Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ2167

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
03370/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ2167
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering en detentie(on)geschiktheid. ‘s Hofs oordeel komt erop neer dat o.g.v. het verhandelde ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte ongeschikt zou zijn om detentie – in welke vorm dan ook – te ondergaan. Dat feitelijke oordeel is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR mede in aanmerking dat niet blijkt dat in dit opzicht door de raadsman in appel verweer is gevoerd. Dat de deskundige A, reclasseringswerker, ter terechtzitting in appel heeft verklaard dat hij het standpunt van verdachte dat hij zichzelf detentieongeschikt vindt, wel kan onderschrijven “omdat verdachte onvoldoende weerbaar is”, doet aan de toereikendheid van de strafmotivering niet af. Het hof heeft die verklaring kennelijk en in het licht van hetgeen uit de inhoud van de stukken in het arrest van de HR is weergegeven, niet onbegrijpelijk, in die zin verstaan dat daarmee niet meer tot uitdrukking is gebracht dan dat verdachte vanwege zijn geringe weerbaarheid in mindere mate dan de gemiddelde verdachte bestand is tegen detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 132
NJ 2007, 149
RvdW 2007, 266
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03370/05

Mr. Knigge

Zitting: 7 november 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden wegens 1. (A1) "medeplegen van het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is", en (B1): "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zich heeft gebracht door middel van braak"; 2. "medeplegen van het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is", en 3. "medeplegen van het opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is" veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarde als in het bestreden arrest vermeld. Voorts heeft het Hof de in de bestreden uitspraak aangeduide voorwerpen verbeurd verklaard dan wel gelast dat deze aan de verdachte terug dienen te worden gegeven dan wel dat deze bewaard moeten worden ten behoeve van de rechthebbende.

2. Namens de verdachte heeft mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen, tijdig één middel van cassatie voorgesteld, dat later bij afzonderlijk schrijven is toegelicht.

3. Het middel behelst de klacht dat de opgelegde straf in de bestreden uitspraak onvoldoende met redenen is omkleed. Het Hof heeft, aldus de steller van het middel, onvoldoende rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte als zwakbegaafd moet worden beschouwd, hetgeen afbreuk doet aan de toerekenbaarheid en de strafwaardigheid. Daarnaast is onbegrijpelijk dat het Hof geen rekening heeft gehouden met de bevindingen van deskundigen waaruit kan worden afgeleid dat verdachte detentieongeschikt is.

4. Ik begin met de klacht over de toerekenbaarheid en de strafwaardigheid. De bestreden uitspraak houdt onder het hoofd "Strafmotivering" onder meer het volgende in:

"Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard het medeplegen van drie brandstichtingen en het in vereniging plegen van een poging tot een autoinbraak. Nadat verdachte en zijn mededaders op 30 maart 2003 omstreeks 23.00 uur tevergeefs hadden geprobeerd om goederen uit een auto weg te nemen, hebben zij die auto in brand gestoken. De brand sloeg over naar andere geparkeerde auto's en vervolgens dreigde een flatgebouw in vlammen op te gaan. Meerdere flatwoningen zijn uitgebrand en anderen raakten onbewoonbaar. Door de brand ontstond - met name vanwege het late tijdstip - een levensgevaarlijke situatie voor de bewoners van het flatgebouw en voor ter plaatse gekomen hulpverleners. De laatsten hebben met gevaar voor eigen leven de bewoners van het flatgebouw weten te redden.

Daarnaast hebben verdachte en zijn mededaders omstreeks 24 januari 2003 twee auto's in de brand gestoken. Deze auto's bevonden zich op een bedrijfsterrein waar een grote hoeveelheid andere auto's stonden geparkeerd. Hierbij zijn de twee auto's volledig uitgebrand en hebben een viertal andere auto's brandschade opgelopen.

Ook op 15 februari 2003 heeft verdachte met zijn mededaders een auto in brand gestoken. Hierbij zijn twee auto's volledig uitgebrand en is een loods zwaar beschadigd geraakt.

Verdachte heeft als chauffeur gefungeerd voor zijn (drie) mededaders. Hij bleef in de auto zitten en sloeg van daaruit de brandstichtingen en poging tot inbraak gade. Hij wachtte tot zijn mededaders terugkeerden, waarna zij zich vervolgens gezamenlijk van de plaats van het misdrijf verwijderden. Verdachte heeft terwijl hij de oudste van de groep was niet de verantwoordelijkheid genomen om een einde te maken aan de in het leven geroepen (levens)bedreigende situaties en de ontstane schades.

Verdachte heeft het niet bij de bewezen verklaarde feiten gelaten. Hij heeft zich voorts, al dan niet met anderen, aan nog eens 51, op de tenlastelegging vermelde en door hem ter terechtzitting erkende, brandstichtingen en inbraken schuldig gemaakt. Dit bleek een min of meer vaste aanpak: eerst inbreken in een auto en daarna (om eventuele sporen uit te wissen) de auto in brand steken.

Verdachte en zijn mededaders hebben met hun brandstichtingen bij veel mensen angst te weeg gebracht en zij hebben een spoor van vernielingen achtergelaten. Zij hebben aanzienlijke schade veroorzaakt aan auto's, goederen en gebouwen.

Omtrent de persoon van verdachte heeft het hof het volgende in overweging genomen.

Drs. G. de Bruin, psycholoog, concludeert - voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven - in zijn rapport van 3 februari 2004 het volgende:

"Uit de observatie- en gespreksgegevens komt betrokkene naar voren als een wat kinderlijke, gemakkelijk beïnvloedbare man met zeer beperkte intellectuele en sociale vaardigheden en weinig draagkracht. Inprenting en geheugen zijn zeer beperkt. Er is bij hem geen sprake van een psychiatrische stoornis.

Door zijn beperkingen lijkt hij niet geheel zelfstandig te kunnen functioneren (los van zijn moeder) en verkeert hij in een beperkt sociaal netwerk. Zijn beperkingen op intellectueel en sociaal gebied hebben hem in de problemen gebracht. Het neuropsychologisch onderzoek geeft aan dat betrokkene intellectueel op een licht zwakzinnig niveau functioneert. Uit persoonlijkheidsmateriaal komt onderzochte naar voren als een introverte, gespannen man met een zeer beperkte angst- en frustratietolerantie. Bij hem kunnen zijn copingmechanismen bij oplopende spanningen tekortschieten. Ook zijn voornaamste probleemoplossingsstrategie (passief reageren) is niet adequaat."

De psycholoog adviseert om de verdachte (licht) verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Hij schat het recidiverisico hoog in, omdat verdachte beïnvloedbaar en weinig weerbaar is en voorts probleemvermijdend gedrag vertoont.

Het hof verenigt zich met de conclusies en het advies van de deskundige. Het hof zal verdachte de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate toerekenen."

5. De klacht is gericht op 's Hofs hiervoor weergegeven overweging, voorzover inhoudende: "Verdachte heeft terwijl hij de oudste van de groep was niet de verantwoordelijkheid genomen om een einde te maken aan de in het leven geroepen (levens)bedreigende situaties en de ontstane schade."

6. Deze overweging is volgens de steller van het middel in strijd met in het bijzonder het door het Hof overgenomen deskundigenoordeel van G. de Bruijn van 3 februari 2004, (samengevat) inhoudende dat de verdachte een licht zwakzinnige, wat kinderlijke en gemakkelijk beïnvloedbare man is, op grond waarvan de bewezenverklaarde gedragingen de verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend. De bedoelde overweging is daarom onbegrijpelijk.

7. De steller van het middel kan worden toegegeven dat het op het eerste gezicht wat merkwaardig aandoet dat de verdachte aan de ene kant wordt verweten dat hij niet als oudste van de groep het goede voorbeeld heeft gegeven, terwijl het Hof er aan de andere kant rekening mee houdt dat het zijn zeer zwakke intellectuele en sociale vaardigheden zijn die verdachte "in de problemen" hebben gebracht. Toch is naar mijn mening, in het bijzonder gelet op de opbouw van de strafmotivering, van een tegenstrijdigheid geen sprake. De strafmotivering kan namelijk in twee delen worden opgesplitst. De grens tussen deze delen wordt gevormd door de zin "Omtrent de persoon van de verdachte heeft het hof het volgende in overweging genomen". In het deel van de strafmotivering dat voor deze zin staat gaat het Hof in op de feiten, en omschrijft daarin de ernst van het gedrag dat aan de verdachte verweten wordt. Tot dat gedrag behoort ook het niet-ingrijpen, een nalaten dat in het geval van de verdachte des te ernstiger is omdat van hem als oudste van de groep anders mocht worden verwacht. In het tweede deel van de strafmotivering neemt het Hof de persoon van de verdachte in ogenschouw, en beantwoordt de vraag of en in hoeverre de verdachte zijn ernstige doen en nalaten kan worden toegerekend. Dat dit slechts in verminderde mate het geval is, doet aan de ernst van het gedrag niet af. Van een innerlijke tegenstrijdigheid is zogezien geen sprake.

8. Nu de gewraakte overweging ook anderszins niet onbegrijpelijk is, faalt de klacht.

9. Dan de klacht over de detentie(on)geschiktheid van de verdachte. Aan de behandeling van de zaak in hoger beroep ging een schrijven vooraf van de raadsman van de verdachte, mr. Keuning, gedateerd 7 juni 2005, gericht aan de Advocaat-Generaal bij het Hof. Dit schrijven houdt in:

"Aangezien er inmiddels sinds de behandeling in eerste aanleg alweer meer dan een jaar is verstreken en er in de persoonlijke omstandigheden van cliënt aanmerkelijke wijzigingen zijn opgestreden, verzoek ik u om aan de Stichting reclassering Nederland te Groningen een opdracht te verstrekken om nader rapportage over cliënt uit te brengen.

Voorts verzoek ik u de Reclassering op te dragen een onderzoek te doen naar de mogelijkheid van het opleggen van Elektronisch Toezicht. Aan het dossier zijn in ruime mate aanwijzingen te ontlenen dat cliënt gezien zijn psychische beperkingen eigenlijk detentie ongeschikt moet worden geacht. Een vrijheidsbenemende straf zal hem aanzienlijk zwaarder treffen dan een gemiddelde verdachte."

10. Aan het verzoek is klaarblijkelijk voldaan. Bij de stukken bevindt zich een "Verzoek rapportage" van 14 juni 2005 met daarin het verzoek tot het uitbrengen van "een volledig rapport (en tevens het expliciet aangekruiste aandachtspunt)". Het aangekruiste punt houdt in: "de mogelijkheden tot het opleggen van Elektronisch Toezicht". Niet aangekruist is het punt: "de gevolgen van een eventuele onvoorwaardelijke vrijheidstraf". Wellicht is het daaraan toe te schrijven dat in de beide reclasseringsrapporten (één algemeen rapport, één adviesrapport elektronisch toezicht) van 23 juni 2005 van rapporteur J.J. Borgwat niet wordt ingegaan op de vraag of verdachte detentiegeschikt is.

11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"De verdachte geeft als reden voor het instellen van hoger beroep op dat hij het niet eens is met de door de rechtbank te Groningen opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte acht zichzelf, gelet op zijn eerdere zelfmoordpogingen in de Penitentiaire Inrichting gedurende zijn voorarrest, detentieongeschikt en verzoekt tot het opleggen van een werkstraf. Verdachte merkt voorts op: "Ik zie mij zelf niet als onschuldig."

(...)

De voorzitter deelt mondeling mede de korte inhoud van een verdachte betreffend rapport van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 23 juni 2005, opgemaakt door J.J. Borgwat, en een rapport opgemaakt door drs. G. de Bruin, psycholoog, d.d. 3 februari 2004.

De verdachte verklaart desgevraagd:

Momenteel volg ik een keer in de week een groepscursus. Tijdens die cursus leer ik om te gaan met groepsdruk en mij te wapenen tegen mensen die mij in criminele activiteiten willen betrekken. Daarnaast heeft de reclassering begeleid wonen voor mij geregeld. Ik doe nu vrijwilligerswerk bij kringloopwinkel [A]. Ik heb wel een rijbewijs, maar ik kan niet goed lezen en schrijven. Tevens wil ik mijn vrachtwagenrijbewijs halen. De groepscursus duurt nog tot december 2005 en aansluitend wil ik nog een cursus volgen. De reclassering is bij mij thuis geweest en heeft mij uitgelegd hoe Elektronisch Toezicht werkt. Ik woon momenteel alleen, maar het gaat heel goed tussen mij, mijn vriendin en onze dochter. Mijn vriendin weet ook van deze zaak af. Daarnaast zie ik mijn moeder en [medeverdachte 1] nog, maar ik ga niet echt meer met [medeverdachte 1] om. Ik zie [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet meer en hou me nu verre van hun criminele bezigheden.

Ik wil niet dat u mij een gevangenisstraf oplegt. Daarvoor ben ik niet geschikt. Op uw vraag waarom dat in mijn geval niet zou kunnen geef ik u als antwoord dat ik het heel zwaar heb gehad tijdens mijn voorarrest.

De voorzitter doet de in de gehoorzaal aanwezige deskundige voor het hof verschijnen. Deze doet op de vragen van de voorzitter opgave omtrent naam, voornamen, geboortedatum, woon- of verblijfplaats en beroep, zoals hieronder is vermeld, verklaart geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn en legt vervolgens op de bij wet voorgeschreven wijze in handen van de voorzitter de belofte af.

De deskundige, Borgwat, Jan Jaap, geboren op 1 februari 1959, van beroep maatschappelijk werker bij Stichting Reclassering Nederland, wonende te Assen, verklaart desgevraagd - zakelijk weergegeven -:

Inmiddels heb ik omtrent verdachte drie rapportages opgemaakt en tevens heb ik als taak de begeleiding van verdachte op me genomen. Ik heb verdachte zojuist horen zeggen dat hij zichzelf detentieongeschikt vindt. Ik kan dat wel onderschrijven, omdat verdachte onvoldoende weerbaar is. Bovendien heb ik de zelfmoordpogingen van verdachte tijdens zijn verblijf in voorarrest serieus genomen. In mijn rapport van 23 juni 2005 heb ik dat niet vermeld. Daarin heb ik me niet uitgelaten over het wel of niet detentiegeschikt zijn van verdachte. Ik adviseer u verdachte een taakstraf op te leggen. Daarbij realiseer ik mij dat er met betrekking tot de te adviseren straf een groot verschil zit tussen mijn rapporten en die van de andere deskundigen, die een hoog recidivegevaar aanwezig achten en mede daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf adviseren.

(...)

De raadsman voert het woord ter verdediging.

(...)

De verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.

De verdachte merkt op: "Als het hof mij een gevangenisstraf oplegt dan maak ik mijzelf van kant."

12. In de bestreden uitspraak is onder het hoofd "Strafmotivering" onder meer overwogen:

"In de voorlichtingsrapporten van 11 november 2003, 3 mei 2004 en 23 juni 2005 adviseert J.J. Borgwat, reclasseringswerker bij de Stichting Reclassering Nederland, om verdachte onder meer een werkstraf en een leerstraf, eventueel gecombineerd met Elektronisch Toezicht, op te leggen.

Het hof is met de rapporteur van oordeel dat een leerstraf in de vorm van trainingen voor de verdachte nuttig zou kunnen zijn. De ernst van het totaal aantal ter kennis van het hof gebrachte feiten echter, maakt dat geen andere strafmodaliteit dan een langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Een deel van de na te noemen straf zal het hof voorwaardelijk opleggen met de verplichting aan de verdachte om zich te laten begeleiden door de reclassering. In de periode van begeleiding - proeftijd van twee jaren - kan gewerkt worden aan het sociaal vaardiger en weerbaarder maken van de verdachte.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat verdachte detentieongeschikt is, zoals hij ter zitting heeft betoogd. Verdachte heeft in dit kader niet meer aangevoerd dan dat hij het heel zwaar heeft gehad tijdens zijn voorarrest. Wel heeft hij gedreigd met drastische maatregelen ten aanzien van zijn eigen leven, als het hof hem een gevangenisstraf op zou leggen. De over verdachte opgemaakte rapportages van de reclassering en psycholoog De Bruin geven evenwel geen enkele indicatie dat verdachte geen gevangenisstraf zou kunnen ondergaan. Een dergelijke indicatie is evenmin te vinden in het briefrapport van de psychiater T.P. Kits van 7 november 2003, die verdachte heeft onderzocht toen laatstgenoemde zich in voorarrest bevond."

13. Ik begrijp de klacht aldus dat deze inhoudt dat het gelet op de in het hiervoor deels weergegeven proces-verbaal vervatte verklaring van deskundige Borgwat onbegrijpelijk is dat het Hof het niet aannemelijk heeft geacht dat de verdachte detentieongeschikt is.

14. Is het bestreden oordeel begrijpelijk? Het Hof baseert zijn oordeel dat het niet aannemelijk is dat de verdachte detentieongeschikt is op twee argumenten:

(a) de verdachte heeft niet meer aangevoerd dan dat hij het heel zwaar heeft gehad tijdens zijn voorarrest;

(b) de over de verdachte opgemaakte rapportages van de reclassering en psycholoog De Bruijn, en het briefrapport van psychiater Kits geven behelzen geen indicatie dat de verdachte geen gevangenisstraf zou kunnen ondergaan.

15. Voorafgaande opmerking verdient dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat de raadsman het beroep dat de verdachte deed op detentieongeschiktheid (met argumenten) heeft ondersteund. Dat proces-verbaal vermeldt immers slechts dat de raadsman het woord ter verdediging heeft gevoerd. Mede gelet op het hiervoor, onder 9 vermelde schrijven is het intussen weinig waarschijnlijk dat de raadsman zich op dit punt van zijn cliënt heeft willen distantiëren. Dat neemt niet weg dat de Hoge Raad het in cassatie zal moeten doen met hetgeen de verdachte aanvoerde.

16. Veel heeft de verdachte niet aangevoerd. Dat hij, zoals het Hof overweegt, niet meer heeft verklaard dan dat hij het erg zwaar heeft gehad tijdens het voorarrest, lijkt mij echter toch niet helemaal juist. Bij de aanvang van de terechtzitting verklaarde de verdachte immers ook dat hij zich detentieongeschikt achtte vanwege "zijn eerdere zelfmoordpogingen in de Penitentiaire Inrichting gedurende zijn voorarrest".

17. Ook op tweede argument van het Hof valt wel iets af te dingen. Uiteraard vormt het feit dat in de uitvoerige rapportages niets wordt gezegd over detentieongeschiktheid een aanwijzing dat daarvan geen sprake is. Daarbij merk ik wel op dat - anders dan deskundige Borgwat ter zitting lijkt te veronderstellen - in geen van de door het Hof genoemde rapportages wordt geadviseerd om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.(1) Het is dus ook niet zo dat één van de deskundigen de verdachte (impliciet) detentiegeschikt heeft geacht. Het punt komt in de rapporten eenvoudig niet aan de orde, misschien juist wel omdat de deskundigen gevangenisstraf niet aangewezen achtten.(2)

18. Het specifieke argument dat het Hof ontleent aan het briefrapport van de psychiater Kits ("die verdachte heeft onderzocht toen laatstgenoemde zich in voorarrest bevond") komt mij intussen met de steller van het middel weinig overtuigend voor. Uit dat briefrapport blijkt dat de heer Kits de verdachte op 6 november 2003 op het politiebureau "zag". Uit de stukken blijkt dat de verdachte, die op 3 november 2003 is aangehouden, zich toen nog maar kort in voorarrest bevond, terwijl de door de verdachte gestelde zelfmoordpogingen zich "in de Penitentiaire Inrichting", en dus later, hebben voorgedaan.(3)

19. Het voorgaande betekent intussen nog niet dat ik 's Hofs argumentatie, wanneer die in haar geheel wordt beschouwd, onbegrijpelijk vind. Het gaat tenslotte om een sterk feitelijk oordeel, waar nog bijkomt dat het Hof alleen dan van het opleggen van gevangenisstraf had moeten afzien als de verdachte algeheel detentiegeschikt was, hetgeen betekent dat er geen enkele penitentiaire inrichting moet zijn waarin een menswaardige executie van de vrijheidsstraf kan worden gerealiseerd. Het oordeel dat zich die uitzonderlijke situatie niet voordoet, zou ik dus niet alleen op grond van het voorgaande onbegrijpelijk willen achten. De vraag is of dit anders wordt in het licht van de hiervoor weergegeven verklaring die de deskundige Borgwat ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaring houdt kort samengevat in dat de deskundige, die maatschappelijk werker is bij de Stichting Reclassering Nederland, het verweer van de verdachte dat hij detentieongeschikt is, onderschrijft, omdat de verdachte onvoldoende weerbaar is, en omdat hij de zelfmoordpogingen die de verdachte naar eigen zeggen in voorarrest heeft gedaan, serieus neemt.(4) Daarnaast heeft de deskundige in zijn verklaring aangegeven dat hij zich in zijn eerdere, op verzoek van de Advocaat-Generaal bij het Hof opgestelde, rapportage niet heeft uitgelaten over de detentiegeschiktheid van de verdachte.

20. Opmerkelijk is dat de reclasseringsrapportages die het Hof (onder meer) noemt ter onderbouwing van het bestreden oordeel alle drie door deskundige Borgwat zijn opgesteld.(5) Het Hof achtte het oordeel van deze deskundige dus relevant voor zijn oordeel. In dit licht is het vreemd dat het Hof de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van deze deskundige niet expliciet bij zijn oordeel heeft betrokken. Hierdoor is immers een bijzondere situatie ontstaan: het Hof onderbouwt zijn oordeel dat niet aannemelijk is dat de verdachte detentieongeschikt is door te verwijzen naar (onder meer) rapportages van een deskundige die ter terechtzitting heeft verklaard dat zijn rapportages in zoverre eigenlijk niet bruikbaar zijn, en daarnaast heeft gezegd dat hij de verdachte gelet op zijn weerbaarheid en eerdere zelfmoordpogingen (wel degelijk) detentieongeschikt acht.

21. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat de mening van een deskundige, in samenhang met een gevoerd verweer, de rechter kan nopen tot nadere motivering van de opgelegde straf.(6) Naar mijn mening kon het Hof gelet op het voorgaande niet zonder nadere motivering aan de ter zitting afgelegde deskundigenverklaring voorbijgaan, nu daaruit, anders dan waarvan het Hof lijkt uit te gaan, kan worden afgeleid dat de verdachte niet alleen met zelfmoord heeft gedreigd, maar tijdens zijn voorarrest ook daadwerkelijk serieus te nemen pogingen in die richting heeft ondernomen en mede op grond daarvan wordt gesteld dat de verdachte detentieongeschikt is.

22. De klacht slaagt.

23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de opgelegde straf en tot zodanige beslissing als de Hoge Raad op grond van art. 440 Sv gepast zal voorkomen, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In het bedoelde briefrapport en het reclasseringsrapport van 1 november 2003 worden in zoverre helemaal geen aanbevelingen gedaan. Psycholoog De Bruijn adviseert tot "een gecombineerde leer- en werkstraf in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel", en de overige reclasseringsrapporten behelzen een advies tot het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarde, en, als een straf met meer beperkingen wordt opgelegd, tot elektronisch toezicht.

2 Dat kan, zoals onder punt 10 al even aan de orde kwam, mede aan de vraagstelling hebben gelegen. Een goed voorbeeld hiervan is de rapportage van psycholoog De Bruijn van 3 februari 2004. Deze is opgesteld naar aanleiding van een viertal vragen, dat kort samengevat de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het delict, de toerekenbaarheid, de kans op recidive, en een mogelijk behandelplan betrof.

3 Op 10 december 2003 schorste de Rechtbank de voorlopige hechtenis per direct. De duur van de in voorarrest doorgebrachte tijd is mijns inziens niet zodanig, dat daaruit kan worden afgeleid dat de verdachte tegen een langdurige detentie bestand is.

4 Ook psycholoog De Bruijn maakt daarvan in zijn rapport van 3 februari 2004 melding. "Hij wordt naar zijn zeggen gek in de gevangenis en denkt dan zichzelf van kant te maken. Hij noemt dat hij, toen hij in december vastzat, zelfmoordgedachten had".

5 Het gaat om een vroeghulp interventierapport van 11 november 2003, een voorlichtingsrapport van 3 mei 2004 en een voorlichtingsrapport van 23 juni 2005 (met daarbij gevoegd een adviesrapport elektronisch toezicht van dezelfde datum).

6 Vgl. HR 1 januari 1982, NJ 1982, 507 m.nt. ThWvV.