Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ0262

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
31-01-2007
Zaaknummer
03170/05
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ0262
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bijzondere voorwaarde ex art. 14c Sr: zich gedurende proeftijd (2 jr) stellen onder toezicht Reclassering NL en zich gedragen naar dier aanwijzing zolang deze instelling dat nodig vindt, ook indien die inhoudt een opname in KIB De Meren en/of Jellinek. De beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming van veroordeelde in een inrichting ter verpleging en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter. Daarmee is onverenigbaar de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, vzv. deze die beslissing in handen legt van Reclassering NL.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 70
NJ 2007, 97
RvdW 2007, 177
NJB 2007, 436
BJ 2007/32 met annotatie van P.A.M. Mevis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03170/05

Mr. Machielse

Zitting 10 oktober 2006

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 20 september 2005 ter zake van A. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en B. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en een betalingsverplichting opgelegd, een en ander als in het arrest omschreven.

2. Mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, eveneens advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel bevat - kort gezegd - de klacht dat het Hof ten onrechte de zaak bij verstek heeft behandeld, zonder nader onderzoek te verrichten.

3.2 De stukken houden - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

- de dagvaardingen waarbij twee afzonderlijke zaken voor de zitting in eerste aanleg van 17 januari 2005 zijn aangebracht, zijn conform art. 588, derde lid, sub c, Sv als gewone brief verzonden aan verdachtes GBA-adres ([a-straat 1] te [woonplaats]);

- ter zitting van 17 januari 2005 was verdachte noch een raadsman aanwezig;

- de politierechter heeft op 17 januari 2005 het onderzoek ter terechtzitting geschorst omdat hij de zaken niet wilde afdoen buiten de aanwezigheid van verdachte, in het bijzonder vanwege de persoon van verdachte;

- ter zitting van 4 maart 2005 was verdachte wederom niet aanwezig. Wel aanwezig was zijn gemachtigd raadsman, mr. R.P.G. van der Weide. De politierechter heeft direct uitspraak gedaan;

- verdachte is wegens - kort gezegd - vernieling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een maand gevangenisstraf voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd van twee jaar dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de Reclassering, ook indien dit inhoudt een opname in KIB De Meren en/of De Jellinek;

- op dezelfde dag heeft mr. Van der Weide hoger beroep ingesteld;

- de akte hoger beroep vermeldt als adres waarop verdachte woont "[a-straat 1] te [woonplaats]", en als post/verblijf/huidig adres eveneens "[a-straat 1] te [woonplaats]";

- de dagvaarding voor de zitting van 20 september 2005 is conform art. 588, derde lid, sub c, Sv verzonden aan verdachtes GBA-adres;

- op 19 september 2005 heeft het Hof een brief ontvangen van mr. Van der Weide, inhoudende dat hij de verdediging neerlegt aangezien hij geen contact heeft kunnen krijgen met verdachte, dat hij niet weet of verdachte op de hoogte is van de zitting; dat hij het Hof verzoekt om als verdachte ter zitting verschijnt naar bevind van zaken te handelen en dat hij niet ambtshalve als raadsman is toegevoegd;

- ter zitting van 20 september 2005 is verdachte noch een raadsman verschenen;

- uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn;

- voorts blijkt daaruit dat de raadsheer op de hoogte was van de fax van mr. Van der Weide;

- het Hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en verdachte veroordeeld tot dezelfde straf, inclusief bijzondere voorwaarde, als de rechter in eerste aanleg.

3.3 Het middel bevat meerdere klachten. De eerste klacht houdt in dat het Hof had moeten onderzoeken of verdachte ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding gedwongen opgenomen was en zo ja, of de dagvaarding hem had bereikt. De tweede klacht houdt in dat het Hof had moeten onderzoeken of verdachte ten tijde van de zitting nog gedwongen opgenomen was en zo ja, of hij dan in staat was gesteld naar de zitting te gaan. Uit de stukken van het geding, met name de rapportage van de Reclassering van 25 juni 2004, kan immers worden afgeleid dat de kans groot was dat verdachte ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en/of de zitting psychotisch en/of opgenomen was, aldus het middel. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4 In HR 9 mei 2006, NJ 2006, 298, overwoog de Hoge Raad als volgt:

"4.3. Indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in een GBA of wiens feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland of wiens adres in het buitenland bekend is, rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch zijn raadsman op de terechtzitting is verschenen, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Het vorenoverwogene lijdt slechts uitzondering indien aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dan behoort het onderzoek ter terechtzitting, dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen, te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn.

Voorts geldt dat ingeval door of namens de verdachte appèl is ingesteld - maar overigens ook indien het beroep is ingesteld door de officier van justitie - rekening moet worden gehouden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Daarom mag van degene die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appèldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Dat geldt niet alleen indien de verdachte in hoger beroep is gegaan maar ook ingeval de eerder in de zaak gewezen uitspraak door de Hoge Raad is vernietigd met verwijzing of terugwijzing van de zaak naar de feitenrechter. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman - die uit eigen hoofde een afschrift van de appèldagvaarding ontvangt indien hij zich in hoger beroep heeft gesteld of is toegevoegd - opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt. (vgl. HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317)."

3.5 In het standaardarrest betekeningsvoorschriften (HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, m.nt. Sch.) heeft de Hoge Raad in r.o. 3.34 uitgemaakt dat in geval verdachte noch een raadsman aanwezig is terwijl de dagvaarding rechtsgeldig is betekend schorsing in de regel plaats behoort te hebben in de gevallen waarin duidelijke aanwijzingen bestaan dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Dat zal zich voordoen:

a. in het geval dat op de terechtzitting of uit de stukken blijkt dat de verdachte op dat moment uit anderen hoofde is gedetineerd.

b. in het geval dat de verdachte een postbus heeft, waarheen geen afschrift van de dagvaarding is verzonden.

c. onder bepaalde omstandigheden wanneer verdachte een bekend adres in het buitenland heeft.

3.6 Nu de dagvaarding rechtsgeldig (conform art. 588, derde lid, sub c, Sv) is betekend, terwijl zich geen van de in r.o. 3.34 en 3.38 van het standaardarrest betekeningsvoorschriften genoemde uitzonderingen voordoet, behoefde het Hof het onderzoek slechts te schorsen indien er duidelijke andere aanwijzingen waren dat verdachte niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

3.7 Ik meen dat die aanwijzingen er niet waren. Volgens het voorlichtingsrapport van de Reclassering van 25 juni 2004 is verdachte na het plegen van de hem tenlastegelegde feiten gedwongen opgenomen in KIB De Meren op grond van een civielrechtelijke machtiging. Voorts meldt het rapport dat men het voornemen heeft om in augustus 2004 de civielrechtelijke machtiging met een jaar te verlengen, dat wil zeggen tot augustus 2005. Ter terechtzitting van de politierechter op 4 maart 2005 was verdachte niet aanwezig, maar wel zijn gemachtigd raadsman. De raadsman heeft aangegeven dat verdachte in de [a-straat] woont en regelmatig contact heeft met De Meren. Of er sprake was van een civielrechtelijke machtiging wist hij niet, waarop de Officier van Justitie opmerkte dat verdachte met een civielrechtelijke machtiging niet thuis zal zitten.

3.8 De stellers van het middel hebben in cassatie de beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 12 augustus 2004 overgelegd waarbij machtiging is verleend tot voortgezet verblijf van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis, ingaande op 13 augustus 2004 en eindigende op 12 augustus 2005, maar hebben geen informatie verstrekt over de tijd daarna. Navraag bij de griffie heeft mij geleerd dat nadien geen nieuwe machtiging is verleend.

3.9 Achteraf kan dus worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van de door de gemachtigd advocaat van verdachte bijgewoonde zitting van de politierechter wel opgenomen was, maar ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep niet meer. Het gaat er echter om of het Hof, voordat verstek werd verleend, had moeten onderzoeken of verdachte opgenomen was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding dan wel ten tijde van de zitting. In aanmerking genomen dat de gemachtigd raadsman van verdachte ter zitting van de politierechter heeft aangegeven dat verdachte in de [a-straat] woonde en er slechts regelmatig contact was met De Meren, meen ik dat het Hof niet kon en ook niet behoefde te vermoeden dat verdachte tot 12 augustus 2005 opgenomen was en dus ook niet behoefde te schorsen om na te gaan of verdachte na 12 augustus 2005 wellicht nog steeds opgenomen was en om die reden niet ter terechtzitting aanwezig was. Het kennelijke oordeel van het Hof, dat de stukken geen duidelijke aanwijzingen bevatten dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. De eerste twee klachten falen.

3.10 Voorts bevat het middel de (derde) klacht dat het Hof had moeten overgaan tot toevoeging van een raadsman, althans de noodzaak daartoe had moeten onderzoeken, nu verdachte een persoon is van wie niet kan worden verwacht dat hij goed in staat is zijn belangen volledig te overzien.

3.11 Aangezien de toelichting een parallel trekt met de artt. 489 e.v. Sv die zien op de berechting van jeugdige personen en betoogt dat geesteszieken evenals jeugdige personen niet in staat zijn hun belangen volledig te overzien, begrijp ik de klacht als volgt dat deze inhoudt dat het Hof gebruik had moeten maken van de in art. 509a juncto art. 509c Sv gegeven mogelijkheid.

3.12 Art. 509a Sv luidt als volgt:

"[1.] In elken stand der zaak betreffende een verdachte die den leeftijd van achttien jaren bereikt heeft, zal de rechtbank of het gerechtshof, indien vermoed wordt dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.

[2.] De beslissing wordt gegeven, hetzij ambtshalve, hetzij op de voordracht van den rechter-commissaris, op de vordering van het openbaar ministerie of op het daartoe strekkend verzoek van den verdachte, van zijn raadsman, van zijn echtgenoot of geregistreerde partner" van zijn curator of van een zijner bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten.

[3.] Voor zoover de beslissing niet in zijne tegenwoordigheid is gegeven, wordt de inhoud daarvan den verdachte onverwijld vanwege het openbaar ministerie beteekend."

Art. 509c Sv luidt als volgt:

"Ten spoedigste na de beslissing bedoeld in artikel 509a, geeft de voorzitter van het gerecht het bureau

rechtsbijstandvoorziening last tot toevoeging van een raadsman aan de verdachte."

3.13 Aldus stelt de wet de eis dat iemand ten gevolge van het vermoeden van geestelijke abnormaliteit zijn eigen belangen niet kan behartigen. Dat verdachte ten gevolge van zijn geestesziekte daadwerkelijk zijn belangen niet kon behartigen vind ik evenwel niet terug in de schriftuur. Die blijft slechts steken in algemene bewoordingen en veronderstellingen. Gesteld wordt dat er sprake was van een straf die mogelijk een vrijheidsbeneming met zich mee zou brengen, terwijl omtrent de capaciteit van verdachte om zichzelf te verdedigen in elk geval vaststond dat hij lijdende was aan schizofrenie, terwijl de kans dat hij ten tijde van de zitting psychotisch en/of gedwongen opgenomen was volgens de stukken op zijn minst genomen zeer reëel was. Er is dus niet gesteld dat verdachte ten gevolge van zijn geestesziekte niet in staat was zijn belangen te behartigen. Uit de stukken is dat mijns inziens ook niet gebleken. Mr. Van de Weide heeft de afwezigheid van verdachte in eerste aanleg slechts verklaard met de opmerking dat de zitting bij de politierechter voor hem te beladen was. Ook in zijn brief van 19 september 2005 wijst hij er niet op dat verdachte geestesziek is en ten gevolge daarvan zijn belangen niet kan behartigen. Het reclasseringsrapport, bezien in samenhang met de opmerking van de raadsman dat verdachte gewoon op zijn GBA-adres woonde, lijkt mij onvoldoende om te stellen dat het Hof op grond van art. 509a Sv zich had moeten uitlaten over verdachtes bekwaamheid zijn belangen behoorlijk te behartigen en ingevolge art. 509c Sv een raadsman had moeten toevoegen aan verdachte, noch dat het Hof op grond van art. 509b Sv het OM had moeten opdragen nader onderzoek in te stellen naar de geestvermogens van verdachte. Ook deze klacht faalt dus.

3.14 Tot slot bevat de toelichting op het middel nog de klacht dat het Hof, gelet op de stukken, had moeten (laten) onderzoeken of verdachte zich ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding en ten tijde van de terechtzitting wel bewust was of kon zijn van hetgeen in hoger beroep voor hem op het spel stond.

3.15 Ook deze klacht faalt. Uit het rapport van de Reclassering blijkt dat verdachte schizofreen is, maar dat psychoses worden voorkomen door de juiste medicatie en dat zijn gemoedstoestand op 25 juni 2004 door de medicatie was verbeterd. Mijns inziens noopte dit enkele rapport het Hof niet tot het doen van nader onderzoek. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat het in september 2005 slecht gesteld was met verdachtes gemoedstoestand, en ook in cassatie is niets overgelegd waaruit dat zou kunnen volgen.

3.16 Het eerste middel faalt dus.

4. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof ten onrechte eerst een aantekening mondeling arrest ex art. 426 Sv heeft opgemaakt, terwijl gelet op art. 425, vierde lid, onder d, Sv het arrest had moeten worden aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting op de wijze als voorzien in de Regeling aantekening mondeling vonnis. Immers, ten tijde van het uitspreken van het arrest stond al vast dat niet kon worden volstaan met een aantekening als bedoeld in art. 426, nu de situatie bedoeld in art. 425, vierde lid, onder d zich voordeed: het arrest is bij verstek gewezen, de dagvaarding is niet in persoon betekend, er heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl benadeelde partijen zich in het strafproces hebben gevoegd. Dit levert nietigheid van de bestreden uitspraak op, aldus het middel.

4.1 Art. 425 Sv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"3. De enkelvoudige kamer geeft na sluiting van het onderzoek op de terechtzitting hetzij onmiddellijk hetzij diezelfde dag op een door haar bij de sluiting van het onderzoek te bepalen uur mondeling arrest.

4. Het arrest wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekend op de wijze door de Minister van Justitie te bepalen:

a. indien de enkelvoudige kamer dit ambtshalve, op vordering van de advocaat-generaal of op verzoek van de verdachte of zijn raadsman, bij de uitspraak bepaalt;

b. indien het openbaar ministerie, de verdachte of zijn raadsman, dan wel de benadeelde partij uiterlijk drie maanden na de uitspraak daartoe een vordering indient of het verzoek doet;

c. indien een gewoon rechtsmiddel tegen het arrest wordt aangewend;

d. indien het arrest bij verstek is gewezen en de dagvaarding niet in persoon is betekend en zich geen omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan de verdachte bekend was, terwijl op de terechtzitting getuigen of deskundigen zijn gehoord dan wel de benadeelde partij zich in het strafproces heeft gevoegd."

4.2 Art. 426 Sv luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

"1. Behoudens artikel 425, vierde lid, en indien er schriftelijk arrest wordt gewezen, blijft het opmaken van een

proces-verbaal van de terechtzitting achterwege en wordt de uitspraak binnen twee maal vier en twintig uur op een aan het dubbel van de dagvaarding te hechten stuk aangetekend. De aantekening wordt door de enkelvoudige kamer gewaarmerkt.

2. De gegevens die de aantekening, bedoeld in het eerste lid, moet bevatten, worden vastgesteld door de Minister van Justitie. De aantekening vermeldt in elk geval:

a. de naam van de rechter, de dag van de uitspraak en de omstandigheid of de uitspraak bij verstek of op tegenspraak is gedaan;

b. indien een bewezen verklaring is uitgesproken, het strafbare feit dat het bewezen verklaarde oplevert;

c. de opgelegde straf of maatregel, alsmede de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.

3. Zodra de aantekening is gewaarmerkt, kunnen de verdachte en zijn raadsman daarvan kennisnemen. De

enkelvoudige kamer verstrekt desgevraagd een afschrift van de aantekening aan de verdachte en zijn raadsman.

4. Wordt alsnog aan artikel 425, vierde lid, onder b of c toepassing gegeven, dan komt de in het eerste lid bedoelde aantekening te vervallen. De griffier haalt alsdan de aantekening door."

4.3 Uit de stukken volgt, voor zover hier van belang, het volgende:

- het arrest is bij verstek gewezen;

- de dagvaarding voor de zitting van 20 september 2005 is niet in persoon betekend;

- er heeft zich geen omstandigheid voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting aan verdachte bekend was;

- twee benadeelde partijen hebben zich gevoegd in het strafproces.

4.4 Dat betekent, dat het arrest ingevolge art. 425, vierde lid, sub d, Sv in het proces-verbaal van de zitting diende te worden aangetekend. Dat is in het onderhavige geval ook gebeurd. Bij de stukken bevindt zich immers het proces-verbaal van de zitting van 20 september 2005, waarin het mondeling arrest is aangetekend (op de wijze als beschreven in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep(1)). In cassatie is evenwel overgelegd een aantekening mondeling arrest in de zin van art. 426 Sv (een zogenaamd stempelarrest). Kennelijk heeft het Hof eerst het mondeling arrest op de wijze als bedoeld in art. 426 Sv aangetekend en pas nadat beroep in cassatie was ingesteld het arrest in het proces-verbaal aangetekend. Gelet op de onder 4.3 opgesomde omstandigheden had het Hof echter direct het arrest moeten aantekenen in het proces-verbaal van de zitting.

4.5 Het is evenwel de vraag, waartoe dit verzuim dient te leiden. Volgens de stellers van het middel levert dit verzuim nietigheid van de bestreden uitspraak op, waarbij zij verwijzen naar HR 24 mei 2005, LJN: AT2980.

4.6 Naar mijn mening gaat deze vergelijking niet op. In HR 24 mei 2005 ging het erom dat wegens tijdgebrek (rechtbanken en) hoven in eerste instantie volstonden met een - niet in de wet geregeld - "uittreksel" en het schriftelijk arrest pas uitwerkten als cassatieberoep werd ingesteld. In feite werd hier een praktijk gebezigd waaraan de wetgever in 1996 met de introductie van het verkorte vonnis juist een einde wilde maken. Dat arrest kan dan ook worden gezien als een signaal naar de hoven dat onafhankelijk van de vraag of cassatie wordt ingesteld, een niet mondeling arrest moet voldoen aan de eisen die gelden voor het verkorte arrest.

4.7 De situatie in deze zaak is anders: het gaat hier niet om een buitenwettelijk uittreksel, maar om een aantekening mondeling arrest in de zin van art. 426 Sv. De aantekening voldoet dus wel aan de wettelijke eisen; echter, nu sprake is van de omstandigheden genoemd in art. 425, vierde lid, sub d, Sv, had het Hof direct een aantekening mondeling arrest in de zin van art. 425 Sv in plaats van art. 426 Sv moeten opmaken.

4.8 HR 6 juni 2000, LJN: AA6082, betreft een vergelijkbaar geval: in deze zaak had de kantonrechter ten onrechte slechts een stempelvonnis opgemaakt in plaats van een ex art. 395, tweede lid, Sv uitgewerkt vonnis. Mijn ambtgenoot Jörg vroeg de griffie het vonnis alsnog uit te werken, waarna de Hoge Raad oordeelde dat de klacht dat een uitgewerkt vonnis ontbrak bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie kon leiden. Kennelijk behoeft een dergelijk verzuim niet tot nietigheid te leiden.(2)

4.9 Nu in het onderhavige geval het Hof na het instellen van cassatieberoep alsnog een aantekening mondeling arrest ex art. 425 Sv heeft opgemaakt, heeft verdachte mijns inziens geen belang bij dit middel. Het middel kan dan ook niet tot cassatie leiden.

5. Het derde middel klaagt erover dat de aantekening mondeling arrest in strijd met art. 359, eerste lid, Sv, dat ook in hoger beroep van toepassing is, niet de vordering van de Advocaat-Generaal bevat.

5.1 Het middel berust op het uitgangspunt dat in art. 359 Sv wordt aangegeven aan welke eisen een aantekening mondeling arrest moet voldoen.

5.2 Dit uitgangspunt is onjuist. Art. 359 bevat de eisen die aan een schriftelijk vonnis en arrest worden gesteld. In casu gaat het echter om een aantekening mondeling arrest. De eisen waaraan een dergelijke aantekening moet voldoen mogen volgens de wet worden bepaald door de Minister van Justitie en zijn te vinden in de hiervoor genoemde Regeling aantekening mondeling vonnis. Nu deze Regeling uit 1996 stamt en sindsdien niet is gewijzigd, terwijl evenmin bij de totstandkoming van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 (bekennende verdachte) is getornd aan de vrijheid van de Minister om de inhoud van de aantekening mondeling vonnis te regelen, moet het ervoor worden gehouden dat het sinds 1 januari 2005 geldende vereiste dat het vonnis en arrest de vordering van de Officier van Justitie/Advocaat-Generaal moeten bevatten voor de aantekening mondeling vonnis en arrest niet gelden. Het middel faalt dan ook reeds om die reden.

6. Het vierde en vijfde middel keren zich beide tegen de door het Hof opgelegde bijzondere voorwaarde en lenen zich daarom voor gezamenlijke behandeling.

6.1 Het Hof heeft blijkens de aantekening mondeling arrest het volgende overwogen:

"Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich stelt onder het toezicht van Reclassering Nederland te Amsterdam en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die veroordeelde zullen worden gegeven door Reclassering Nederland zolang deze instelling dat nodig vindt, ook indien dit inhoudt een opname in KIB De Meren en/of een opname in De Jellinek.

Verstrekt aan deze instelling opdracht om de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde."

6.2 Het vijfde middel houdt in dat het Hof ten onrechte de beslissing tot opname in een psychiatrische inrichting en de duur van een dergelijke eventuele opname heeft overgelaten aan de Reclassering Nederland.

6.3 Het middel is terecht voorgesteld. In HR 6 november 1990, NJ 1991, 274, was de bijzondere voorwaarde opgelegd dat verdachte zich onder toezicht van de Reclassering zou stellen en zich naar de aanwijzingen van de Reclassering zou gedragen, ook als dat een opname in een kliniek inhield. De Hoge Raad oordeelde als volgt:

"7.1. Ingevolge art. 14c tweede lid onder 2e Sr kan de voorwaarde tot opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging slechts worden opgelegd voor een door de rechter te bepalen termijn. Ingevolge art. 14f tweede lid Sr kan de rechter ook gedurende de proeftijd een zodanige voorwaarde opleggen. De art. 14h, 14i en 14j Sr voorzien alsdan in procedurele waarborgen voor de veroordeelde ten aanzien van wie het stellen van een zodanige bijzondere voorwaarde wordt overwogen.

7.2. Dit wettelijk systeem brengt mee dat de beslissing, of zich de noodzaak voordoet van opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging, en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter.

7.3. Hiermede is onverenigbaar de door het hof opgelegde bijzondere voorwaarde, hiervoren onder 6 weergegeven, voor zover deze de evenbedoelde beslissing in handen legt van de Stichting Reclassering Friesland te Leeuwarden."

6.4 De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de in de beslissing voorkomende zinsnede "ook als zulk een aanwijzing opname in een kliniek inhoudt".

6.5 Evenals in HR NJ 1991, 274, behoeft het voorgaande dus niet tot vernietiging en terugwijzing te leiden. De Hoge Raad kan volstaan met een vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarin is bepaald "ook indien dit inhoudt een opname in KIB De Meren en/of een opname in De Jellinek".

6.6 Het vierde middel klaagt erover dat het Hof niet als bijzondere voorwaarde de (eventuele)verplichting voor verdachte zich te laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis had mogen opleggen, nu deze beslissing niet nader is onderbouwd met het oordeel van een psycholoog en/of psychiater.

6.7 In aanmerking genomen dat het vijfde middel dient te leiden tot vernietiging van de beslissing waarbij een bijzondere voorwaarde is opgelegd voor zover het de opname in een psychiatrisch ziekenhuis betreft, behoeft het vierde middel geen nadere bespreking.

7. De eerste drie middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het vijfde middel dient te leiden tot de onder 6.5 genoemde partiële vernietiging.

8. Nu ik ambtshalve geen grond tot cassatie heb aangetroffen, strekt deze conclusie er toe dat de Hoge Raad na voornoemde partiële vernietiging het beroep zal verwerpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Stcrt. 1996, nr. 197, p. 7. De toelichting op het middel gaat ten onrechte ervan uit dat de Regeling een uitwerking is van art. 426, tweede lid Sv, waarschijnlijk omdat de aanhef van de Regeling vermeldt "gelet op art. 426d, tweede lid, Sv". De stellers van het middel miskennen dat de tekst van het oude art. 426d, tweede lid, Sv identiek is aan de tekst van het huidige art. 425, vierde lid, Sv, met uitzondering van het feit dat art. 426d slechts spreekt van "het vonnis" en art. 425 van "het arrest". Aangenomen kan dus worden dat de Regeling aangeeft aan welke eisen de aantekening mondeling arrest in de zin van art. 425, vierde lid, Sv moet voldoen, en niet aan welke eisen de aantekening mondeling arrest in de zin van art. 426, tweede lid, moet voldoen.

2 Wanneer de uitgebreide aantekening zich niet bij de stukken bevindt, kan de uitspraak niet in stand blijven omdat dan niet kan worden vastgesteld of de in art. 80, tweede lid, RO bedoelde vormen zijn nageleefd. Zie zeer recent nog HR 27 juni 2006, LJN: AX6409.