Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ2105

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
00238/06 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ2105
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte staat op uitkijk, terwijl mededaders een man in zijn woning pinpas en pincode gaan afpersen, waarbij de man zich met zijn keukenmes verzet en door één van verdachtes mededaders met dat mes wordt gedood. In conclusie AG wordt het causaal verband tussen de poging tot afpersing en de dood van het slachtoffer betwijfeld. HR: Het hof heeft in de gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat verdachte zich in ieder geval bewust was van de aanmerkelijke kans dat de 2 mededaders die het huis van het slachtoffer zijn binnengegaan, geweld zouden gebruiken om het slachtoffer de gewenste zaken (waaronder de pincode) te doen afgeven, en dat hij, nu hij zich door de wetenschap dat het slachtoffer thuis was niet heeft laten weerhouden, deze kans ook heeft aanvaard. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan voorts worden afgeleid dat tussen de ten laste van verdachte en zijn mededaders bewezenverklaarde poging tot afpersing en de dood van het slachtoffer een zodanig verband heeft bestaan dat de dood redelijkerwijs a.g.v. die poging tot afpersing aan verdachte kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 133
NJ 2007, 263 met annotatie van J.M. Reijntjes
RvdW 2007, 262
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00238/06 J

Mr. Knigge

Zitting: 7 november 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens het "medeplegen van poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft" veroordeeld tot twaalf maanden jeugddetentie waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens de verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde niet uit de bewijsmiddelen kan volgen. De bewijsmiddelen zouden weliswaar inhouden dat de verdachte toen zijn medeverdachten het huis van het slachtoffer binnengingen op de uitkijk heeft gestaan, maar niet dat hij opzet had op de door die medeverdachten in dat huis jegens het slachtoffer gepleegde poging tot afpersing, welke poging de dood van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij verdachte, op 9 maart 2004 in de gemeente Brunssum, ter uitvoering van het door hem, verdachte, en verdachtes mededaders, voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een bankpas en van een pincode, toebehorende aan voornoemde [slachtoffer], met voornoemd oogmerk toen aldaar tezamen en in vereniging met anderen voornoemde [slachtoffer] opzettelijk heeft geduwd en met een mes in diens lichaam heeft gestoken of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."

5. Het Hof heeft in de aanvulling op het verkorte arrest als bewijsmiddelen 1. en 2. een tweetal verklaringen van artsen opgenomen, die kort gezegd inhouden dat het slachtoffer op 10 maart 2004 's morgens dood in zijn woning is aangetroffen en dat hij met een mes om het leven was gebracht. Als (zakelijke inhoud van de) overige bewijsmiddelen vermeldt de aanvulling het volgende:

(3). een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een proces-verbaal van verhoor, op 14 juni 2004 opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

"Op 5 maart heb ik ingebroken in de woning van [slachtoffer]. Ik was toen alleen. Ik heb toen bankafschriften van [slachtoffer] gezien waaruit bleek dat er veel geld op de rekening van [slachtoffer] stond. De maandag na de inbraak heb ik met [medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2]) het plan opgevat om [slachtoffer] te overvallen. [medeverdachte 2] zei toen dat hij aan [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3]) en [verdachte] zou vragen om mee te doen. We wilden die man overvallen en hem om zijn pinpas en de pincode vragen. [medeverdachte 2] heeft met [verdachte] en [medeverdachte 3] gepraat. Op dinsdag 9 maart ontmoette ik [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 3] bij de auto van [medeverdachte 3]. Ik ben toen een bivakmuts en handschoenen voor mezelf en handschoenen voor [medeverdachte 3] gaan halen. [medeverdachte 3] had zelf handschoenen. We zijn in de auto van [medeverdachte 3] gaan rondrijden en hebben toen afspraken gemaakt. We hebben gepraat over de verdeling. Ieder zou zijn deel krijgen. Ik zou samen met [medeverdachte 3] naar binnen gaan en [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden op de wacht gaan staan. Als er iets zou zijn, zouden ze ons bellen. [medeverdachte 2] heeft mij gebeld toen die man dood was. Hij belde met zijn telefoon, of als hij geen beltegoed had, met de telefoon van [medeverdachte 3]. We hebben de auto in de buurt neergezet bij de friture. We zijn met zijn vieren langs de woning van [slachtoffer] gelopen en we zagen hem zitten. Die man zat toen voor zijn TV. We hebben toen afgesproken hoe we het het beste konden aanpakken. We besloten achterom te gaan omdat we aan de voorkant gezien konden worden. [medeverdachte 2] ging op de hoek van [a-straat] met de [b-straat] staan en [verdachte] ging staan bij het paadje naar de achterzijde van de woningen aan [a-straat]. [medeverdachte 3] en ik gingen naar de achterzijde van de woning. Toen heb ik aangeklopt. Na twee keer kloppen en toen heeft [slachtoffer] de deur opengemaakt. Ik heb [slachtoffer] toen naar binnen geduwd en toen begon hij te schreeuwen. Ik schrok en toen heb ik hem de mond dichtgedaan. Ik had [slachtoffer] vast en (hij, Kn) begon met zijn handen van zich af te slaan. Ik had hem vast toen [medeverdachte 3] de woonkamer binnenging. [Slachtoffer] greep toen een mes van het aanrecht. Ik stond toen achter hem. Ik pakte het mes af en heb van mij afgestoken. Ik raakte [slachtoffer] eerst op de wang. [Slachtoffer] begon toen te schreeuwen en kwam naar mij toe. Ik heb hem toen gestoken. Ik raakte hem aan de linkerzijde van de hals. Hij viel en ik heb hem toen nog drie keer of zo in het lichaam gestoken. Nadat [slachtoffer] dood was, zag ik [medeverdachte 3] in de woonkamer staan. [medeverdachte 3] zei dat hij 80 euro had en hij liet dat geld zien. [medeverdachte 3] ging via de voordeur naar buiten. Ik ben toen door de achterdeur naar buiten gegaan. [medeverdachte 2] en [verdachte] stonden daar samen. We zijn toen naar de auto gelopen en daar was [medeverdachte 3]. We zijn richting Schinveld gereden en hebben onderweg de handschoenen van mij en [medeverdachte 3] in een put gedaan. Mijn bivakmuts heb ik in een container gegooid. We spraken in de auto af wat ze zouden zeggen als de politie bij hen kwam. [verdachte] en [medeverdachte 2] spraken af dat zij zouden zeggen dat zij samen waren en naar voetballen waren, dat zij mij niet gezien hadden. Later spraken zij af dat ze mij wel hadden gezien, maar dat ze alleen hoi zeiden. [medeverdachte 3] en ik spraken af dat we elkaar niet zouden verraden. Wij wilden die man overvallen. Daarmee bedoel ik dat we die man zijn mond wilden houden en vragen om zijn pasje en de pincode."

(4). een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een proces-verbaal van verhoor, op 22 mei 2004 opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4], inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

"[medeverdachte 1] vertelde mij dat hij een dag eerder had ingebroken bij een man die naast hem woonde (hof: [slachtoffer]). [medeverdachte 1] vertelde toen dat hij op bankafschriften had gezien dat er veel geld op de rekening (hof: van die [slachtoffer]) stond. [medeverdachte 1] belde mij met de vraag of ik geld wilde verdienen. Ik had het vermoeden dat [medeverdachte 1] terug wilde gaan om het pasje te pakken."

(5). een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een proces-verbaal van verhoor, op 2 juni 2004 opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:

"Op 9 maart 2004 ontmoette ik [medeverdachte 2] (hof: [medeverdachte 2]). Hij zei me dat [medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1]) die avond wilde gaan inbreken in een huis en hij, [medeverdachte 2], vroeg mij of ik mee wilde gaan. Later die avond vroeg ik aan [medeverdachte 1] waar hij wilde gaan inbreken, waarop [medeverdachte 1] tegen mij zei: bij zijn buren. [medeverdachte 1] zei me dat [medeverdachte 2], [verdachte] (hof: de verdachte) en ik EUR. 1000 zouden krijgen welke wij dan onder ons drieën moesten verdelen. [medeverdachte 2] en [verdachte] kwamen aanlopen en zij kwamen bij ons staan. [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden kijken of er geen mensen aankwamen. Ik zag dat [medeverdachte 2] en [verdachte] hun eerder afgesproken plaats innamen. Ik ben met [medeverdachte 1] doorgelopen. We hadden ook afgesproken dat [medeverdachte 2] en [verdachte] zouden fluiten als ze mensen aan zagen komen. Ik ben weggerend tot ik uitkwam bij mijn auto. Ik zag eerder toen ik richting mijn auto liep, dat [medeverdachte 2] en [verdachte] aan kwamen lopen. Ik zag dat [medeverdachte 1] ook kwam lopen. [medeverdachte 2] vroeg wat er gebeurd was. [medeverdachte 1] zei dat die oude man thuis was en dat hij hem vermoord had. [medeverdachte 2] en [verdachte] stapten in mijn auto en in de auto hebben we er nog over gepraat. Ik heb toen eerst [verdachte] thuis afgezet en daarna heb ik [medeverdachte 2] thuis afgezet."

(6). een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een proces-verbaal van verhoor, op 28 mei 2004 opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8], inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Op 9 maart 2004 kwamen [medeverdachte 2] en ik [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen. [medeverdachte 1] vroeg of wij met hen een woning wilde binnengaan . Hij zei dat zij alvast gingen en dat wij op de hoek moesten gaan staan wachten om op hen te wachten. [medeverdachte 1] zei dat hij een geldbedrag had weggenomen uit de woning van [slachtoffer]. Dit was in ieder geval geen EUR. 20.000,--."

(7). een schriftelijk bescheid, zijnde een kopie van een proces-verbaal van verhoor, op 17 juni 2004 opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8], inhoudende als verklaring van de verdachte:

"Ik zou op de uitkijk staan en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zouden naar binnen gaan, via de achterkant, via de achterdeur."

(8). de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover deze - zakelijk weergegeven - inhoudt:

"Op de avond van 9 maart 2004 had ik training en na afloop ben ik (met, Kn) [medeverdachte 2] een eindje gaan lopen. Wij kwamen op een gegeven moment [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] tegen. Zij vroegen aan [medeverdachte 2] en mij of wij mee wilde doen met een woninginbraak. Ik ben toen samen met [medeverdachte 2] met hen meegegaan om op [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] te wachten als zij bezig waren. Ik heb op de hoek van de straat staan wachten tot zij terug zouden komen."

6. In het verkort arrest heeft het Hof onder het kopje "Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs" onder meer een aantal verklaringen van de verdachte en van diens medeverdachten aangehaald. Daarop volgend heeft het Hof, voor zover hier van belang, overwogen dat de verklaring van de verdachte dat hij zou meedoen "aan een inbraak (en dus niet aan een afpersing)" zijn weerlegging vindt in die aangehaalde verklaringen in onderling verband bezien en dat het "vooropgezette gezamenlijke plan" om het slachtoffer af te persen "mede [omvatte] het eventuele gebruik van geweld".

7. Aandacht verdient dat de meest belastende van de verklaringen waarnaar het Hof in deze bewijsoverweging verwijst, de verklaring is die medeverdachte [medeverdachte 1] kennelijk op 4 oktober 2004 tegenover de R-C heeft afgelegd. In de aanvulling op het verkorte arrest heeft het Hof overwogen dat deze verklaring van [medeverdachte 1] is afgelegd in de strafzaken tegen verdachtes medeverdachten en dat zij in de onderhavige zaak niet aan het dossier is toegevoegd. Derhalve kon deze verklaring niet aan het bewijs bijdragen, aldus het Hof. De verklaring is dienovereenkomstig niet als bewijsmiddel in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen.

8. De verbetering van een nadere bewijsoverweging in de aanvulling op het verkort arrest is op zich toegelaten (HR 16 maart 1999, NJ 1999, 387). In het onderhavige geval is echter meer aan de hand dan enkel de verbetering van een misslag in het verkort arrest. Het moet er hier voor gehouden worden dat het Hof heeft beraadslaagd en beslist op basis van bewijsmateriaal dat niet tot het dossier behoorde en dat dus niet ter zitting ter discussie heeft gestaan. Daarmee is een grondregel van procesrecht, namelijk dat de rechter dient te oordelen "naar aanleiding van het onderzoek ter zitting" geschonden (art. 350 Sv; zie ook art. 301 lid 4 Sv). Een dergelijke fout kan mijns inziens niet achteraf hersteld worden in de aanvulling op het verkort arrest. Het gaat immers niet om een motiveringsgebrek, maar om een gebrek in de beraadslaging.

9. Het cassatiemiddel zoals ik dat begrijp, klaagt niet over dit gebrek. Ik heb mij afgevraagd of het verzuim aanleiding zou moeten geven tot ambtshalve cassatie. Ik beantwoord die vraag na enig wikken en wegen ontkennend. Ik neem daarbij in aanmerking dat het Hof de tegenover de R-C afgelegde verklaring van [medeverdachte 1] in het verkort arrest heeft vervangen door de verklaring die [medeverdachte 1] eerder tegenover de politie aflegde. Deze laatste verklaring is weliswaar op onderdelen minder belastend voor de verdachte (zodat niet uit te sluiten valt dat de verdachte door de beraadslaging op basis van een hem meer belastende verklaring is benadeeld), maar van doorslaggevende verschillen is mijns inziens geen sprake.(1) Bovendien verwees de verdediging zelf naar de verklaringen die [medeverdachte 1] bij de R-C aflegde.(2)

10. De door het Hof in de aanvulling op het verkort arrest aangebrachte verbetering brengt mee dat bij de toetsing op haar begrijpelijkheid van de hiervoor onder punt 6 geciteerde overweging (namelijk dat het verweer zijn weerlegging vindt in de aangehaalde verklaringen), uitgegaan moet worden van de plaatsvervangende verklaring die [medeverdachte 1] tegenover de politie aflegde en dus niet van diens tegenover de R-C afgelegde verklaring zoals die in het verkort arrest voorkomt. Ik begrijp daarbij de door het Hof aangebrachte verbetering aldus, dat daarmee kennelijk ook bedoeld is tot uitdrukking te brengen dat de nadere bewijsoverweging in het verkort arrest als niet geschreven moet worden beschouwd voor zover daarin een beroep wordt gedaan op onderdelen van de tegenover de R-C afgelegde verklaring die niet zijn terug te vinden in de verklaring die daarvoor in de plaats is gesteld.(3)

11. Voor zover het middel er vanuit gaat dat door de verbetering die het Hof aanbracht, een wezenlijk onderdeel van de bewijsconstructie is weggevallen zodat - wat het aandeel van de verdachte in het strafbare feit betreft - alleen de bewijsmiddelen 4, 5, 6, 7 en 8 zijn overgebleven, mist het feitelijke grondslag. Zoals hiervoor is uiteengezet, moet de door het Hof aangebrachte verbetering zo gelezen worden dat de verklaring die [medeverdachte 1] tegenover de politie aflegde, in de plaats kwam van zijn tegenover de R-C afgelegde verklaring. Voor zover het middel dit niet heeft miskend, geldt het volgende.

12. Uit de hiervóór geciteerde bewijsmiddelen kan samenvattend de volgende gang van zaken worden afgeleid. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hadden het plan opgevat om het slachtoffer te overvallen en daarbij zijn pinpas en code te bemachtigen. [medeverdachte 2] zou aan de verdachte vragen om mee te doen en heeft ook inderdaad met de verdachte gepraat. Op de bewuste dag zijn in de auto van [medeverdachte 3] afspraken gemaakt, is gepraat over de verdeling van, kennelijk, de verwachte buit en hebben de twee verdachten die het huis van het slachtoffer zouden binnengaan zich voorzien van handschoenen. [medeverdachte 1] had ook een bivakmuts bij zich. Vervolgens zijn de vier verdachten langs het huis van het slachtoffer gelopen en hebben hem zien zitten. Toen hebben de verdachten nog eens doorgesproken hoe zij te werk zouden gaan. De verdachte heeft daarop zijn post ingenomen en [medeverdachte 1] en [medeverd[medeverdachte 3] zijn het huis via de achterkant binnengegaan. Nadat zij weer naar buiten waren gekomen, zijn zij met de verdachte in de auto weggereden. Onderweg hebben [medeverdachte 1] en [medeverd[medeverdachte 3] zich ontdaan van de bivakmuts en hun handschoenen en hebben de verdachten afspraken gemaakt over wat zij tegen de politie zouden zeggen.

13. Het Hof heeft overwogen dat het "eventuele" gebruik van geweld onderdeel van het gezamenlijke plan van de verdachten vormde. Daarin ligt besloten dat het Hof van oordeel was dat de verdachte er rekening mee hield dat zijn medeverdachten geweld zouden kunnen gebruiken en dat hij daarop opzet had, zij het kennelijk in voorwaardelijke zin.

14. Bij de bestrijding van de begrijpelijkheid van voornoemd oordeel lijkt de steller van het middel er aan voorbij te gaan dat het Hof in de bewijsmiddelen als vermeld heeft vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van het feit dat het slachtoffer thuis was. Zo al niet moet worden aangenomen dat de verdachte tijdens de voorafgaande besprekingen waarbij hij aanwezig was, duidelijk is geworden dat het slachtoffer vermoedelijk thuis zou zijn, volgt die wetenschap in ieder geval uit de voor het bewijs gebruikte verklaring van [medeverdachte 1]. Die houdt immers in dat de vier verdachten voor het huis van het slachtoffer langsliepen en hem voor de televisie zagen zitten. Aan die wetenschap doet niet af dat de verdachten tevóren klaarblijkelijk spraken in termen als "inbreken" en de "woning binnengaan". Overigens sluiten die bewoordingen op zich evenmin uit dat er in de desbetreffende woning iemand aanwezig zou zijn.

15. Het ligt niet in de rede dat de verdachte meende dat zijn medeverdachten die naar binnen gingen voor het voltooien van de gezamenlijke onderneming - die zoals ook de verdachte wist in ieder geval een groot geldbedrag moest opleveren, aangezien aan de verdachte, [medeverd[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gezamenlijk op voorhand reeds een bedrag van € 1.000 was toegezegd - zouden kunnen volstaan met het enkele verzoek aan het slachtoffer of deze zo vriendelijk zou willen zijn de gewenste zaken af te geven.(4)

16. De verdediging heeft bovendien in feitelijke aanleg niet aangevoerd dat de verdachte ervan uitging dat zijn medeverdachten ondanks de aanwezigheid van het slachtoffer toch geweldloos te werk zouden kunnen gaan (bijvoorbeeld dat hij meende dat zij in het huis snel de gewenste hoeveelheid geld zouden weggrissen, zonder dat het bejaarde slachtoffer hen zou kunnen tegenhouden). Zij heeft voor het Hof in de eerste plaats een betoog gehouden dat ervan uitging dat de verdachte onbekend was met de aanwezigheid van het slachtoffer, een betoog dat als vermeld zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Bij wijze van subsidiair verweer werd aangevoerd dat indien het Hof er toch van zou uitgaan dat de verdachten "de kans hebben ingecalculeerd dat [slachtoffer] wel ten tijde van de inbraak thuis zou zijn en dat enige bedreiging met geweld voor de hand lag of zelfs tevoren zou zijn besproken teneinde de pinpas en de code te krijgen, derhalve dat medeplegen van afpersing zou kunnen worden bewezen" het nog maar de vraag zou zijn of ook het overige geweld - het steken van het slachtoffer door [medeverdachte 1] - aan de verdachte kon worden toegerekend en tevens of het uiteindelijke gevolg, de dood van het slachtoffer, aan hem kon worden toegerekend. Klaarblijkelijk ging ook dat verdediging er vanuit dat indien bewezen kon worden dat de verdachte wist dat het slachtoffer thuis was, ook het medeplegen van afpersing kon worden bewezenverklaard.

17. Bij deze stand van zaken heeft het Hof geredelijk kunnen aannemen dat de verdachte zich in ieder geval bewust was van de aanmerkelijke kans dat zijn twee medeverdachten die het huis van het slachtoffer binnengingen aldaar geweld, daargelaten in welke vorm precies, zouden gebruiken om het slachtoffer de gewenste zaken te doen afgeven en dat hij, nu hij zich door de wetenschap dat het slachtoffer thuis was niet heeft laten weerhouden, deze kans ook heeft aanvaard. Ook als de verdachte niet exact voor ogen had hoe het in de woning zou toegaan, doet dat aan 's-Hofs oordeel niet af. (5)

18. In de toelichting op het middel wordt nog geklaagd dat het Hof de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd van haar strekking heeft beroofd door in de weergave van die verklaring in de bewijsmiddelen niet op te nemen dat [medeverdachte 1] en [medeverd[medeverdachte 3] aan de verdachte zouden hebben gevraagd mee te doen aan een inbraak in een woning "waar op dat moment niemand thuis zou zijn". Die klacht gaat reeds niet op omdat uit de bewijsmiddelen volgt dat het desbetreffende gesprek heeft plaatsgevonden vóórdat de verdachten het slachtoffer voor de televisie zagen zitten. Ook als de verdachte aanvankelijk inderdaad zou zijn gezegd dat er niemand thuis zou zijn, was hij vanaf dat moment op de hoogte van het tegendeel. Overigens stond het het Hof vrij om enkel het als bewijsmiddel 8. opgenomen gedeelte van de desbetreffende verklaring voor het bewijs te gebruiken. Uit dit gedeelte volgt dat de verdachte wist dat er ingebroken zou gaan worden en dat hij op wacht heeft gestaan. Aan het gedeelte van zijn verklaring dat inhoudt dat hem gezegd was dat er niemand in het bewuste huis aanwezig zou zijn heeft het Hof kennelijk geen geloof gehecht.(6)

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

20. Ambtshalve vraag ik nog aandacht voor het volgende. Ik begrijp de bewezenverklaring aldus dat het steken van het slachtoffer met een mes in diens lichaam behoorde tot het geweld waardoor de daders poogden het slachtoffer te dwingen tot afgifte van een bankpas en een pincode. Zo alleen immers valt te begrijpen dat het Hof de dood van het slachtoffer als een gevolg van de poging tot afpersing heeft aangemerkt. Bewezen verklaard is derhalve dat het slachtoffer met een mes is gestoken om hem op die manier te dwingen tot afgifte van een bankpas en een pincode en dat de poging tot afpersing aldus de dood van het slachtoffer heeft veroorzaakt. Ik acht het een noch het ander begrijpelijk in het licht van de bewijsmiddelen die het Hof heeft gebezigd.

21. In het woord "door" zoals dat in art. 317 lid 1 Sr (en in de bewezenverklaring) wordt gebezigd ("door geweld"), ligt besloten dat het uitgeoefende geweld een instrumenteel karakter moet hebben. Dat geweld moet aangewend zijn als middel om het doel (de afgifte van geld en goed) te bereiken. Welnu, van dat instrumentele karakter blijkt wat het steken met het mes betreft, uit de bewijsmiddelen niets. Integendeel, die bewijsmiddelen wijzen er veeleer op dat de daders de situatie niet meer in de hand hadden en dat [medeverdachte 1] het slachtoffer toen in een soort paniekreactie heeft doodgestoken. Ik merk daarbij op dat het doodsteken van het slachtoffer allerminst een geëigend middel is om te bereiken dat het slachtoffer tot afgifte van bankpas en pincode overgaat. Juist het doodsteken maakte dat de poging tot afpersing niet werd voltooid: het slachtoffer kon daardoor zijn bankpas en pincode niet meer afgeven.

22. In het verlengde hiervan ligt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de dood van het slachtoffer een gevolg is van de poging tot afpersing. De bewijsmiddelen wijzen er eerder op dat de poging tot afpersing werd gevolgd door een ander strafbaar feit, namelijk een doodslag, al dan niet in de gekwalificeerde vorm van art. 288 Sr.(7) Het is dat andere strafbare feit, de (gekwalificeerde) doodslag, waaraan het gevolg - de dood van het slachtoffer - juridisch gezien moet worden toegerekend. Ik wijs in dit verband op HR 22 september 1998, NJ 1999, 104 m.nt. JdH, dat betrekking had op een gijzeling met dodelijke afloop (art. 282a Sr). Nadat de ontvoerders (tevergeefs) losgeld hadden geëist, werd het slachtoffer dood teruggevonden. Hij bleek te zijn gewurgd. De Hoge Raad oordeelde dat de bewijsmiddelen "niets" behelsden waaruit bleek dat de dood van het slachtoffer het gevolg was van de wederrechtelijke vrijheidsberoving.

23. Nu ben ik mij ervan bewust dat niet geheel duidelijk is hoe dit arrest moet worden begrepen. A-G Van Dorst had in zijn voorafgaande conclusie onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis betoogd dat de dood alleen dan als gevolg aan de vrijheidsbeneming kan worden toegerekend als die dood door de vrijheidsbeneming zelf is veroorzaakt. De dood evenwel die is veroorzaakt door de wijze waarop het slachtoffer tijdens de vrijheidsbeneming is behandeld, "heeft de wetgever kennelijk als een connex doch afzonderlijk te vervolgen strafbaar feit gezien, maar niet als een strafverzwarende omstandigheid". De Hullu betwijfelde als annotator of deze visie juist was. Hij legde er de nadruk op dat alleen vrijheidsberoving was bewezenverklaard, en niet het van de vrijheid beroofd houden.

24. Zelf zou ik het er voorshands op willen houden dat Van Dorst in elk geval in zoverre gelijk heeft, dat de dood van het slachtoffer niet als een gevolg van de gijzeling kan worden aangemerkt als die dood het rechtstreekse gevolg is van een ander opzettelijk begaan strafbaar feit. Dat dit opzetdelict mogelijk in rechtstreeks verband staat met de gijzeling, maakt dit niet anders. Bij de vraag naar de rechtens relevante oorzaak van het overlijden van het slachtoffer gaat het uiteindelijk steeds om de vraag wie voor die dood strafrechtelijk aansprakelijk moet worden gehouden. Ingeval van doodslag komen mijns inziens alleen de pleger van, en de eventuele deelnemers aan, die doodslag als aansprakelijke personen in aanmerking. Uiteraard vormt de gijzeling een onmisbare schakel in de causale keten van de gebeurtenissen. Maar de opzettelijke doodslag "doorbreekt" het causale verband.

25. De hier voorgestane opvatting berust niet alleen, en zelfs niet in de eerste plaats, op de wetsgeschiedenis van art. 282a Sr. Zij is veeleer gebaseerd op (wat ik zou willen houden voor) het systeem van strafrechtelijke aansprakelijkheid dat de wetgever met de vele afzonderlijke delicten die hij in het wetboek opnam, voor ogen heeft gestaan (en waarvan de wetsgeschiedenis van art. 282a Sr een onderstreping vormt). Die opvatting is derhalve ook van betekenis voor de onderhavige zaak.

26. Zoals in punt 16 al even werd aangestipt, is door de verdediging aangevoerd dat de dood van het slachtoffer niet als gevolg aan de verdachte kan worden toegerekend. Erg to the point was dit verweer niet, en zo valt wellicht te begrijpen dat de weerlegging van het verweer door het Hof eveneens langs de kern van de zaak heenging. Dat, zoals het Hof in het verkort arrest overwoog, het strafverzwarende gevolg aan het opzet van de verdachte is onttrokken, is volkomen waar, maar daarmee is niets gezegd over de vraag of zich in casu een dergelijk strafverzwarend gevolg voordoet. Nu uit de bewijsmiddelen rechtstreeks lijkt voort te vloeien dat de dood van het slachtoffer moet worden toegeschreven aan zo niet een (gekwalificeerde) doodslag dan toch zeker aan zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbende, kan ernstig betwijfeld worden of de dood van het slachtoffer een rechtens relevant gevolg is van de poging tot afpersing.

27. In het voorgaande ligt besloten dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte is veroordeeld op grond van een zwaardere strafbepaling dan hij materieelrechtelijk gezien verdient. Dat vormt mijns inziens een reden voor ambtshalve cassatie. De vernietiging van de bewezenverklaring kan - gelet op de nauwe samenhang met wat daarin als geweld is aangemerkt - bezwaarlijk beperkt blijven tot het strafverzwarende gevolg.

28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast moge voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 18 februari 1997, NJ 1997, 412.

2 Bekendheid van de verdediging met het niet op voet van art. 301, leden 1, 2 en 3 Sv in het geding gebrachte stuk brengt in de regel mee dat schending van art. 301 lid 4 Sv niet tot nietigheid leidt. Zie o.m. HR 13 mei 1986, NJ 1987, 277.

3 Zo houdt de laatstgenoemde verklaring onder meer niet in dat [medeverdachte 1] bij zijn inbraak op 5 maart heeft gezien dat er € 20.000 op de bankrekening van het slachtoffer stond, maar enkel dat hij op de afschriften zag dat er "veel geld" op die rekening stond. Daarmee komt 's-Hofs bewijsoverweging in het verkorte arrest, dat de verdachte het bedrag van € 20.000 enkel kon noemen omdat hij op de hoogte was van "het feit" dat de verdachte "dit" bedrag op zijn bankrekening had staan in de lucht te hangen.

4 Nog daargelaten of een dergelijk 'verzoek' onder de geschetste omstandigheden - twee jongenmannen, van wie één met een bivakmuts, die 's avonds het huis van een oude man binnenvallen - niet al als bedreiging met geweld zou kunnen worden aangemerkt. Vgl. NLR, aant. 6 bij art. 317 Sr over de ruime uitleg die de Hoge Raad aan het bestanddeel '(bedreiging met) geweld' geeft.

5 Vgl. voor de eisen die de Hoge Raad stelt aan (het bewijs van) voorwaardelijk opzet HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552, ro. 3.6. In HR 17 september 2002, LJN AE6118 en HR 14 oktober 2003, NJ 2004, 103 aanvaardde de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat zijn mededader(s) ook anderen dan het beoogde slachtoffer om het leven zou(den) (proberen te) brengen.

6 Vgl. Van Dorst, 5e, p. 192.

7 De administratie van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft mij desgevraagd bericht dat [medeverdachte 1] voor de onderhavige feiten bij arrest van 2 mei 2005 wegens gekwalificeerde doodslag is veroordeeld.