Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
00788/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De opvatting dat in een geval als i.c., waarin de appelakte in het ongerede is geraakt, de rechter in appel er zonder meer van dient uit te gaan dat het appel tijdig is ingesteld, is onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 30
RvdW 2007, 116
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00788/06

Mr. Knigge

Zitting: 21 november 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter te Rotterdam van 15 juni 2005, waarbij hij ter zake van het aanwezig hebben van meer dan vijf kilo hennep is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

2. Namens verdachte heeft mr. G.J. Woodrow, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.

4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voorzover voor de beoordeling van belang, het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter verklaart de verdachte -zakelijk weergegeven-: Ik ben de zitting van de politierechter helemaal vergeten. Ik weet niet meer wanneer ik weer aan deze zaak heb gedacht. Ik heb een papier gekregen. Mijn vriendin was op reis. Ik dacht dat ik het papier thuis zou krijgen. Ik weet niet meer hoe alles precies is gegaan.

Op een vraag van de advocaat-generaal waarom de verdachte hoger beroep heeft ingesteld antwoordt de verdachte -zakelijk weergegeven-: Net voordat ik hoger beroep heb ingesteld, ben ik op de hoogte geraakt van het vonnis. Ik weet het niet meer precies. U kunt met mijn advocaat praten.

De raadsman van de verdachte deelt mede dat hij, nadat hij alle stukken heeft ontvangen, met de verdachte heeft gesproken en dat hij precies dezelfde vragen aan de verdachte heeft gesteld. De verdachte gaf toen aan zich niet meer te kunnen herinneren hoe alles is gegaan. De verdachte zou de dagvaarding wel hebben ontvangen en hij heeft ook de intentie gehad om naar de zitting te gaan.

De voorzitter deelt mede dat uit de gegevens in het dossier blijkt dat op 22 augustus 2005 - en derhalve te laat - hoger beroep is ingesteld.

Op een vraag van de advocaat-generaal of de verdachte nog weet wanneer hij ontdekte dat hij was veroordeeld, antwoordt de verdachte - zakelijk weergegeven-: Ik weet niet meer precies wanneer ik heb ontdekt dat ik ben veroordeeld. Ik heb geen agenda.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter mede dat het hof op basis van de stukken in het dossier van oordeel is dat het hoger beroep op 22 augustus 2005 is geregistreerd en dat het hof er, nu de verdachte niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij op een eerdere datum hoger beroep heeft ingesteld, van uitgaat dat het hoger beroep op 22 augustus 2005 is ingesteld.

De raadsman van de verdachte merkt op dat deze mededeling van de voorzitter impliceert dat de verdachte niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep. De raadsman is echter van mening dat niet vastgesteld kan worden op welk moment de verdachte hoger beroep heeft ingesteld, nu de appelakte ontbreekt in het dossier. De registratie van het hoger beroep hangt namelijk samen met de appelakte. Voorts merkt hij op dat uit jurisprudentie blijkt dat bij ontbreken van de appelakte niet met zekerheid kan worden gezegd wanneer hoger beroep is ingesteld. De administratieve vergissing in deze zaak dient niet in het nadeel van de verdachte uitgelegd te worden. Nu niet gezegd kan worden dat het hoger beroep te laat is ingesteld, dient de verdachte ontvankelijk te worden verklaard in zijn beroep.

De advocaat-generaal voert hierna het woord en draagt de schriftelijke vordering voor. Hij is van mening dat het appel te laat is ingesteld, nu in het Compas systeem is geregistreerd dat op 22 augustus 2005 hoger beroep is ingesteld. Bij het instellen van hoger beroep worden de gegevens in compas ingevoerd en wordt er vervolgens een uitdraai van de appelakte gemaakt. De advocaat-generaal is van mening dat de raadsman van de verdachte, nu deze wel waarde hecht aan het feit dat in compas geregistreerd staat dat er hoger beroep is ingesteld, maar vervolgens de genoemde datum in compas niet betrouwbaar acht, zou moeten concluderen dat er ofwel helemaal geen hoger beroep is ingesteld ofwel dat het hoger beroep te laat is ingesteld. Er zijn diverse pogingen gedaan om te proberen de verdachte zich te laten herinneren waarom hij hoger beroep heeft ingesteld. De verdachte geeft echter aan zich niets meer hierover te herinneren. De advocaat-generaal vordert derhalve dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn hoger beroep en legt de vordering aan het gerechtshof over.

De raadsman van de verdachte vraagt of de genoemde gegevens in compas zijn gecontroleerd.

De voorzitter toont aan de raadsman van de verdachte de uitdraai van compas, waarop te zien is dat er op 22 augustus 2005 hoger beroep is ingesteld, welke uitdraai zich in het dossier bevindt.

De raadsman van de verdachte geeft aan dat hij blijft bij zijn standpunt dat de verdachte ontvankelijk is in zijn hoger beroep."

5. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van belang, het volgende in:

"De dagvaarding van de verdachte om op 15 juni 2005 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 25 april 2005.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 15 juni 2005 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. Volgens de gegevens van Compas heeft de verdachte echter eerst op 22 augustus 2005 hoger beroep ingesteld.

Ter zitting in hoger beroep is aan de verdachte de gelegenheid geboden aannemelijk te maken dat hij op een eerdere datum dan 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld. Nu de verdachte niet heeft gesteld en evenmin aannemelijk is geworden dat hij op een eerdere datum dan 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld dient hij in zijn hoger beroep - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - niet-ontvankelijk te worden verklaard."

6. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de inhoud van de akte rechtsmiddel bepalend is wat betreft onder meer de datum waarop het hoger beroep is ingesteld en dat het Hof ten onrechte uit de gegevens uit Compas heeft afgeleid dat verdachte op 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld.

7. De steller van het middel kan worden toegegeven dat de akte rechtsmiddel in het algemeen bepalend is voor het vaststellen van de datum waarop het rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt brengt ons in de onderhavige zaak echter niet veel verder omdat deze zich hierdoor kenmerkt dat de akte rechtsmiddel zich ten tijde van de behandeling in hoger beroep niet meer bij de stukken bevond. Ik merk daarbij op dat de akte rechtsmiddel in het algemeen ook bepalend is voor de vraag óf een rechtsmiddel is aangewend.

8. Het uitgangspunt lijkt mij te zijn dat, indien zich bij de aan een gerechtshof gezonden stukken geen akte rechtsmiddel bevindt, waaruit kan worden afgeleid dat de desbetreffende zaak aan zijn oordeel is onderworpen, onderzocht moet worden of inderdaad hoger beroep is ingesteld dan wel of het desbetreffende dossier bij vergissing is ingezonden. Het kan zich voordoen dat bij dat onderzoek aanwijzingen worden gevonden op grond waarvan moet worden aangenomen dat - ondanks het ontbreken van een daartoe strekkende akte - hoger beroep is ingesteld. Worden dergelijke aanwijzingen niet gevonden, dan zal het er voor gehouden moeten worden dat geen beroep is ingesteld.

9. In de onderhavige zaak konden die aanwijzingen worden gevonden in (i) een brief aan het Hof van de adj. gerechtssecretaris van de Rechtbank A. van Room van 19 september 2005, onder meer inhoudend dat verdachte op 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld; (ii) een brief aan het Hof van de medewerker van de strafadministratie van de Rechtbank [de medewerker] van 21 september 2005, onder meer inhoudend dat de akte rechtsmiddel noch een kopie daarvan is te achterhalen, doch dat hij met zekerheid kan zeggen dat er een akte rechtsmiddel geweest is; en (iii) de uitdraai uit het Compas systeem van 5 oktober 2005, waarin is geregistreerd dat verdachte op 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld.

10. Het Hof heeft klaarblijkelijk - ondanks het ontbreken van een akte rechtsmiddel - ten faveure van verdachte geoordeeld dat verdachte hoger beroep heeft ingesteld. Tegen dat oordeel komt het cassatiemiddel begrijpelijk genoeg niet op. Het middel berust kennelijk op de opvatting dat het er in een geval als het onderhavige - waarin ondanks het ontbreken van een akte rechtsmiddel wordt aangenomen dat beroep is ingesteld - zonder meer voor moet worden gehouden dat het beroep tijdig is ingesteld.

11. Die opvatting komt mij niet juist voor. In het verlengde van het loslaten van de aanwezigheid bij de stukken van een akte rechtsmiddel als noodzakelijke voorwaarde van de ontvankelijkheid van het beroep, ligt dat los van de - immers ontbrekende - akte moet worden beoordeeld of het beroep tijdig is ingesteld. Het lag derhalve op de weg van het Hof te onderzoeken hoe de feitelijke gang van zaken is geweest met betrekking tot het instellen van hoger beroep.(1)

12. Het Hof heeft daarbij ter zitting als zijn voor tegenspraak vatbare uitgangspunt medegedeeld dat het Hof het er op grond van de uitdraai uit Compas voor hield dat het hoger beroep op 22 augustus 2005 is ingesteld. Daarbij heeft het Hof de verdachte de gelegenheid gegeven om te stellen en aannemelijk te maken dat hij op een eerdere datum dan 22 augustus 2005 hoger beroep heeft ingesteld. Het uitgangspunt van het Hof is dus niet geweest dat verdachte aannemelijk moet maken dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat het beroep tijdig is ingesteld en heeft daarbij in aanmerking genomen dat van de zijde van de verdachte zelfs niet is gesteld dat de vermelding in Compas onjuist is. Daarin ligt besloten dat het Hof, als op grond van hetgeen de verdachte aanvoerde in redelijkheid getwijfeld kon worden aan de juistheid van die vermelding, de verdachte het voordeel van die twijfel had gegund.

13. Ik acht het door het Hof gekozen uitgangspunt niet onbegrijpelijk. Ik wijs er daarbij op dat art. 451 lid 5 Sv de griffier verplicht om van een ingesteld rechtsmiddel dadelijk aantekening te doen in een daartoe bestemd register. De vervangende bewijswaarde die het Hof aan de Compasregistratie heeft toegekend, heeft dus een stevige wettelijke basis. Ook overigens geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.

14. Ten overvloede verdient nog opmerking dat namens mij telefonisch ingewonnen inlichtingen bij de strafgriffie van de Rechtbank te Rotterdam hebben geleerd dat de gang van zaken bij het instellen van een rechtsmiddel zo is dat aan degene die het rechtsmiddel instelt, steeds een kopie van de daarvan opgemaakte akte wordt verstrekt. Het lijkt zogezien voor de verdachte niet al te moeilijk te zijn geweest om de eventuele onjuistheid van de Compasregistratie aannemelijk te doen worden. Al kunnen natuurlijk ook bij de verdachte thuis - net zoals op de griffie - stukken zoek raken.

15. Het middel faalt.

16. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. aant. 5 bij art. 451 van J. de Hullu en H.K. Elzinga in Melai/Groenhuijsen.