Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3283

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-01-2007
Datum publicatie
16-01-2007
Zaaknummer
00462/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3283
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Het hof heeft ten onrechte de dagvaarding (betreffende belaging ex art. 285b.1 Sr) innerlijk tegenstrijdig geoordeeld, in aanmerking genomen dat de tenlastegelegde periode ruim 4 maanden beslaat, de feitelijke omschrijving achter de 3 gedachtestreepjes alle worden voorafgegaan door het woordje meermalen en dat voorts van de gedragingen zoals in de tenlastelegging omschreven niet gezegd kan worden dat deze naar hun aard nooit belaging kunnen opleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 31
NJ 2007, 66
RvdW 2007, 110
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00462/06

Mr. Machielse

Zitting: 21 november 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is op 11 juli 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het hem onder 3. tenlastegelegde en voor de feiten 2., 4. primair en 5. primair, opleverende diefstal, meermalen gepleegd, veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf. Het hof heeft de inleidende dagvaarding nietig verklaard voor wat betreft het onder 1. tenlastegelegde. Voorts heeft het hof de proeftijd van een voorwaardelijk opgelegde straf verlengd zoals in het arrest omschreven.

2. Het beroep in cassatie is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof, die een schriftuur houdende één middel van cassatie heeft ingediend.(1)

3. Het middel klaagt dat het hof de tenlastelegging onder 1. ten onrechte nietig heeft verklaard.

4. De verdachte is, met inbegrip van de door het hof toegestane wijzigingen, onder 1. tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2004 tot en met 19 juli 2004 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, te weten die [slachtoffer] te bewegen een relatie met hem, verdachte, aan te gaan, in elk geval contact met hem, verdachte te hebben, immers heeft hij, verdachte,

- zich meermalen, althans eenmaal, (zonder toestemming) in en/of in de nabijheid van een nagelstudio waarin die [slachtoffer] zich bevond en/of de woning van die [slachtoffer] en/of de winkel van die [slachtoffer] bevonden en/of

- zich meermalen, althans eenmaal, in en/of in de nabijheid van de kerk die [slachtoffer] bezoekt, bevonden en/of

- meermalen, althans eenmaal, een liefdesbrief aan die [slachtoffer] geschreven"

5. De bestreden uitspraak houdt onder meer in:

"Nietigheid van de dagvaarding

Het hof is van oordeel dat de dagvaarding in eerste aanleg voor wat betreft het onder 1 telastegelegde nietig behoort te worden verklaard. Het hof overweegt hiertoe dat de feitelijkheden, vermeld achter de drie gedachtestreepjes, indien bewezen, zowel afzonderlijk als in onderling verband bezien, nog geen belaging opleveren, zodat sprake is van een innerlijk tegenstrijdige dagvaarding."

6.1. De dagvaarding behelst de opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, zegt art. 261 Sv. Die opgave heeft tot doel (i) de verdachte ten behoeve van zijn verdediging kenbaar te maken welk voorval hem verweten wordt en (ii) de rechter onder meer in staat te stellen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de Officier van Justitie te beoordelen.(2) De tenlastelegging stelt daarom niet alleen een historisch feit, maar moet ook de rechter in staat stellen bijvoorbeeld te beoordelen of een misdrijf of overtreding is telastegelegd.(3)

6.2. Dat betekent niet dat de rechter al bij de beantwoording van de voorvragen (art. 348 Sv) een onderzoek ten gronde verricht of het tenlastegelegde een strafbaar feit volgens de wet oplevert en indien dat niet het geval zou zijn de nietigheid der dagvaarding uitspreekt (art. 349 Sv). Uit het stelsel van de wet volgt dat hij aan dat onderzoek naar de strafbaarheid niet eerder dan bij de beraadslaging over de materiële vragen (art 350 Sv) toekomt. Voor de geldigheid van de tenlastelegging is niet vereist dat alle bestanddelen van een strafbaar feit erin tot uitdrukking zijn gebracht.(4) Een onvolledig op een wettelijke delictsomschrijving toegesneden tenlastelegging kan worden bewezen; door de onvolledigheid levert de bewezenverklaring echter geen strafbaar feit op en dat leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging.(5)

7. In de onderhavige zaak is bedoeld onder 1 het misdrijf van art. 285b Sr tenlaste te leggen. Art. 285b lid 1 Sr luidt:

Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie

8. Het hof overweegt dat als de achter de gedachtestreepjes tenlastegelegde feitelijkheden bewezen zouden kunnen worden, die feitelijkheden nog geen "belaging" in de zin van art. 285b lid 1 Sr kunnen opleveren, op zichzelf niet en niet in onderling verband. Dat moet volgens het hof betekenen dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is.

Die verwijzing naar de innerlijke tegenstrijdigheid van de tenlastelegging kan ik alleen aldus begrijpen dat het hof van mening is dat het deel van de tenlastelegging waarin alle bestanddelen van de wettelijke delictsomschrijving in (grotendeels) aan de tekst van art. 285 lid 1 Sr ontleende bewoordingen zijn opgenomen niet wordt gedekt door de erop volgende feitelijke omschrijving. Als dat de grond is voor de nietigverklaring van de dagvaarding voor feit 1geeft dat impliciete oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof een andere redenering aan de nietigverklaring ten grondslag heeft gelegd blijkt deze niet en is de beslissing ontoereikend gemotiveerd.

9. Vooropgesteld dat de tenlastelegging toegesneden is op art. 285b lid 1 Sr en de uitdrukking "stelselmatig" in de betekenis van dat artikel is gebezigd, miskent het hof dat de feitelijke omschrijving van de gedragingen van verdachte een aanduiding geeft van een zekere stelselmatigheid. De tenlastelegging laat immers de mogelijkheid open dat verdachte gedurende ruim vier maanden zich honderd maal tegen haar zin in de woning en in de winkel en in de studio van [slachtoffer] heeft bevonden en haar tientallen ongewenste liefdesbrieven heeft geschreven. Voor de vraag of de gedragingen van verdachte inderdaad stelselmatig inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] mag de rechter tevens acht slaan op hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent onder meer de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte.(6)

Hieruit volgt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de tenlastelegging (waarvan de feitelijkheden nog geen belaging opleveren) innerlijk tegenstrijdig moet zijn.

10. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het beroep is onbeperkt ingesteld. Eerst uit de cassatieschriftuur kan blijken dat het beroep zich slechts richt tegen de nietigverklaring van de dagvaarding voor feit 1. In zo'n geval kan de verdachte, aan wie het cassatieberoep doorgaans is aangezegd vóór het moment dat hij kennis kan nemen van de schriftuur van het OM, denken dat de Hoge Raad zich niet zal beperken in zijn beoordeling van het arrest van het hof en zonodig ambtshalve zal ingrijpen. Als het OM wil dat een deel van het bestreden arrest al kracht van gewijsde krijgt mag worden gevergd dat het dat duidelijk maakt, en niet eerst in de schriftuur. Het heeft daarom mijn voorkeur om een cassatieberoep van het OM dat blijkens de cassatieakte onbeperkt is ingesteld ook onbeperkt op te vatten. Enige steun voor deze keuze ontleen ik aan HR 20 november 2001, NJ 2003, 632 Mevis/De Lange, waarin het cassatieberoep door het OM ook onbeperkt was ingesteld en eerst in de schriftuur werd beperkt, waarop de Hoge Raad casseerde en vervolgens voor de tweede maal in cassatie met de zaak te maken kreeg. Het arrest waartegen het tweede cassatieberoep, nu van verdachte, zich richtte betrof ook de feiten waartegen het eerste cassatieberoep van het OM zich blijkens de inhoud van de cassatieschriftuur in de eerste zaak, niet had gekeerd. De Hoge Raad zag geen aanleiding aandacht te schenken aan het feit dat het verwijzingshof de zaak weer in volle omvang had beoordeeld (HR 9 maart 2004, NJ 2004, 675 m.nt. Mevis/De Lange). Wat betreft de omvang van een hoger beroep door het OM ingesteld, leert de Hoge Raad ook dat de inhoud van de appelakte beslissend is; vgl. HR 8 juli 2003, NJ 2003, 649. Anders dan hier verdedigd evenwel Van Dorst, Cassatie in strafzaken,5e druk, p. 120.

2 HR 21 januari 1986, NJ 1986, 418 (m.nt. ThWvV) rov. 5.2.

3 Vgl. Corstens, vijfde druk, 2005, p. 530-531 en D.H. de Jong in: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 4 en 11.1 op art. 261 (suppl. 120, februari 2001).

4 HR 27 juni 1995, NJ 1996, 126 (m.nt. MSG onder NJ 1996, 127 en AA 45 (1996), 1, p. 53 m.nt. De Hullu) rov. 7.1. Zie ook D.H. de Jong in: Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 11.1 op art. 261 (suppl. 120, februari 2001) en J. Remmelink, 'Visies op telastelegging', in: E.A. de la Porte e.a. (red.), Bij deze stand van zaken (Melai-bundel), Arnhem: Gouda Quint BV 1983, p. 431-432.

5 Corstens vijfde druk 2005, p. 534.

6 HR 1 juni 2004, LJN AO7066 rov.3.5; HR 29 juni 2004, NJ 2004, 426 (m.nt. D.H. de Jong) rov. 3.6.2 en HR 15 november 2005, LJN AU3495 rov. 3.7.; HR 19 september 2006, nr. 02241/05.