Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ0663

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
01185/06 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ0663
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herzieningsaanvrage na EHRM-uitspraak ex art. 457.1.3° Sv. De aanvrage moet ex art. 458.2 Sv zijn ingediend binnen 3 maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM op grond waarvan de aanvrage is gedaan, de veroordeelde bekend is. Aangezien de HR zich onvoldoende ingelicht achtte over het antwoord op de vraag of de aanvrage tijdig is ingediend, zijn aanvrager en zijn raadsman opgeroepen te verschijnen op de openbare terechtzitting van de HR van 6-2-07. Hierop heeft de raadsman de HR bij brief van 30-1-07 laten weten dat ter terechtzitting niet anders zou kunnen worden verklaard dan dat de aanvrage niet tijdig is ingediend en dat de aanvrage wordt ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 373 met annotatie van P.A..M. Mevis
JOL 2007, 128
RvdW 2007, 260
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01185/06 H

Mr. Vellinga

Zitting: 17 oktober 2006

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Aanvrager is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 4 november 1997 wegens (zaak A) 1. A. en B. de voortgezette handeling van medeplegen van zware mishandeling met voorbedachten rade en medeplegen van poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade, (zaak A) 2. medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is, (zaak A) 3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd en (zaak A) 4. en (zaak B) 1. en 2. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren. Bij arrest van 2 maart 1999, NJ 1999, 576 heeft de Hoge Raad het door de aanvrager ingestelde cassatieberoep tegen deze uitspraak verworpen.

2. Namens aanvrager heeft mr. P.C.M. van Schijndel, advocaat te 's-Gravenhage, een aanvrage tot herziening ingediend.

3. De aanvrage is gebaseerd op de uitspraak [aanvrager] tegen Nederland, EHRM 27 april 2004, no. 50210/99, NJ 2004, 651, m.nt. Me, waarin is vastgesteld dat art. 8 EVRM is geschonden in de procedure die tot diens veroordeling heeft geleid. Volgens de toelichting op het verzoek brengt genoemde uitspraak mee, dat de inhoud van een telefoongesprek, dat voor het bewijs gebezigd is, daarvan moet worden uitgesloten.

4. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Het EHRM heeft op 27 april 2004 uitspraak gedaan in de zaak van de aanvrager tegen Nederland. De aanvrage tot herziening is pas op 26 april 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Derhalve rijst de vraag of de aanvrage tijdig is ingediend en zodoende ontvankelijk is.

5. Ingevolge art. 458, tweede lid, Sv moet de aanvrage worden ingediend binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM de aanvrager bekend is.

6. Art. 77, derde lid, van de Rules of Court van het EHRM houdt ten aanzien van het verstrekken en het mededelen van de uitspraak van het EHRM ("delivery and notification of the judgment") onder meer in dat de Griffier gewaarmerkte kopieën van de uitspraak verzendt naar de partijen ("The Registrar shall send certified copies to the parties").

7. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de herziening van vonnissen en arresten op grond van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij Wet van 12 september 2002, Stb. 479(1), houdt ten aanzien van de termijn waarbinnen een dergelijke aanvrage tot herziening moet worden ingediend onder meer het volgende in:

"Een toe te voegen tweede lid bepaalt dat de herzieningsaanvraag ingediend moet worden binnen drie maanden nadat de veroordeelde met de uitspraak van het EHRM op de hoogte raakt. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak geeft in overweging de termijn waarbinnen de aanvraag tot herziening op deze grond kan worden ingediend te laten aanvangen op de dag na de datum waarop het EHRM uitspraak heeft gedaan. Zij meent dat de koppeling aan de wetenschap van de verdachte tot problemen aanleiding kan geven omdat niet altijd eenvoudig zal zijn aan te tonen op welk tijdstip de veroordeelde op de hoogte is gekomen van de uitspraak van het EHRM. Verder vestigt zij de aandacht op de omstandigheid dat de in dit stadium opgetreden vertraging een verdere verslechtering van de mogelijkheden tot waarheidsvinding en andere vaststellingen van feitelijke aard tot gevolg heeft.

Bij de beoordeling van het voorgestelde aanvangstijdstip dient betrokken te worden dat het indienen van een herzieningsverzoek thans in het geheel niet aan termijnen gebonden is. De wet verplicht de veroordeelde er niet toe om, zodra zich een novum zou voordoen, binnen drie maanden een herzieningsverzoek te doen. In HR 18 februari 1997, NJ 1998, 34 houdt ook de Hoge Raad het idee van rechtsverwerking bij herziening buiten de deur. Annotator Knigge geeft daarvoor een belangrijk argument. De herzieningsprocedure fungeert in ons strafproces als veiligheidsklep, waarmee aantoonbaar onjuiste veroordelingen ongedaan kunnen worden gemaakt. Het vastzetten van de veiligheidsklep, zo stelt hij terecht, is in het algemeen niet aan te bevelen. Dat is een belangrijk argument om het indienen van een herzieningsverzoek niet aan te strikte termijnen te binden.

In het voorliggende wetsvoorstel is reeds in zoverre van de geldende systematiek afgeweken, dat de veroordeelde binnen drie maanden nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM hem bekend is, de herzieningsaanvraag moet indienen. Een belangrijke reden daarvoor is dat, anders dan bij nieuwe feitelijke omstandigheden, het moment van ontstaan van de herzieningsgrond in alle gevallen objectief vaststelbaar zal zijn. Een bijkomende reden is dat, anders dan nieuwe feitelijke omstandigheden, een uitspraak van het EHRM waarin wordt vastgesteld dat Nederland het EVRM heeft geschonden, en derhalve ook de herziening naar aanleiding van die uitspraak, een verder strekkend belang heeft voor de Nederlandse rechtspleging. Het past de Nederlandse Staat, ten aanzien van welke is vastgesteld dat zij de mensenrechten van de veroordeelde heeft geschonden, evenwel niet deze nieuwe "veiligheidsklep" nog strakker vast te zetten. Te bedenken valt dat niet elke veroordeelde die in Straatsburg klaagt, een vaste woon- of verblijfplaats behoeft te hebben. Het voert te ver, de veroordeelde die in dat geval na drie maanden klaagt, per definitie niet ontvankelijk te verklaren. De keuze voor een nog strakkere termijn ligt te meer niet voor de hand daar geen reden bestaat tot grote vrees voor misbruik: de veroordeelde heeft er alle belang bij een herzieningsverzoek snel te doen. In gevallen waarin een herzieningsverzoek uitblijft terwijl spoedige herziening om enigerlei reden buitengewoon gewenst is, bestaat tenslotte nog de mogelijkheid dat de procureur-generaal bij de Hoge Raad het herzieningsverzoek indient.

Met het voorgaande is gegeven waarom de nadelen van de gekozen termijnbepaling die de NVvR op zichzelf terecht signaleert, niet tot een ander oordeel hebben geleid. Inderdaad kan het soms niet eenvoudig zijn, aan te tonen op welk tijdstip de veroordeelde op de hoogte is gekomen van de uitspraak van het EHRM. Dat is evenwel het spiegelbeeld van de wenselijkheid dat een veroordeelde wiens mensenrechten zijn geschonden, niet te gauw de mogelijkheid wordt ontnomen tot het indienen van een herzieningsverzoek. Dezelfde formulering komt bovendien, zoals de NVvR terecht vaststelt, ook bij gewone rechtsmiddelen voor. En de verhouding tot die gewone rechtsmiddelen tenslotte maakt het niet voor de hand liggend aan de ontvankelijkheid van dit buitengewone rechtsmiddel strengere eisen te stellen. Dat de mogelijkheden tot waarheidsvinding door tijdsverloop in deze fase verder kunnen verslechteren is eveneens waar, en vormt een bijkomende reden voor de voorgestelde beperking van de termijn waarbinnen op deze grond herziening kan worden verzocht. Op een moment waarop vele jaren verstreken kunnen zijn met het opsporen en vervolgen van de strafzaak in Nederland, en daarna nog eens jaren verstreken kunnen zijn bij het EHRM, kan die omstandigheid evenwel geen toereikende grond vormen voor een zo absolute termijnbepaling, die geen rekening houdt met de wetenschap van de veroordeelde.

Aangestipt zij tenslotte nog, dat de termijn van drie maanden na het bekend worden met de uitspraak van het EHRM uitsluitend betekenis heeft in de context van de herzieningsprocedure. Het verstrijken van de herzieningstermijn betekent bijvoorbeeld niet, dat een eventuele verplichting tot het verstrekken van een billijke genoegdoening komt te vervallen." (Kamerstukken II 2000-2001, 27 726, nr. 3, blz. 6-8)

8. De Nota naar aanleiding van het verslag bij bedoeld wetsvoorstel houdt dienaangaande onder meer het volgende in:

"De leden van de PvdA-fractie hadden vervolgens een vraag over de termijn waarbinnen het herzieningsverzoek moet worden ingediend. Zij wilden weten of het niet de verantwoordelijkheid van de klager zelf is om op redelijke termijn een verzoek in te dienen, en welk belang hij erbij kan hebben om dit lang te laten liggen. Voorts informeerden zij op welke wijze onomstotelijk is vast te stellen dat de termijn is ingegaan. In dat verband vroegen de aan het woord zijnde leden of een uitspraak van het EHRM aan de klager wordt betekend. Zij signaleerden dat het indienen van een herzieningsverzoek in de huidige regeling in het geheel niet aan een termijn is gebonden, en wilden weten wat de voorgestelde regeling zo anders maakt dan de huidige dat er een termijn van drie maanden moet worden geïntroduceerd. Ook de leden van de VVD-fractie informeerden welke belangen zich ertegen verzetten de geldende systematiek ook te hanteren als het gaat om herzieningsverzoeken na EHRM-uitspraken. De leden van de fractie van D66 vroegen of de termijn van drie maanden ook geldt voor een vordering van de procureur-generaal. Daarna informeerden ook deze leden of de regering nader kan aangeven waarom zij kiest voor het toepassen van een termijn, daar zij niet geheel overtuigd waren door de daarvoor aangevoerde argumenten.

Inderdaad kan, met de leden van de PvdA-fractie, worden vastgesteld dat het de verantwoordelijkheid van de klager is om op redelijke termijn een verzoek in te dienen. Het in het voorgaande gememoreerde voorbeeld waarin de klager die in Straatsburg in het gelijk is gesteld pogingen doet om de waarheidsvinding na de herzieningsaanvraag te frustreren alvorens hij herziening aanvraagt, illustreert evenwel dat er redenen zijn om aan het niet nemen van deze verantwoordelijkheid na een betrekkelijk ruime periode gevolgen te verbinden. De vaststelling dat de termijn van drie maanden is gaan lopen, doordat de uitspraak van het EHRM de veroordeelde bekend is, kan in beginsel op tal van manieren worden gedaan. In het meest sprekende geval, het geval waarin de veroordeelde nog van zijn vrijheid beroofd is, zal in gevallen waarin de wens rijst daaromtrent duidelijkheid te verkrijgen, zulks op betrekkelijk eenvoudige wijze door een ambtenaar van politie of justitie kunnen worden vastgesteld. Betekening van de uitspraak van het EHRM is niet voorgeschreven nu het in dat geval niet om een (Nederlandse) gerechtelijke mededeling gaat ten aanzien waarvan zulks in de wet is bepaald (artikel 585 Sv). De Staat, de klager en diens raadsman krijgen echter wel bericht over de uitspraak, die in het openbaar wordt gedaan. Een verschil met de herzieningsgrond van de nieuwe feitelijke omstandigheden is vooral dat het moment van ontstaan van de onderhavige herzieningsgrond in alle gevallen objectief vaststelbaar zal zijn. Ik vestig er nog de aandacht op dat ook Frankrijk uitsluitend bij deze herzieningsgrond een termijnbepaling kent.

Met het voorgaande is al enigszins aangegeven welke belangen zich ertegen verzetten, de geldende systematiek ook bij deze herzieningsgrond onverkort te hanteren. Daaraan kan nog worden toegevoegd, dat er een verband bestaat met de rol van de procureur-generaal in deze. Indien de voorgestelde termijnbepaling zou vervallen, zou de verantwoordelijkheid van de procureur-generaal inzake het indienen van een herzieningsverzoek op de voorgestelde herzieningsgrond zwaarder worden. Een herzieningsaanvrage door de procureur-generaal zou in dat geval al gauw in de rede liggen als een - veel - latere herzieningsaanvrage door de veroordeelde waarschijnlijk en uit oogpunt van waarheidsvinding onwenselijk lijkt. De in het wetsvoorstel opgenomen constructie maakt het mogelijk dat de procureur-generaal de primaire verantwoordelijkheid bij de veroordeelde laat. De mogelijkheden van de veroordeelde om herziening tijdig in te stellen worden door de opgenomen termijn voorts nauwelijks verkort. De termijn welke in het voorgestelde artikel 458, tweede lid, Sv is opgenomen geldt zowel voor de veroordeelde als voor de procureur-generaal; het tijdstip waarop de uitspraak de veroordeelde bekend is, is voor beide bepalend. Ook op dit punt is de systematiek van het Wetboek van Strafvordering gevolgd. De termijn gedurende welke het Openbaar Ministerie de gewone rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie kan aanwenden is blijkens de artikelen 408 en 432 Sv gelijk aan die van de verdachte. En ook bij deze rechtsmiddelen geldt, dat de lengte van deze termijn van het op de hoogte raken door de verdachte met een specifieke omstandigheid afhankelijk kan zijn (vgl. het gestelde in het eerste lid, onder c, van beide artikelen)." Kamerstukken II 2001-2002, 27 726, nr. 5, blz. 10-11)

9. Uit ambtshalve verkregen inlichtingen bij het EHRM is mij het volgende gebleken. Op 8 april 2004 is de aanzegging, onder meer inhoudende dat het EHRM op 27 april 2004 schriftelijk uitspraak zal doen in de zaak van de aanvrager tegen Nederland, door de Griffier van het EHRM als gewone brief verzonden naar de raadsman van de aanvrager, mr. P.C.M. van Schijndel(2). Op 27 april 2004 is een gewaarmerkte kopie van deze uitspraak door de Griffier van het EHRM als gewone brief verzonden naar mr. P.C.M. van Schijndel. Op 27 april 2004 is deze uitspraak door het EHRM tevens op internet geplaatst.(3) Op 9 augustus 2004 is een schrijven van de Griffier van het EHRM, onder meer inhoudende dat de uitspraak op 27 juli 2004 onherroepelijk is geworden(4), als gewone brief verzonden naar mr. P.C.M. van Schijndel.

10. In aanmerking genomen dat uit deze gang van zaken niet blijkt dat de uitspraak ter kennis van de aanvrager is gebracht ligt daarin mede gelet op de hiervoor onder 7 en 8 weergegeven wetsgeschiedenis niet besloten dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak van het EHRM de aanvrager bekend is als bedoeld in art. 458, tweede lid, Sv.(5) Ook overigens is mij uit ambtshalve verricht onderzoek niet gebleken van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat de veroordeelde van de uitspraak op de hoogte is geraakt op een tijdstip dat is gelegen meer dan drie maanden vóór indiening van de aanvrage tot herziening.

11. Tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet kan de aanvrage worden geacht tijdig te zijn gedaan en is de aanvrage derhalve ontvankelijk.

12. De aanvrage heeft uitsluitend betrekking op hetgeen door het Hof in zaak A onder 1 en 2 ten laste van de aanvrager is bewezenverklaard.

13. Ten laste van de aanvrager is in zaak A onder 1 bewezenverklaard dat:

"hij op 3 oktober 1995 te Zandvoort te zamen en in vereniging met anderen of een ander, aan een persoon, te weten [slachtoffer 1], opzettelijk met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, ernstige verwondingen aan het linkerbeen ten gevolge waarvan dit been ter hoogte van de knie moest worden geamputeerd, heeft toegebracht, doordat één of meer van zijn mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg onder een personenauto waarin die [slachtoffer 1] zich bevond (een rode Seat Ibiza, in gebruik bij diens moeder [slachtoffer 2]) een hoeveelheid explosief materiaal en een ontstekingsmechanisme heeft/hebben aangebracht en dat materiaal en dat mechanisme zodanig heeft/hebben aangebracht en afgesteld dat een ontploffing zich onder die auto heeft voorgedaan op het moment dat die auto in beweging kwam;

en

hij op 3 oktober 1995 te Zandvoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om te zamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk en met voorbedachten rade aan een persoon, te weten [slachtoffer 2], zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, één of meer van zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg onder een personenauto (een rode Seat Ibiza, in gebruik bij genoemde [slachtoffer 2]) een hoeveelheid explosief materiaal en een ontstekingsmechanisme heeft/hebben aangebracht en dat materiaal en dat mechanisme zodanig heeft/hebben aangebracht en afgesteld dat een ontploffing zich onder die auto heeft voorgedaan op het moment dat die auto in beweging kwam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

14. Ten laste van de aanvrager is in zaak A onder 2 bewezenverklaard dat:

"hij op 3 oktober 1995 te Zandvoort te zamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht doordat één of meer van zijn mededader(s) onder een personenauto (een rode Seat Ibiza, in gebruik bij [slachtoffer 2]) een hoeveelheid explosief materiaal heeft/hebben aangebracht en dat materiaal en dat ontstekingsmechanisme zodanig heeft/hebben aangebracht en afgesteld dat een ontploffing zich onder die auto heeft voorgedaan op het moment dat de auto in beweging kwam, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in de nabijheid van die auto geparkeerde overige auto's en de in de nabijheid van die auto staande woningen en levensgevaar voor de inzittenden van de auto, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en overige in de nabijheid van die auto aanwezige personen te duchten was."

15. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen(6):

1. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 1], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen van de verbalisant:

"Op 3 oktober 1995 te 9.13 uur kwam op het bureau van politie te Zandvoort het verzoek binnen van de regionale meldkamer van de politie Kennemerland te gaan naar het De Favaugeplein te Zandvoort waar een auto ontploft zou zijn waarbij mensen gewond zouden zijn geraakt.

Ter plaatse gekomen bleek mij dat er zich kennelijk een ontploffing had voorgedaan in/nabij een roodkleurige personenauto van het merk Seat met kenteken [AA-00-BB]. Deze auto stond geparkeerd op een parkeerstrook gelegen tussen de flatwoningen en de rijbaan van voornoemd plein. Naast deze auto, aan de passagierszijde, lag op de grond een kennelijk zwaargewonde jongen. Door twee personen werd eerste hulp verleend. Het slachtoffer had een ernstige verwonding aan zijn linkerbeen. Ter hoogte van het bovenbeen werd een "knevel" gebruikt teneinde een ernstige bloeding te stelpen.

In de direkte omgeving van het slachtoffer bevond zich nog een slachtoffer, de mij bekende [slachtoffer 2] uit [plaats A]. [Slachtoffer 2] vertelde mij dat zij tijdens het starten van haar auto een ontploffing had gehoord waarna zij zelf gewond was geraakt evenals haar zoon [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 2] had bloed in haar gezicht en klaagde over ernstige pijn in haar oren. De beide slachtoffers zijn overgebracht naar het Academisch Ziekenhuis in Leiden, waar zij voor behandeling zijn opgenomen."

2. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

"Ik ben werkzaam bij de brandweer Zandvoort en ben aldaar commandant. Op 3 oktober 1995 bevond ik mij in de brandweerkazerne te Zandvoort. Omstreeks 9.10 uur kwam er een melding binnen dat er een auto was geëxplodeerd op het De Favaugeplein te Zandvoort, waarbij twee mensen gewond waren geraakt. Toen ik ter plaatse kwam zag ik naast een rode Seat Ibiza een jongen liggen, die een bebloed been had. Bij de auto liep een vrouw die op mij nogal verward overkwam. Bij onderzoek in de rode Seat zag ik dat de voorruit van de auto er uit lag. Tevens zag ik dat er in de bodemplaat bij de passagiersstoel een gat zat. Hieruit kon ik concluderen dat het hier om een bomexplosie ging. Er was zeer zeker gemeen gevaar voor goederen en gevaar voor personen aanwezig, gezien de kracht die de explosie heeft gehad. Ik begreep dat er ten tijde van de explosie enkele bewoners in de buurt waren van de Seat Ibiza. Tevens is door de explosie schade ontstaan aan de geparkeerde auto naast de Seat Ibiza en zijn er diverse ruiten van de flat, waarvoor de Seat geparkeerd stond, gesneuveld door de ontstane luchtdruk."

3. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van A.B. van Vugt:

"Ik ben als chirurg verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Leiden. Op 3 oktober 1995 heb ik als zodanig opgetreden bij de verwondingen van [slachtoffer 1] en zijn moeder [slachtoffer 2]. Beiden werden in ons ziekenhuis binnengebracht als slachtoffers van een bomaanslag.

De medische situatie van [slachtoffer 1] luidt als volgt:

Ernstige verwondingen aan de achterzijde van het linker bovenbeen, kniekuil en onderbeen links. Ernstig bloedverlies, beschadiging vitale weefsels zoals bloedvaten en zenuwen. Verder oppervlakkige wonden aan het rechter onderbeen. Mogelijk kleine beschadiging aan het trommelvlies van het rechteroor. Er is sprake van blijvende invaliditeit in verband met amputatie van het linkerbeen op het niveau van de knie. Bij aankomst in het ziekenhuis was de situatie voor [slachtoffer 1] levensbedreigend. Dankzij snelle, professionele en lekenhulp ter plaatse en later is het slachtoffer niet doodgebloed.

De medische situatie van [slachtoffer 2] was niet levensbedreigend. Ze had vele oppervlakkige kleine wondjes. Beide trommelvliezen zijn mogelijk beschadigd door de enorme drukgolf ten gevolge van de explosie."

4. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2], [verbalisant 3] en [verbalisant 4], voorzover inhoudende als bevindingen en verrichtingen van de verbalisanten:

"Op 3 oktober 1995 kregen wij verbalisanten opdracht te gaan naar de lokatie De Favaugeplein te Zandvoort waar een autobom zou zijn ontploft. Bij onze aankomst was men druk bezig met de hulpverlening aan een slachtoffer, een man van ongeveer 20 jaar die aan de rechterzijde van een rode Seat lag en hevig bloedde. In een ambulance werd een vrouwelijk slachtoffer behandeld.

Het voertuig waarin beide slachtoffers gezeten hadden, vertoonde inwendig schade, overeenkomende met de werking van een explosief. Verder was de voorruit naar buiten geslagen en lag op de motorkap; de voorbumper was in twee delen uiteengeslagen en lag voor het voertuig. Het voertuig stond ter hoogte van [a-straat 1]. Wij zagen dat, kennelijk tengevolge van de terugslag van de door de explosie veroorzaakte drukgolf, de ruiten van de toegangsdeur van het flatportaal naar buiten waren gevlogen en in scherven over de tegels van het toegangspad lagen. Van de omliggende flatwoningen was een groot aantal ruiten vernield en een tweetal draairamen hing half uit de sponningen.

De plaats delict is in sectoren verdeeld, aangeduid met de letters A t/m L. Alle daarvoor in aanmerking komende voorwerpen en stoffen zijn door ons per sector verzameld en verpakt. Aan het rechter achterwiel van de auto bleek een nylon koordje te zijn bevestigd door middel van een verbogen ijzerdraadje, mogelijk een verbogen paperclip. De draad was langs de binnenzijde van het achterwiel aangebracht en derhalve nauwelijks zichtbaar.

Aan het bureau van politie te Zandvoort is een nader onderzoek ingesteld aan het motorrijtuig merk Seat met het kenteken [AA-00-BB]. Het gat in de bodemplaat had een afmeting van ongeveer 20 bij 30 cm. Onder de rechter voorstoel was een brandblusser gemonteerd geweest. De vervormde drukhouder geeft te zien dat de brandblusser de direkte schade voornamelijk tot de voorzijde van de zitting heeft beperkt.

Alle daarvoor geschikte vlakken aan de onder- en binnenzijde van het motorrijtuig zijn bemonsterd (monsters P-104). De stoelzitting en de daarbij behorende rugleuning zijn gemerkt als P-101 en P-103. De uit de sponning geblazen voorruit is gemerkt als spoor P-102. Ook het aan het rechter-achterwiel aangetroffen touwtje met metalen clip is als spoor P-105 veiliggesteld.

CONCLUSIE:

Uit het onderzoek is onder meer het navolgende gebleken.

Het betrokken motorrijtuig, merk Seat met het kenteken [AA-00-BB], is in de nacht van 2 op 3 oktober 1995 geplaatst voor de flatwoning [a-straat 1] te [plaats A]. Tussen dit moment en 9.13 uur op 3 oktober 1995 is een explosief onder dit voertuig aangebracht. De bevestiging heeft meer dan vermoedelijk door middel van luidsprekermagneten plaatsgevonden. De bom is onder de voorzijde van de zitting van de rechterstoel aangebracht geweest. Door de werking van deze bom is een deel van de bodembeplating van ongeveer 12 x 15 cm volledig verdampt. Resten van de bodemplaat en de bekleding van de bodemplaat zijn het interieur van het voertuig ingeslingerd. De onder de motorkap aangebrachte ventilator-unit bleek te zijn ontploft. Ook de koplampen en voorbumper van het voertuig werden gelanceerd. De voorruit klapte naar buiten en werd op de motorkap aangetroffen.

Door mij, [verbalisant 3], zijn alle genoemde sporen op 4 oktober 1995 bij het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk afgeleverd teneinde aldaar nader te worden onderzocht."

5. een rapport van het Gerechtelijke Laboratorium van het ministerie van justitie, opgemaakt door de deskundige J.W. Karelse, voorzover inhoudende als bevindingen van de deskundige:

"Op 4 oktober 1995 ontving het Gerechtelijk Laboratorium van de technische recherche Kennemerland, via [verbalisant 3], onder meer:

P.101 de zitting van de passagiersstoel;

P.102 de voorruit van de auto;

P.103 het frame en de rugleuning van de passagiersstoel;

P.104 diverse monsters uit de auto gekentekend [AA-00-BB];

P.105 een touwtje en een metalen draadje uit het rechter achterwiel;

A t/m K. sporen veiliggesteld uit de vakken A t/m K;

0.101 t/m 103 sporen veiliggesteld in/rond het detonatiepunt;

en van het slachtoffer [slachtoffer 1]:

SL A 101. restanten uit het been;

SL A 102 en 103kleding.

In de onderzoeksaanvrage werd verzocht een onderzoek te verrichten naar de aard en samenstelling van het gebruikte explosief.

De personenauto van het merk Seat, type Ibiza, gekentekend [AA-00-BB] werd onderzocht.

Voor een nader sporenonderzoek naar restanten van het gebruikte explosief werden de binnenzijde en buitenzijde van de auto en het reeds door de technische recherche veiliggestelde materiaal nader onderzocht.

Voor een nader onderzoek naar springstofcomponenten werd een selectie van de monsters onderzocht door het Forensic Explosives Laboratory van het Defence Research Agency te Sevenoaks (Groot Brittannië), onder direct toezicht van J.W. Karelse. Na onderzoek van de bemonstering van de linkerbroekspijp van het slachtoffer [slachtoffer 1] werden hierin de springstofcomponenten glyceroltrinitraat (nitroglycerine) en 2,4-dinitrotolueen (2,4 DNT) aangetoond.

CONCLUSIE:

Onder de personenauto merk Seat, type Ibiza, gekentekend [AA-00-BB] is direct voor de rechter voorstoel springstof tot detonatie gekomen. Deze springstof bevond zich tijdens de detonatie tegen de bodemplaat van de auto. Het schadebeeld past bij een detonatie van circa 200 gram springstof. De totale explosieve constructie was opgebouwd uit springstof op basis van glyceroltrinitraat (nitroglycerine) en 2,4-dinitrotolueen (2,4-DNT), hoogst waarschijnlijk een zwarte kunststof container, (tenminste) één 9 Volt batterij van het merk Duracell en twee magneten afkomstig uit luidsprekers. Ontsteking van het voor springstof benodigde slagpijpje vond hoogst waarschijnlijk plaats via een touwtje, met een ijzerdraadje aan het rechter achterwiel vastgezet, dat tijdens het wegrijden een electrisch ontstekingscircuit sloot."

6. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

"Op 3 oktober 1995 is de auto waarin ik zat ontploft. Mijn moeder en ik stapten in de auto. Toen mijn moeder de contactsleutel omdraaide hoorde ik een doffe enorme knal en alle ruiten zetten uit naar buiten en daarna naar binnen. Ik zag dat er zwarte rook uit het midden van de auto, voor de handrem kwam. Ik zag direct dat het helemaal mis was met mijn linkerbeen. Tengevolge van de bomexplosie ben ik zo ernstig gewond geraakt dat mijn linkerbeen tot op de knie geamputeerd is. U vraagt mij wie ik hiervoor verantwoordelijk acht. [Aanvrager] uit [plaats B] bedreigt ons."

7. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

"Op 3 oktober 1995 omstreeks 9.15 uur werd een bom onder mijn auto tot ontploffing gebracht. Mijn auto is van het merk Seat, kleur rood en voorzien van het kenteken [AA-00-BB]. Ik had mijn auto geparkeerd op het De Favaugeplein te Zandvoort. Tengevolge van de bomexplosie raakte [slachtoffer 1] ernstig gewond. Ik zelf raakte ten gevolge van de bomexplosie licht gewond. Ik heb diverse kleine wondjes op mijn rechterhand. Ik heb een gat in het trommelvlies van mijn linkeroor. Ik heb zware hoofdpijnen en een lam gevoel in mijn rechterarm. Ter hoogte van mijn rechterschouder heb ik pijn. Verder heb ik diverse wondjes over mijn hele lichaam ten gevolge van rondvliegend glas. Door de bomexplosie is de mij in eigendom toebehorende personenauto totaal vernield en zijn er diverse ruiten vernield in de omgeving, waaronder een ruit van mijn woning. Ik doe van al deze feiten aangifte."

8. een proces-verbaal van de Rechter-Commissaris, voorzover inhoudende als verklaring [slachtoffer 2]:

"Sinds 1983 heb ik een relatie met [aanvrager] gehad. In 1988 zijn wij met [slachtoffer 1] in [plaats C] gaan wonen. In 1989 besloten we een eind aan onze relatie te maken. In 1990 heeft [aanvrager] korte tijd in de Bijlmer vastgezeten en in april 1990 heeft hij mij opzettelijk in Zandvoort in mijn bovenbeen geschoten. Ik heb daarvan aangifte gedaan en [aanvrager] is daarvoor veroordeeld. In 1991 is de relatie tussen [aanvrager] en mij weer hersteld. In 1992 kwam [aanvrager] weer vast te zitten. Vanaf 1993 werd [aanvrager] tegenover mij kwaadaardig en bedreigend. Hij controleerde mijn doen en laten. Vanaf die tijd kreeg ik veel telefoontjes van hem waarin hij mij bedreigde. Ik kreeg die telefoontjes in [plaats C]. In 1995 bevatten die telefoontjes opmerkingen van [aanvrager] als "ik schiet je dood", "je kunt je weesgegroetjes zeggen" en "de geschiedenis van de Bijlmer herhaalt zich". Toen hij in 1990 in de Bijlmer vast zat, eiste hij allerlei dingen van mij en toen ik daar niet aan voldeed heeft hij mij daarna in mijn been geschoten. Vanaf mei 1995 heb ik [aanvrager] niet meer bezocht. Vanaf die tijd tot ongeveer een maand voor de bomaanslag ben ik door [aanvrager] bestookt met bedreigende telefoontjes en telegrammen. Die heb ik ontvangen in [plaatsA] aan het [a-straat 1-I]. Na eind mei 1995 heb ik de telefoon niet meer opgenomen en is [aanvrager] familie, kennissen en buren gaan opbellen over mij.

Op 3 oktober 1995 omstreeks 9.15 uur ben ik in mijn auto gestapt die voor mijn flat in [plaats A] stond op [de a-straat]. Naast mij zat [slachtoffer 1]. Toen ik de auto startte, hoorde ik een enorme knal en merkte ik dat een bom ontplofte onder mijn auto. Ik ben bloedend uit de auto gekomen en heb [slachtoffer 1] uit de auto gesleept. Later is gebleken dat [slachtoffer 1] zijn linkeronderbeen door de bomaanslag moet missen. Na de bomaanslag heb ik nooit meer iets van [aanvrager] of zijn familie vernomen."

9. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 5], voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten:

"In de periode van 3 oktober 1995 tot medio december 1995 hebben wij, verbalisanten, regelmatig gesproken met het slachtoffer [slachtoffer 2].

In 1990 besloten [slachtoffer 2] en [aanvrager] dat ze uit elkaar zouden gaan. Toen [aanvrager] inmiddels weer gedetineerd was, heeft [slachtoffer 2] hem op zijn aandringen in de gevangenis bezocht. Tijdens dit bezoek dreigde [aanvrager] haar knieschijven kapot te schieten als zij niet bij hem terug zou komen. [Slachtoffer 2] bleef bij haar besluit geen relatie meer met [aanvrager] te willen aangaan. [Aanvrager] bleef haar echter lastig vallen met telefoontjes en brieven. Op 1 april 1990 schoot [aanvrager] haar door haar bovenbeen. Als reden hiervoor gaf hij toen op dat [slachtoffer 2] hem en zijn familie had beledigd. [Slachtoffer 2] besloot uiteindelijk weer bij hem in te trekken.

In mei 1995 - [aanvrager] was inmiddels weer geruime tijd gedetineerd in "De Marwei" - besloot [slachtoffer 2] - zo vertelde ze - opnieuw de relatie met [aanvrager] te verbreken en liet dat ook aan [aanvrager] weten. Hij wilde echter ten koste van alles de relatie behouden/herstellen. Vervolgens zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] eind mei 1995 gaan wonen op het adres [a-straat 1-I] te [plaats A]. Vanaf dat moment waren de telefoontjes van [aanvrager] aan [slachtoffer 2] bedreigend. Ze vertelde dat hij haar meerdere malen met de dood had bedreigd. Ze vertelde een aantal telefoongesprekken op cassettebandjes te hebben opgenomen. [Slachtoffer 2] overhandigde aan ons verbalisanten een van deze cassettebandjes. Ook kreeg [slachtoffer 2] van [aanvrager] meerdere telegrammen toegestuurd."

10. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 5], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisanten:

"Op 5 oktober 1995 spraken wij verbalisanten met [slachtoffer 2]. Tijdens dat gesprek overhandigde zij ons een tweetal cassettebandjes met daarop telefoongesprekken tussen haar en [aanvrager]. Deze gesprekken waren opgenomen in de periode vanaf mei 1995. Op 6 oktober 1995 heb ik, verbalisant [verbalisant 1], een van de cassettebandjes beluisterd. De inbeller is een man met Surinaams accent ("M"), hoorbaar is dat de andere persoon [slachtoffer 2] ("S") is. Uit het gesprek blijkt dat "M" gevangen zit.

M: Luister eens, jij speelt met vuur. Jij speelt echt met vuur.

S: Wat is spelen met vuur voor jou?

M: Voor mij? (wordt boos) Wil je het duidelijk horen? Ik maak je af!!!

M: Ja, jij speelt echt met vuur-explosies. 'T is menens.. echt waar, het is menens.

M: Jij hebt uitspraken gedaan... Dat pik ik niet van jou. Dat pik ik van niemand. Dus laat dat even duidelijk zijn. Ik pik gewoon van jou niks. Dan speel je echt gevaarlijk. Maar heb je een grote mond, dan krijg je problemen met me."

11. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 1], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisanten:

"Op 9 oktober 1995 heb ik, [verbalisant 5], een cassettebandje dat in de woning van [slachtoffer 2] werd veiliggesteld, uitgeluisterd. Met "M" wordt de inbellende man bedoeld, [aanvrager]. Met "S" wordt bedoeld [slachtoffer 2].

"M" zegt op een geven moment: "Jouw tijd is om" waarop "S" vraagt wat hij hiermee bedoelt en of soms haar leven over is.

"M" zegt hierop: "Jouw tijd is over, je begrijpt best wat ik bedoel"."

12. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisanten:

"Door ons, verbalisanten, is een geluidscassette uitgeluisterd, die ons door [slachtoffer 2] ter beschikking is gesteld. Op deze cassette staan gesprekken gevoerd tussen [slachtoffer 2] en [aanvrager] (D) in de periode eind mei 1995, in welke periode [slachtoffer 2] bezig was te vertrekken uit de woning in [plaats C] naar de woning in [plaats A].

D: Weet jij wat ik doe? Weet je wat ik je zal doen? Jij doet alles maar jij weet, ik neem wraak. Ik neem wraak en jij... Nee, jouw dagen zijn geteld, dat meen ik, als man van mijn woord, ik schiet je dood! Dat meen ik.

D: En je gaat daar niet overnachten, want over mijn lijk, ik ben onwrikbaar, want mijn principe... ik ga dood voor mijn principes."

13. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 7], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisant:

"Op 7 februari 1996 heb ik verbalisant een van de cassettebandjes beluisterd dat uit handen van [slachtoffer 2] is ontvangen.

[Slachtoffer 2] wordt gebeld door [aanvrager] (D).

D: Zolang jij met mij te maken hebt, leef jij als je zo doorgaat in een kruitvat, op een kruitvat. Leef jij met een wandelende bom.

D: Dus ik heb het wel eens meer gedaan, maar ik doe 't. Deze keer nadrukkelijker."

14. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 9], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisanten:

"Door ons, verbalisanten, is een bandje, afkomstig van het antwoordapparaat van [slachtoffer 2], uitgeluisterd. Uit de gesprekken is ons gebleken dat dit bandje is opgenomen in de periode van mei/juni 1995. Met D wordt [aanvrager] bedoeld en met L wordt [slachtoffer 2] bedoeld.

D: Ik heb een verrassing voor je in petto. Die verrassing is, en dan ga je hele gekke dinges nadenken, die verrassing is iets waar jij, waar jij gewoon heel lang gaat nadenken van: potverdikkeme, wat spijtig dat ik dit gedaan heb. Wat je gisteren gedaan hebt. Dan kom jij op terug, dat weet ik. Jij speelt onder een hoedje met [slachtoffer 1] en met je moeder.

D: Als jij in grote problemen komt, moet jij mij niet ervoor aanspreken. Ik heb je vantevoren gewaarschuwd. Jij zal binnenkort merken dat ik niet interessant heb gedaan. Alle uitspraken die ik heb gedaan, heb ik waargemaakt. Dat zal jij merken.

D: Wat in mijn kop gegrift staat gebeurt. Dat is geen bluf en dat weet je.

L: Ik neem dat ook zeer serieus.

D: En niet alleen zeer serieus, het gebeurt. Vroeg of laat gebeurt het.

D: Ik zal je wat vertellen, mevrouw: de weg van deze meneer is niet alleen ondoorgrondelijk, maar mijn arm, mijn arm reikt ver. Meer dan jij denkt. Alleen, alleen ik ben degene die op de rooie knop drukt, en tot nu toe heb ik niet op de rooie knop gedrukt. Ik bepaal, ik zit bij de rooie knop. Als ik eenmaal druk, ja, dan eh, kan je zeg maar je weesgegroetje gaan bidden. Dat meen ik. .. en ik hou je in de gaten. Ik bedoel: ik zal je in de gaten laten houden. En niet alleen voor vier uur 's nachts of vijf uur. Er zijn mensen bereid, als ze wijzer van me worden, om vier uur 's nachts voor de deur te staan, om te posten hoe laat jij het huis verlaat.

D: Gisterenavond heb ik je gezegd, je moet daar niet slapen, breng die spullen weer terug. Dat heb je niet gedaan. Ondertussen was jij dozen aan het inpakken, dat is met verrekijker waargenomen.

D: .. want ik had je verteld, ik zeg: over mijn lijk naar [plaats A]. Je hebt dat niet gedaan. Je bent rustig alles doorgegaan. Toen zei ik: nee, over mijn lijk. Als ik zeg over mijn lijk, dan moet je dat serieus nemen. Okee? Je hebt iets verkeerd gedaan. Maar jij zal de zware pijp roken."

15. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]:

"Ik ben bewoonster van [a-straat 1] huis te [plaats A]. Ik weet dat [slachtoffer 2] al geruime tijd problemen heeft met een ex-vriend. Deze heeft haar een jaar of zeven geleden al eens in haar been geschoten. Deze ex-vriend belde vaak naar mijn huis en vroeg dan of ik [slachtoffer 2], [slachtoffer 2], even aan de telefoon wilde roepen omdat zij de telefoon niet opnam. Hij belde heel vaak. Op een gegeven moment heeft de buurman een brief geschreven, daarna belde hij niet meer."

16. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

"Ik ben bewoonster van [a-straat 2] huis te [plaats A]. [slachtoffer 2] kwam op een nacht in mei 1995 met haar zoon [slachtoffer 1] naar de flatwoning en trok daar in. Ik hoorde van [slachtoffer 2] allerlei verhalen over [aanvrager] (het hof leest: [aanvrager]), dat zij het zo slecht met hem had gehad toen zij samenwoonden in [plaats C]. Zij vertelde mij onder meer dat zij nog steeds lastig gevallen werd door [aanvrager]. Vanaf mei had zij alleen maar dreigbrieven, telegrammen en vervelende telefoontjes van hem gehad. Ik herinner mij dat ongeveer 2 à 3 maanden geleden een Jaguar bij mij voor de deur stond. In de auto zaten toen de vader, moeder en een broer en een zus van [aanvrager]. In die periode was [aanvrager] al bezig geweest met het plegen van telefoontjes naar mij en andere buurtbewoners. Ik heb [aanvrager] toen drie keer aan de lijn gehad. De tweede keer heb ik hem ongeveer een uur aan de lijn gehad. [Aanvrager] legde in het gesprek uit hoe zijn cultuur, zijnde Surinaams-Hindoestaans, in elkaar zat en dat hij een man van eer was. In dit geval was hij tegenover de buitenwereld en tegenover zijn familie in zijn eer aangetast. Dit kon hij op twee manieren oplossen: door of zichzelf van het leven te beroven of wraak te nemen. Aan het eind van dit gesprek heb ik [aanvrager] duidelijk gemaakt dat hij moest stoppen met deze telefoontjes naar mij en de buren."

17. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

"Ik ben bewoner van de flatwoning [a-straat 3-I] te [plaats A]. In mei of juni 1995 is in de woning naast mij een vrouw met haar zoon komen wonen. Kort nadat de vrouw hier was komen wonen, kreeg ik een raar telefoontje. Er belde een man met een buitenlands - Indiaas of Indonesisch - accent, die keurig sprak en zeer beleefd was. De man vroeg of ik wel wist wie er naast mij was komen wonen. Hij vertelde dat de vrouw een schuld van veertigduizend gulden bij hem had. Hij vroeg ook of er een rode auto voor de flat stond. Ik zag dat de rode auto van de buurvrouw voor de flat stond en deelde dit aan hem mede. De man heeft mij vier of vijf maal gebeld, voor het laatst eind juni 1995."

18. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

"Ik woon op het adres [a-straat 1-II] te [plaats A], boven de woning van [slachtoffer 2] en haar zoon [slachtoffer 1]. Omstreeks half mei 1995 werd ik opgebeld door een man, die enigszins met een Indisch accent sprak. De man vroeg of er een rode auto voor onze flat stond. Zo ja, dan wilde hij langs komen. De man zei dat het om de auto van [slachtoffer 2] ging die in de flat moest wonen. Dezelfde dag, ongeveer een uur later, belde dezelfde man nog twee keer op. Een week later belde de man nogmaals op. Ik heb de man gevraagd niet meer te bellen."

19. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

"In de maand maart van dit jaar vertelde [slachtoffer 2] mij dat zij nog steeds een relatie had met [aanvrager], maar dat ze niet wist hoe ze van hem af moest komen. Ze vertelde dat [aanvrager] vast zat in de gevangenis in Leeuwarden en haar van daaruit elke dag lastig viel met bellen. In maart 1995 ben ik een weekend bij [slachtoffer 2] geweest. Ze woonde toen nog in [plaats C]. Dat weekend rinkelde overal de telefoon. Het was steeds [aanvrager] die belde. [Slachtoffer 2] nam de gesprekken met [aanvrager] op op cassettebandjes, om de bedreigingen die [aanvrager] tijdens de gesprekken tegen haar uitte vast te leggen. De cassettebandjes die [slachtoffer 2] had opgenomen en de telegrammen die [aanvrager] regelmatig verstuurde, heb ik nog een tijdje in huis gehad in de periode dat [slachtoffer 2] van [plaats C] naar [plaats A] verhuisde. Op een bandje staat een gesprek waarop [aanvrager] tegen [slachtoffer 2] zegt: "Ik schiet je dood".

20. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 6]:

"Kort voor de bomaanslag heb ik een gesprek met [aanvrager] (het hof begrijpt: [aanvrager]) gehad, die mij opbelde. Hij vroeg of [slachtoffer 2] bij mij was. Hij zei dat ik wel zou weten dat hij [slachtoffer 2] drie jaar geleden door haar knie had geschoten. Daarna zei hij dat hij zijn spullen, zijn sieraden en het geld terug moest hebben, anders zou hij wraak nemen, want zijn boek was nog niet uit. Hij zei dat de maat vol was."

21. de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 1997, voorzover inhoudende:

"In de periode van mei 1995 tot 3 oktober 1995 - ik was toen gedetineerd in de P.I. De Marwei te Leeuwarden - heb ik [slachtoffer 2] veelvuldig opgebeld en haar in die gesprekken dringend aangemaand om te voldoen aan de door mij aan haar gestelde eisen en haar gedreigd met maatregelen als zij aan die eisen niet zou voldoen. Voorts heb ik haar in die periode een groot aantal telegrammen gestuurd met hetzelfde doel, in welke telegrammen ik erop zinspeelde dat ik haar gangen gedetailleerd naging. Toen [slachtoffer 2] op een gegeven moment de telefoon niet meer opnam in haar woning in [plaats A], heb ik onder meer buren en kennissen van [slachtoffer 2] opgebeld. Ik heb deze personen wel gevraagd of de rode auto waarvan [slachtoffer 2] gebruik maakte, voor haar flat geparkeerd stond en om overige informatie over haar doen en laten gevraagd."

22. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 10], voorzover inhoudende als relaas van bevindingen en verrichtingen van de verbalisant:

"Ik ben leider van het recherchebijstandsteam dat onderzoek doet naar de bomaanslag van 3 oktober 1995. Op of omstreeks 24 november 1995 werd door [medewerker 1], medewerker van het GRIP, onderdeel van de CRI te Zoetermeer, aan het recherchebijstandsteam meegedeeld dat er bij de Penitentiaire Inrichting de Marwei twee cassettebanden aanwezig waren die opnamen bevatten van telefoongesprekken van de verdachte [aanvrager], gepleegd voor 3 oktober 1995. Deze cassettebandjes zijn beschikbaar gesteld aan het recherchebijstandsteam. Op 2 december 1995 zijn deze bandjes door mij uitgeluisterd. Het tweede bandje bevatte gesprekken door verdachte [aanvrager] gevoerd in een vreemde taal. In verband met vertaling daarvan is het bandje ter beschikking gesteld aan een beëdigd tolk-vertaler."

23. een geschrift, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 5] en de beëdigd tolk-vertaler voor de Hindoestaanse taal S.S. Atwal, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisant en de tolk-vertaler:

"Door de teamleider van het Recherche Bijstandsteam werd aan mij, [verbalisant 5], een cassettebandje ter beschikking gesteld, waarop een gesprek staat tussen [aanvrager] (D) en zijn zus [betrokkene 7] (A). Op 23 januari 1996 hebben wij dit cassettebandje uitgeluisterd en letterlijk weergegeven. Hieronder volgt de vertaling van een gesprek op het bandje.

D: Oh ja, nog iets [betrokkene 7], nog iets, even onder ons. Jij moet het nooit tegen iemand zeggen... jij het voor die tijd had geweten. Ik zal het met de beide doen.. met de beide.

A: Maar die ander heeft er niks mee te maken, maar...

D: Nee, maar hij speelt onder 1 hoedje, want anders had die andere tegen mij gezegd, of tegen de moeder gezegd, van ma doe het nou niet, want het loopt slecht af. Want die jongen.. Ze worden man, het zijn mannen. Het zijn geen kinderen.

A: Ik heb nog gevraagd aan... tot hoever trekt [slachtoffer 1] zich wat van deze dingen aan.

D: Misschien gaat dit ding gebeuren, of ga ik dit ding doen, maar omdat, weet je waarom? Als het helemaal zou gebeurd zijn.. dan kan iemand niet nadenken, ha ha ha, dan heb je ook niets aan. Nee, ik zal de helft van dat doen, zodat eh "ironside" weet jij het, heb jij het begrepen? Dan gaat zij wel nadenken. De volgende keer moet jij zeggen, jij moet het niet duidelijk zeggen: [slachtoffer 2], gesteld dat het escaleert. Het gebeurt wat dan ook. Of met jou of met de jongen. Zij zal vragen, wat gaat gebeuren? Jij moet zeggen: ik weet het niet. Jij moet het niet zo zeggen dat zij het te weten komt, dat er bedreigd wordt.

D: Jij moet niet in haar auto gaan zitten. Ook al word jij door haar gevraagd. Jij moet nooit gaan. Goed? En op een afstand van haar auto moet je ook niet gaan.

D: Maar een ding zal ik krijgen, ik zal het nemen. Maar een ding zal gebeuren. Allebei, allebei zullen springen. Nee, allebei, allebei. Klaar."

24. een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van [betrokkene 8]:

"Ik zit gedetineerd in de Marwei te Leeuwarden. Ik ken [aanvrager] uit de C-vleugel van de Marwei. Ik heb enige tijd geleden al gehoord dat gedetineerden uit de werkplaats spraken over het feit dat [aanvrager] binnen de Marwei op zoek was geweest naar een persoon die de bomaanslag kon realiseren. [Betrokkene 9] vertelde mij dat [aanvrager] aan hem had gevraagd of hij iemand kende die een bomaanslag kon realiseren. Ook zou [aanvrager] bij verschillende personen geïnformeerd hebben naar de mogelijkheid om een bomaanslag uit te voeren."

16. Het Hof heeft in aansluiting op de hiervoor onder 15 weergegeven bewijsmiddelen onder het hoofd "nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en 2" het volgende overwogen:

"Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, leidt het hof af dat verdachte de tenlastegelegde bomaanslag heeft beraamd en georganiseerd en vervolgens heeft laten uitvoeren door een ander/anderen. In het bijzonder de volgende, zakelijk weergegeven omstandigheden zijn daarbij in aanmerking genomen:

- de door verdachte al gedurende langere tijd geuite intentie om [slachtoffer 2] en haar zoon te treffen met het toebrengen van - tenminste - zwaar lichamelijk letsel, indien [slachtoffer 2] niet zou voldoen aan de door verdachte aan haar gestelde eisen;

- het door verdachte (meermalen) refereren aan een herhaling van de eerdere "afrekening" door middel van schieten in het been van [slachtoffer 2] in 1990;

- het door verdachte intensief nagaan van de gangen van [slachtoffer 2], waardoor hij gedetailleerd op de hoogte was van haar doen en laten en van de noodzakelijke informatie ten behoeve van het plaatsen van de bom;

- de mededelingen in een telefoongesprek van verdachte met zijn zuster [betrokkene 7], waarin hij zegt dat beiden - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] - zullen "springen" en hij [betrokkene 7] waarschuwt niet in de buurt van de auto van [slachtoffer 2] te komen.

In aanmerking nemende dat verdachte steeds gedetineerd was ten tijde van de beraming en de uitvoering van het plan, leidt het hof voorts uit de inhoud van de bewijsmiddelen af dat, gelet op de specifieke en gedetailleerde aard van de informatie en de instructies die noodzakelijk waren voor de feitelijke uitvoering van de beraamde bomaanslag, de samenwerking tussen verdachte en de onbekende mededader(s) zodanig nauw en volledig is geweest, gericht op het opzettelijk en met voorbedachten rade toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] door middel van het plaatsen en tot ontploffing brengen van een bom, dat is gehandeld te zamen en in vereniging met die ander(en), en dat ook bij die mededader(s) voormelde opzet en voorbedachten rade aanwezig is geweest."

17. De uitspraak van het EHRM van 27 april 2004 is gewezen naar aanleiding van een klacht van de aanvrager, welke hij heeft ingediend nadat de Hoge Raad bij arrest van 2 maart 1999 het cassatieberoep tegen het arrest waarvan herziening wordt gevraagd, had verworpen. Het EHRM heeft in zijn uitspraak onder meer het volgende overwogen en beslist:

"43. It is not in dispute that the tapping and recording of the applicant's telephone conversations and the retention of these recordings by the prison authorities constituted an interference with the applicant's rights under Article 8 § 1 of the Convention.

(...)

44. The Court will accordingly examine whether the interference in the present case was justified under Article 8 § 2, notably whether it was "in accordance with the law".

45. The expression "in accordance with the law" requires, firstly, that the impugned measure should have some basis in domestic law; secondly, it refers to the quality of the law in question, requiring that it should be accessible to the person concerned, who must moreover be able to foresee its consequences for him, and that it is compatible with the rule of law (see Kopp v. Switzerland, judgment of 25 March 1998, Reports of Judgments and Decisions 1998-II, p. 540, par. 55, and Amann v. Switzerland [GC], no. 27798/95, par. 50, ECHR 2000-II). In the context of interception of communications by public authorities, because of the lack of public scrutiny and the risk of misuse of power, the domestic law must provide some protection to the individual against arbitrary interference with the rights protected by Article 8 of the Convention (see, Halford v. the United Kingdom, judgment of 25 June 1997, Reports 1997-III, p. 1017, par. 49).

46. The Court notes that the possibility for the penitentiary authorities to monitor and record prisoners' telephone conversations was provided for in circular no. 1183/379 of 1 April 1980. This circular stipulated that further rules on the manner in which the content of such conversations was to be monitored were to be laid down in a set of internal regulations to be determined in respect of each penitentiary institution.

47. The internal regulations for the penitentiary where the applicant was detained at the material time conferred on the Governor the power to order the interception and recording on tape of prisoners' telephone conversations. Those regulations expressly stated that such tape-recorded conversations were to be erased as soon as the penitentiary's head of security or his deputy had listened to them.

48. In the present case the Supreme Court held that the erasure obligation set out in the above-mentioned internal regulations was to be interpreted as meaning that tape-recorded conversations were to be erased as soon as the danger giving rise to the recording of conversations had ceased to exist. As it is primarily for the national authorities, in particular the courts, to interpret and apply national law, the Court accepts that the interception of the applicant's telephone conversations, their recording on tape and the retention of these tapes had a basis in domestic law.

49. However, the phrase "in accordance with the law" implies conditions which go beyond the existence of a legal basis in domestic law and requires that the legal basis be "accessible" and "foreseeable".

(...)

52. The Court finds that the rules at issue in the present case are lacking both in clarity and detail in that neither circular no. 1183/379 nor the internal regulations of the Marwei penitentiary give any precise indication as to the circumstances in which prisoners' telephone conversations may be monitored, recorded and retained by penitentiary authorities or the procedures to be observed. This is illustrated by the fact that the domestic courts interpreted the applicable internal rule that "the tapes are not retained and [must be] erased immediately" (see paragraph 22 above) in such a manner that recordings of intercepted telephone conversations can be retained for as long as the danger giving rise to the recording exists (see paragraph 17 above), which in the instant case amounted to a period of more than eight months (see paragraphs 8-10 and 14 above).

53. Although the Court accepts, having regard to the ordinary and reasonable requirements of imprisonment, that it may be necessary to monitor detainees' contacts with the outside world, including contacts by telephone, it does not find that the rules at issue can be regarded as being sufficiently clear and detailed to afford appropriate protection against arbitrary interference by the authorities with the applicant's right to respect for his private life and correspondence.

54. The interference complained of was not therefore "in accordance with the law" as required by the second paragraph of Article 8 and there has been a violation of this provision. In these circumstances, an examination of the necessity of the interference is not required.

(...)

FOR THESE REASONS, THE COURT UNANIMOUSLY

1. Holds that there has been a violation of Article 8 of the Convention."(7)

18. In de aanvrage wordt aangevoerd dat het Hof niet tot een bewezenverklaring van de feiten (zaak A onder 1 en zaak A onder 2) was gekomen, indien het Hof de schriftelijke weergave van de twee cassettebanden(8), inhoudende de in de Penitentiaire Inrichting "De Marwei" afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken tussen de aanvrager en zijn zus (bewijsmiddelen 22 en 23), als onrechtmatig verkregen bewijs terzijde had gesteld.

19. Herziening kan, voorzover hier van belang, krachtens art. 457, eerste lid aanhef en onder 3°, Sv slechts worden verzocht op grond van een uitspraak van het EHRM waarin is vastgesteld dat het EVRM dan wel een protocol bij dit verdrag is geschonden in de procedure die tot de veroordeling of een veroordeling wegens hetzelfde feit op grond van dezelfde bewijsmiddelen heeft geleid, indien herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EVRM.

20. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de herziening van vonnissen en arresten op grond van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij Wet van 12 september 2002, Stb. 479, houdt ten aanzien van de gewijzigde herzieningsregeling onder meer het volgende in:

"Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe de herzieningsregeling zo aan te passen dat, ingeval het EHRM een schending van het EVRM vaststelt, deze schending voor zo ver mogelijk kan worden gerepareerd.

(...)

De uitspraak van het EHRM werpt in zekere zin een schaduw over de verdere tenuitvoerlegging van de veroordeling. Het novum wordt eerst door de Hoge Raad vastgesteld, het aan (de totstandkoming van) de veroordeling klevende gebrek is in de gevallen waar dit wetsvoorstel op ziet al vastgesteld. Dat noopt ertoe dat binnen niet al te lange tijd na de indiening van het herzieningsverzoek wordt vastgesteld of het strafrechtelijk gewijsde in stand kan blijven en of, ingeval dit niet zo is, voortzetting van de vrijheidsbeneming aangewezen is.

(...)

Een Straatsburgse veroordeling brengt met zich dat op de lidstaat die de schending heeft begaan een verplichting tot het bieden van rechtsherstel rust. Dat rechtsherstel kan, als het onderhavige wetsvoorstel kracht van wet krijgt, geheel of gedeeltelijk in het kader van de herzieningsprocedure gestalte krijgen." (Kamerstukken II 2000-2001, 27 726, nr. 3, blz. 1, 4 en 6)

21. De hiervoor onder 20 weergegeven wetsgeschiedenis houdt in dat op de Staat de verplichting rust tot het bieden van rechtsherstel, indien het EHRM een schending van een verdragsregel heeft vastgesteld. Dit rechtsherstel kan geheel of gedeeltelijk in het kader van de met het oog daarop gewijzigde herzieningsprocedure gestalte krijgen.

22. Het EHRM heeft in de zaak van de aanvrager tegen Nederland geconstateerd dat art. 8 EVRM is geschonden. Het EHRM heeft hiertoe overwogen dat de van toepassing zijnde regelgeving onvoldoende duidelijk en gedetailleerd is ten aanzien van de omstandigheden waaronder de penitentiaire autoriteiten telefoongesprekken van gedetineerden mogen afluisteren, opnemen en bewaren, en ten aanzien van de daarbij te volgen procedures. Voorts heeft het EHRM overwogen dat de regelgeving onvoldoende duidelijk en gedetailleerd is om passende bescherming te bieden tegen willekeurige inmenging door de autoriteiten in het recht van de aanvrager op respect voor zijn privé-leven en correspondentie.

23. Gelet hierop kan herziening in beginsel(9) noodzakelijk zijn met het oog op rechtsherstel. De aanvrage is dus in zoverre gegrond.(10)

24. Ingevolge art. 467, tweede lid, Sv doet de Hoge Raad bij wijze van herziening de zaak zelf af of verwijst hij de zaak op de voet van art. 461 Sv, indien de Hoge Raad de aanvrage betreffende het geval, vermeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 3°, Sv, gegrond acht.

25. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met het oog op de herziening van vonnissen en arresten op grond van uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bij Wet van 12 september 2002, Stb. 479, houdt ten aanzien van de mogelijkheid voor de Hoge Raad om de zaak bij wijze van herziening zelf af te doen onder meer het volgende in:

"Indien de Hoge Raad de aanvrage wel gegrond acht, heeft hij ingevolge het voorgestelde nieuwe tweede lid van artikel 467 Sv de mogelijkheid om de zaak onmiddellijk bij wijze van herziening zelf af te doen dan wel de zaak op de voet van artikel 461 Sv te verwijzen. Met die formulering wordt de Hoge Raad de vrijheid verschaft om, gelet op de concrete omstandigheden van de verdragsschending en de opstelling van de veroordeelde, de maatregelen te nemen die nodig zijn. In veel gevallen zal net als bij de andere herzieningsgronden verwijzing naar een gerechtshof het meest in de rede liggen. Het is immers de vraag of bijvoorbeeld het verhoor van een getuige door de Hoge Raad rechtsherstel kan opleveren als de Hoge Raad de zaak niet ook zelf integraal berecht. Daarvoor is de Hoge Raad in het algemeen niet de meest aangewezen rechter; het kost ook veel tijd." (Kamerstukken II 2000-2001, 27 726, nr. 3, blz. 8)

26. De Nota naar aanleiding van het verslag bij bedoeld wetsvoorstel houdt dienaangaande onder meer het volgende in:

"De leden van de fractie van D66 vroegen vervolgens waarom de opstelling van de veroordeelde een rol zou kunnen spelen bij de afhandeling van de herzieningsaanvrage door de Hoge Raad. Denkbaar is dat, in een enkel geval, de opstelling van de veroordeelde een rol speelt bij de vraag in welke mate en op welke wijze rechtsherstel in het kader van de herzieningsprocedure wordt nagestreefd. Zo is voorstelbaar dat in een geval waarin de procureur-generaal herziening heeft aangevraagd, maar de veroordeelde aangeeft geen prijs te stellen op een nieuwe berechting, de Hoge Raad de zaak bij wijze van herziening zelf afdoet." (Kamerstukken II 2001-2002, 27 726, nr. 5, blz. 11)

27. In het onderhavige geval is sprake van een door het EHRM geconstateerd onherstelbaar verzuim, dat is begaan in het voorbereidend onderzoek. Hernieuwde berechting kan het begane vormverzuim dus niet herstellen. Wel kan in het kader van een hernieuwde berechting het bepaalde in art. 359a Sv aan de orde komen.(11)

28. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.(12)

29. In aanmerking genomen dat het EHRM in zijn aan de uitspraak van 27 april 2004 voorafgaande beslissing van 23 september 2003 in de zaak van de aanvrager tegen Nederland de klacht betrekking hebbende op schending van art. 6 EVRM niet-ontvankelijk heeft verklaard na te hebben overwogen dat deze "manifestly ill-founded" is, kan niet gezegd worden dat een ernstige inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de aanvrager aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

30. Bewijsuitsluiting op grond van art. 359a Sv kan uitsluitend aan de orde komen, indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen, en komt in aanmerking indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden.(13)

31. Het Hof heeft de in de Penitentiaire Inrichting "De Marwei" afgeluisterde en opgenomen telefoongesprek tussen de aanvrager en zijn zus [betrokkene 7] als bewijsmiddelen 23 voor het bewijs gebezigd, terwijl het EHRM heeft geconstateerd dat er ten aanzien van het mogen afluisteren, opnemen en bewaren van de desbetreffende telefoongesprekken en ten aanzien van de daarbij te volgen procedures sprake is van een schending van art. 8 EVRM.

32. In aanmerking genomen dat het afluisteren van de voor het bewijs gebruikte telefoongesprekken, het opnemen daarvan en het vastleggen daarvan, zoals het EHRM constateert (rov. 48) wel een wettelijke basis had en de schending van art. 8 EVRM zich daarmee beperkt tot de ontoereikendheid van de voorschriften die regelen wanneer mag worden afgeluisterd en hoe met de opgenomen gesprekken diende te worden gehandeld, kan in mijn ogen niet worden gezegd dat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Voor uitsluiting van de voor het bewijs gebezigde opnamen van telefoongesprekken is dus geen plaats. Daarmee komt de grondslag van het verzoek tot herziening, dat immers is gebaseerd op bewijsuitsluiting, te vervallen en ligt het verzoek dus in beginsel voor afwijzing gereed.

33. In het kader van de verwerping van een beroep op het bepaalde in art. 359a Sv pleegt de Hoge Raad niet te eisen dat daarin ook wordt ingegaan op de vraag of aan het opgevoerde verzuim ook andere gevolgen moeten worden verbonden dan die welke in het verweer worden genoemd.(14) In het onderhavige geval staat echter centraal een plicht van de Staat tot rechtsherstel die zijn grondslag vindt in art. 41 EVRM. Daarom dient de Hoge Raad mijns inziens ook te onderzoeken of er andere vormen van rechtsherstel in aanmerking komen dan de vorm waarom wordt verzocht.(15)

34. In het kader van de toepassing van art. 359a Sv komt strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.(16)

35. In HR 27 september 2005, LJN AS8858, waarin de Hoge Raad kwam tot strafvermindering als vorm van rechtsherstel na eveneens een onherstelbare inbreuk op art. 8 EVRM bij het afluisteren, lette de Hoge Raad louter op het belang van het geschonden voorschrift en de aard en de ernst van het door het EHRM geconstateerde onherstelbare verzuim. Anders dan bij strafvermindering op de voet van art. 359a Sv betrok de Hoge Raad niet in zijn oordeel de vraag of de verdachte daadwerkelijk nadeel van de schending van het verdragsvoorschrift had ondervonden.(17) Deze benadering strookt met de praktijk bij strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM waar de Hoge Raad ook stelselmatig abstraheert van de vraag of de verdachte daardoor enig nadeel heeft ondervonden. Dat springt met name in het oog in die gevallen waarin de inzendingstermijn is overschreden maar de zaak wel binnen een termijn van twee jaar per instantie is afgedaan. Dan wordt strafvermindering toegepast ook al heeft de verdachte van de overschrijding van de inzendingstermijn geen weet gehad en zou in geval de inzendingstermijn niet zou zijn overschreden de duur van het proces overigens niet tot overschrijding van de redelijke termijn en daaraan verbonden strafvermindering hebben geleid.

36. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat in de rechtspraak van de Hoge Raad strafvermindering wegens schending van een voorschrift van het EVRM zijn grondslag niet vindt in het bepaalde in art. 359a Sv(18) maar in de uit art. 41 EVRM voortvloeiende, op de Staat rustende plicht tot rechtsherstel.(19) De in het kader van art. 359a Sv gestelde eisen aan gevallen waarin strafvermindering op zijn plaats is, zijn dus niet van toepassing. De vraag of en in hoeverre strafvermindering wordt toegepast hangt af van het belang van het geschonden voorschrift en de aard en de ernst van het door het EHRM geconstateerde verzuim, of de verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden is niet van belang.

37. In HR 27 september 2005, LJN AS8858 verminderde de Hoge Raad de opgelegde geldboete van fl 10.000,-- tot € 4000,--, een strafvermindering van ruim 10%. Daarmee sloot de Hoge Raad aan bij de rechtspraak op het gebied van de redelijke termijn, waar bij vermindering van een opgelegde geldboete ongeacht de ernst van de overschrijding van de redelijke termijn wordt uitgegaan van vermindering van de geldboete met 10%.(20)

38. In het onderhavige geval is geen geldboete opgelegd maar een lange gevangenisstraf (negen jaar). Aansluiting bij de maatstaf die in het kader van rechtsherstel ter zake van overschrijding van de redelijke termijn wordt gehanteerd, zou betekenen dat de opgelegde gevangenisstraf naar gelang van de ernst van de verdragsschending zou moeten worden verminderd met 5 - 10 %, dus met 5,4 tot 10,8 maanden.

39. De vraag rijst of vermindering van de opgelegde - in het onderhavige geval; uitgezeten - vrijheidsstraf een wijze van rechtsherstel kan zijn in gevallen waarin de verdachte geen concreet nadeel heeft ondervonden van de verdragsschending. In het kader van de schending van de redelijke termijn ziet de Hoge Raad daarin geen bezwaar, maar ik vraag mij af of op die weg moet worden voortgegaan. Een straf wordt opgelegd op grond van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij past niet dat deze mede door een abstracte, immers in het concrete geval geen schade toegebracht hebbende verdragsschending wordt bepaald. Geschiedt dat wel zoals bij overschrijding van de redelijke termijn, dan ontstaan in mijn ogen niet te rechtvaardigen verschillen in strafoplegging: wie het "geluk" heeft dat de inzendingstermijn is overschreden krijgt minder straf dan degene die dat geluk niet ten deel valt ook al hebben beiden even lang op de einduitspraak moeten wachten en heeft eerstgenoemde van die overschrijding en dus van het gevaar langer op de einduitspraak te moeten wachten geen kennis gehad.(21)

40. In HR 27 september 2005, LJN AS8858 kan de vermindering van de geldboete nog worden gezien als toekenning van een geldbedrag bij wege van herstel van het jegens verdachte geschonden verdragsrecht. Die mogelijkheid bestaat in het onderhavige geval, waarin een langdurige vrijheidsstraf is opgelegd, niet.

41. Is in het algemeen vermindering van de vrijheidsstraf een wijze van rechtsherstel die op gespannen voet staat met een evenwichtige straftoemeting, dat geldt in het onderhavige geval nog te sterker. De ernst van de verdragsschending, onduidelijkheid van de voorschriften hoe te handelen bij het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, valt immers geheel in het niet bij de ernst van de bewezenverklaarde feiten: het opzettelijk en met voorbedachten rade voor zijn leven ernstig verminken van een jongen van toentertijd 21 jaar en het opzettelijk en met voorbedachten rade pogen zijn moeder zwaar lichamelijk letsel toe te brengen alsmede het opzettelijk een ontploffing teweeg brengen waardoor levensgevaar voor de jongen en zijn moeder en andere in de omgeving verkerende personen te duchten was. Dat de telefoongesprekken, die de verdachte vanuit de gevangenis voerde, werden afgeluisterd en opgenomen, kan voor hem gezien de geldende voorschriften geen verrassing zijn geweest. Het EHRM constateert dan ook dat het afluisteren en opnemen een toereikende wettelijke basis had. Het kan hem evenmin hebben verrast dat de inhoud van een gesprek als het onderhavige ter kennis van justitie zou worden gebracht: art. 160 jo. 129 Sv verplicht ieder die kennis draagt van doodslag c.a. dan wel poging daartoe of voorbereiding daarvan, onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar.(22) Resteert nog dat volgens het EHRM voor de verdachte bij het ontbreken van toereikende regelgeving niet duidelijk kon zijn hoe overigens met de opgenomen gesprekken diende te worden gehandeld. Daarbij teken ik aan dat het EHRM niet heeft geoordeeld dat de toentertijd bestaande voorschriften bewaring van de opnamen van de telefoongesprekken met het oog op strafvervolging uitsloten en de bewaring daarom strijd met art. 8 EVRM opleverde. In deze omstandigheden komt mij vermindering van de vrijheidsstraf gelet op de pijnlijk concrete ernst van de gepleegde feiten in verhouding tot de geringe, in hoge mate abstracte ernst van de gemaakte inbreuk op het EVRM gepaard aan het ontbreken van aanwijzingen voor concreet nadeel van de verdragsschending voor de aanvrager disproportioneel voor.

42. Het voorgaande betekent dat de herzieningsprocedure in het onderhavige geval geen mogelijkheid tot rechtsherstel biedt en de verdachte daartoe dus op het civiele recht is aangewezen met de daaraan inherente beperking dat van concrete schade moet zijn gebleken. Dat zou betekenen dat indien de concrete schade niet kan worden waargemaakt, rechtsherstel niet aan de orde komt. Omdat de Staat dan niet heeft voldaan aan zijn in art 41 EVRM vervatte plicht tot rechtsherstel(23), zou daarin een aansporing kunnen liggen om toch maar te kiezen voor strafvermindering. Ik acht dat niet juist. De wettelijke regeling van de herziening voorziet niet in een geldelijke vergoeding bij wege van rechtsherstel omdat een dergelijke vergoeding niet past binnen de rechtsfiguur van de herziening.(24) Daarom sluit het ontbreken van de mogelijkheid in het kader van een herzieningsprocedure een geldelijke vergoeding toe te kennen niet uit dat de Staat daartoe na afwijzing van het herzieningsverzoek alsnog overgaat.

43. Een en ander brengt mij tot de conclusie dat in het onderhavige geval voor strafvermindering bij wege van rechtsherstel geen plaats is.

44. Gelet op al het voorgaande acht ik herziening met het oog op rechtsherstel niet noodzakelijk en is de aanvrage tot herziening naar mijn mening niet gegrond.(25)

45. Deze conclusie strekt tot afwijzing van de aanvrage.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze wet is op 1 januari 2003 in werking getreden.

2 Dit is dezelfde raadsman als de raadsman die de aanvrager in de onderhavige herzieningsprocedure bijstaat en de aanvrage tot herziening heeft ingediend.

3 Op de internetsite van het EHRM, www.echr.coe.int/echr.

4 Er heeft kennelijk geen verwijzing van de zaak naar de Grote Kamer plaatsgevonden, waardoor de uitspraak van de Kamer ingevolge art. 44, tweede lid, EVRM als einduitspraak geldt.

5 Zo in dezelfde zin ten aanzien van de gelijkluidende regel van art. 408 Sv HR 18 mei 2004, LJN AO5823.

6 Het Hof heeft deze bewijsmiddelen niet alleen gebezigd voor de bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 in zaak A maar ook voor de bewezenverklaring van feit 3 in zaak A (bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, meermalen gepleegd, jegens [slachtoffer 2]). De aanvrage tot herziening is niet gericht tegen dit laatste feit.

7 Deze uitspraak (vgl. Kamerstukken II, 2004-2005, 29 413, nr. 7, p. 3,4) heeft inmiddels geleid tot het toevoegen per 1 juli 2005 aan onder meer art. 39 lid 2 PBW van de bepaling dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over het bewaren en verstrekken van opgenomen telefoongesprekken. Deze algemene maatregel van bestuur is er nog niet. Een kleine steekproef heeft geleerd dat in elk geval niet in ieder huishoudelijk reglement van een penitentiaire inrichting is voorzien in bedoelde regels.

8 Het Hof heeft de schriftelijke weergave van één cassetteband voor het bewijs gebruikt (bewijsm. 23).

9 In beginsel, want het kan immers zijn dat herziening geen adequate mogelijkheid voor rechtsherstel biedt. Zie Kamerstukken II, 2001-2002, 27 726, nr. 3, p. 5: herziening zal slechts in een beperkt aantal gevallen in de rede liggen. Op p. 8 wordt juister gesproken van de ontvankelijkheid van de aanvraag als er verband bestaat tussen de Straatsburgse uitspraak waarbij een verdragsschending is geconstateerd, en de veroordeling waarvan herziening wordt verzocht. Zie ook N. Keijzer in zijn noot bij HR 6 december 2005, NJ 2006, 482, die erop wijst dat de Hoge Raad in uitleveringszaken de niet-ontvankelijkheid uitspreekt als de opgeëiste persoon niet in Nederland te vinden is hoewel de Uitleveringswet niet voorziet in niet-ontvankelijkheid als beslissing.

10 Vgl. HR 27 september 2005, LJN AS8858, rov. 4.5.l.

11 Vgl. HR 27 september 2005, LJN AS8858.

12 Vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.6.5.

13 Vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.6.4.

14 Vgl. HR 5 april 2005, NJ 2005, 301 en HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.7.

15 Aan de praktijk bij overschrijding van de redelijke termijn in cassatie kan hiertegen een argument worden ontleend in die zin dat schending van de inzendingstermijn niet tot strafvermindering leidt wanneer daarom niet wordt verzocht.

16 Vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, rov. 3.6.3.

17 Zie ook Kamerstukken I, 2001-2002, 27 726, 216b, p. 6, waar de Minister er op wijst dat voor herziening niet noodzakelijk is dat men daarbij een materieel belang heeft.

18 In de wetsgeschiedenis bij art. 359a Sv (Wet van 14 september 1995 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering (vormverzuimen), Stb. 441) wordt overigens wel op verschillende plaatsen verwezen naar strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn (Kamerstukken II 1993-1994, 23 705, nr. 3, blz. 3 en 25, en Kamerstukken II 16 maart 1995, 23 705, TK 59, blz. 59-3624).

19 Vgl. HR 2 mei 1995, DD 95.327, HR 3 januari 1995, DD 95.162, HR 23 juni 1992, DD 93.016 en HR 10 maart 1992, DD 92.273. Ook in deze zaken, gewezen vóór de inwerkingtreding van art. 359a Sv - te weten op 2 november 1996 -, is het zo dat overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging dan wel strafvermindering.

20 HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.6.

21 W. Thomassen, Een stage bij de Cour de cassation in Parijs, Trema 2006, p. 291-295, wijst erop dat in Frankrijk een aparte rechtsingang bestaat waarin schadevergoeding kan worden verkregen voor undue delay (p. 294).

22 De Hoge Raad wijst in zijn arrest van 2 maart 1999, NJ 1999, 576, rov.3.7 op het bepaalde in art. 162 lid 2 Sv, dat maakt dat de overgifte van de banden aan de Officier van Justitie niet onrechtmatig is.

23 Ik wijs op de vermaning van het EHRM aan staten die van een slachtoffer van een verdragsschending verlangen dat deze tegen de staat procedeert om een bedrag ter compensatie van de verdragsschending uitbetaald te krijgen (EHRM 29 maart 2006, RvdW 2006, 478, par. 88 (Mostacciuolo tegen Italië).

24 Kamerstukken II, 2000-2001, 27 726, nr.3, p. 8, Kamerstukken I, 2001-2002, 27 726, nr. 216b, p. 7.

25 Vgl. Kamerstukken II, 2000-2001, 27 726, nr. 3, p. 8. waar erop wordt gewezen dat de aanvrage ongegrond kan zijn ook al wordt een gebrek vastgesteld.