Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ1490

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
C05/278HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2005:AU4078
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ1490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Niet-ontvankelijk hoger beroep tegen kantongerechtsvonnis houdende afwijzing van een vordering onder de appelgrens van art. 332 lid 1 Rv.; géén doorbreking van appelverbod bij toepasselijkheid art. 80 lid 1 RO door mogelijkheid van cassatie bij schending van fundamentele beginselen van procesrecht (hoor en wederhoor, gelijke behandeling); rechter is in beginsel niet verplicht een comparitie uit te stellen wegens verblijf van een partij in buitenland.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 637 met annotatie van H.J. Snijders
JOL 2007, 194
RvdW 2007, 307
NJB 2007, 711
JWB 2007/84
JBPr 2007/58 met annotatie van F.J.H. Hovens
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C05/278HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 3 november 2006

Conclusie inzake:

[Eiseres]

tegen

[Verweerster]

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiseres tot cassatie, [eiseres], heeft van verweerster in cassatie, [verweerster], in de periode februari 2003 tot in mei 2003 een kamer gehuurd met medegebruik van keuken, wc en bad.

1.2 Bij inleidende dagvaarding van 20 november 2003 heeft [eiseres] [verweerster] gedagvaard voor de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 350,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening.

1.3 Aan deze vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat [verweerster] haar met de nodige bedreigingen en intimidaties en zonder inachtneming van enige opzegtermijn heeft gedwongen de gehuurde kamer te ontruimen, waardoor zij zowel materiële als immateriële schade heeft geleden tot een beloop van € 350,--.

1.4 [Verweerster] heeft de vordering gemotiveerd betwist en in reconventie gevorderd, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [eiseres] te veroordelen tot betaling aan haar van het bedrag van € 150,--, vermeerderd met de wettelijke rente, zijnde de door [eiseres] verschuldigde maar nog niet betaalde huur over de maand mei 2003.

1.5 Bij (tussen)vonnis van 28 januari 2004 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, te houden op 23 februari 2004. Op verzoek van [verweerster] is de comparitie uitgesteld. Na ontvangst van de verhinderdata van beide partijen, is de zitting nader vastgesteld op 4 maart 2004. Van deze nieuwe datum is de gemachtigden van partijen bij brief van 9 februari 2004 mededeling gedaan(2).

1.6 Daags voor de zitting zijn op de griffie twee telefonische berichten binnengekomen. Het eerste telefoongesprek was afkomstig van iemand die zich presenteerde als een vriendin van [verweerster], die meedeelde dat [verweerster] in het buitenland vertoefde en niet kon verschijnen. Kort daarna heeft de gemachtigde van [eiseres] de griffie telefonisch benaderd met de mededeling dat [eiseres] in het buitenland verbleef en dat daarom uitstel werd verzocht.

Dit verzoek om uitstel is tevens per brief van 3 maart 2004, ingekomen ter griffie op 4 maart 2004, gedaan. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de gemachtigde van [verweerster] laten weten bezwaar te hebben tegen uitstel van de comparitie(3).

1.7 De kantonrechter heeft het uitstelverzoek van de gemachtigde van [eiseres] afgewezen op de grond dat de goede procesorde zich tegen een verder uitstel verzette, en de comparitie op 4 maart 2004 doorgang laten vinden(4). Deze beslissing kon niet worden doorgegeven aan de gemachtigde van [eiseres], omdat de telefoon op zijn kantoor niet werd opgenomen(5).

1.8 [Eiseres] en haar gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. [Verweerster] en haar gemachtigde waren wel aanwezig. [Verweerster] heeft verklaard dat zij niemand had verzocht om de griffie te bellen, dat zij de afgelopen weken voortdurend in Nederland verbleef en werkzaamheden in loondienst verrichte en dat zij behalve haar ouders niemand over de comparitie heeft ingelicht(6). Voorts heeft zij te kennen gegeven haar eis in reconventie in te trekken wanneer de vordering in conventie wordt afgewezen(7).

1.9 Bij vonnis van 10 maart 2004 heeft de kantonrechter de vordering in conventie afgewezen op de grond dat het verweer van [verweerster] daartegen onweersproken is gebleven. Nu deze vordering werd afgewezen, behoefde op de vordering in reconventie niet meer te worden beslist.

1.10 [Eiseres] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, onder aanvoering van twee grieven. Daarin heeft zij aangevoerd dat de kantonrechter het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, waardoor het appelverbod wordt doorbroken. Zij heeft vernietiging van het vonnis gevorderd en alsnog toewijzing van haar vordering.

1.11 [Verweerster] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal bevestigen.

1.12 [Eiseres] heeft vervolgens bij akte een gedeelte van een uitspraak van de Hoge Raad overgelegd(8), waarop [verweerster] bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.13 Bij arrest van 21 juni 2005(9) heeft het hof [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

1.14 [Eiseres] heeft tegen het arrest van het hof tijdig(10) beroep in cassatie ingesteld.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] nog heeft gerepliceerd(11).

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het cassatieberoep bevat vier middelen.

Middel 1 keert zich tegen rechtsoverweging 4.2.1, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat tegen het vonnis van de kantonrechter geen hoger beroep open nu de vorderingen waarover de kantonrechter had te beslissen minder belopen dan € 1.750,-. Dit geval doet zich hier voor. Tegen een zodanig vonnis heeft mogelijk wel cassatie opengestaan, artikel 80 RO. Het beroep op de leer van de doorbreking van het appelverbod kan huurster niet baten omdat deze leer geen toepassing vindt in het zich hier voordoende geval dat de vordering minder beloopt dan (thans) € 1.750,- en cassatieberoep in beginsel openstaat, HR 19 december 1986, NJ 1987/1000 en HR 12 april 1991, NJ 1992/215. Ook op inhoudelijke gronden gaat het beroep niet op."

2.2 Het middel betoogt onder verwijzing naar de beschikking van de Hoge Raad van 18 juni 2004, R03/119HR dat "bij schending van rechtsbeginselen de waarde van de vordering geen rol speelt" zodat [eiseres] ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in haar hoger beroep.

2.3 Volgens art. 332 lid 1 kunnen partijen in dagvaardingsprocedures van een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1750 of, in geval van een vordering van onbepaalde waarde, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 1750, tenzij de wet anders bepaalt. Het kunnen instellen van het rechtsmiddel van hoger beroep is derhalve het uitgangspunt, waarop de wet een uitzondering maakt - voorzover thans van belang(12) - in geval van een gering financieel belang.

2.4 De appelgrens, die voorheen tezamen met de bevoegdheidsgrens van de kantonrechter was opgenomen in de art. 38 en 39 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie(13), is met ingang van 1 januari 2002 in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geplaatst. Vanaf die datum is ook het vroegere, voor de appellabiliteit van belang zijnde, onderscheid tussen vonnissen van de rechtbank en die van de kantonrechter vervallen(14).

2.5 De achtergrond van deze appeluitsluiting was oorspronkelijk gelegen in een drietal overwegingen die uit de beraadslaging over de uiteindelijke Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie van 18 april 1827 kunnen worden gedestilleerd(15).

In de eerste plaats meende men dat de geringe omvang van dit destijds als appelgrens gehanteerde bedrag van ƒ 50,-- niet opweegt tegen de kosten van een appelprocedure. De toenmalige regering had daarbij het oog op de justitiabelen en niet op de publieke lasten, nu de som van ƒ 50,-- onvoldoende werd geacht om de rechtzoekenden te belasten met de kosten van een hoger beroep(16). In recente literatuur wordt daarentegen vooral de nadruk gelegd op de verhouding tussen de waarde van de vordering en het beslag dat wordt gelegd op het gerechtelijk apparaat en de overheidsmiddelen(17).

In de tweede plaats werd als rechtvaardiging voor deze regeling aangedragen dat dikwijls geen verweer gevoerd werd tegen vorderingen die ten hoogste ƒ 50,-- beliepen. In de derde plaats werd nog aangevoerd dat de in het ongelijk gestelde partij (zo die al verweer had gevoerd) niet snel genegen was appel in te stellen tegen het veroordelende vonnis wanneer de vordering niet meer bedroeg dan ƒ 50,--.

Uit de beraadslagingen komt voorts nog naar voren dat de regering de kantonrechter voldoende gewicht toekende om volledige verantwoordelijkheid te dragen voor civiel rechterlijke uitspraken tot een beloop van ƒ 50,--(18).

2.6 Art. 332 Rv. geeft naast de hiervoor behandelde appelgrens een tweede uitsluiting van hoger beroep, te weten uitsluiting daarvan in een wettelijke bepaling. Wat betreft de terminologie komt men in de wet een aantal varianten tegen. Soms wordt alleen hoger beroep uitgesloten, soms ontbreekt een hogere voorziening of elke voorziening, waarmee dan appel en cassatie worden bedoeld.

De bekendste uitsluiting van een hogere voorziening is art. 7:685 lid 11 BW (ontbinding arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen), doch ook het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bevat talloze voorbeelden, zoals de uitsluiting van een hogere voorziening bij de beslissing op het verzet tegen de eiswijziging van art. 134 oud, thans art. 130 Rv.

De reden voor een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan variëren van het voorkomen van vertraging van de (hoofd)procedure en het tegengaan van de mogelijkheid van misbruik(19) tot de overweging dat de aard van de materie en de noodzakelijke eenheid en deskundigheid het beste worden gediend worden door concentratie van de beslissing bij één rechter, waarvan art. 7:685 lid 11 BW een voorbeeld is(20).

2.7 Tegen een op grond van art. 332 Rv. niet-appellabel vonnis is niet iedere hogere voorziening uitgesloten. Beroep in cassatie staat daartegen wel open, in geval van een kantonrechtersvonnis echter op beperkte gronden (art. 80 RO).

2.8 Volgens vaste rechtspraak kan het wettelijk appelverbod worden doorbroken indien de rechter de regeling ten onrechte heeft toegepast dan wel heeft toegepast met verzuim van essentiële vormen, of ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten(21). Van verzuim van essentiële vormen dat het appelverbod opzij kan zetten, is sprake indien een zo fundamenteel rechtsbeginsel is geschonden dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Schending van het beginsel van hoor en wederhoor wordt hiertoe gerekend, schending van het motiveringsbeginsel niet(22).

2.9 Uit twee eerdere uitspraken van de Hoge Raad (HR 19 december 1986, NJ 1987, 1000 m.nt. WLH en HR 12 april 1991, NJ 1992, 215 m.nt. HJS) wordt evenwel afgeleid dat de in de rechtspraak ontwikkelde regel over de doorbreking van het appelverbod niet geldt voor appeluitsluitingen op grond van een gering financieel belang, zoals die van art. 332 lid 1 Rv. voor de dagvaardingsprocedure(23).

2.10 In het eerstgenoemde arrest ging het om de vraag of hoger beroep mogelijk is van een beslissing van de kantonrechter over een processuele voorvraag betreffende een vordering die niet boven de appelgrens uitsteeg. De Hoge Raad oordeelde allereerst dat art. 38 Wet RO (oud) een algemene bevoegdheid inhoudt die mede de bevoegdheid omvat tot het beslissen van processuele voorvragen. Vervolgens overwoog de Hoge Raad:

"De in de aanhef van het artikel uitgedrukte uitsluiting van hoger beroep voor het geval de vordering niet meer beloopt dan ƒ 2500,-- (de wettelijke appelgrens op dat moment, toev. W-vG) kan dan ook niet anders worden begrepen dan als mede betrekking hebbend op beslissingen omtrent zulke vragen en laat daarom geen ruimte voor (...) toepassing van de in de rechtspraak ontwikkelde leer welke is ontwikkeld voor gevallen van uitsluiting van hoger beroep ten aanzien van bijzondere competenties die tot de beslissing van een of meer in de desbetreffende wetsbepaling omlijnde rechtskwesties zijn beperkt."

In zijn noot onder het arrest merkt Haardt op dat de Hoge Raad "de sluipweg" met betrekking tot de uitsluiting van hoger beroep in art. 38 Wet RO voor alle verkeer heeft afgesloten.

2.11 De zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 12 april 1991, NJ 1992, 215 m.nt. HJS had betrekking op art. 66 ABW (oud), een wetsbepaling die hoger beroep (categorisch) uitsloot. Het betoog in hoger beroep dat de verzoeker in strijd met art. 6 EVRM bij schending van een essentiële vorm de mogelijkheid zou worden onthouden alsnog te bewerkstelligen dat hij tegen de verhaalsvordering verweer zou kunnen voeren ging volgens de rechtbank niet op omdat tegen de uitspraak van de kantonrechter beroep in cassatie openstond en daarbij de bezwaren tegen het vonnis konden worden aangevoerd. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep tegen deze beslissing van de rechtbank met de overweging dat de rechtbank het betoog van appellant terecht niet had gehonoreerd.

2.12 Volgens A-G Leijten in zijn conclusie vóór deze beschikking is "algehele uitsluiting van hoger beroep in zaken betreffende de art. 38 en 39 RO en art. 66 ABW niet zo'n verschrikkelijke ramp omdat het daarbij betrokken geldelijk belang niet hoger kan zijn dan ƒ 2500,-- en zal de cassatierechter in een zaak waarin een essentiële vorm is verzuimd - hoor en wederhoor niet is toegepast - ondanks de toepasselijkheid van art. 100 Wet RO (oud, thans art. 80 RO, W-vG) moeten casseren omdat dan meteen ook een schoolvoorbeeld aanwezig is van een niet fair proces in de zin van art. 6 EVRM"(24).

2.13 In dit geval heeft het hof, door onder verwijzing naar de zojuist besproken uitspraken van de Hoge Raad te oordelen dat de leer van de doorbreking van het appelverbod niet van toepassing is op gevallen waarin de vordering niet meer dan € 1.750,- bedraagt en cassatieberoep in beginsel openstaat, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Verwijzing door [eiseres] naar de beschikking van de Hoge Raad van 18 juni 2004, R03/119HR(25)kan haar niet baten nu deze zaak een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst betrof en dus van een andere categorie is.

2.14 Middel 1 faalt mitsdien.

Nu het aldus vergeefs aangevallen oordeel van het hof een zelfstandig dragende grond voor de beslissing betreft, behoeven de overige middelen, die tegen de andere dragende grond zijn gericht, geen bespreking meer.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De kantonrechter heeft geen feiten vastgesteld. Het hof heeft alleen het hierna onder 1.1 genoemde feit vastgesteld: zie het arrest van het hof van 21 juni 2005, rov. 4.1.1, eerste zin.

2 Rov. 2.2 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004, 1ste alinea en rov. 4.1.3 van het arrest van het hof.

3 Rov. 2.2 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004, 2de en 3de alinea en rov. 4.1.4 van het arrest van het hof.

4 Om vier redenen: zie de uitvoerige motivering in rov. 2.3 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004.

5 Rov. 2.2 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004, 6de alinea en rov. 4.1.5 van het arrest van het hof.

6 Rov. 2.2, laatste alinea van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004.

7 Zie het proces-verbaal van de zitting van 4 maart 2004 (abusievelijk gedateerd 2003) alsmede rov. 2.4 van het vonnis van de kantonrechter van 10 maart 2004 en rov. 4.1.2 van het arrest van het hof.

8 De aan de akte gehechte uitspraak van de Hoge Raad bevindt zich uitsluitend in het B-dossier (zie ook rov. 2.3 van het arrest van het hof). Het gaat om de pagina's 3 en 4 van de beschikking van de Hoge Raad in de zaak met rolnummer R03/119HR (HR 18 juni 2004, LJN: AO6932).

9 Hoewel cassatie is ingesteld, is deze uitspraak gepubliceerd in JBPr 2005, 73 en tevens van een noot voorzien.

10 De cassatiedagvaarding is op 19 september 2005 uitgebracht.

11 De conclusie van repliek bevindt zich niet in het B-dossier.

12 Er zijn ook andersoortige wettelijke uitsluitingen, zoals in art. 7:685 BW.

13 Stb. 20. De Pinto vermeldt dat de rechterlijke organisatie, zoals die in de wetten van 1827 en 1835 gestalte heeft gekregen, met de wet van 10 april 1838 in werking is getreden. In de wet van 1827 waren de absolute bevoegdheid van de kantongerechten en de appellabiliteitsgrens opgenomen in de artikelen 40 en 41. Art. 40 luidde dat de kantonrechters kennis nemen "van burgerlijke regtsvorderingen wegens verbale injurien, zonder hooger beroep, wanneer de gevraagde betering geen ƒ 50 te boven gaat.". Daarnaast bepaalde art. 58 onder 2e dat de arrondissementsrechtbanken kennis nemen "van alle persoonlijke zaken, roerende goederen betreffende, tot de waarde van ƒ 600 in hoofdsom."

14 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo/Bart, p. 457.

15 Antwoorden der Regering op de Aanmerkingen der Afdeelingen, 1827, bij het wetsontwerp voor de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, Bijlagen. Vel 113, 449.

16 Zie ook R. Van Boneval Faure, Het Nederlandsche Burgerlijk Procesrecht, deel 1, 3e druk Leiden 1893, p. 388; Snijders/Ynzonides/Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 255 en in min of meer dezelfde bewoordingen Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 36.

17 F.J.H. Hovens, Het civiele hoger beroep, 2005, p. 55.

18 Hiervan getuigen de volgende passages uit de parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt dat voor velen het bedrag van ƒ 50,- nog te hoog was: Bijlagen. Vel 98, 389 en 392, Vel 103, 411, Vel 106, 421 en Vel 111, 441. M.b.t. het in eerste en in hoogste ressort rechtspreken door de rechtbank in zaken met een beloop tot maximaal ƒ600,-- werd overwogen dat de rechtbank uit vijf rechters diende te bestaan.

19 Zoals t.a.v. art. 134 Rv. oud, zie Kamerstukken II, 1951/1952, 1971, nr. 5, p. 3 e.v.

20 Zie A-G Bakels in zijn conclusie vóór HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220 m.nt. JBMV.

21 Sinds de beschikking van de Hoge Raad in 1985 in de zaak Enka/Dupont: HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242 m.nt. WHH en LWH.

22 Zie o.m. HR 29 maart 1985, NJ 1986, 242 m.nt. WHH en LWH; HR 25 maart 1988, NJ 1989, 3 m.nt. WHH; HR 4 maart 1988, NJ 1989, 4 m.nt. WHH; HR 22 maart 1991, NJ 1991, 400; HR 6 maart 1992, NJ 1993, 79.

23 H.J. Snijders in zijn noot onder HR 12 april 1991, NJ 1992, 215; Snijders/Wendels, a.w., nr. 317.

24 Onder 18 en 25.

25 JOL 2004, 332.