Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ3093

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
09-02-2007
Zaaknummer
R06/055HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2006:AV0793
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ3093
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 80
RvdW 2007, 186
NJB 2007, 489
JWB 2007/37
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R06/055HR

mr. Keus

Parket, 24 november 2006

Conclusie inzake:

[De man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw]

verweerster in cassatie

Het gaat in deze alimentatiezaak om de vraag of het hof zijn oordeel over de behoefte van de vrouw naar behoren heeft gemotiveerd en of van de man mag worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert, indien hij de door het hof vastgestelde alimentatie niet uit zijn inkomen kan voldoen.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Partijen zijn op 20 december 1979 op huwelijksvoorwaarden gehuwd. Zij hebben samen géén nog minderjarige kinderen.

1.2 Bij rekest van 29 juni 2004 heeft de vrouw een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken bij de rechtbank 's-Gravenhage ingediend. Bij faxbericht aan de rechtbank van 2 december 2004 heeft zij haar verzoekschrift gewijzigd. Zij heeft de rechtbank verzocht de man tot betaling van een partneralimentatie van € 6.478,82 per maand te veroordelen, de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke vermogensbestanddelen vast te stellen en de man voorts te veroordelen haar een bedrag van € 437.689,40 ter zake van achterstallig loon te voldoen.

1.3 Bij beschikking van 1 juli 2004 heeft de rechtbank 's-Gravenhage naar aanleiding van een eerder ingediend verzoekschrift van de vrouw, strekkende tot voorlopige voorziening, de man veroordeeld aan de vrouw een partneralimentatie te voldoen van € 4.150,- per maand. Bij beschikking van 26 augustus 2004 heeft de rechtbank de beschikking van 1 juli 2004 op verzoek van de man op grond van art. 1:401 lid 4 BW in dier voege gewijzigd, dat de door de man te verstrekken partneralimentatie op € 3.370,- per maand is bepaald.

1.4 Bij beschikking van 14 januari 2005 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de door de man te betalen partneralimentatie op € 5.200,- per maand vastgesteld. De behandeling van het verzoek tot verdeling is aangehouden; voorts is de vrouw in haar verzoek ter zake van achterstallig loon niet-ontvankelijk verklaard, nu zij voor haar desbetreffende aanspraak een procedure bij de kantonrechter aanhangig moet maken.

1.5 De echtscheidingsbeschikking is op 4 mei 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.6 De man is op 12 april 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 14 januari 2005. De vrouw heeft op 22 juni 2005 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. De man heeft in het incidentele appel verweer gevoerd.

1.7 Na de mondelinge behandeling op 18 november 2005, waarbij partijen met hun procureurs zijn verschenen, heeft het hof bij beschikking van 1 februari 2006 de bestreden beschikking van de rechtbank vernietigd voor zover het de daarin bepaalde partneralimentatie betreft en heeft het die alimentatie, in zoverre opnieuw beschikkende, op € 6.478,22 per maand bepaald. Het hof heeft de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders verzochte afgewezen.

1.8 De man heeft tijdig(2) beroep in cassatie van de beschikking van het hof ingesteld. De vrouw heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het cassatierekest omvat drie cassatiemiddelen.

2.2 Middel 1 klaagt dat het oordeel van het hof innerlijk tegenstrijdig is, nu het oordeel in de rov. 12 en 15 haaks staat op dat in rov. 11. Het middel wijst erop dat het hof, na in rov. 12 in verband met de bepaling van de behoefte van de vrouw te hebben overwogen dat partijen ten tijde van het huwelijk een zeer luxe levensstijl hadden, in rov. 15 heeft geoordeeld dat de nettobehoefte van de vrouw kan worden gesteld op € 4.015,-, maar dat een behoefte van € 6.478,22 per maand, gelet op de grenzen van het geschil en gezien de levensstijl van partijen tijdens het huwelijk, alleszins redelijk is. In rov. 11 had het hof echter reeds geoordeeld dat de tweede grief van de man slaagt. Nu de man in die grief klaagde dat de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt heeft gehanteerd dat bij de vaststelling van de behoefte aansluiting bij de welstand van partijen tijdens het huwelijk moet worden gezocht, is het oordeel in rov. 11 tegenstrijdig met dat in de rov. 12 en 15, aldus het middel.

2.3 Ik stel voorop dat, voor zover het middel een tegenstelling tussen de beide, in rov. 15 genoemde bedragen suggereert ("Het hof overweegt verderop in rechtsoverweging 15 (...) dat de netto behoefte van de vrouw kan worden gesteld op € 4.015,-. Een behoefte van de vrouw van € 6.478,22 per maand acht het hof echter (...) alleszins redelijk."), die suggestie niet juist is. Zoals bij de bespreking van het tweede middel nog aan de orde zal komen, is het bedrag van € 6.478,22 mijns inziens niet méér dan de uitkomst van een "brutering" van de eerder genoemde nettobehoefte van € 4.015,-.

De door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw is bepaald met inachtneming van de levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk en met inachtneming van de gelden waarover partijen toen uit inkomsten en vermogen konden beschikken. De klacht dat zulks tegenstrijdig is met rov. 11, berust op een onjuiste lezing van die rechtsoverweging. In de rov. 9-12 heeft het hof de tweede grief van de man besproken. Uit rov. 9 volgt dat het hof die grief zo heeft opgevat dat wordt geklaagd "dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat voor de bepaling van de behoefte van de vrouw uitgegaan dient te worden van een netto besteedbaar inkomen van € 5.672,75 per maand". Het hof heeft die klacht gegrond geacht en in de slotalinea van rov. 11 geconcludeerd:

"Het hof is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen met de man van oordeel dat de rechtbank voor wat betreft het netto inkomen van partijen van een onjuist bedrag is uitgegaan. De tweede grief van de man slaagt derhalve."

Het hof heeft de tweede grief kennelijk niet aldus opgevat dat daarmee (ook) werd geklaagd over het door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat bij bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde bij de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk aansluiting moet worden gezocht. Dat het hof niet (ook) een dergelijke klacht in de grief heeft gelezen, is niet onbegrijpelijk. De bedoelde grief, zoals geformuleerd in het appelrekest van de man onder 29, luidt aldus:

"Ten onrechte overweegt de rechtbank dat als uitgangspunt geldt, dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aansluiting gezocht wordt bij de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk, derhalve bij het besteedbaar inkomen dat zij ontvingen tijdens de periode dat zij nog samenleefden. Het staat tussen partijen vast dat ten tijde van de samenleving € 5.672,75, zijnde € 4.672,75 aan managementfee voor de man en € 1.000,-- aan salaris voor de vrouw, door "[A] BV" werd gestort op hun gezamenlijke rekening. Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw dient derhalve te worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 5.672,25 per maand."

Anders dan men wellicht bij eerste lezing zou vermoeden, is het niet zo dat in de eerste volzin het door de man onjuist geachte oordeel van de rechtbank wordt weergegeven en dat de man in de tweede en derde volzin zijn eigen opvatting daartegenover stelt. De grief blijkt te zijn gericht tegen de gehele voorlaatste alinea van p. 2 van de beschikking van de rechtbank, waar de rechtbank heeft overwogen:

"De rechtbank overweegt voorts dat als uitgangspunt geldt dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aansluiting wordt gezocht bij de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk, derhalve bij het besteedbaar inkomen dat zij ontvingen tijdens de periode dat zij nog samenleefden. Het staat tussen partijen vast dat ten tijde van de samenleving € 5.672,75, zijnde € 4.672,75 aan managementfee voor de man en € 1.000,-- aan salaris voor de vrouw, door "[A] BV" werd gestort op hun gezamenlijke rekening. Voor de bepaling van de behoefte van de vrouw dient derhalve te worden uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van € 5.672,25 per maand."

De passage over de aansluiting die volgens de rechtbank bij de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk moet worden gezocht, is niet meer dan een "aanloopje" naar het in aanmerking nemen van het netto besteedbaar inkomen dat partijen ontvingen in de periode dat zij nog samenleefden. Mede blijkens de daarop gegeven toelichting had de tweede grief van de man niet de strekking de relevantie van dat inkomen ter discussie te stellen, maar de vaststelling van de hoogte daarvan op een bedrag van € 5.672,25 per maand, waar partijen (blijkens de jaaropgaven over 2002) een netto-inkomen van slechts € 3.257,- per maand ontvingen. Dat het hof de aldus opgevatte grief honoreerde, impliceert niet dat naar het oordeel van het hof met de levensstijl van partijen tijdens het huwelijk geen rekening zou mogen worden gehouden.

2.4 Middel 2 klaagt over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof in rov. 15 dat gezien de levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk een behoefte van de vrouw van € 6.478,22 alleszins redelijk moet worden geacht. Volgens het middel is voldoende duidelijk van welke gegevens het hof gebruik heeft gemaakt om een nettobehoefte van € 4.015,- te berekenen, maar heeft het hof niet inzichtelijk gemaakt hoe het tot een verhoging van die behoefte tot € 6.478,22 is gekomen. De levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk noch de grenzen van het geschil waarnaar het hof in de bestreden overweging heeft verwezen, zijn daarvoor redengevend, aldus het middel.

2.5 Ik lees de bestreden rechtsoverweging aldus, dat de "verhoging" van de door het hof berekende nettobehoefte van € 4.015,- naar de uiteindelijk in aanmerking genomen behoefte van € 6.478,22 niet haar grond vindt in de door het hof in de op één na laatste alinea van rov. 15 gereleveerde "levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk (...) (,) de gelden waarover partijen uit inkomsten en vermogen konden beschikken, alsmede (...) de grenzen van het geschil", maar in het gegeven dat naast het bedrag van de nettobehoefte óók de door de vrouw te betalen belasting over de door haar te ontvangen alimentatie in aanmerking moet worden genomen. Het bedrag van € 6.478,22 is mijns inziens niet meer dan het resultaat van een (overigens niet evident onjuiste(3)) "brutering" van de door het hof berekende nettobehoefte van € 4.015,-. Nadat het hof in de eerste volzin van de op één na laatste alinea van rov. 15 de nettobehoefte van de vrouw op grond van de door haar opgesomde posten op € 4.015,- had bepaald, heeft het hof, alvorens in de derde volzin een uiteindelijk in aanmerking te nemen behoefte van € 6.478,22 vast te stellen, immers in de tweede volzin overwogen: "Hierbij is nog geen rekening gehouden met door de vrouw te betalen belasting over de te ontvangen alimentatie.". Waar het hof (in de derde volzin van de op één na laatste alinea van rov. 15) heeft gerefereerd aan "de levensstijl van partijen ten tijde van het huwelijk (...) (,) de gelden waarover partijen uit inkomsten en vermogen konden beschikken, alsmede (...) de grenzen van het geschil", heeft het hof kennelijk niet de verhoging van de netto- naar een brutobehoefte op het oog gehad, maar tot uitdrukking willen brengen dat het de berekende (netto- en bruto)behoefte in overeenstemming met die factoren achtte.

2.6 Middel 3 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 18 dat in dit specifieke geval van de man in redelijkheid mag worden verlangd dat hij op zijn aanzienlijke vermogen inteert, indien hij de alimentatie niet uit zijn inkomen kan voldoen. Volgens het middel doorbreekt het hof met dit oordeel de tussen partijen in de huwelijksvoorwaarden gemaakte afspraken, inhoudende dat elke vermogens- en/of inkomstengemeenschap wordt uitgesloten, nu het van de man verlangt dat hij alsnog een deel van zijn vermogen aan de vrouw doet toekomen.

2.7 Het middel faalt. Het miskent dat het bestreden oordeel betrekking heeft op de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw en derhalve losstaat van de door partijen gesloten huwelijksvoorwaarden, die de vermogensrechtelijke betrekkingen tussen partijen regelen. De omstandigheid dat bij het sluiten van het huwelijk geen gemeenschap van goederen of inkomsten is ontstaan, impliceert niet dat bij het bepalen van de draagkracht van de man in verband met een door de vrouw verlangde bijdrage in haar levensonderhoud met zijn vermogen geen rekening zou mogen worden gehouden. In rechtspraak(4) en literatuur(5) wordt sinds lange tijd aanvaard dat de draagkracht van de alimentatieplichtige niet alleen door zijn inkomen, maar ook door zijn vermogen wordt bepaald en dat, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, van een alimentatieplichtige kan worden gevergd dat hij op zijn vermogen inteert. Het hof heeft op grond van de omstandigheden van het geval - te weten de lange duur van het huwelijk van partijen (26 jaar) en het aanzienlijke vermogen waarover de man beschikt - geoordeeld dat van de man in redelijkheid mag worden verlangd dat hij op zijn vermogen inteert, indien hij de door hem verschuldigde alimentatie niet uit zijn inkomen kan voldoen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Voor zover de man betoogt dat hij zijn aandeel in de onderneming al had voordat hij trouwde en de huwelijksvoorwaarden werden gesloten, en dat het hof daarom slechts in de duur van het huwelijk een rechtvaardiging voor zijn beslissing zou kunnen vinden, faalt dat betoog. Nog daargelaten dat het vermogen van de man, naar het hof in rov. 18 heeft vastgesteld, niet slechts bestaat uit zijn aandeel in de onderneming, maar ook uit een aanzienlijk saldo spaargeld, aandelen (in andere ondernemingen), een eigen huis in box 1 en een tweede huis in box 3, is er geen enkele grond om aan te nemen dat het vermogen van een alimentatieplichtige bij de bepaling van zijn draagkracht slechts in aanmerking zou mogen worden genomen, voor zover dat vermogen staande huwelijk (en ná het opmaken van huwelijksvoorwaarden) is verworven.

Voor het geval dat het hof de redelijkheid en billijkheid heeft willen meewegen, voert het middel nog aan dat de echtgenote die door inzet van haar arbeid aan de vermeerdering van het vermogen van haar echtgenoot heeft bijgedragen, bij echtscheiding geen aanspraak op een deel van de vermogensvermeerdering kan maken. Ook in zoverre mist het middel doel. Dat de draagkracht van de alimentatieplichtige mede door diens vermogen wordt bepaald en dat van hem onder omstandigheden kan worden gevergd dat hij op dat vermogen inteert, is niet afhankelijk van een door de alimentatiegerechtigde in de vorm van arbeid aan de vermeerdering van dat vermogen geleverde bijdrage. Ook het hof heeft een dergelijk verband tussen een door de vrouw geleverde bijdrage aan de opbouw van het vermogen van de man en de gehoudenheid van de man om ten behoeve van de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie zonodig op dat vermogen in te teren, niet gelegd.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de bestreden beschikking van het hof, p. 1-2, onder het kopje "VASTSTAANDE FEITEN".

2 De bestreden beschikking dateert van 1 februari 2006; het cassatierekest is op 1 mei 2006 per telefax ter civiele griffie van de Hoge Raad ingekomen.

3 Zonder rekening te houden met heffingskortingen e.d. bereken ik aan de hand van de over 2005 en 2006 geldende tarieven voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen brutobedragen van resp. € 6.639,54 en € 6.612,10 per maand.

4 HR 1 februari 2002, NJ 2002, 184; HR 26 maart 1999, NJ 1999, 430; HR 12 november 1993, NJ 1994, 141, m.nt. WH-S; HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395.

5 Personen- en familierecht, art. 1:157 BW, aant. 2, onder a.1 (S.F.M. Wortmann); Van Mourik/Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding (2006), p. 700-701; Asser-de Boer (2002), nr. 625.