Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AZ0220

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2007
Datum publicatie
17-04-2007
Zaaknummer
00664/06 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ0220
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Dagvaarding rechtspersoon. 2. Herstel kennelijke misslag. 3. Afvalstoffen in de zin van Richtlijn 75/442 EEG. Ad 1. Uit de stukken van het geding volgt, dat Aannemersbedrijf A B.V. niet heeft opgehouden te bestaan, maar dat haar statutaire naam is gewijzigd in C B.V. Uit de stukken blijkt voorts dat aan de handelsnaam van C B.V. de handelsnaam D is toegevoegd. In ’s hofs overwegingen ligt als zijn oordeel besloten dat de uitreiking van de dagvaarding in appel kan gelden als een rechtsgeldige betekening aan de rechtspersoon op de in art. 529 Sv voorziene wijze, waarbij de tenaamstelling genoegzaam duidelijk maakt dat als verdachte is gedagvaard de rechtspersoon C B.V./D, die voorheen was genaamd A B.V., en dat de t.t.z. verschenen E als vertegenwoordiger van verdachte ex art. 528.1 Sv moet worden aangemerkt. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen hetgeen het hof heeft vastgesteld omtrent de feitelijke zeggenschap van E bij C B.V./D en A B.V. In het middel wordt gesteld dat F B.V. had moeten worden gedagvaard, omdat een “activa/passiva transactie” heeft plaatsgevonden waarbij de aannemingsactiviteiten van A B.V., inclusief handelsnaam, zijn verkocht aan F B.V. De opvatting dat in een geval als i.c. uitsluitend als de rechtspersoon die krachtens art. 51 Sr kan worden vervolgd, mag worden gedagvaard de rechtspersoon die de bedrijfsactiviteiten heeft overgenomen van de rechtspersoon die de tenlastegelegde strafbare feiten zou hebben begaan in de toenmalige uitoefening van dat bedrijf, is niet juist. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat in een dergelijk geval de nog bestaande rechtspersoon die de strafbare feiten destijds zou hebben begaan, wordt vervolgd. Ad 2. De HR leest de bewezenverklaring met herstel van een kennelijke misslag. Ad 3. Het hof heeft terecht geoordeeld dat voor de vraag of in dit geval van afvalstoffen sprake is, aansluiting dient te worden gezocht bij de Richtlijn 75/442 EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en bij hetgeen het HvJ EG in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97) t.a.v. die Richtlijn heeft overwogen. In dat arrest heeft het HvJ (voor zover hier van belang) geoordeeld dat de vraag of sprake is van een afvalstof i.d.z.v. de Richtlijn moet worden beoordeeld “met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid daarvan”. Voorts heeft het hof bij de beoordeling of van de stoffen een nadelige invloed i.d.z.v. art. 13 Wbb kan worden uitgaan een juiste maatstaf aangelegd. Dit alles brengt mee dat ’s hofs oordeel dat van afvalstoffen sprake is onjuist noch onbegrijpelijk is. De enkele aangevoerde omstandigheid dat niet van zodanige verontreiniging sprake was dat de desbetreffende stoffen niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt, noopte het hof niet zijn oordeel nader te motiveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2007, 208
JOL 2007, 292
NJ 2007, 248
RvdW 2007, 430
Van der Meijden annotatie in JAF 2007/38

Conclusie

Nr. 00664/06 E

Mr. Machielse

Zitting 10 oktober 2006

Conclusie inzake:

[verdachte (onder naam 1)] BV, thans: [verdachte (onder naam 3)]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 8 december 2004 voor het opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift, gesteld bij artikel 13 van de Wet Bodembescherming, begaan door een rechtspersoon (1. subsidiair), veroordeeld tot een geldboete van € 1000,00.

2. Mr. H.M. Eijking, advocaat Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. R.G.J. Laan, advocaat te Hoorn, heeft een schriftuur ingezonden houdende zeven middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard. [Verdachte (onder naam 1)] BV is op 17 juli 2002, voor de dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht, in zijn geheel verkocht aan [B] BV. De laatste rechtspersoon had volgens de steller van het middel gedagvaard moeten worden.

In hoger beroep heeft de advocaat aangevoerd dat [verdachte (onder naam 1)] BV is overgenomen door [B] BV en dat daarom [verdachte (onder naam 2/ naam 3)] niet had mogen worden gedagvaard. Het hof heeft dit verweer verworpen met de volgende motivering:

"Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissingen van het hof mede dat het verweer wordt verworpen omdat het ongegrond is bevonden. Het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken dient als uitgangspunt bij de dagvaarding van rechtspersonen te worden genomen, omdat de registraties in het handelsregister kenbaar zijn voor derden. Gezien de overgelegde stukken had, op het moment dat de inleidende dagvaarding werd uitgebracht, een naamswijziging plaatsgevonden en was die naamswijziging voorts geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.

In beginsel brengt het dagvaarden van verdachte op de oude naam de nietigheid van de inleidende dagvaardig met zich. In deze zaak hoeft het zover echter niet te komen nu ter terechtzitting verscheen [betrokkene 1], bestuurder en enig aandeelhouder van [A] B.V., bestuurder en enig aandeelhouder van zowel [verdachte (onder naam 1)] B.V. als [verdachte (onder naam 2)] B.V.. Nu hij als vertegenwoordiger van verdachte het woord ter verdediging heeft gevoerd is daarom noch de oude, noch de nieuwe rechtspersoon op enig moment in zijn verdedigingsbelang geschaad."

De steller van het middel typeert de situatie aldus dat de oorspronkelijke verdachte niet heeft opgehouden te bestaan als rechtspersoon, maar dat de onderneming die door de oorspronkelijke verdachte werd gedreven is overgenomen door een andere rechtspersoon, [B] BV. Dat [betrokkene 1] ter terechtzitting is verschenen en het woord heeft gevoerd wordt niet van belang geacht omdat [betrokkene 1] niet is verschenen als bestuurder van [B] BV, maar als bestuurder van de ten onrechte gedagvaarde rechtspersoon, [verdachte (onder naam 3)].

3.2. Het dossier bevat de volgende relevante stukken:

- een akte van oprichting van een besloten vennootschap door [betrokkene 1], handelende als zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] BV, waaruit blijkt dat op 30 november 1999 is opgericht de vennootschap [verdachte (onder naam 1)] BV;

- een inschrijvingsformulier voor het handelsregister, waaruit blijkt dat op 3 december 1999 in het handelsregister is ingeschreven [verdachte (onder naam 1)] BV, waarbij als bedrijfsactiviteiten zijn omschreven: aannemingsbedrijf op het gebied van grond-, water- en wegenbouw, burgerlijke en utiliteitsbouw, tevens sloop- en saneringsbedrijf. Deze inschrijving is verzorgd door [betrokkene 1];

-een inschrijvingsformulier 'functionaris voor een rechtspersoon', ingeschreven 3 december 1999, waarin als functionaris voor [verdachte (onder naam 1)] BV, inschrijvingsnummer kamer van koophandel [0001], is opgegeven [A] BV, welke opgave is verzorgd door [betrokkene 1];

- een wijzigingsformulier voor het handelsregister, ingeschreven 19 juli 2002, inhoudende onder meer dat de statutaire naam van de rechtspersoon [verdachte (onder naam 1)] BV, inschrijvingsnummer kamer van koophandel [0001], per 17 juli 2002 is gewijzigd in [verdachte (onder naam 2)] BV,

- een wijzigingsformulier voor het handelsregister, ingeschreven 19 juni 2002, inhoudende onder meer dat de bedrijfsactiviteiten van [verdachte (onder naam 1)] BV, opgegeven als aannemingsbedrijf op het gebied van grond, weg- en waterbouw, burgerlijke- utiliteitsbouw tevens sloop- saneringsbedrijf, zijn vervallen, dat de activiteiten en handelsnaam zijn overgedragen aan [B] BV en dat de volgende bedrijfsactiviteiten zijn toegevoegd: het ter beschikking stellen van personeel, het aannemen en uitvoeren van sloopwerken, burgerlijke-, utiliteitswerken grond-, weg-, waterbouwkundige werken;

- een akte tot wijziging van de statuten van [verdachte (onder naam 1)] BV van 17 juli 2002, onder meer inhoudende dat de BV de naam draagt [verdachte (onder naam 2)] BV.

- een wijzigingsformulier vestigingsgegevens, ingeschreven 11 mei 2004, houdende onder meer dat aan de handelsnaam van [verdachte (onder naam 2)] BV, inschrijvingsnummer kamer van koophandel [0001], per 3 mei 2004 als handelsnaam is toegevoegd [verdachte (onder naam 3)]. Tevens blijkt uit het formulier dat de volgende bedrijfsactiviteiten zijn toegevoegd; groot en detailhandel in elektra, hard- en software, elektrotechnisch installatiebedrijf voor de nautische industrie, alsmede aanleggen en beheren van netwerken;

3.3. Een eenvoudige zoektocht op het internet op [verdachte (onder naam 1)] levert 6 hits op, waaruit onder meer kan blijken dat dit bedrijf is gevestigd aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] en in de (omgeving van de) gemeente Medemblik bouwwerkzaamheden verricht. De appèldagvaarding voor [verdachte (onder naam 1)] BV blijkt op 19 mei 2004 aan dit adres te zijn uitgereikt. Het aangehechte uittreksel uit het handelsregister vermeldt als een van de handelsnamen van [B] BV '[verdachte (onder naam 1)]'. [A] BV is van deze laatste rechtspersoon enig aandeelhouder en bestuurder. Op zijn beurt is [betrokkene 1] sinds 7 maart 1994 weer enig aandeelhouder en bestuurder van [A] BV. Kennelijk presenteert [verdachte (onder naam 1)] BV zich nog steeds als onderneming in het maatschappelijk verkeer, ook al is de onderneming indertijd overgenomen door [B] BV, en is de registernaam gewijzigd in [verdachte (onder naam 2)] BV, ook wel opererende als [verdachte (onder naam 3)].

De handelsnaam is de naam waaronder een onderneming wordt gedreven. De handelsnaam identificeert de onderneming. Een rechtspersoon kan bestaan uit verschillende ondernemingen die ieder hun eigen handelsnaam voeren, maar ook is het mogelijk om per onderneming meer dan een handelsnaam te voeren.(1)

3.4. Het bovenstaande voert mij tot de slotsom dat zowel de inleidende dagvaarding als de appèldagvaarding op de juiste wijze zijn uitgereikt, te weten aan het adres waar [verdachte (onder naam 1)] BV in het maatschappelijk verkeer bereikbaar is en waar ook [B] BV en [verdachte (onder naam 2)] BV volgens het handelsregister zijn gevestigd. De dagvaarding in eerste aanleg is op dat adres aan [A] uitgereikt evenals de dagvaarding voor de terechtzitting van het hof van 24 november 2004.(2)

Nu [verdachte (onder naam 1)] BV de handelsnaam is waaronder de rechtsopvolger van deze BV zich in het maatschappelijk verkeer presenteert en die ook uit het handelsregister kenbaar is kan ik de steller van het middel niet volgen in zijn opvatting dat de verkeerde rechtspersoon is gedagvaard, wat er ook zij van de motivering waarmee het hof het opgeworpen bezwaar heeft verworpen.

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel voert aan dat er sprake is van een verwarring van twee verschillende vennootschappen, [D] BV dat op 21 oktober 1999 in staat van faillissement is verklaard en [verdachte (onder naam 1)] BV dat op 1 november 1999 van de curator de activa en passiva van het failliete [D] BV heeft overgenomen. De tenlastegelegde feiten zouden zijn gepleegd door [D] BV.

4.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat

"1. zij in de periode van 30 november 1999 tot en met 3 april 2001, in de gemeente Andijk, op een perceel gelegen aan de [b-straat 1], op de bodem een hoeveelheid afval, te weten asfaltgranulaat en puingranulaat, zijnde afvalstoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten, op de bodem heeft doen geraken, terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door die handeling de bodem kon worden verontreinigd of aangetast en aldus opzettelijk niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging of aantasting zich voordeed, de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.

2. zij in de periode van 30 november 1999 tot en met 22 mei 2001, in de gemeente Medemblik, opzettelijk zich van afvalstoffen, te weten een hoeveelheid roze filtergranaatzand, heeft ontdaan door deze buiten een inrichting op de bodem te brengen."

4.3. Het middel mist feitelijke grondslag wat betreft het onder 1. tenlastegelegde puingranulaat.

Bewijsmiddel 4 houdt in als de op 4 april 2001 afgelegde verklaring van [betrokkene 2], dat het puingranulaat op het terrein van [C] [[C] B.V. aldus bewijsmiddel 2.] daar ongeveer een maand ligt. Het hof heeft daaruit kunnen afleiden dat dit afval daar niet is gedeponeerd door de failliete BV. Wat het asfaltgranulaat betreft is het anders. De bewijsmiddelen houden slechts in dat dit op het terrein van [C] is aangetroffen, niet wie of wanneer dat daar heeft gedeponeerd.

Maar omdat het gaat om een beperkte hoeveelheid komt het mij voor dat de bewezenverklaring kan worden gelezen zonder dit onderdeel, welke lezing geen afbreuk aan de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd.(3)

4.4. Inzake het onder 2 tenlastegelegde feit geeft het middel blijk van een verkeerde uitleg van de tenlastelegging. Deze houdt immers het verwijt in dat in de gemeente Medemblik een hoeveelheid zand op of in de bodem is gebracht, niet in de gemeente Andijk. De tenlastelegging heeft dus geen betrekking op de deponering van het roze zand op het terrein van [C] te [vestigingsplaats], maar op het deponeren van dit zand in de gemeente Medemblik in de drainagesleuven die onder de wegen in het nieuwbouwplan 'Schepenwijk' zouden komen te liggen (zie bewijsmiddel 3 en 4).

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het hof geen aandacht heeft geschonken aan het verweer dat de processen-verbaal in deze zaak op onjuiste wijze zijn opgesteld en tot stand zijn gekomen. Ter toelichting wordt grotendeels letterlijk herhaald wat in de pleitnota in hoger beroep op dit punt te berde is gebracht. In wezen is geklaagd over de betrouwbaarheid van de processen-verbaal die door verbalisanten zijn opgemaakt.

5.2. Uitgangspunt is dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal in zijn uitspraak nadere rekenschap behoeft af te leggen. Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als enkele jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd.(4) Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv brengt geen wijziging in de vrijheid van de rechter die over de feiten oordeelt, ten aanzien van de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal alsmede de keuze en weging van de factoren die van belang zijn voor de oplegging van de straf en/of de maatregel. Wel brengt die bepaling mee dat hij zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal dienen te motiveren. Omtrent de gevallen en de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven. In dat verband zal betekenis toekomen aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten.(5) Het nieuwe tweede lid van art. 359 Sv is ingevolge art. II van de Wet van 10 november 2004, Stb. 2004, 580 inwerkinggetreden voor zaken waarin het onderzoek ter terechtzitting na 1 januari 2005(6) is gesloten. In de onderhavige zaak was het onderzoek al op 24 november 2004 gesloten.

5.3. Het middel herhaalt bijna letterlijk wat ook al in hoger beroep is aangedragen, te weten dat [betrokkene 1] bepaalde verklaringen helemaal niet heeft afgelegd dan wel dat in die verklaringen onjuistheden zijn opgenomen. Hij heeft zijn verklaringen niet ondertekend en heeft ervan eerst in hoger beroep kennis kunnen nemen. Daarom mochten deze verklaringen niet voor het bewijs worden gebezigd. De steller van het middel doet een beroep op een fax aan verbalisant [verbalisant 1], waarin [betrokkene 1] aan deze uitlegt hoe het volgens hem werkelijk in elkaar zit.

In wezen voert het middel aan dat de rectificaties die [betrokkene 1] heeft aangegeven tot geen andere conclusie kunnen voeren dan dat [D] B.V. het materiaal waarvan de telastelegging spreekt op het terrein van [C] heeft geplaatst.

5.4. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd noopte het hof naar mijn mening niet tot een reactie.(7) Alleen in bijzondere gevallen heeft de Hoge Raad tot nu toe willen weten van een extra motivering in het geval de feitenechter bewijsmateriaal heeft gebezigd waarvan de betrouwbaarheid door de verdediging is betwist. De enkele ontkenning van een verdachte dat hij heeft verklaard zoals in een proces-verbaal is opgetekend is daarvoor niet voldoende. Zo een ontkenning levert ook niet op zichzelf een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op.(8) Het had op de weg van de verdediging gelegen als zij van oordeel was dat de verklaringen van verdachte niet correct door verbalisanten zijn weergegeven, de oproeping van de verbalisanten als getuige te bevorderen.(9)

Tot slot breng ik in herinnering hetgeen ik opmerkte in mijn bespreking van het tweede middel over het de uitleg van de telastelegging van feit 2 en het bewijs van feit 1.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel betwist dat de stoffen die onder 1. en 2. in de bewezenverklaring zijn genoemd afvalstoffen zijn. Uit het dossier zou volgen dat het aangetroffen granulaat en het filtergranaatzand niet verontreinigd zijn, zodat daardoor ook de bodem niet zou kunnen worden verontreinigd of aangetast. Bovendien zijn de aangetroffen stoffen geen afvalstoffen maar bouwstoffen die zich direct zonder nadere bewerking weer laten toepassen. Ook zou er sprake zijn van toepasselijkheid van een vrijstellingsregeling.

6.2. Het bestreden arrest bevat dienaangaande de volgende overwegingen:

"B- Voorts heeft de raadsman van verdachte met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde aangevoerd dat geen sprake is van afvalstoffen omdat niet aan de in de rechtspraak geformuleerde criteria is voldaan en heeft hij ten aanzien van het onder l subsidiair tenlastegelegde aangevoerd dat het asfalt- en puingranulaat en filterzand geen afvalstoffen zijn die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten omdat de 'bedoelde stromen' niet zodanig verontreinigd waren dat ze niet als bouwstof konden worden ingezet of anderszins konden worden hergebruikt.

1. Met betrekking tot het verweer dat ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde geen sprake is van afvalstoffen overweegt het hof het volgende.

2. De definitie van het begrip afvalstoffen, zoals opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer, luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt: 'alle stoffen, preparaten of andere producten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen'.

3. Het hof zoekt voor de uitleg van het begrip afvalstoffen aansluiting bij de uitleg van dat begrip in richtlijn 75/442 EEG (Kaderrichtlijn Afvalstoffen) en het door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn arrest van 15 juni 2000 (C-418/97 en C-419/97) en nadien te dien aanzien overwogene. Het hof leidt uit die rechtspraak af dat een beslissing omtrent de kwalificatie "afvalstof' dient te geschieden onder afweging van alle bijzondere omstandigheden van het geval, waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn (milieubescherming) en gewaakt moet worden niet aan de doeltreffendheid daarvan afbreuk te doen.

4. In de eerste plaats dient vastgesteld te worden of degenen van wie verdachte het filtergranaatzand verkreeg, zich daarvan hebben ontdaan.

5. [Getuige 2] verklaart te dien aanzien op 4 juli 2001 ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] voornoemd dat het filtergranaatzand is gebruikt om water te filteren en hiervoor niet langer bruikbaar was, waarna het is verkocht aan verdachte. Blijkens de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] van respectievelijk 4 april 2001 en 22 mei 2001 werd het filtergranaatzand door verdachte opgeslagen en is het toegepast in drainagesleuven bij een woonwijk in [vestigingsplaats]. Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat het door verdachte gekochte filtergranaatzand als afvalstof beschouwd moet worden. Ook de voornoemde verklaring van [getuige 2] van 4 juli 2001 met betrekking tot de uitslag van de bemonstering van het zand als categorie 2 bouwstof, op grond waarvan het niet onaannemelijk moet worden geacht dat voor een milieuhygiënisch verantwoorde wijze van toepassing van het filtergranaatzand bijzondere voorzorgsmaatregelen moesten worden getroffen, wijst hierop.

Dat het filtergranaatzand vervolgens een bestemming in een bouwwerk heeft gekregen doet het niet het karakter van een afvalstof verliezen. Het verweer wordt derhalve verworpen.

6. Ten aanzien van het verweer dat ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde geen sprake is van afvalstoffen die de bodem kunnen verontreinigen of aantasten overweegt het hof dat het bij bodembescherming in het bijzonder gaat om het voorkomen, respectievelijk beperken of ongedaan maken van een nadelige beïnvloeding van de bodem. Onder nadelige beïnvloeding dient te worden verstaan iedere verandering van materie of van - fysische, chemische of biologische - hoedanigheden die een vermindering of bedreiging betekent van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, dier en plant heeft (Memorie van Toelichting, kamerstukken 16529, nr. 3, p. 8).

7. Het hof is van oordeel dat het aangetroffen asfaltgranulaat en puingranulaat naar zijn aard geschikt is de bodem te verontreinigen in de zin van het voorgaande. Het hof verwerpt het verweer derhalve voor zover het op deze stoffen betrekking heeft, voor het overige zal het hof het verweer op dit onderdeel honoreren."

De steller van het middel komt tegen deze overwegingen op omdat uit het dossier zou volgen dat de materialen dusdanig schoon waren dat zij in de bodem konden worden toegepast en hergebruikt en dat zij de bodem niet konden verontreinigen.

6.3. Art. 1.1, eerste lid, Wet milieubeheer luidde ten tijde van het als 2 tenlastegelegde feit, voorzover hier van belang:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;"

De Wet milieubeheer (Wm) verstaat thans in art. 1.1 onder 1 onder 'afvalstoffen':

"alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;"

De Richtlijn waarnaar art. 1.1 Wm thans verwijst geeft zelf als omschrijving van afvalstof:

"elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen."

Hoewel de Wm ten tijde van het onder 2 tenlastegelegde feit niet uitdrukkelijk verwees naar de begripsomschrijving in Richtlijn 75/442 moet toch worden aangenomen dat de omschrijving in artikel 1.1 Wm aldus diende te worden uitgelegd dat aansluiting werd gezocht bij de omschrijving in de Richtlijn. Voor die uitleg is eveneens van belang of de stof voor de toenmalige houder nog bruikbaar was.(10)

6.4. Uit bewijsmiddel 5 blijkt dat het filterzand afkomstig is van [E], met welke aanduiding het hof kennelijk de N.V. [E] bedoelt. Het filterzand was niet meer bruikbaar en is daarom meegegeven aan BV [D]. Het gaat dus om een stof die voor de gebruiker onbruikbaar is geworden en die daarom valt onder de omschrijving onder Q7 van bijlage I bij Richtlijn nr. 75/442/EEG.(11)

6.5. De steller van het middel herhaalt vervolgens bijna letterlijk alles wat dienaangaande eerder in de pleitnota in hoger beroep is opgeschreven. Er wordt een beroep gedaan op het Bouwstoffenbesluit, waaruit zou volgen dat het filterzand geen afval maar bouwstof is en op het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen.

Verdachte heeft geen belang bij dit onderdeel van het middel nu zij immers reeds door het hof is ontslagen van rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit.

6.6. Wat betreft het onder 1 bewezenverklaarde feit - waarbij ik mij weer beperk tot het puingranulaat - merk ik op dat het gaat om artikel 13 Wb.

Artikel 1 Wb houdt voorzover hier van belang in:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

bodem: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen;

belang van de bescherming van de bodem: het belang van het voorkomen, beperken of ongedaan maken van veranderingen van hoedanigheden van de bodem, die een vermindering of bedreiging betekenen van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft;"

Er kan al sprake zijn van een aantasting van de bodem ook als de bodem zelf niet verontreinigd wordt, mits de eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier nadelig kunnen worden beïnvloed. Het hof heeft kunnen aannemen dat er sprake was van zo een nadelige beïnvloeding doordat een grote hoeveelheid puingranulaat op de bodem is gebracht. Dat granulaat kan bijvoorbeeld de bodem in doen klinken, de zuurstofhuishouding van de bodem verstoren evenals de waterhuishouding.

Puingranulaat, dat blijkens bewijsmiddel 3 is overgebleven van een klus, is sloopafval.(12)

Het Bouwstoffenbesluit blijft hier buiten toepassing omdat er geen sprake is geweest van bouwstoffen die in een werk zijn aangebracht of daarin zijn gehouden.

Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel herhaalt nog eens dat feit 2 niet bewezen had kunnen worden omdat er geen sprake is van afvalstof en voert aan dat ook feit 1 tot een ontslag van rechtsvervolging had moeten leiden op grond van dezelfde redenering als het hof toepaste op feit 2, omdat ook het puingranulaat een zuivere bouwstof zou zijn.

7.2. Zoals ik al aangaf bij de bespreking van het vierde middel miskent de steller van het middel hier dat het Bouwstoffenbesluit het aanwenden van bouwstoffen op of in de bodem slechts toelaat wanneer die bouwstoffen in een werk worden aangebracht. En dat was hier niet het geval.

Het middel faalt.

8.1. Het zesde middel klaagt dat het hof een beroep op avas heeft genegeerd. Verdachte was er niet van op de hoogte dat haar rechtsvoorganger strafwaardig zou hebben gehandeld en deze onregelmatigheden kunnen haar dan ook niet worden aangerekend.

8.2. Het middel mist feitelijke grondslag omdat het hof onder het hoofd "Strafbaarheid van de verdachte" het verweer met verwijzing naar de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen heeft verworpen.

9.1. Het laatste middel klaagt over de straftoemeting. In feitelijke aanleg was schuldigverklaring zonder oplegging van straf bepleit en het hof heeft in zijn arrest daaraan geen enkel woord gewijd.

In feitelijke aanleg is aan het hof verzocht om rekening te houden met de door en namens verdachte aangevoerde feiten omstandigheden, hetgeen zou dienen uit te monden in toepassing van artikel 9a Sr.

9.2. Het hof heeft bij de straftoemeting het belang van de bescherming van milieu en bodem betrokken, alsmede ten voordele van verdachte in aanmerking genomen dat de verdachte zorg heeft gedragen voor verwijdering van het afval en dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Alles afwegende acht het hof een geldboete zoals opgelegd passend en geboden. De strafmotivering kan de strafoplegging dragen. Er is geen wettelijk voorschrift dat de rechter verplicht om op een verzoek om artikel 9a Sr toe te passen uitdrukkelijk te reageren. Artikel 359 lid 4 Sv bepaalt wel dat het vonnis in het bijzonder de redenen opgeeft die tot toepassing van artikel 9a Sr hebben geleid,(13) maar de omgekeerde situatie bestaat niet. Onder omstandigheden zou wellicht artikel 359 lid 2 Sv uitkomst kunnen brengen maar dan zou een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt moeten zijn ingenomen en daarvan lijkt mij geen sprake zijn geweest.(14) De verdediging heeft eenvoudigweg een andere beschikking van factoren die zijn voor de straftoemeting van belang achtte, gemaakt en een andere waardering daaraan toegekend dan het hof.

Het middel faalt.

10. De voorgestelde middelen falen. Het derde, vijfde, zesde en zevende middel kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 E.J. Arkenbout, Handelsnamen en merken, 1991, p. 3 e.v., 10 e.v.

2 Vgl. HR 8 juli 2003, NJ 2003, 596, waaruit blijkt dat de Hoge Raad waarde hecht aan de werkelijkheid van belang en zeggenschap die achter vennootschapsrechtelijke constructies kan schuilgaan.

3 Vgl. HR 27 juni 2000, LJN AA6307 rov. 3.4; HR 24 december 2002, LJN AE5590 en HR 18 november 2003, LJN AJ0533.

4 Bijv. HR 6 juli 1999, NJ 2000, 379 (m.nt. Kn onder NJ 2000, 380).

5 HR 18 april 2006, LJN AU8913.HR 30 juni 1998, NJ 1998, 799 m.nt. Sch;

6 Besluit van 9 december 2004, Stb. 2004, 641.

7 Bijv. HR 14 maart 1989, NJ 1989, 747 m.nt. 'tH; HR 6 april 1999, NJ 1999, 565 m.nt. Sch; HR 23 mei 1995, NJ 1995, 683 m.nt. Sch; HR 13 mei 1997, NJ 1998, 318 m.nt. Sch; HR 30 maart 1999, NJ 1999, 451 m.nt. 'tH; HR 17 april 2001, NJ 2002, 107 m.nt. Sch; HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672 m.nt. Sch.

8 Vgl. HR 16 mei 2006, LJN AU8266.

9 HR 10 februari 2004, NJ 2004, 452 (m.nt. Kn) rov. 3.7.

10 HR 14 december 2004, LJN AR4900.

11 Richtlijn 91/156/EEG van de Raad van 18 maart 1991 tot wijziging van Richtlijn 75/442/EEG betreffende afvalstoffen.

12 Bijv. HR 24 september 1991, NJ 1992, 76; HR 4 mei 2004, nr. 01238/03/E; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen 26 april 2005, C-494/01, J 2005, blz. I-03331.

13 Zie HR 13 juni 1989, NJ 1990, 118.

14 Vgl. HR 6 juni 2006, LJN AW2430.