Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ1706

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2007
Datum publicatie
10-01-2007
Zaaknummer
03546/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ1706
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2002, 317. In aanmerking genomen dat uit de aan de HR ter beschikking staande stukken niet blijkt dat een afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar het door verdachte bij het instellen van appel opgegeven adres, is ’s hofs oordeel dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. HR verklaart om doelmatigheidsredenen de appeldagvaarding nietig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 17
RvdW 2007, 99
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 03546/05

Mr. Wortel

Zitting:31 oktober 2006

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens "Enig gegeven verzwijgen, met het oogmerk om aldus voor zichzelf of voor degene voor wie hij optreedt bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf.

2. Namens verzoeker heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

3. Het eerste middel faalt omdat het opgeven van een onjuist adres, in ieder geval bij de toepassing van de strafbaarstelling van 'bijstandsfraude', kan worden gelijkgesteld met het verzwijgen van het werkelijke, feitelijke, woonadres.

4. Het tweede middel faalt omdat het Hof, door als bewijsmiddel 1 te vermelden "geschriften, te weten kopieën van formulieren rechtmatigheidsonderzoek RWW" betreffende zekere periode "met als inhoud de opgave van de verdachte als zijn adres: [c-straat 1] te [plaats] respectievelijk [d-straat 1] te [plaats]" de voor het bewijs relevant geachte inhoud van dit bewijsmiddel - het adres dat verzoeker aan de uitkerende instantie heeft opgegeven - naar behoren heeft weergegeven.

5. Het derde middel bevat de klacht dat de dagvaarding om in hoger beroep terecht te staan ten onrechte voor geldig (uitgereikt) is gehouden, aangezien die dagvaarding is verzonden naar een postadres in het buitenland, terwijl verzoeker bij het instellen van hoger beroep een adres in Nederland heeft opgegeven.

6. Uit de aan de Hoge Raad gezonden stukken blijkt het volgende.

Op 10 mei 2000 heeft verzoeker hoger beroep ingesteld en daarbij, blijkens de hiervan opgemaakte akte, een adres in [plaats] opgegeven.

Bij arrest van 5 januari 2001 heeft het Hof de appèldagvaarding nietig verklaard, aangezien die dagvaarding uitsluitend aan de griffier was uitgereikt in verband met het ontbreken van een bekend adres van verzoeker in Nederland, ofschoon bij de stukken was gevoegd een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam, waarin is te vinden dat verzoeker is 'vertrokken naar een briefadres' in Luxemburg.

Vervolgens is verzoeker gedagvaard voor een zitting van het Hof van 9 mei 2001, naar aanleiding waarvan de thans bestreden uitspraak is gewezen. Deze dagvaarding vermeldt het aan de GBA van Amsterdam ontleende briefadres in Luxemburg, en de akte van betekening houdt in dat de dagvaarding vanwege het ressortsparket als gewone brief naar dat buitenlandse adres is verzonden.

7. Aangezien de opgave uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam, gedateerd 22 december 2000, inhoudt dat verzoeker op 23 april 1999 is vertrokken naar het briefadres in Luxemburg, en verzoeker na deze datum van uitschrijving, te weten op 10 mei 2000, een adres in Nederland heeft opgegeven, lijkt het middel terecht te zijn voorgesteld. Uit die latere opgave van een (feitelijk) adres in Nederland had het Hof immers moeten opmaken dat verzoeker zich op dat adres voor kennisgevingen van justitie bereikbaar hield.

8. Naar mijn inzicht behoeft dit in deze zaak evenwel niet tot cassatie te voeren. In verband met de betekening van de in art. 435 Sv bedoelde aanzegging zijn namelijk uittreksels uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Amsterdam verkregen, gedateerd 13 februari en 6 maart 2006, waarin is vermeld dat verzoeker inderdaad ingeschreven heeft gestaan op het [plaats]se adres dat hij bij het instellen van hoger beroep noemde, maar dat die inschrijving op 23 april 1999 is beëindigd in verband met vertrek naar Luxemburg.

9. Het komt mij voor dat op grond van deze opgaven kan worden aangenomen dat verzoeker bij het instellen van hoger beroep een adres heeft genoemd dat toen in werkelijkheid al niet meer het zijne was, zodat hij door het verzuim een exemplaar van de appèldagvaarding naar dat adres te zenden niet in zijn belangen kan zijn geschaad.

10. In ieder geval de eerste twee middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,