Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ0617

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
R06/014HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ0617
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over de beëindiging van partneralimentatie op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie na scheiding; gefaseerde verlaging met definitieve beëindiging met inachtneming van de financiële situatie van de man in strijd met de redelijkheid en billijkheid?; motiveringseisen.

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (limitering van alimentatie na scheiding) II
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 181
NJ 2007, 307
RvdW 2007, 302
NJB 2007, 714
FJR 2007, 96
JWB 2007/92
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R06/014HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 20 okt. 2006

conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een verzoek tot beëindiging van de onderhoudsverplichting tussen gewezen echtgenoten op de voet van art. II lid 2 van de Wet limitering alimentatie na scheiding (WLA). In cassatie gaat het om de vraag of het hof, dat de alimentatieverplichting op termijn na een afbouwperiode heeft beëindigd, met bepaling dat verlenging van de termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is, heeft voldaan aan de aan een zodanige beslissing te stellen motiveringseisen.

2. De feiten liggen als volgt (zie blz. 1 en 2 en r.o. 7 en 9 van de beschikking van het hof).

(i) Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 11 december 1968 met elkaar gehuwd.

(ii) Bij vonnis van 4 juli 1988 heeft de rechtbank Rotterdam tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis is op 7 oktober 1988 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(iii) Bij het echtscheidingsvonnis heeft de rechtbank de man f 575,- (Euro 260,92) per vier weken alimentatie opgelegd voor de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding.

(iv) Bij beschikking van 3 april 1995 heeft de rechtbank Rotterdam - met wijziging van het vonnis van 4 juli 1988 - de alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald op f 2.000,- (Euro 907,56) per vier weken met ingang van 1 oktober 1994.

(v) Met ingang van 1 januari 2005 bedraagt de alimentatie voor de vrouw als gevolg van de wettelijke verhogingen Euro 1.176,- per vier weken.

(vi) Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren, thans allen meerderjarig. Gedurende het huwelijk heeft de vrouw niet gewerkt. De vrouw heeft tijdens het huwelijk het huishouden van het gezin gevoerd, waardoor zij haar arbeidsvermogen niet (verder) heeft kunnen ontwikkelen.

(vii) Na haar huwelijk heeft de vrouw enige inspanning verricht om te werken, hetgeen heeft geresulteerd in een baan. De vrouw is in 1994 arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 2 december 1995 is zij volledig arbeidsongeschikt. Sinds laatstgenoemde datum ontvangt de vrouw een WAO-uitkering welke uitkering is gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. De financiële positie van de vrouw wordt, wat haar eigen inkomsten betreft, bepaald door haar arbeidsongeschiktheidsuitkering. Gezien de mate van haar arbeidsongeschiktheid en gelet op de leeftijd van de vrouw valt niet te verwachten dat de vrouw op korte dan wel lange termijn door middel van arbeid in haar eigen levensonderhoud gaat voorzien.

(viii) Met ingang van 30 augustus 2012, de datum waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd bereikt, zal de vrouw naast haar AOW-uitkering een zeer gering pensioen ontvangen.

(ix) De man is directeur van een beursgenoteerde onderneming.

3. De man heeft bij verzoekschrift van 26 augustus 2003 de rechtbank Rotterdam met een beroep op art. II lid 2 WLA verzocht de beschikking van 3 april 1995 te wijzigen en te bepalen - kort gezegd - primair dat zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw met ingang van 7 oktober 2003 eindigt, subsidiair dat de alimentatieverplichting gedurende een periode van vijf jaar, ingaande 7 oktober 2003, wordt afgebouwd en eindigt per 7 oktober 2008, en meer subsidiair dat de alimentatieverplichting gedurende een periode van negen jaar, ingaande 7 oktober 2003, wordt afgebouwd en eindigt per 31 augustus 2012.

4. De vrouw heeft het verzoek van de man bestreden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat beëindiging van de alimentatieverplichting van zo ingrijpende aard is dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dit niet van haar kan worden gevergd. Zij heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man, als vastgelegd bij de beschikking van 3 april 1995, wordt verlengd en niet eerder eindigt dan na verloop van 12 jaar.

5. Bij beschikking van 25 juni 2004 heeft de rechtbank de verzoeken van de man afgewezen en met ingang van 7 oktober 2003 de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met een termijn van 12 jaar verlengd.

6. De man is van de beschikking van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Nadat de vrouw het beroep van de man had weersproken, heeft het hof bij beschikking van 16 november 2005 de beschikking van de rechtbank vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 april 1995 - dat, kort gezegd, de alimentatieverplichting van de man met ingang van 30 augustus 2006 gefaseerd over twee perioden met uitsluiting van de wettelijke indexering wordt afgebouwd en eindigt op 30 augustus 2012, en dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is.

7. Het hof overwoog daartoe als volgt. Het hof stelde voorop dat het dient te beoordelen of de door de beëindiging aan de zijde van de vrouw optredende inkomensachteruitgang van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd en dat daarbij alle omstandigheden van het geval - ook die van de alimentatieplichtige - in aanmerking dienen te worden genomen (r.o. 5). Het primaire verzoek van de man achtte het hof bij toepassing van deze maatstaf niet toewijsbaar (r.o. 9 slot). Met betrekking tot het subsidiaire en meer subsidiaire verzoek overwoog het hof (r.o. 12):

"Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat er voor de man - mede gelet op het feit dat hij reeds gedurende een lange periode te weten 17 jaar alimentatie heeft betaald aan de vrouw - uitzicht komt op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting. Gelet op het feit dat de vrouw door de beëindiging van de alimentatie in haar inkomen wordt teruggeworpen acht het hof het wel redelijk de vrouw nog een gedurende een bepaalde periode in de gelegenheid te stellen zich voor te bereiden op de beëindiging van de alimentatie en haar uitgavenpatroon daarop aan te passen. Alle omstandigheden in aanmerking nemend acht het hof het redelijk een gefaseerde afbouwregeling vast te stellen met ingang van 30 augustus 2006 en de onderhoudsverplichting van de man nog te laten voortduren tot 30 augustus 2012, zijnde de datum waarop de vrouw de 65-jarige leeftijd zal bereiken."

8. De vrouw is tegen de beschikking van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel. De man heeft een verweerschrift ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

9. Het middel neemt stelling tegen de toewijzing van het meer subsidiaire verzoek van de man en de gronden waarop het hof deze toewijzing - in r.o. 12 - heeft gebaseerd. Volgens het middel is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, doordat het hof niet voldoende kenbaar aandacht heeft besteed aan de (nader in het middel omschreven) omstandigheden van het geval, waaronder met name de financiële omstandigheden van de man, althans voldoet volgens het middel de beslissing van het hof niet aan de daaraan te stellen motiveringseisen.

10. Aan de motivering van beslissingen waarbij de alimentatieverplichting op de voet van art. II lid 2 WLA wordt beëindigd en waarbij het beroep van de alimentatiegerechtigde op de in deze bepaling vervatte uitzondering aanstonds dan wel slechts voor een beperkte termijn en met uitsluiting van de mogelijkheid van verlenging van die termijn wordt verworpen, moeten - behoudens ingeval de beëindiging van de uitkering voor de alimentatiegerechtigde slechts een relatief onbetekenende terugval in inkomen ten gevolge heeft - hoge eisen worden gesteld. Ter beantwoording van de vraag of bedoelde uitzondering zich voordoet, dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking genomen te worden, waaronder ook de financiële omstandigheden van de alimentatieplichtige. De hoge motiveringseisen brengen mee dat de rechter bij het nemen van een beslissing tot beëindiging moet doen uitkomen welke omstandigheden hij in aanmerking heeft genomen en hoe hij deze in zijn afweging heeft betrokken. Zie HR 26 maart 1999, NJ 1999, 653, 654 en 655 nt. SW. Zie voorts HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 784, HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62, HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392 nt. SW en HR 5 september 2003, NJ 2003, 618.

11. In het onderhavige geval heeft het hof, blijkens r.o. 12, zich bij zijn beslissing om de alimentatieverplichting van de man na een afbouwperiode van negen jaar te beëindigen gebaseerd op hetgeen is gebleken uit "de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting" en "alle omstandigheden" in aanmerking genomen en zich laten leiden door zijn oordeel dat "de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat er voor de man - mede gelet op het feit dat hij reeds gedurende een lange periode te weten 17 jaar alimentatie heeft betaald aan de vrouw - uitzicht komt op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting".

12. Met zijn verwijzing naar hetgeen is gebleken uit "de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting" en naar "alle omstandigheden" heeft het hof kennelijk het oog gehad op de reeds in r.o. 7 en 9 door het hof gereleveerde omstandigheden. Dat volgt uit de door het hof gekozen opbouw van zijn beschikking. In r.o. 5 neemt het hof - terecht niet bestreden in cassatie - tot uitgangspunt dat het dient te beoordelen of de door de beëindiging aan de zijde van de vrouw optredende inkomensachteruitgang van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd en dat daarbij alle omstandigheden van het geval - ook die van de alimentatieplichtige - in aanmerking dienen te worden genomen. Vervolgens stelt het hof vast welke omstandigheden in het onderhavige geval zijn gebleken (r.o. 7 en 9), om op basis van een afweging van deze omstandigheden tot het oordeel te komen dat het primaire verzoek van de man niet voor toewijzing in aanmerking komt (r.o. 9 slot), doch dat het meer subsidiaire verzoek van de man wel toewijsbaar is. De door het hof in r.o. 7 en 9 gereleveerde omstandigheden komen overeen met de omstandigheden die thans in het middel worden opgesomd.

13. Uit het vorenstaande volgt dat het middel, voor zover het wil betogen dat het hof bij zijn beoordeling van het meer subsidiaire verzoek van de man niet voldoende kenbaar aandacht heeft besteed aan de door het middel opgesomde omstandigheden van het geval, feitelijke grondslag mist. De door het hof in r.o. 7 en 9 genoemde en thans door het middel opgesomde omstandigheden zijn door het hof in aanmerking genomen bij zijn beoordeling van niet alleen het primaire, maar ook van het (meer) subsidiaire verzoek van de man.

14. Voor zover het middel wil betogen dat het hof in het bijzonder niet voldoende kenbaar aandacht heeft besteed aan de financiële omstandigheden van de man, mist het eveneens feitelijke grondslag. In r.o. 9 heeft het hof overwogen dat de man, die naar de vrouw onweersproken heeft gesteld directeur is van een beursgenoteerde onderneming, onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn draagkracht. Blijkens het slot van r.o. 9 is dit verzuim van de man voor het hof, dat erop wijst dat de financiële omstandigheden van de alimentatieplichtige in beginsel van belang zijn voor het antwoord op de vraag wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van ieder van partijen kan worden gevergd, mede grond geweest het primaire verzoek van de man niet toe te wijzen. Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat het hof bij zijn beoordeling van het meer subsidiaire verzoek van de man in r.o. 12 de financiële omstandigheden van de man niet in aanmerking heeft genomen. Zoals eerder aangegeven moet worden aangenomen dat het hof met zijn verwijzing naar "alle omstandigheden" ook het oog heeft gehad op de in r.o. 9 bedoelde omstandigheid.

15. Voor zover het middel wil betogen dat het hof in de omstandigheid dat de man geen inzicht heeft gegeven in zijn financiële omstandigheden aanleiding had behoren te vinden om ook het meer subsidiaire verzoek af te wijzen, faalt het. Blijkens r.o. 12 heeft het hof bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van het meer subsidiaire verzoek deze omstandigheid kennelijk niet meer doorslaggevend geacht en geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengt dat, ook indien de draagkracht van de man niet in de weg zou staan aan voortzetting van de alimentatieverplichting, er voor de man - mede gelet op het feit dat hij reeds gedurende een lange periode te weten 17 jaar alimentatie heeft betaald aan de vrouw - uitzicht komt op beëindiging van zijn onderhoudsverplichting. In aanmerking genomen dat de WLA ook ten aanzien van "oude gevallen" tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zie HR 5 september 2003, NJ 2003, 618. Het oordeel kan, sterk verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, verder in cassatie op juistheid niet worden getoetst.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden