Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ2130

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
02210/05 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ2130
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Tussenarrest. De aanvrager voert aan dat hij t.t.v. het begaan van het bewezenverklaarde feit onder invloed verkeerde van een psychische stoornis en dat het bewezenverklaarde feit is begaan o.i.v. die stoornis. De HR is van oordeel dat nader onderzoek omtrent het in de aanvrage gestelde noodzakelijk is alvorens een beslissing kan worden genomen. M.n. zal moeten worden onderzocht welke de toestand van aanvrager op of omstreeks 11-5-2003 is geweest en of die toestand het oordeel toelaat dat de op die dag gepleegde zaaksbeschadiging niet aan aanvrager kan worden toegerekend. Dit onderzoek zal worden opgedragen aan een raadsheer, die daartoe tot raadsheer-commissaris zal worden benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 100
RvdW 2007, 199
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02210/05 H

Mr. Knigge

Zitting: 7 november 2006

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Namens [aanvrager] heeft mr. J.J.A.P. van Breukelen, advocaat te Rotterdam, een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Rotterdam van 19 januari 2004 ingediend. Bij dat vonnis is aanvrager van herziening wegens "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen" veroordeeld tot een geldboete van € 160, subsidiair drie dagen hechtenis. Aanvrager heeft het desbetreffende feit begaan op 11 mei 2003. Hij, noch een raadsman, was bij de behandeling van de zaak aanwezig.

2. De aanvraag berust op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van de aanvrager indien destijds aan de Politierechter bekend zou zijn geweest dat de aanvrager ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde feit onder invloed verkeerde van een psychische stoornis en dat het bewezenverklaarde feit (vermoedelijk) is begaan onder invloed van die stoornis.

3. Ten laste van de aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:

"hij op 11 mei 2003 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een buitenspiegel van een (personen)auto (merk Daihatsu), geheel toebehorende aan [aangever], heeft vernield door tegen die buitenspiegel te slaan."

4. Voor een goed begrip van de feitelijke gang van zaken geef ik hieronder de door de Politierechter als bewijsmiddel gebezigde verklaring van de aangever [aangever] en de door de aanvrager tegenover de politie afgelegde verklaring weer. De verklaring van [aangever] luidt als volgt:

"Ik ben eigenaar en houder van een personenauto van het merk Daihatsu. Op 11 mei 2003 te Rotterdam zat mijn vrouw achter het stuur van voornoemde auto. Bij nadering van een verkeersdrempel stopte mijn vrouw om een man die van rechts kwam over te laten steken. Nadat de man gepasseerd was zag ik mijn vrouw in mijn auto weer optrekken. Op dat moment zag ik dat de man met zijn linkervuist opzettelijk en met kracht een klap tegen de linkerbuitenspiegel van mijn auto gaf. De schade die door deze opzettelijke vernieling aan mijn auto is veroorzaakt bestaat uit een afgebroken linkerbuitenspiegel en een klein deukje bij het linkervoorportier daar waar de buitenspiegel het portier geraakt heeft."

De aanvrager heeft tegenover de politie het volgende verklaard (de Politierechter heeft een deel van deze verklaring voor het bewijs gebruikt):

"U vertelt mij waar ik van verdacht word en tevens dat ik niet tot antwoorden verplicht ben. Ik wil U echter wel vertellen wat er precies gebeurd is.

Ik liep vanmiddag op de rijbaan van de Tongelaarweg in Rotterdam. Ik liep op dat moment aan de rechterkant van de rijbaan. Op dat moment zag ik dat een personenauto mij met hoge snelheid tegemoet kwam rijden. Ik ben hiervan geschrokken. Om mij te beschermen heb [ik] toen de spiegel van deze auto eraf geslagen. Dit was om mijn milt te beschermen. Hierna ben ik doorgelopen.

Een stukje verderop werd ik door een vrouw bij mijn arm vastgepakt. Door hiermee een draaiende beweging te maken kwam ik weer los en ben toen doorgelopen. Ik heb de mensen gewaarschuwd dat ze mij met rust moesten laten.

Ik hoorde dat er hierna toch een aantal mensen achter mij aan kwamen lopen en dat zij mij toeriepen. Ik vertelde hen dat zij niet moesten benaderen. Toen ik zag dat zij toch achter mij aan kwamen lopen heb ik mijzelf omgedraaid en heb vervolgens bij een man een bril van zijn hoofd getrokken. Ik heb hierop gezegd dat ze mij niet moesten volgen. Ik zag dat die mensen, kennelijk door deze handeling, stil bleven staan. Ik ben toen doorgelopen en heb vervolgens de bril weer teruggegooid in iemands handen.

Ik ben hierna naar huis gelopen. Dit is de [a-straat 1] in [plaats].

Korte tijd later zag ik dat de politie bij mij aan de deur kwam. Ik ben toen met hen meegegaan naar het politiebureau. Over de spiegel kan ik U vertellen dat deze niet van mij was. Ik begrijp dat ik door mijn handelen deze spiegel vernield heb. Ik zag het echter uit zelfbescherming. Meer over het hele voorval heb ik U niet te verklaren."

5. Als bewijsmiddelen zijn bij de aanvraag tot herziening overgelegd:

(I) een afschrift van een brief van mevrouw S. Jhagroe, maatschappelijk werkende bij het psychiatrisch ziekenhuis DeltaBouman te Poortugaal, van 10 februari 2005;

(II) afschriften van beschikkingen van de Rechtbank te Rotterdam van 21 november 2003 en 23 december 2003;

(III) een afschrift van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 september 2004, alsmede de door de verdediging in de desbetreffende zaak overgelegde pleitnota's;

(IV) een afschrift van een brief van mevrouw E.F. van Noort, arts bij het Riagg, afdeling Rijnmond Noord-West, van 7 december 2000.

Tevens wordt in de aanvrage "voor een uitgebreide beschrijving van de psychische stoornis inclusief bewijsstukken" verwezen naar een eerder door de aanvrager gedaan herzieningsverzoek dat betrekking had op een andere strafzaak (griffienr. 01118/05H).

6. De overgelegde bewijsmiddelen houden samengevat het volgende in. Aanvrager werd sinds november 2000 met medicijnen behandeld voor een schizofreniforme stoornis en is in 2001 wegens schizofrenie van het gedesorganiseerde type enige maanden in (psychiatrische) ziekenhuizen opgenomen geweest. Aansluitend aan die opname is hij onder ambulante behandeling van het Riagg geweest. Op 5 en 20 december 2002 heeft aanvrager vernielingen gepleegd. Het Hof 's-Gravenhage heeft hem terzake van deze feiten bij arrest van 23 september 2004 ontslagen van rechtsvervolging. Het Hof was "mede gelet op de door de raadsman ter zitting ingebrachte medische rapportages" van oordeel dat verdachte (aanvrager) de vernielingen onder invloed van een psychische stoornis had gepleegd en "dan ook" niet strafbaar was. Op 19 november 2003 is aanvrager opnieuw in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Bij beschikking van 21 november 2003 heeft de Rechtbank machtiging verleend tot voortzetting van de inbewaringstelling en daartoe onder meer overwogen:

"Uit de geneeskundige verklaring en de mondelinge toelichting van de behandelend arts (...) blijkt van de volgende situatie[. B]ij betrokkene is sprake van een psychotisch toestandsbeeld. Derhalve is betrokkene lijdende aan een stoornis van de geestvermogens.

Deze stoornis van de geestvermogens doet betrokkene het volgende gevaar veroorzaken voor zichzelf en anderen: betrokken denkt dat anderen hem achtervolgen of dingen over hem/tegen hem zeggen. Dan wordt hij erg boos. In de bibliotheek van de Erasmus universiteit heeft hij medestudenten zonder aanleiding aangevallen. Deze heeft hij bedreigd en daarna geslagen. Betrokkene wil geen medicijnen omdat hij denkt dat de medicijnen op hem worden uitgetest.

Het ernstige vermoeden bestaat dat de stoornis van de geestvermogens betrokkene het gevaar doet veroorzaken."

Bij beschikking van de Rechtbank van 23 december 2003 is voorlopige machtiging verleend tot (voortgezette) opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Deze beschikking houdt onder meer in:

"Uit de geneeskundige verklaring en de mondelinge toelichting van de behandelend arts (...) blijkt het volgende:

Er is sprake van een psychotisch ziektebeeld met religieuze/narcistische wanen en akoestische hallucinaties, waarschijnlijk als gevolg van schizofrenie. (...) Betrokken heeft zich vóór opname en ook in het ziekenhuis agressief gedragen. Hij heeft geen ziektebesef en staat afwijzend tegenover medicatie. Zonder medicatie zal betrokkene wederom vervallen in agressief gedrag jegens anderen en maatschappelijke teloorgang."

Aanvrager is tijdens de tweede periode van opname (november 2003 - augustus 2004) tijdelijk op een gesloten afdeling geplaatst. Het ontbrak hem aan ziektebesef. Hij is in afzondering geplaatst en hem is, nadat hij toenemend psychotisch werd, dwangmedicatie toegediend. In mei 2004 heeft hij ter bestrijding van toenemende auditieve hallucinaties meer medicijnen gekregen.

7. De stukken die de verdediging heeft overgelegd in de zaak tegen aanvrager die leidde tot het arrest van 23 september 2004 zijn mij desgevraagd toegezonden door de griffier van het Hof. Het betreft naast de twee hiervóór aangehaalde beschikkingen van de Rechtbank te Rotterdam een brief van F.E. Haak, psychiater in opleiding bij DeltaBouman, van 5 augustus 2004. Dr. Haak schrijft in deze brief, voor zover hier relevant, dat aanvrager op 18 november 2003 vanwege een "ernstig psychotisch toestandbeeld" is opgenomen en dat hij voorafgaand aan deze opname "hoogstwaarschijnlijk" al enige tijd psychotisch was geweest.

8. Wil een aanvraag tot herziening als de onderhavige slagen dan dienen de bewijsmiddelen het ernstige vermoeden te wekken dat de rechter zou hebben geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit de aanvrager in het geheel niet kan worden toegerekend. Een (sterk) verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid zou immers niet tot ontslag van rechtsvervolging hebben geleid.(1) De Hoge Raad stelt in dit verband de dubbele eis dat voldoende moet zijn aangetoond dat (1) de stoornis bestond op het moment dat de aanvrager het desbetreffende feit pleegde en dat (2) de stoornis van dien aard moet zijn geweest en in zodanig verband moet hebben gestaan met het bewezenverklaarde feit dat het ernstige vermoeden rijst dat de rechter het feit de aanvrager niet zou hebben toegerekend indien hij met de stoornis bekend zou zijn geweest.(2) Vanzelfsprekend geldt ook voor herzieningsverzoeken gegrond op ontoerekeningsvatbaarheid de eis dat ze dienen te zijn gebaseerd op een omstandigheid van feitelijke aard - de ziekelijke stoornis van de geestvermogens - waarmee de rechter ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting niet bekend was.(3)

9. Om met dit laatste te beginnen, in de onderhavige zaak kan uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken niet volgen dat de Politierechter die de aanvrager heeft veroordeeld bekend was met diens (aangevoerde) stoornis. Het proces-verbaal van de verstekbehandeling ter terechtzitting, noch de overige stukken in het dossier(4) maken melding van enig gegeven omtrent aanvragers geestestoestand. Het zal er dus voor moeten worden gehouden dat de Politierechter onbekend was met de psychische problemen waarmee aanvrager volgens het onderhavige verzoek destijds kampte.

10. De vraag is derhalve of uit de overgelegde bewijsmiddelen kan blijken dat de gestelde stoornis - kort gezegd schizofrenie met als gevolg dat de aanvrager periodes in een psychotische toestand verkeert - daadwerkelijk bij de aanvrager aanwezig was op het moment dat deze de vernieling in kwestie pleegde en wel in die mate dat deze meebracht dat verdachte in het geheel niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de op 11 mei 2003 gepleegde vernieling. In het verleden heeft de Hoge Raad zich met betrekking tot deze dubbele eis streng getoond. In een arrest uit 1987 overwoog de Hoge Raad ten aanzien van een herzieningsverzoek dat was gebaseerd op twee brieven van deskundigen die verklaarden dat aanvrager (meer dan een jaar na de bewezenverklaarde feiten) in psychotische toestand was opgenomen en "waarschijnlijk al langer psychotisch is geweest":

"4.2. Naar aanleiding van de inhoud van evenbedoelde brieven dient voorts nog te worden opgemerkt:

A. dat de omstandigheid dat iemand in een psychotische toestand verkeert, niet zonder meer medebrengt dat het te zijnen laste bewezen verklaarde hem niet kan worden toegerekend, en

B. dat, indien een deskundige die niet beschikt over "harde gegevens" omtrent de psychische toestand van de onderzochte ten tijde van het begaan van het delict tot het oordeel komt dat het "niet onmogelijk" is dat de onderzochte ten tijde van het begaan van dat delict ontoerekeningsvatbaar was, aan dat oordeel niet zonder meer een ernstig vermoeden kan worden ontleend dat de betrokkene toen inderdaad ontoerekeningsvatbaar was."(5)

11. Het is mij niet helemaal duidelijk wat de Hoge Raad met het onder A overwogene heeft bedoeld. Gelet op de verwijzing naar de inhoud van de brieven is mogelijk niet méér bedoeld dan dat het enkele feit dat de aanvrager ten tijde van de aanvrage psychotisch is, niet meebrengt dat de (veel) eerder gepleegde feiten hem niet kunnen worden toegerekend. Voor zover evenwel bedoeld mocht zijn dat het feit dat de dader ten tijde van het plegen van het feit psychotisch was, niet zonder meer de conclusie wettigt dat het feit hem niet kan worden toegerekend, merk ik op dat dit niet wegneemt dat het bestaan van een min of meer ernstige psychose bij de dader ten tijde van het plegen van het feit in het algemeen toch wel het ernstig vermoeden vermag te wekken dat die dader ontoerekeningsvatbaar was.

12. Uit het onder B overwogene kan a contrario worden afgeleid dat het oordeel van een psychiatrisch deskundige in zaken als de onderhavige van groot gewicht is, maar dan moet dat oordeel wel een deugdelijke feitelijke basis hebben en uitmonden in een conclusie die meer inhoudt dan dat het niet uitgesloten is dat de dader ontoerekeningsvatbaar is. In de onderhavige zaak is een dergelijk oordeel van een deskundige niet overgelegd. De vraag is of het daarzonder kan. Spreken de feiten in deze zaak zo "voor zich" dat ook zonder aanvullend deskundigenoordeel tot het vereiste ernstig vermoeden kan worden geconcludeerd? Het is die vraag die ik in het navolgende zal bespreken.

13. Zoals hiervóór vermeld heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage geoordeeld dat de feiten die toen aan de orde waren, de aanvrager niet konden worden toegerekend. Dat oordeel is echter in de uitspraak niet erg stevig onderbouwd. In de eerste plaats wordt de enkele vaststelling dat de feiten onder invloed van een psychische stoornis zijn gepleegd, toereikend geacht voor het oordeel dat zij niet kunnen worden toegerekend. In de tweede plaats ontbeert genoemde vaststelling zelf, afgaande op de door het Hof gegeven motivering, een stevige basis. Er wordt enkel overwogen dat het Hof "mede" heeft gelet op door de verdediging overgelegde stukken. Die stukken hebben echter klaarblijkelijk geen van alle betrekking op de toestand van de aanvrager op het moment waarop hij de toen te berechten feiten pleegde, maar op aanvragers toestand zoals die in november 2003 is vastgesteld. Wel is het zo dat, zoals hiervóór vermeld, de brief van dr. Haak van 5 augustus 2004 inhoudt dat aanvrager voorafgaand aan zijn opname "hoogstwaarschijnlijk al enige tijd psychotisch [is] geweest" en heeft de Rechtbank te Rotterdam haar machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling in november 2003 mede gebaseerd op het agressieve gedrag dat aanvrager vertoonde vóórdat hij werd opgenomen.(6)

14. Nu kan de magere motivering wellicht verklaard worden uit de eenstemmigheid die zich ter zitting openbaarde. Zowel de raadsman als de advocaat-generaal waren van oordeel dat een ontslag van rechtsvervolging diende te volgen. Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat die eenstemmigheid mede werd veroorzaakt door hetgeen uit de stukken omtrent de tenlastegelegde feiten bleek. De raadsman voerde blijkens de overgelegde pleitnota aan dat de beide vernielingen werden veroorzaakt door plotseling opkomende aanvallen van agressie, zonder enige objectieve aanleiding. Een getuige zou hebben verklaard dat aanvrager "een rare, wezenloze blik in zijn ogen had". Een andere getuige zou hebben gesteld dat aanvrager "direct na het ingooien van de vitrine vroeg wat hij gedaan had en dat hij ontkende de vitrine te hebben vernield". Wellicht zijn het deze als manifeste uitingen van een stoornis aan te merken bijzonderheden geweest, die maakten dat het Hof zijn conclusie snel klaar had en geen behoefte had aan nadere psychiatrische rapportage die specifiek betrekking had op de gepleegde feiten.(7)

15. Niet zonder belang is dat het Hof de vraag of de aanvrager ontvankelijk was in zijn hoger beroep klaarblijkelijk (maar zonder daaraan één woord te wijden) positief heeft beantwoord. Het vonnis van de Rechtbank was op 18 juli 2003 op tegenspraak gewezen. Het hoger beroep werd echter volgens de pleitnota pas op 24 februari 2004 ingesteld. De raadsman betoogde echter met een beroep op HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696 m.nt. JdH dat de termijnoverschrijding zijn cliënt vanwege diens psychotische toestand niet kon worden aangerekend. Aangenomen moet worden dat het Hof dat betoog heeft gehonoreerd en dus van oordeel was dat aanvrager vanaf 18 juli 2003 niet in staat is geweest om zich een oordeel te vormen over de vraag of hoger beroep moest worden ingesteld.

16. De veroordeling waarvoor thans herziening wordt gevraagd heeft betrekking op een vernieling die op 11 mei 2003 is gepleegd. De feiten waarvoor het Hof de aanvrager van rechtsvervolging ontsloeg, werden circa vijf maanden daarvóór gepleegd. Twee maanden na het gepleegde delict was de aanvrager volgens het Hof kennelijk zo psychotisch dat hem niet kon worden tegengeworpen dat hij te laat hoger beroep instelde. Men krijgt sterk de indruk dat, als het Hof ook had moeten oordelen over de op 11 mei 2003 gepleegde vernieling, hij de aanvrager terzake van dat feit eveneens zou hebben ontslagen van rechtsvervolging. Maar is dat doorslaggevend?

17. Aan de vraag of het oordeel van het Hof mag worden doorgetrokken naar de zaak die thans in herziening voorligt, gaat een andere vooraf. Dat is de vraag of een rechterlijk oordeel als zodanig een gegeven van feitelijke aard is waarop een aanvrage tot herziening kan worden gebaseerd. Bij de berechting van strafbare feiten geldt als uitgangspunt, dat de strafrechter niet gebonden is aan oordelen die rechters in een andere zaak hebben gegeven, ook niet als dat oordeel betrekking heeft op hetzelfde feitencomplex. Verdedigd zou derhalve kunnen worden dat in casu scherp onderscheid gemaakt moeten worden tussen het oordeel dat het Hof gaf, en de feiten waarop dat oordeel is gebaseerd. De consequentie daarvan is dat het "feit" dat het Hof aanvrager ontvankelijk verklaarde in zijn beroep en hem vervolgens ontsloeg van rechtsvervolging, geen toegevoegde waarde heeft. Het zijn dan enkel de feitelijke gegevens waarop het Hof zijn oordeel baseerde, waarop in herziening een beroep kan worden gedaan en die daarin opnieuw zullen moeten worden beoordeeld.

18. De jurisprudentie met betrekking tot herzieningszaken lijkt mij op dit punt evenwel niet eenduidig. Dat een andere rechter anders over de feiten oordeelde, vormt bijvoorbeeld op zich geen grond voor herziening, maar als dat oordeel mede was gebaseerd op nieuwe feitelijke gegevens, wordt dat anders.(8) Het andere oordeel lijkt daarbij wel degelijk iets aan die nieuwe feitelijke gegevens (die op zich wellicht te mager zijn om een novum op te leveren) toe te voegen. Hoe dat moet worden begrepen is moeilijk te zeggen. Misschien voegt het rechterlijk oordeel iets toe aan de ernst van het vermoeden dat aan de feiten kan worden ontleend. Voor de feitenrechter is voldoende dat hij aannemelijk acht dat (kort gezegd) de verdachte ontoerekeningsvatbaar was. In herzieningszaken is evenwel de vraag of het ernstig vermoeden bestaat dat de veroordelende rechter, had hij van de nieuwe feiten geweten, aannemelijk zou hebben geacht dat de aanvrager ontoerekeningsvatbaar was. Bij de beantwoording van die vraag kan het oordeel dat een andere rechter over hetzelfde feitencomplex gaf, gewicht is de schaal leggen. Dat die andere rechter zo oordeelde, versterkt dan het door de nieuwe feitelijke gegevens gewekte vermoeden, dat ook de rechter die de aanvrager veroordeelde, zo zou hebben geoordeeld. Misschien speelt daarnaast ook mee dat de rechtspleging voor de burger een beetje begrijpelijk moet blijven. Het is nu eenmaal moeilijk uit te leggen dat een rechterlijke uitspraak niets zegt.

19. Naast de vraag of in de onderhavige herzieningsaanvrage enig gezag toekomt aan de door het Hof gegeven oordelen, staat de vraag of die oordelen, als veronderstellenderwijs van de juistheid ervan wordt uitgegaan, mogen worden doorgetrokken naar het thans voorliggende, op 11 mei 2003 gepleegde feit (waarop die oordelen immers niet direct betrekking hebben). Hoe waarschijnlijk is het dat het Hof alle vernielingen over één kam zou hebben geschoren? Die vernielingen werden op een verschillend tijdstip gepleegd. Dat is niet zonder belang aangezien in het verzoek wordt gesteld dat een kenmerk van de psychische stoornis van aanvrager is dat deze zich niet ten alle tijden openbaart. Het gaat om 'psychoses' die regelmatig boven komen en dan leiden tot agressief gedrag dat aanvrager normaal niet vertoont. Wij zagen dat het Hof zijn oordeel mogelijk mede baseerde op getuigenverklaringen uit het dossier die wezen in de richting van een ernstige stoornis. Op dit punt is er een niet onbelangrijk verschil met de vernieling waarop het herzieningsverzoek betrekking heeft. De feiten wijzen hier in veel mindere mate op een ernstige stoornis. De aanvrager lijkt wél geweten te hebben wat hij deed. Hij ontkende niet de vernieling te hebben gepleegd. Van een wezenloze blik wordt door de getuigen niet gesproken.

20. Nu is de vraag of het Hof aan het verschil in tijdstip in combinatie met het wisselende ziektebeeld veel betekenis zou hebben toegekend. Opmerkelijk is in elk geval dat het Hof stilzwijgend oordeelde dat de aanvrager ontvankelijk was in zijn beroep en dus vanaf 18 juli 2003 dermate gestoord was dat het tardieve beroep hem niet kon worden aangerekend. Dat oordeel had kennelijk dezelfde feitelijke basis als het oordeel dat de in december 2002 gepleegde feiten de aanvrager niet konden worden toegerekend. Opgemerkt kan echter worden dat het oordeel dat iemand niet in staat is om de afwegingen te maken die nodig zijn voor het instellen van hoger beroep, een wat ander karakter heeft dan het oordeel dat een gepleegd feit de dader niet kan worden toegerekend. Al te ver strekkende conclusies mogen derhalve wellicht niet aan het ontvankelijkheidsoordeel worden verbonden.

21. Gelet op het voorgaande kan niet gezegd worden dat de oordelen van het Hof impliceren dat het Hof, als het over de onderhavige vernieling had moeten oordelen, de aanvrager ook terzake van dat feit ontoerekeningsvatbaar zou hebben verklaard. Het is anders gezegd mogelijk dat het Hof ten aanzien van dat feit tot een ander oordeel was gekomen. Maar de vraag is wel hoe groot die mogelijkheid moet worden geacht.

22. Het wordt tijd voor het opmaken van de balans. Als men zich concentreert op de feitelijke gegevens (en dus abstraheert van het daaraan door het Hof verbonden oordeel), ontstaat het volgende beeld. Mijns inziens kan er weinig twijfel bestaan over de vraag of de aanvrager ten tijde van het plegen van het feit leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Dat kan gezien de ziektegeschiedenis zoals die uit de stukken blijkt, moeilijk anders. (9) Ook lijkt mij alleszins aannemelijk dat het feit onder invloed van de stoornis werd gepleegd. Objectief gezien bestond er voor de vernieling van de autospiegel geen duidelijke aanleiding. Wat de aanvrager ter rechtvaardiging aanvoerde wijst in de richting van een gestoorde werkelijkheidsbeleving. Maar de vraag waarop het aankomt, is of de invloed van de stoornis zo groot is geweest dat de gepleegde vernieling de aanvrager in het geheel niet kan worden toegerekend. Ik sluit dat, mede gelet op het feit dat het aanvrager aan enig ziektebesef lijkt te hebben ontbroken, niet uit. Maar dat die mogelijkheid niet valt uit te sluiten, lijkt niet voldoende om van een ernstig vermoeden te kunnen spreken. Men mist hier node een op het onderhavige delict toegesneden deskundigenoordeel.

23. Bij deze stand van zaken hangt de beslissing af van het antwoord dat gegeven wordt op de volgende vragen van juridische aard. De eerste is de al besproken vraag of en in hoeverre gewicht kan worden toegekend aan het oordeel dat een andere rechter gaf over (ongeveer) hetzelfde feitencomplex. De tweede vraag is welke eisen in gevallen als de onderhavige aan een herzieningsverzoek moeten worden gesteld. Mag van de aanvrager worden verwacht dat hij het verzoek vergezeld doet gaan van een op het specifieke feit toegesneden deskundigenoordeel? Afhankelijk van de beantwoording van deze twee vragen zou de derde vraag kunnen zijn of en in hoeverre het ontbreken van een dergelijk deskundigenoordeel kan worden gecompenseerd door een rechterlijk oordeel in een vergelijkbare, maar niet identieke zaak tegen dezelfde aanvrager.

24. Hoewel ik mij een ander oordeel goed kan voorstellen, meen ik, alles afwegende, dat het arrest van het Hof waarop de aanvrager zich beroept, in dit geval voldoende gewicht in de schaal legt om over het ontbreken van een specifiek deskundigenoordeel heen te stappen. Het oordeel dat het Hof gaf, bezien in samenhang met de daaraan ten grondslag gelegde feiten en de overige bij de aanvrage overgelegde bewijsmiddelen, wekt mijns inziens dus het ernstig vermoeden dat de Rechtbank, was zij van een en ander op de hoogte geweest, in gelijke zin zou hebben geoordeeld.

25. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond verklaren, de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage opdat deze op de voet van art. 467 Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Van Dorst, Handboek strafzaken, § 47.3.2.c en HR 20 april 1952, NJ 1952, 686, m.nt. WP. In de zaak die leidde tot HR 18 september 2001, LJN AD5458 was een na de uitspraak opgesteld rapport van een psychiater overgelegd, waarin deze adviseerde de verdachte "volledig ontoerekeningsvatbaar" te verklaren (de rechter had uitspraak gedaan zonder het rapport af te wachten). De Hoge Raad wees de aanvraag toe.

2 HR 14 juni 2005, LJN AT4369, HR 4 oktober 2005, 01118/05 H (van dezelfde aanvrager als in de onderhavige zaak).

3 Vgl. HR 8 april 2003, 02513/02 H, HR 14 september 1987, NJ 1988, 615.

4 Ook deze stukken zijn belang bij de vraag of er van moet worden uitgegaan dat de rechter met het gestelde novum bekend was, De Ranitz in Melai, aant. 11 bij art. 457 Sv en de daar aangehaalde literatuur.

5 HR 14 september 1987, NJ 1988, 615

6 Kennelijk zag de Rechtbank die aanvallen als een gevolg van verdachtes stoornis. Op grond van art 2 lid 2 van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen is voor het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in die Wet vereist dat de stoornis van de geestvermogens de betrokkene gevaar doet veroorzaken en dat dat gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend. Onder 'gevaar' is op grond van art. 1 lid 1 sub 3 Wet Bopz begrepen gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen. De Nadere Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet Bopz, kamerstukken II, 1979/80, 11270, nr. 12, p. 13 en 14, houdt over de vereiste mate van stoornis en het verband tussen de stoornis en het gevaar dat van de betrokkene uitgaat onder meer in: "Door het ontwerp wordt als voorwaarde voor een gedwongen opneming onder meer geëist dat de geconstateerde stoornis van de geestvermogens (...) betrokkene het gevaarvolle handelen of nalaten doet veroorzaken. De tekst van het ontwerp ziet derhalve alleen op die situaties waarin de stoornis van het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen zo ingrijpend is, dat betrokkene het veroorzaakte gevaar als het ware niet kan worden toegerekend. De stoornis moet de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheersen. Niet alle stoornissen in de geestvermogens zullen derhalve - ook niet als gevaar in de wettelijke zin bestaat - aanleiding mogen zijn tot een rechterlijke machtiging; niet het bestaan van de stoornis en van gevaar zijn bepalend, doch het gevaar als gevolg van de stoornis. Het is duidelijk dat door dit verband slechts ernstige stoornissen tot toepassing van het wetsontwerp aanleiding zullen kunnen geven. (...) De stoornis behoeft niet het functioneren van de geestvermogens in ieder opzicht of op elk ogenblik te betreffen." Ook bij afwezigheid van agressiedaden in het verleden kan 'gevaar' worden aangenomen, vgl. Dijkers en Widdershoven, De Wet Bopz, Artikelsgewijs commentaar, aant. 3.1 bij art. 2 Bopz. Zie over de Bopz-procedure ook Vlaardingerbroek, T&C Gezondheidsrecht, 2e, p. 249 e.v.

7 Ik wijs er nog op dat de pleitnota in hoger beroep in de zaak voor het Hof (bijlage 6 bij de onderhavige aanvraag) onder 1.6. verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank te Rotterdam waarin deze ontoerekeningsvatbaarheid aannam zonder specifiek deskundigerapport.

8 Vgl. HR 14 oktober 1997, NJ 1998, 210 en HR 4 april 1995, DD 95.282.

9 Ik merk nog op dat uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de buren de aanvrager beschreven als een agressief persoon.