschrift gegeven bevel, inhoudende - zakelijk weergegeven -: zich voor de duur van een dag, ingaande op 21 november 2003 te (omstreeks) 02:10 uur, te verwijderen uit het Centraal Station van Amsterdam en eindigende op 21 november 2003 te 23:59 uur, welk bevel op 21 november 2003 te (omstreeks) 02:10 was gedaan door [verbalisant 1], hoofdagent van politie bij het Regionale Politiekorps Amsterdam-Amstelland en/of Korps Landelijke Politie Diensten, daartoe aangewezen, in elk geval krachtens wettelijk voorschrift, in elk geval door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, immers bevond hij verdachte, zich op 21 november 2003 (omstreeks) 03:48 uur in de voor het publiek toegankelijk ruimte het Centraal Station (de/het ingang Westtunnel), zulks terwijl bovenvermelde aanwijzing aan hem, verdachte was gegeven:

4. Art. 7 van het Algemeen Reglement Vervoer, naar het tweede lid waarvan in deze tenlastelegging wordt verwezen, luidt:

(1) Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of een goede bedrijfsgang te volgen, die door of vanwege de spoorweg duidelijk kenbaar zijn gemaakt.

(2) Een aanwijzing om zich te verwijderen, kan worden gegeven voor een bij de aanwijzing te bepalen tijdsduur"

5. In de bestreden beschikking is overwogen en beslist, voor zover hier van belang:

"Het bezwaarschrift is gericht tegen de op 21 november 2003 aan verdachte betekende dagvaarding onder bovenvermeld parketnummer terzake van, kort gezegd, overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De raadsman heeft de gronden van het bezwaar in raadkamer in hoger beroep als volgt toegelicht, zakelijk weergegeven:

(a) Strijd met de beginselen van een goede procesorde, meer in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, aangezien verdachte in strijd met het kenbare, uitgedragen vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie gedagvaard is voor de politierechter ter zake van het misdrijf van artikel 184 Sr in plaats van voor de kantonrechter ter zake van de overtreding van artikel 7, tweede lid, van het Algemeen Reglement Vervoer (ARV).

(b) Het bevel (stationsverbod), waaraan verdachte volgens de dagvaarding niet heeft voldaan, is niet rechtmatig krachtens wettelijk voorschrift gegeven, aangezien in het onderhavige geval niet de Spoorwegwet en het op deze wet gebaseerde ARV van toepassing zijn maar de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000), welke laatstgenoemde wet geen basis biedt voor het geven van een verwijderingsbevel (stationsverbod) als het onderhavige.

(c) Het overtreden bevel is geen bevoegd gegeven ambtelijk bevel, aangezien het is uitgereikt door een opsporingsambtenaar in zijn hoedanigheid van mandataris van de Nederlandse Spoorwegen (NS), zijnde een private onderneming en geen ambtelijke organisatie.

Volgens de raadsman moet het onder (a) genoemde bezwaar leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging van verdachte, en is het op grond van de onder (b) en (c) genoemde formele bezwaren niet aannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, het tenlastegelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal verklaren.

(...)

Bij de beoordeling van het bezwaarschrift dient tot uitgangspunt de vraag of het hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het tenlastegelegde geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. De beoordeling draagt derhalve, voor zover het de feiten betreft, een summier karakter. Ten aanzien van de aangevoerde gronden van het bezwaar, die naar de raadsman heeft benadrukt van juridisch-technische aard zijn, overweegt het hof als volgt.

(ad a)Verdachte is blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal op 21 november 2003 om 3.48 uur aangehouden in het Centraal Station te Amsterdam terzake van het niet opvolgen van een hem door de spoorwegpolitie gegeven schriftelijke aanwijzing (stationsverbod) op grond van artikel 7 ARV wegens het verstoren van de orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang. Om 2.25 uur was hem een proces-verbaal (transactie) uitgereikt terzake van openbare dronkenschap en hij werd vervolgens meermalen gemaand het station te verlaten, waaraan hij telkens niet heeft voldaan. Hem is door de opsporingsambtenaar verteld dat het niet opvolgen van de gegeven aanwijzingen een misdrijf opleverde.

Onder deze omstandigheden mocht verdachte, die tot vier maal toe was gewaarschuwd en de hem gegeven aanwijzingen had genegeerd, er niet op vertrouwen dat hij niet wegens het misdrijf van artikel 184 Sr zou worden vervolgd en heeft het openbaar ministerie, zonder schending van enige gebleken beleidsregel, hiertoe kunnen besluiten.

(ad b)Dit onderdeel van het bezwaar betreft de vraag of het bevel is gegeven krachtens een verbindend wettelijk voorschrift. Daarbij is het volgende van belang.

Aan verdachte, die op een nachtelijk tijdstip in het station in kennelijke staat van dronkenschap ruzie maakte met de aanwezige spoorwegmedewerkers, is door de opsporingsambtenaar uitgelegd dat het station gesloten was en dat hij per trein naar Schiphol kon reizen om daar te ontnuchteren, waarop hij antwoordde dat hij nergens heen ging en niet wenste weg te gaan. Bij zijn verhoor om 9.15 uur heeft verdachte gezegd dat hij een kaartje wilde kopen om naar huis in Haarlem te gaan.

Artikel 69 van de Spoorwegwet verklaart deze wet niet van toepassing voor zover de WPV 2000 van toepassing is. Artikel 73 WPV 2000, in het hoofdstuk van die wet dat bepalingen voor de reiziger bevat, bepaalt dat ieder die kennelijk gebruik wenst te maken van het openbaar vervoer of de daartoe behorende voorzieningen verplicht is om vanwege de vervoerder gegeven aanwijzingen op te volgen. Nu verdachte op het tijdstip waarop hem het onderhavige bevel werd gegeven kennelijk geen gebruik wilde of kon maken van het openbaar vervoer, voor zover op dat moment beschikbaar, terwijl het station gesloten was, mist de WPV 2000 hier toepassing.

Het ARV is een Algemene Maatregel van Bestuur als voorzien in artikel 27 van de Spoorwegwet. Artikel 7 ARV luidt: "(1) Een ieder is verplicht de aanwijzingen betreffende de orde, rust veiligheid of een goede bedrijfsgang op te volgen, die door of vanwege de spoorweg duidelijk kenbaar zijn gemaakt. (2) Een aanwijzing om zich te verwijderen, kan worden gegeven voor een bij de aanwijzing te bepalen tijdsduur." Het zich op grond van artikel 7, eerste en tweede lid, ARV ingevolge de Spoorwegwet gegeven bevel berust derhalve op een verbindend wettelijk voorschrift.

(ad c)Dit onderdeel van het bezwaar betreft de vraag of het gegeven bevel in overeenstemming is met een op voormeld wettelijk voorschrift berustende bevoegdheid. Daarbij is het volgende van belang.

Het bevel houdt in dat verdachte zich dient te verwijderen uit het Centraal Station te Amsterdam en daar op 21 november 2003 niet terugkeert [lees: mag terugkeren; A-G] van 2.10 uur tot 23.59 uur. Het bevel is aan verdachte verstrekt door de hoofdagent van politie [verbalisant 1], KLPD dienst Spoorwegpolitie Amsterdam, conform het mandaat van de NS Reizigers BV en NS Stations BV. Ook onafhankelijk van het door deze, niet tot de openbare dienst behorende, vennootschappen verleende mandaat was voornoemde opsporingsambtenaar, in uniform dienst doende bij de Spoorwegpolitie en mede gelet op zijn algemene taakopdracht ingevolge artikel 2 Politiewet 1993, naar het oordeel van het hof bevoegd om "vanwege de spoorweg" de onderhavige aanwijzing te geven op grond van artikel 7 AVR [lees: ARV; A-G]. Er is derhalve sprake van een bevoegd gegeven ambtelijk bevel als bedoeld in artikel 184 Sr.

Op grond van het vooroverwogene acht het hof het niet hoogst onaannemelijk dat de strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering het tenlastegelegde feit geheel of gedeeltelijk bewezen zal achten. Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep slaagt derhalve (...)"

6. Het eerste middel keert zich tegen de verwerping van de stelling dat behandeling van de strafzaak ter terechtzitting slechts tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie kan voeren omdat bij de vervolging van verzoeker in strijd is gehandeld met het vertrouwensbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel.

7. In een bezwaarschriftprocedure als de onderhavige zal de rechter slechts in beperkte mate kunnen onderzoeken of de door de bezwaarde aangevoerde vervolgingsbeletselen een inhoudelijk oordeel over het tenlastegelegde feit zullen verhinderen. Slechts indien aanstonds duidelijk is dat de door het Openbaar Ministerie gepubliceerde vervolgingsuitgangspunten in de bijzondere omstandigheden van het geval niet toestaan de dagvaarding te doen uitgaan waartegen het bezwaar zich richt, kan een op deze grond gedaan bezwaar gegrond worden verklaard.

8. Blijkens de pleitaantekeningen heeft verzoekers raadsman het Hof voorgehouden dat hem uit telefonisch door het Openbaar Ministerie gegeven inlichtingen was gebleken dat het beleid is om "in soortgelijke gevallen" een first offender ter zake van overtreding van art. 7, tweede lid, ARV voor de Kantonrechter te dagvaarden, terwijl hem, raadsman, dit eveneens uit vele andere feiten was gebleken.

De verdediging heeft het Hof niet getoond op welke, door of met medeweten van het Openbaar Ministerie gepubliceerde, vervolgingsrichtlijn werd gedoeld en wat die richtlijn inhield.

9. Daarom getuigt de in dit middel bestreden beslissing niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl zij evenmin onbegrijpelijk is.

Het middel faalt.

10. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel dat niet hoogst onaannemelijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een bewezenverklaring zal komen. Het middel bevat twee klachten.

De eerste klacht luidt dat het Hof ten onrechte de Wet personenvervoer 2000 buiten toepassing heeft gelaten.

De tweede klacht is dat het Hof ten onrechte, of onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat het in de tenlastelegging bedoelde bevel bevoegd is gegeven.

11. Wat het openbaar vervoer per trein betreft volgt de handhaving van orde en veiligheid twee sporen. Er is een Spoorwegwet, vorig jaar in de plaats gekomen van de Spoorwegwet 1875. Op de Spoorwegwet 1875, en thans op de Spoorwegwet, berust een algemene maatregel van bestuur, bekend als het Algemeen Reglement Vervoer (ARV). Art. 7 ARV geeft de basis om aan "eenieder" aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang te geven, welke aanwijzingen verplichtend zijn.

Er is ook een Wet personenvervoer 2000 (Wpv 2000), die de hierna te noemen voorlopers heeft gekend. Ook daarin is voorzien in de verplichting tot naleven van aanwijzingen betreffende de orde, rust, veiligheid of goede bedrijfsgang. De desbetreffende bepaling (art. 73 Wpv 2000) richt zich tegen "eenieder die kennelijk gebruik wenst te maken van het openbaar vervoer of de daartoe behorende voorzieningen". Kort gezegd: reizigers.

Met het invoeren van de (hierna te noemen) eerste voorloper van de Wpv 2000 is in de toenmalige Spoorwegwet 1875 de bepaling opgenomen dat deze wet buiten toepassing blijft indien de (voorloper van) de Wpv 2000 toepasselijk is. Die voorziening is in de huidige Spoorwegwet niet te vinden.

12. In zijn hierboven, onder 2, bedoelde arrest heeft de Hoge Raad uit de parlementaire geschiedenis afgeleid dat de bepalingen betreffende orde, rust en veiligheid op stations in de Wpv 2000 en haar voorgangers (de Wet vervoersvoorwaarden openbaar vervoer van 1984 en de Wet personenvervoer van 1987) niet altijd de overeenkomstige bepalingen in de Spoorwegwet 1875 terzijde stellen. De aanvankelijk in laatstgenoemde wet, en thans in de Spoorwegwet van 2005 opgenomen bepalingen betreffende orde, rust en veiligheid behouden hun betekenis voor (het toezicht op) degene die zich anders dan als reiziger op een station bevindt. Op deze personen blijft dus ook het ARV toepasselijk.

13. De eerste klacht in het middel is aldus toegelicht dat in feitelijke aanleg is betoogd dat verzoeker in de desbetreffende nacht gebruik wilde maken van het openbaar vervoer. Daarom, zo wordt gesteld, was op de verhouding tussen verzoeker (als reiziger) en de surveillerende ambtenaren de Wpv 2000 en het op die wet geënte Besluit personenvervoer 2000 (Bpv 2000) toepasselijk, en niet het, toen nog op de Spoorwegwet 1875 berustende, art. 7 ARV. De Wpv 2000 en Bpv 2000, zo wordt verder gesteld, bevatten geen deugdelijke grondslag voor het geven van een aanwijzing als in de tenlastelegging omschreven.

14. Naar mijn inzicht moet deze klacht afstuiten op hetgeen het Hof feitelijk heeft vastgesteld. Die feiten komen er op neer dat verzoeker juist geen gebruik heeft willen maken van het openbaar vervoer, althans niet op het moment waarop hem bevel werd gegeven het station te verlaten. Bij die gelegenheid gaf verzoeker, die onder invloed van alcohol verkeerde, immers te kennen dat hij nergens heen wilde en niet weg wilde gaan. Aldus heeft het Hof feitelijk, en niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat verzoeker niet behoorde tot de personen (reizigers) waarop art. 73 Wpv 2000 doelt.

Gelet op het hierboven, onder 2, genoemde arrest heeft het Hof terecht de stelling verworpen dat art. 7 ARV buiten toepassing moet blijven in verband met hetgeen bij en krachtens de Wpv 2000 is bepaald.

15. Voor beantwoording van de tweede klacht in dit middel kan ik geen aansluiting zoeken in de uitspraak die de Hoge Raad op 7 november jongstleden heeft gedaan. Daar ging het om de tenlastegelegde overtreding van (in mijn woorden) "veertien dagen-verboden", zijnde bevelen die op grond van art. 7 ARV waren gegeven "door het Hoofd van de Dienst Spoorwegpolitie van het Korps Landelijke Politie Diensten, welke krachtens wettelijk voorschrift voortdurend of tijdelijk met enige openbare dienst is belast". Aldus, zo bevond de Hoge Raad, was de tenlastelegging toegesneden op het tweede lid van art. 184 Sr, maar er bleek in die zaak niet van een (tot het Hoofd van de Dienst Spoorwegpolitie gerichte) wettelijke opdracht als in dat tweede lid van art. 184 Sr bedoeld.

In het nu te beoordelen gaat het om een bevel, houdende verbod zich gedurende ongeveer een etmaal in het station te bevinden, gegeven door een "daartoe aangewezen" hoofdagent van politie, "in elk geval door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten". Deze tenlastelegging is dus toegesneden op het eerste lid van art. 184 Sr.

16. Ik zal toch zelf een antwoord moeten zien te vinden op de vraag die in het arrest van veertien dagen geleden in het midden is gelaten: aangenomen dat het bevel is gedaan door een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid van art. 184 Sr, en de tenlastelegging daarop is toegesneden, kan dan worden aangenomen dat de krachtens art. 7 ARV gegeven aanwijzing bevoegd, namelijk "door of krachtens de spoorweg" is gegeven?

17. De (in pleitaantekeningen neergelegde) stelling die de verdediging het Hof voorhield komt op het volgende neer. Naar luid van art. 184, eerste lid, Sr moet het genegeerde bevel zijn gegeven, niet alleen "krachtens wettelijk voorschrift" maar ook door "een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast". In dit geval is het bevel niet gegeven door iemand die met zodanig ambtelijk gezag is bekleed. De wettelijke grondslag van het bevel is immers art. 7 ARV, en die bepaling betreft aanwijzingen "door of vanwege de spoorweg". "De spoorweg" is thans NS Reizigers BV en/of NS Stations BV, maar dat zijn twee privaatrechtelijke rechtspersonen die niet op één lijn gesteld kunnen worden met het in art. 184, eerste lid, Sr bedoelde ambtelijk, toezichthoudend, gezag. Dit wordt niet anders doordat het bevel in dit geval is gegeven door een opsporingsambtenaar dienstdoende bij de Spoorwegpolitie, want deze opsporingsinstelling is bij de privatisering van "de spoorweg" uit de organisatie van de NS gehaald en ondergebracht bij het Korps Landelijke Politiediensten.

18. Weliswaar, zo stelde de verdediging, kan een op art. 7 ARV gegeven bevel ook "vanwege de spoorweg" worden gegeven, maar dat maakt het bevel nog niet bevoegd gegeven. Wie het bevel ook tot verzoeker heeft gericht, diens autoriteit moet zijn afgeleid van "de spoorweg", en "de spoorweg" valt niet onder het overheidsgezag dat in het eerste lid van art. 184 Sr wordt verondersteld. De verdediging onderkende dat NS Reizigers BV en NS Stations BV hun aan het ARV ontleende bevoegdheden hebben gemandateerd aan de ambtenaren van de Spoorwegpolitie, maar wees er op dat bestuursrechtelijk bezien een mandaat niet tot uitbreiding van bestaande bevoegdheden kan leiden. Bij het geven van bevelen als in de tenlastelegging bedoeld treden de opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie (of de Regiopolitie) dus uitsluitend op als lasthebbers van "de spoorweg" en niet als de openbare gezagsdragers waarop het eerste lid van art. 184 Sr doelt.

19. Het Hof heeft gemeend deze stellingen te kunnen passeren door te wijzen op art. 2 Politiewet 1993. Hierin kan ik het Hof niet zonder meer volgen. Ik behoor tot degenen die in deze algemene taakstelling een genoegzame wettelijke grondslag zien voor (verplichtende) bevelen die een opsporingsambtenaar redelijkerwijs noodzakelijk kan vinden om ter plekke een einde te maken aan verstoringen van de openbare orde en/of bedreigingen van de veiligheid in het publieke domein. Dat is de aloude doctrine van de "Zeijense nachtbraker" (HR NJ 1962, 86), waaraan ik ook nu nog zou willen vasthouden. Ik realiseer me dat hier verschillend over wordt gedacht (vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, 2005, p. 106), maar men moet, dunkt mij, praktisch blijven. Een toezichthoudend ambtenaar kan niet zonder bevoegdheden waarmee hij in uiteenlopende (maar onvoorspelbare) situaties effectief orde en veiligheid kan herstellen. Als daardoor een geringe inbreuk op de uitoefening van persoonlijke rechten wordt gemaakt ("Vooruit! Doorlopen! U hindert de mensen!") acht ik dat een aanvaardbare prijs, mits de ambtenaar zonodig aannemelijk kan maken dat het een voor de hand liggende manier was om een daadwerkelijke ordeverstoring op te heffen of een gevaarlijke situatie te beëindigen. Als aan die voorwaarde is voldaan moet naar mijn overtuiging art. 184 Sr kunnen fungeren als sluitstuk op de toezichtstaken die in art. 2 Politiewet 1993 algemeen zijn geformuleerd.

20. Een bevel dat verder gaat, en niet alleen inhoudt dat de betrokkene zich van een bepaalde plaats moet verwijderen maar óók inhoudt dat hij daar binnen zekere tijd niet meer mag terugkeren - kortom het verbod zich binnen zekere tijd op een bepaalde plaats te bevinden - is geen maatregel die uitsluitend is gericht op het beëindigen van de ordeverstoring of gevaarlijke situatie die de ambtenaar ter plekke constateert. Een dergelijk verbod brengt bovendien een méér dan geringe inbreuk op de uitoefening van persoonlijkheidsrechten mee, te weten het recht van bewegingsvrijheid, gewaarborgd in art. 2, Vierde Protocol bij het EVRM. Daarom vormt art. 2 Politiewet 1993 voor een dergelijk bevel geen genoegzame wettelijke grondslag. Uit de algemene taakomschrijving van art. 2 Politiewet 1993 kan de ingezetene namelijk niet afleiden dat hij in voorkomend geval moet gehoorzamen aan de door een opsporingsambtenaar gegeven aanwijzing zich van een bepaalde openbare plaats te verwijderen en gedurende een door die ambtenaar te bepalen tijd verwijderd te houden.

21. Naar mijn inzicht getuigt de bestreden beschikking daarom van een onjuiste rechtsopvatting voor zover de rechtmatigheid van het aan verzoeker gegeven bevel is afgeleid uit art. 2 Politiewet 1993.

22. Het tweede lid van art. 7 ARV verschaft de vereiste duidelijke wettelijke grondslag, en de wetgever heeft die, getuige art. 116 Spoorwegwet, willen handhaven. Uitgaande van deze bepaling moet echter de kwestie onder ogen worden gezien die het Hof in het midden meende te kunnen laten: is het op deze wettelijke bepaling gegronde bevel gedaan door een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid van art. 184 Sr?

23. Bij beantwoording van die vraag moet worden vooropgesteld dat bij de toepassing van strafbaarstellingen waarin als voorwaarde wordt gesteld dat door "een ambtenaar" een vordering is gedaan of een bevel is gegeven, dit begrip niet moet worden uitgelegd in de beperkte betekenis van een persoon die als zodanig is benoemd of aangesteld. In deze strafbaarstellingen moet onder "ambtenaar" mede worden verstaan: "degene die onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd". De formule komt uit HR NJ 2004, 527, waarin het ging om de vraag of (strafbaar) lokaalvredebreuk wordt begaan indien de vordering om een universiteitsgebouw te verlaten is gedaan door een medewerker van een privaatrechtelijk beveiligingsbedrijf. Dat is, zo oordeelde de Hoge Raad, het geval.

24. Mij lijkt dat het in HR NJ 2004, 527 overwogene mutatis mutandis valt toe te passen in deze zaak. Daar ging het erom of een (voor studenten en andere bezoekers bestemd) universiteitsgebouw een "voor de openbare dienst bestemd lokaal" is, en de medewerker van een ingehuurd particulier beveiligingsbedrijf als "bevoegde ambtenaar" kan vorderen dat iemand zich uit dat gebouwd verwijderd. Dat werd aangenomen omdat die medewerker van het beveiligingsbedrijf kon worden geacht te handelen onder "toezicht en verantwoording" van de universiteit, een publiekrechtelijke rechtspersoon die een wettelijke taak vervult.

Nu gaat het om een gebouw dat toebehoort aan een privaatrechtelijke rechtspersoon (NS Stations BV), maar dat doet er naar mijn inzicht weinig toe. Ik heb ook niet de moeite genomen om bij het Handelsregister na te gaan wie aandeelhouder van deze BV is.

25. De kern van de zaak is volgens mij dat het aan NS Stations BV toebehorende gebouw wordt gebruikt voor een krachtens wettelijk voorschrift aan het publiek aangeboden dienst, te weten openbaar vervoer per trein. Vroeger werd dit gezien als één overheidstaak, opgedragen aan een staatsbedrijf dat over een eigen opsporingsdienst kon beschikken. Nu, in deze geprivatiseerde tijden, houdt de wet er rekening mee dat de publieke taak door private partijen wordt uitgevoerd, maar het blijft een in de wet geregelde publieke taak. De beheerder van rails, seinen en wissels moet er voor zorgen dat 't allemaal werkt, de vervoerder is verplicht zijn dienstregeling uit te voeren, en de eigenaar van het station moet er voor zorgen dat reizigers vlot en veilig in en uit de trein kunnen komen. Het laatste is nu art. 26, eerste lid, Spoorwegwet: de "rechthebbende ten aanzien van een rechtstreeks aan de hoofdspoorweg gelegen station draagt ervoor zorg dat reizigers (...) een veilige en adequate toegang hebben tot perrons en spoorvoertuigen". Al deze inspanningen staan ten dienste van een openbare dienstverlening waarvoor uiteindelijk de overheid verantwoordelijk is, en waarbij de bij of krachtens de wet gegeven voorschriften moeten worden nageleefd. Tot die voorschriften behoort, als gezegd, het voorheen op art. 27 Spoorwegwet 1875, en thans op art. 116 Spoorwegwet berustende Algemeen Reglement Vervoer.

26. Bij deze stand van zaken valt niet goed in te zien waarom "de spoorweg" (inmiddels de vervoerder, de rechthebbende van een station, of andere bij het treinverkeer betrokken ondernemer) niet zou mogen worden aangemerkt als degene die een wettelijk geregelde taak vervult "waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd", als bedoeld in het bovengenoemde HR NJ 2004, 527. De opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie zijn belast met het toezicht op de naleving van de voorschriften waarmee die wettelijk geregelde publieke dienstverlening is omgeven. In geval deze voorschriften nog nadere beslissingen van "de spoorweg" vergen, zullen de opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie die als functionaris van deze dienstverlenende instelling kunnen nemen, voor zover hun verhouding tot de uiteindelijk verantwoordelijke binnen die organisatie hen daartoe de ruimte laat. In zoverre kan worden aangenomen dat de Spoorwegpolitiefunctionarissen hun toezichthoudende taak vervullen in opdracht en onder verantwoordelijkheid van "de spoorweg" (thans: de vervoerder, de rechthebbende van het station, etq).

Daaraan staat niet in de weg dat de korpschef van het Korps landelijke politiediensten optreedt als "direct toezichthouder" over de opsporingsambtenaren van de Spoorwegpolitie, zodat zij voor wat betreft eisen van vakbekwaamheid, opsporingsbevoegdheid, en behoorlijkheid van optreden als opsporingsambtenaar onder diens gezag staan.

27. Naar mijn inzicht moest het Hof er daarom vanuit gaan dat het in de tenlastelegging bedoelde bevel "door of vanwege de spoorweg", namelijk door een functionaris belast met het toezicht op de naleving van voorschriften betreffende het openbaar vervoer per spoor, aan verzoeker is gegeven.

Het Hof heeft dus terecht, zij het op een verkeerde grond, beslist dat het niet hoogst waarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in de tenlastelegging omschreven feit bewezen en strafbaar zal verklaren.

28. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,