Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AY9194

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
03201/05 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2005:AT9152
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AY9194
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. Is tarragrond een afvalstof? Begrippen “afvalstof” en “inrichting” a.b.i. de Wet milieubeheer. HR: 81 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2007, 674
JOL 2007, 450
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03201/05 E

Mr. Knigge

Zitting: 26 september 2006

Conclusie inzake:

[verdachte] B.V.

1. De verdachte is op 6 juli 2005 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot € 10.000,- geldboete, waarvan € 5.000,-voorwaardelijk.

2. Deze zaak hangt samen de zaak onder nummer 03202/05 E ([medeverdachte 1]), in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

3. Namens de verdachte heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, in beide samenhangende zaken één schriftuur ingediend. Negen van de tien daarin voorkomende middelen hebben mede betrekking op de onderhavige zaak. Het zevende middel heeft uitsluitend betrekking op de samenhangende zaak, en zal hier derhalve onbesproken blijven.

4. Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

4.1 Het gaat in deze zaak om een B.V. die zich zou hebben schuldig gemaakt aan het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting voor het opslaan van afvalstoffen, bestaande uit aardappelsorteergrond, afkomstig uit het proces van aardappelverwerking van een fritesfabriek. De verdachte in de samenhangende zaak is de directeur/ enig aandeelhouder van de B.V.

4.2 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij in het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 24 april 2001, in de gemeente Reimerswaal, samen en in vereniging met een ander, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland, op een perceel, gelegen aan de [a-straat] te [woonplaats] een inrichting voor het opslaan van van buiten die inrichting afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer, te weten een grote hoeveelheid aardappelsorteergrond in werking heeft gehad"

4.3 Het Hof heeft de bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte.

a. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2005 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Het klopt dat ik in de tenlastegelegde periode droge en natte tarragrond in ontvangst heb genomen van de fritesfabriek en heb afgevoerd. Een deel van deze grond heb ik gelijk gebruikt, een ander deel heb ik opgeslagen. De feiten staan dus vast.

U toont mij foto´s van de fritesfabriek die zich in het dossier bevinden. Op de foto´s is de grond te zien zoals het eruit zag voordat het naar mijn bedrijf werd afgevoerd.

b. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 april 2003 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Sinds 6 september 1990 ben ik enig aandeelhouder en directeur van de besloten vennootschap [verdachte] BV, gevestigd te [woonplaats], aan de [a-straat 1]. Het doel van de BV is: exploitatie van landbouwmachines en groothandel in landbouwproducten. Het bedrijf voert loonwerk uit, hoofdzakelijk ten behoeve van het eigen bedrijf, en het handelt in biologische landbouwproducten van eigen teelt.

In het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 24 april 2001 was de BV niet in het bezit van een vergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland voor het opslaan van van buiten mijn bedrijf afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer.

In de periode 1989 1990 ben ik in contact gekomen met een medewerker van het aardappelverwerkend bedrijf [B] in [vestigingsplaats A]. [B] kwam met het voorstel of ik van hen aardappeltarragnond wilde afnemen. Ik ben op dat voorstel ingegaan. De naam van dat bedrijf is later gewijzigd van [B] in [C] BV. Weer later is [C] BV overgenomen door [A] (verder: [A]). Ik heb van al deze bedrijven aardappeltarragrond afgenomen.

Ik gebruikte de door mij ontvangen aardappelgrond ter ophoging van de laag gelegen gedeelten van de landbouwgronden van mijn bedrijf. Voor het geval ik de aangevoerde grond niet direct kon uitrijden, werd de grond op mijn bedrijf opgeslagen in depot. De grond die via de fritesfabriek werd aangevoerd was afkomstig van verschillende percelen landbouwgrond die buiten mijn inrichting zijn gelegen.

c. De vertegenwoordiger van de verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 november 2003 verklaard - zakelijk weergegeven -:

De BV beheert de machines en stuurt het personeel aan en daarnaast is er het landbouwbedrijf voor de activiteiten die uitsluitend betrekking hebben op de landbouw. Het landbouwbedrijf is een privé bedrijf en de BV houdt zich bezig met loonwerk. In het kader van de melding AMvB Akker en tuinbouwbouwbedrijven daarentegen gelden het landbouwbedrijf en de BV als één inrichting, waaronder alle activiteiten van die beide bedrijven vallen. De inrichting wordt gedreven door mijzelf en de BV gezamenlijk.

Ik nam van de fritesfabriek in [vestigingsplaats A] alle aardappelgrond af. Het ontvangen van de tarragrond van de fritesfabriek en het opslaan daarvan zie ik als activiteiten die geheel vallen onder de BV.

2. Een geschrift, te weten een kopie van een brief, d.d. 11 juli 2000, van [C] BV te [vestigingsplaats A] ondertekend door [verbalisant 2] aan de gemeente Reimerswaal, t.a.v. [...] (bijlage bij het onder 2 genoemde proces verbaal, pagina 276) onder meer inhoudende - zakelijk weergegeven -:

Zoals afgesproken tijdens uw bezoek op 4 juli 2000 zend ik u hierbij de volgende gegevens.

In onderstaand schema zijn de hoeveelheden afgevoerde grondtarra vermeld in tonnen per jaar.

Jaar 1997 droge tarra 3603

Jaar 1998 droge tarra 4485

Jaar 1999 droge tarra 4780

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces verbaal van be-vindingen van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, nummer PL 1950/00 515809 (dossierpagina 309 e.v. bij het dossier van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, onderzoek Puinhoop, nummer PL 1950/00 950412), d.d. 12 december 2000, ondertekend door

[verbalisant 1], milieu inspecteur tevens buitengewoon opsporingsambtenaar provincie Zeeland, dat onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - :

als relaas van die verbalisant:

Uit de procesbeschrijving van [C] blijkt dat het onder meer handelt om droge tarra. Het bevoegde gezag, het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland is ten aanzien van de toetsing aan de Wet milieubeheer (Wm) gezien het productieproces van [C] van mening dat voor de droge tarragrond er sprake is van een bedrijfsafvalstof, ongeacht de samenstellingswaarden (concentraties) van de chemische parameters. Op de lokatie aan de [a-straat 1] te [woonplaats] is sprake van een inrichting bestemd voor het opslaan van bedrijfsafvalstoffen, waarvoor een Wm vergunning van het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland vereist is. Deze vergunning is niet aan [medeverdachte 1] verleend.

4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces verbaal van verhoor van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, mutatienummer PL 1950/00 505664, d.d. 21 juni 2001 (dossierpagina 552 e.v. bij het dossier van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, onderzoek Puinhoop, nummer PL 1950/00 950412), ondertekend door [verbalisant 4], hoofdagent van politie, district Oosterscheldebekken, dat onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

-als de op 21 juni 2001 tegenover die verbalisant afgelegde verklaring van [verbalisant 2], geboren op [geboortedatum] 1957:

Ik ben werkzaam als milieucoördinator bij het aardappelverwerkende bedrijf [A] welk bedrijf is gevestigd te [vestigingsplaats A].

Ik werk sinds 1983 bij dit bedrijf. Ik ben begonnen bij het bedrijf toen het nog [B] heette, daarna is het [C] BV gaan heten en begin dit jaar is dat bedrijf weer overgenomen door [A].

U vraagt mij hoe wij de aardappeltarra welke bij ons produktieproces vrijkomt benoemen. Voor ons is deze tarra een afvalstroom omdat het geen waarde meer heeft.

Het is zo dat wij ervoor betalen om ons van die aardappeltarra te ontdoen.

Ik schat dat het rond 1990 is geweest dat wij, het bedrijf heette toen nog [B], zaken zijn gaan doen met [verdachte] BV in verband met de afvoer van de aardappeltarra.

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces verbaal van be-vindingen van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, nummer 001 AH OO1.HK, d.d. 15 juni 2001 (dossierpagina 328 e.v. bij het dossier van de Politie Zeeland, district Oosterscheldebekken, onderzoek Puinhoop; nummer PL 1950/00 950412), ondertekend door [verbalisant 3], adjunct inspecteur II bij de Inspectie Milieuhygiëne van het ministerie van VROM, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, dat onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven -:

als relaas van die verbalisant:

Op 24 april 2001 bevond ik mij in het kader van het project "Puinhoop" op het terrein van het landbouwbedrijf [verdachte], gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Ik zag een berg grond met daarin aardappelen of aardappelrestanten, zogeheten aardappeltarra. Ik zag dat de berg grond zeer veel rottende aardappelen bevatte en ik rook een behoorlijke stank.

6. Het hof heeft ter terechtzitting kennis genomen van dossierpagina's 612 t/m 615, te weten: een map met foto's, getiteld: "foto's bemonsterde aardappels op 24 april 2001". Het hof heeft waargenomen dat op die foto's een hoeveelheid grond met aardappelen en aardappelrestanten is afgebeeld.

7. Een geschrift, te weten een afdruk van de internetgegevens van de NV Databank Kamers van Koophandel en Fabrieken te Woerden, betreffende verdachte, d.d. 10 april 2003 (map persoonsgegevens).

Genoemde afdruk betreffende gegevens van het uittreksel van de Kamer en Koophandel en Fabrieken voor Zeeland, dossiernummer 22031383, houdt als gegevens, bijgewerkt tot 10 april 2003, onder meer in:

Rechtspersoon: besloten vennootschap

Naam:[verdachte] BV

Adres:[a-straat 1], [0000 AA] [woonplaats]

Akte van oprichting:[datum] 1990

Bedrijfsomschrijving: Exploitatie van landbouwmachines. Groothandel in landbouwproducten.

Enig aandeelhouder: [medeverdachte 1]

Geboren [geboortedatum] 1958, [geboorteplaats]

Infunctietreding:[datum] 1990

Titel:directeur

Bevoegdheid:alleen/zelfstandig bevoegd.

De onder 2, 6 en 7 genoemde geschriften zijn slechts gebruikt in verband met de inhoud van de andere genoemde bewijsmiddelen."

5 Aan de bespreking van het middel voorafgaande opmerkingen

5.1 Tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 8.1 Wet milieubeheer (Wm), waarin onder meer wordt verboden om zonder daartoe verleende vergunning een inrichting in werking te hebben. Onder "inrichting" moet daarbij op grond van art. 1.1 lid 4 Wm verstaan worden een inrichting (in de zin van art. 1.1 lid 1 Wm) "behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen". De bedoelde aanwijzing van categorieën is te vinden in art. 2.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Het artikel verwijst daarbij naar de bij het Besluit behorende Bijlage I.

5.2 Hier van belang is de in Bijlage I aangewezen Categorie 28. Onder 28.1 worden onder meer genoemd: "Inrichtingen voor: a. het opslaan van: (...) 2e. bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer (...)".

5.3 Tenlastegelegd en bewezenverklaard is dat de onderwerpelijke inrichting een capaciteit had van 50 m3 of meer. Dat heeft te maken met de vraag welke instantie in casu het bevoegde gezag is dat de vereiste vergunning kan verlenen. Volgens de in art. 8.2 lid 1 Wm neergelegde hoofdregel is die instantie het colllege van burgemeester en wethouders. Art. 8.2 lid 2 Wm bepaalt echter dat bij amvb van die hoofdregel kan worden afgeweken door te bepalen dat voor daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen het bevoegde gezag bij de provincie (gedeputeerde staten) ligt. Van die mogelijkheid is gebruik gemaakt in art. 3.1 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Daarbij wordt weer verwezen naar de al genoemde Bijlage I.

5.4 In deze Bijlage - zoals die luidde ten tijde van de tenlastegelegde en bewezenverklaarde periode(1) - is met betrekking tot Categorie 28 bepaald voor zover hier van belang (obnder 28.4): "Gedeputeerde staten zijn het bevoegd gezag ten aanzien van inrichtingen, behorende tot deze catego-rie, voor zover het betreft inrichtingen voor: a. het opslaan van de volgende afvalstoffen (...) 6e. andere dan de onder 1e tot en met 5e genoemde van buiten de inriching afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer; (...)".

5.5 Met de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde capaciteit van 50 m3 of meer is dus niet alleen tot uitdrukking gebracht dat het in casu gaat om een aangewezen inrichting in de zin van art. 1.1 lid 3 Wm, maar ook dat het bevoegde gezag in dit geval bij gedeputeerde staten lag.

5.6 Aandacht verdient ook nog het volgende. Tenlastegelegd is (onder 1) dat de verdachte de inrichting in werking had "samen en in vereniging met (een) ander(en)". Bewezenverklaard is dat het feit met één ander is begaan. Ik begrijp dit in het licht van de bewijsmiddelen aldus, dat de verdachte het feit samen met [medeverdachte 1] (de verdachte in de samenhangende zaak) heeft gepleegd. Er was volgens de verklaringen die deze [medeverdachte 1] als vertegenwoordiger van de verdachte aflegde, sprake van twee bedrijven, die zo nauw verweven waren dat zij voor - wat hij noemde - de melding AmvB Akker- en tuinbouwbedrijven als één inrichting golden. Het ene bedrijf werd gedreven door de rechtspersoon (de verdachte in deze zaak), het andere bedrijf was een landbouwbedrijf waarvan [medeverdachte 1] als privépersoon de eigenaar was. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de verdachte rechtspersoon, waarvan [medeverdachte 1] directeur was, zo nauw heeft samengewerkt met het landbouwbedrijf waarvan [medeverdachte 1] de eigenaar was, dat van medeplegen kan worden gesproken. Tegen de begrijpelijkheid van dat oordeel richten de middelen zich niet.

6 Geen "afvalstoffen"? (middelen 1 en 6)

6.1 Het eerste middel valt uiteen in een tweetal klachten. Ten eerste richt het middel zich tegen het oordeel van het Hof dat in casu sprake is van een "afvalstof". Ten tweede keert het middel zich tegen het oordeel van het Hof dat in casu sprake is van een "inrichting" in de zin van art. 8.1 Wet mi-lieubeheer (Wm). Die tweede klacht zal hierna, onder punt 7 worden besproken.

6.2 De eerste klacht van het middel houdt in dat het oordeel van het Hof dat de in de tenlastelegging bedoelde "aardappelsorteergrond" dient te worden aangemerkt als een "afvalstof" en dat geen sprake is van een "grondstof", blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd.

6.3 Het Hof heeft in de bestreden uitspraak in dit verband het volgende overwogen:

"9. Bewijsvoering

(...)

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de "aardappelsorteergrond" (door hem al dan niet te zamen met het door de verdachte van de fritesfabriek afgenomen vloeibare productieresten aangeduid als "aardappeltarra", "tarra" of "tarragrond") geen afvalstof maar grondstof is.

Het hof is van oordeel dat de "aardappelsorteergrond" gedurende tijd dat deze in de nabijheid van de bedrijfsgebouwen van de verdachte was opgeslagen, als afvalstof dient te worden beschouwd. Vast staat dat het fritesbedrijf [B] zich van deze "aardappelsorteergrond" wilde ontdoen en heeft ontdaan door deze tegen betaling door de verdachte te laten ophalen. De vraag is of deze "aardappelsorteergrond" op het moment van de opslag op de wijze als bovenomschreven het karakter van afvalstof had verloren. Dat is niet het geval, nu het hier blijkens de zich in het dossier bevindende foto's (blzz. 266, 267 en 318) gaat om beduidende hoeveelheden kennelijk voor de productie ongeschikte aardappels en delen van aardappels, vermengd met aardappelloof en wisselende hoeveelheden grond. De opslag van een dergelijk mengsel kan milieuschade in de zin van de Wet milieubeheer veroorzaken tijdens de opslag indien zich rottingsprocessen voordoen. Een zodanige milieuschade is in het onderhavige geval ook door een verbalisant geconstateerd (blz. 328 ev van het dossier; bewijsmiddel 18 bij het vonnis van de rechtbank)."

6.4 Ik stel het volgende voorop. Het gaat bij de uitleg van het begrip "afvalstoffen" om een materie die voor de niet ingevoerde jurist - waartoe ik ook mijzelf reken - niet eenvoudig is te doorgronden. Misschien heeft dat ook de steller van het middel parten gespeeld. Hij haalt in zijn twintig pagina's tellende toelichting op het middel veel overhoop, maar lijkt daarbij niet gehinderd te zijn door een scherp inzicht in de ter zake geldende regelgeving en jurisprudentie. Veel van wat wordt geponeerd, valt daarmee in elk geval maar moeilijk te rijmen. Ik geef een voorbeeld. Op p. 13 van de schriftuur wordt met een beroep op een oude druk van Hazewinkel-Suringa-Remmelink gesteld dat "in het ordeningsrecht een teleologische interpretatie wordt voorgestaan, hetgeen noopt tot een functionele uitleg, waaraan volgens requiranten, wegens het strafkarakter daarvan, een restrictieve interpretatie inherent is". Dit terwijl in het nog nader te noemen Arco-arrest van het Hof van Justitie, waarnaar de steller van het middel herhaaldelijk verwijst, toch uitdrukkelijk wordt gesteld (rov. 40) dat het begrip afvalstof niet restrictief kan worden uitgelegd. Dit juist vanwege de doelstelling van de terzake geldende richtlijn, kort gezegd de bescherming van het milieu. Een teleologische uitleg vereist dus juist een ruime interpretatie.

6.5 Wat voor de schriftuur geldt, geldt ook voor de ter terechtzitting van het Hof overgelegde pleitnota. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat het Hof niet uitdrukkelijk op alles wat daarin wordt gesteld en beweerd, is ingegaan. Het weerleggen van verweren is tenslotte geen doel op zich. Waar het om gaat is dat de gemotiveerde verwerping duidelijk en begrijpelijk maakt waarom in strijd met het verweer is beslist. De klacht dat het Hof "ongemotiveerd voorbij (is gegaan) aan de door requiranten naar voren gebrachte visie inzake het begrip "afvalstof"" - waarbij gesteld wordt dat het Hof er blijkt van geeft van de inhoud van de pleitnota geen kennis te hebben genomen - kan dan ook niet slagen. Het Hof heeft gemotiveerd gereageerd op hetgeen naar voren is gebracht. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag. Voor zover bedoeld mocht zijn dat het Hof alles wat door de verdediging is opgeworpen, weer recht had moeten zetten, stelt het middel een motiveringseis die het recht niet kent.

6.6 De vraag is derhalve of het andersluidende oordeel van het Hof begrijpelijk is en of de motivering daarvan duidelijk maakt waarom het ver-weer is gepasseerd. Met het oog daarop het volgende.

6.7 De tenlastelegging is als gezegd toegesneden op de Wet milieubeheer (Wm). Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term "afvalstoffen" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in de Wet milieubeheer. Art. 1.1, eerste lid, Wm luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit (periode 1 januari 1997 - 24 april 2001), voorzover hier van belang:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of andere produkten, waarvan de houder zich - met het oog op de verwijdering daarvan - ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; (...)

bedrijfsafvalstoffen: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen;"

6.8 Sinds de Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de Wet milieubeheer is de wettelijke definitie van afvalstoffen identiek aan de communautaire definitie, zoals neergelegd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen.(2) Vóór die tijd gold echter reeds dat wettelijke definitie richtlijnconform diende te worden uitgelegd.(3)

6.9 De Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd bij de Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991 houdt, onder meer, in:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën(4) waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen."

Artikel 4 van de Richtlijn houdt voorts in:

"De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van de afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procédés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en met name:

- zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora;

- zonder geluids - of stankhinder te veroorzaken;

- zonder schade te berokkenen aan natuur - en landschapsschoon.

De lidstaten nemen voorts de nodige maatregelen om het onbeheerd achterlaten of het ongecontroleerd lozen of verwijderen van afvalstoffen te verbieden."

6.10 In de periode voorafgaand aan het arrest van het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ) van 15 juni 2000 in de gevoegde zaken C-418/97 en C-419/97, AB 2000, 311 (ARCO Chemie en Hees/EPON) gold in Nederland de opvatting dat als een stof zonder ingrijpende bewerking milieuhygiënisch verantwoord nuttig kon worden toegepast, deze stof geen afvalstof was.(5) Door deze opvatting haalde het HvJ een dikke streep. De Hoge Raad heeft zich daarbij aangesloten. Voor de uitleg van de term "afvalstoffen" dient aansluiting te worden gezocht bij de genoemde Richtlijn van de EEG inzake afvalstoffen en bij hetgeen het HvJ ten aanzien van die Richtlijn heeft overwogen.(6)

6.11 In de uitleg van het HvJ van het begrip afvalstoffen - waarbij de Hoge Raad zich als gezegd heeft aangesloten - staat centraal de vraag of sprake is van een stof waarvan de houder zich ontdoet, dan wel zich wil of moet ontdoen. Dat maakt dat de aard van de stof (de bruikbaarheid ervan) niet doorslaggevend is. Elke stof kan door de bezitter worden afgedankt en daarmee een afvalstof worden. Dat geldt ook voor nuttige, op zich niet voor het milieu gevaarlijke stoffen. Het doel is tenslotte te voorkomen dat afgedankte spullen in het milieu belanden. Daartoe moet toezicht gehouden kunnen worden op de afvalstroom, om zo te kunnen controleren of de afvalstoffen volgens de voorschriften worden verwijderd of hergebruikt. Voor ogen moet worden gehouden dat ook het zo maar ergens dumpen van op zich alleszins bruikbare goederen voor het milieu schadelijk kan zijn. Dat geldt ook voor grond, hoe vruchtbaar en schoon die grond op zich ook zou mogen zijn. Wie vrachtwagens schone grond in een beschermd natuurgebied stort, veroorzaakt al snel een ecologisch rampje.

6.12 Uit het voorgaande volgt, dat het onderscheid dat in de steller van het middel maakt tussen afvalstoffen en grondstoffen geen steun vindt in de jurisprudentie van het HvJ (en daarmee niet in de wet). Ook grondstoffen kunnen afvalstoffen zijn, omdat de houder zich daarvan kan willen ont-doen. Ik wijs ter illustratie op rov. 94 van het Arco-arrest, waarin het HvJ vaststelt dat:

"94 (...) zelfs wanneer een afvalstof een handeling heeft ondergaan waarmee de nuttige toepassing is voltooid en waardoor de betrokken stof dezelfde eigenschappen en kenmerken als een grondstof heeft verkregen, zulks niet wegneemt dat die stof als een afvalstof kan worden aangemerkt, wanneer, gelet op de omschrijving van artikel 1, sub a, van de richtlijn, de houder zich ervan ontdoet, voornemens is zich ervan te ontdoen of zich ervan moet ontdoen."

Hierop stuit mijns inziens ook de in de schriftuur ontwikkelde "visie" af dat niet van een afvalstof gesproken kan worden als de stof zonder verdere bewerking is toe te passen voor de oorspronkelijke bestemming. Ook van een dergelijke stof kan de houder zich willen ontdoen.

6.13 Het volle accent ligt dus op de vraag wanneer gesproken kan worden van "zich ontdoen". Een pasklare definitie biedt de jurisprudentie van het HvJ niet. Wel zijn uit die jurisprudentie een aantal omstandigheden te destilleren die een "aanwijzing" vormen dat het gaat om stoffen die de houder heeft afgedankt dan wel wil of moet afdanken. Zo'n aanwijzing vormt de mogelijkheid van nuttig gebruik. Aangenomen mag immers worden dat de houder onbruikbare stoffen eerder kwijt wil dan bruikbare. Maar om meer dan één van de vele "aanwijzingen" gaat het niet. Van een doorslaggevend criterium is als gezegd geen sprake.

6.14 Het gaat in casu om aardappelsorteergrond dat als "productresidu" is vrijgekomen bij de fritesproductie. In zijn beschikking van 15 januari 2004, C-235/02, AB 2004, 273 (Saetti en Frediani) heeft het HvJ bij wijze van samenvatting van zijn jurisprudentie over dit onderwerp het volgende overwogen:

"33 De inhoud van het begrip afvalstof hangt af van de betekenis van de term zich ontdoen, die wordt gebruikt in art. 1 sub a richtlijn 75/442. Het Hof heeft verduidelijkt dat het verrichten van een in bijlage II A of II B bij richtlijn 75/442 genoemde handeling op zich niet volstaat om een stof of een voorwerp als afvalstof aan te merken en dat, omgekeerd, het begrip afvalstof voorwerpen of stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet uitsluit. Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie met name arrest van 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön

kuntayhtymän hallitus, C-9/00, Jur. p. I-3533; hierna: arrest Palin Granit, punten 22, 27, en 29).

34 Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, Jur. p. I-4475, punt 84). Het Hof heeft dan ook verduidelijkt dat bij winning vrijgekomen ganggesteente van een granietgroeve, dat niet het in eerste instantie door de exploitant beoogde product vormt, in beginsel een afvalstof vormt (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).

35 Niettemin is een analyse aanvaardbaar volgens welke goede-ren, materialen of grondstoffen die vrijkomen bij productieprocessen of delvingen die niet in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, mogelijk geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich [niet] wil ontdoen in de zin van art. 1 sub a eerste alinea richtlijn 75/442, maar dat zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking. Een dergelijke analyse is immers niet in strijd met de doelstellingen van richtlijn 75/442 omdat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om de bepalingen daarvan, die zijn bedoeld om verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen te verzekeren, toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien de waarde van producten hebben en als zodanig zijn onderworpen aan de wettelijke regeling die op deze producten van toepassing is (arrest Palin Granit, punten 34 en 35).

36 Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36).

37 Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen, maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).

38 Zo heeft het Hof geoordeeld dat indien ganggesteente dat een residu van mijnbouw vormt, rechtmatig zonder voorafgaande bewerking in het productieproces wordt gebruikt voor de noodzakelijke opvulling van de mijngangen, dit niet kan worden beschouwd als een stof waarvan de exploitant zich ontdoet of waarvan hij voornemens is zich te ontdoen, aangezien hij die stof juist nodig heeft voor zijn hoofdactiviteit, mits hij evenwel afdoende garanties geeft voor de identificatie en het daadwerkelijke gebruik van genoemde stof (arrest van 11 september 2003, Avesta Polarit Chro-me C-114/01, Jur.p. I-0000, punten 36-39 en 43).

39 Andere aanwijzingen dat het om een afvalstof in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442 gaat, blijken eventueel uit de omstandigheid dat de methode voor de verwerking van de betrokken stof een gangbare wijze van verwerking van afvalstoffen is of dat de maatschappij genoemde stof als een afvalstof aanmerkt, en uit de omstandigheid dat, wanneer het om een productieresidu gaat, de stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen of dat voor het gebruik bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het milieu moeten worden getroffen (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punten 69-72, 86 en 87).

40 Deze elementen zijn evenwel niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, en of er werkelijk sprake is van een afvalstof moet worden nagegaan aan de hand van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van de richtlijn en zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van deze laatste (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 88)."

6.15 Terug naar de onderhavige zaak. In het licht van het voorenstaande heeft het Hof de vraag of de aardappelsorteergrond gedurende de tijd dat deze in de nabijheid van de bedrijfsgebouwen van de verdachte was op-geslagen, als afvalstof diende te worden beschouwd, terecht beoordeeld aan de hand van het criterium of de (vorige) houder zich ervan heeft ont-daan. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het bedrijf de aardappeltarra als afval betitelde dat voor het bedrijf geen waarde had en dat het bedrijf ervoor betaalde om deze tarra kwijt te raken (bewijsmiddel 4, verklaring van [verbalisant 2], sinds 1983 milieucoördinator bij het aardappelverwerkende bedrijf Fri D'or en zijn rechtsopvolgers). Daarin ligt besloten dat de aardappelsorteergrond een productieresidu was, een product dat door de fritesfabriek niet als zodanig was beoogd en dat evenmin sprake was van een bijproduct waarvan hergebruik zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces zeker was. In dat licht bezien getuigt 's Hofs in de hiervoor weergegeven bewijsoverweging neergelegde oordeel dat het fritesbedrijf zich van de aardappelsorteergrond wilde ontdoen en heeft ontdaan door deze tegen betaling door de verdachte te laten ophalen (zodat die grond afvalstof vormde op het moment waarop de verdachte die onder zich kreeg), niet van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is zij evenmin.

6.16 De afzonderlijke in de toelichting op het middel naar voren gebrachte klachten stuiten daarop af. Dat geldt ook voor de klacht dat het Hof de "Criteria voor onderscheid tussen een afvalstof en niet-afvalstof" zou hebben miskend. Anders dan de steller van het middel meent vormen deze "tien geboden" geen recht in de zin van art. 79 RO. Dit reeds omdat de bedoelde oriëntatiepunten niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden bij de interpretatie van de wet. Rechters zijn wat de interpretatie van de wet betreft dan ook alleen aan deze in het Landelijk Afvalbeheerplan neergelegde criteria gebonden voor zover die criteria zijn wat zij beogen te zijn: een correcte weergave van de in de jurisprudentie van het HvJ te vinden "aanwijzingen".

6.17 Dat het Hof deze criteria heeft miskend, vermag ik overigens niet in te zien. Dat zou met meer recht van de steller van het middel kunnen wor-den beweerd. Hoewel het mij evident lijkt dat een fritesfabriek niet wordt opgericht om aardappeltarra te produceren, is volgens de steller van het middel sprake van een stof die beoogd wordt geproduceerd (criterium 6). Hoewel de fritesfabriek ervoor moest betalen om van de tarra verlost te worden, heeft die tarra volgens het middel voor het bedrijf geen negatieve waarde (criterium 9). Hoewel het Hof vaststelde dat het ging om "beduidende hoeveelheden kennelijk voor de productie ongeschikte aardappels en delen van aardappels, vermengd met aardappelloof en wisselende hoeveelheden grond", wordt in de schriftuur volgehouden dat de tarra gelijkwaardig is aan een overeenkomstige primaire grondstof (criterium 1). En hoewel de verbalisant stank van verrotting consteerde, moeten wij geloven dat er voor het mengsel een reguliere markt is (criterium 10). Ik kan de steller van het middel in dit alles niet volgen.

6.18 Voor zover de steller van het middel op p. 21 van de schriftuur nog betoogt dat het Hof de in de strafmotivering genoemde gezichtspunten (p. 7 arrest) heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of in casu sprake is van een afvalstof in de zin van de Wm, mist het feitelijke grondslag.

6.19 Aandacht verdient nog dat een afvalstof dat karakter op een gegeven moment weer kan verliezen. Dat is met name het geval als het afgedanke goed weer nuttig door een ander wordt gebruikt. Omstreden is of, zoals de Raad van State heeft geoordeeld, het enkele feit dat een afvalstof een bewerking heeft ondergaan die de stof gelijkwaardig maken aan (kort gezegd) een niet voor het milieu schadelijke grondstof, maakt dat niet langer van een afvalstof sprake is.(7) Die kwestie kan hier blijven rusten, nu door de verdediging niet is aangevoerd dat de aardappeltarra door gebruik of anderszins het karakter van afval heeft verloren. Het standpunt was steeds dat die tarra nooit het karakter van afvalstof heeft gehad. Ik merk daarbij op dat tijdens de opslag van gebruik nog geen sprake kan zijn. Door het Hof zijn voorts geen feiten vastgesteld die erop wijzen dat de opgeslagen tarra een bewerking heeft ondergaan die het van karakter deden veranderen.

6.20 In zijn bewijsoverweging heeft het Hof expliciet aandacht besteed aan de vraag of de tarra het karakter van afvalstof op het moment van opslag had verloren. Hetgeen het Hof daarbij in aanmerking neemt, leveren wel aanvullende "aanwijzingen" op dat sprake was van een afvalstof (vergelijk hiervoor, onder 6.17), maar zijn alleen indirect relevant voor de vraag of die stof dat karakter vervolgens heeft verloren. Het middel klaagt daar-over niet.

6.21 Wel richt het zesde middel zich tegen de desbetreffende overweging. Anders dan de steller in de toelichting op het zesde middel - deels met een beroep op feiten die in cassatie niet vaststaan - betoogt, heeft het Hof aan de foto's in samenhang met het vermelde in de bijbehorende processen-verbaal (dossierpagina's 264, 317 en 328-331) de in de aangevallen overweging genoemde conclusies kunnen verbinden. Dit oordeel betreft waarderingen van feitelijke aard en onttrekt zich derhalve aan de toetsing in cassatie. De begrijpelijkheidstoets kan het zonder meer doorstaan.

6.22Het eerste onderdeel van het eerste middel en het zesde middel falen.

7 Geen (aangewezen) inrichting? (middelen 1 en 2)

7.1 Het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel hebben gemeen dat zij zich keren tegen het oordeel van het Hof dat in casu sprake is van een "inrichting" in de zin van art. 8.1 Wet milieubeheer (Wm). Voor een goed begrip geef ik eerst het wettelijk kader weer.

7.2 Het eerste lid van art. 8.1 Wm luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt:

"1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben."

Art. 1.1 lid 1 Wm bevat de volgende definitie van het begrip "inrichting":

"inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht"

In de leden 3 en 4 van art. 1.1 Wm is het volgende bepaald:

"3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. (...)"

De in genoemd lid 3 bedoelde amvb is het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (in het vervolg: Ivb). Art. 2.1, eerste lid, van dat bestuit wijst als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid Wm de categorieën die staan vermeld in Bijlage I van het Besluit.

7.3 Van een "inrichting" in de zin van art. 8.1 eerste lid Wm is dus sprake als (1) voldaan is aan de definitie gegeven in art. 1.1 Wm en (2) de inrichting behoort tot een in genoemde Bijlage I vermelde categorie.

7.4 Het tweede onderdeel van het eerste middel keert zich met een beroep op omstandigheden van feitelijke aard tegen 's Hofs impliciete oordeel dat bij het opslaan van de aardappelsorteergrond sprake is van een inrichting in de zin van art. 1.1 Wm. Dit omdat niet voldaan zou zijn aan de eis van "bedrijvigheid binnen een zekere begrenzing". Gelet op de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, waaruit volgt dat de aardappelsorteergrond op regelmatige basis door de verdachte werd opgeslagen in een depot op zijn bedrijf, getuigt het oordeel van Hof dat sprake is van bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

7.5Het tweede middel bevat met een beroep op onderdeel 28.3, aanhef en sub c van bovengenoemde Bijlage I de klacht dat het Hof ten onrechte niet heeft "meegewogen" of de aardappelsorteergrond bouwstof vormde in de zin van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming.

7.6 Met betrekking tot de daarin vermelde Categorie 28 houdt genoemde Bijlage I, voor zover hier van belang, het volgende in.

"28.1 Inrichtingen voor:

a. het opslaan van:

1°. (...);

2°. bedrijfsafvalstoffen, die ten aanzien daarvan een capaciteit hebben van 5 m3 of meer;

(...);

b. het bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van afvalstoffen;

c. het storten van afvalstoffen;

d. het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.

28.2. (...)

28.3. Voor de toepassing van onderdeel 28.1 blijven buiten beschouwing:

(...)

c. werken als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming waarin als bouwstof worden gebruikt afvalstoffen, die kunnen worden aangemerkt als bouwstof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van dat besluit;

(...)".

7.7 Art. 1 lid 1 van het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. werk: grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk;

b. bouwstof: materiaal in de hoedanigheid waarin het is bestemd in een werk te worden gebruikt en waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10% (m/m) van dat materiaal bedragen;

c. gebruik of gebruiken van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen;"

7.8 In de toelichting op het middel wordt betoogd dat voor de activiteiten van de onderneming bestaande uit het uitrijden van de aardappelsorteergrond geen vergunning krachtens de Wm is vereist, aangezien er sprake is van een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (Bsb), waarin als bouwstof worden gebruikt afvalstoffen, die kunnen worden aangemerkt als bouwstof als bedoeld in art. 1 lid 1 aanhef en onder b van dat besluit.

7.9 De steller van het middel verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 26 mei 2004, AB 2004, 272 (zaak Aviko). In die zaak heeft de Afdeling de rechtmatigheid beoordeeld van een dwangsombesluit van het college van GS van Gelderland ten laste van Aviko B.V. wegens het zonder vergunning oprichten en werking hebben van een inrichting voor het opbrengen, ontwateren en omzetten van aardappelwaswaterslib (tarragrond).

7.10 De Afdeling heeft in die zaak ten eerste geoordeeld dat de door Aviko B.V. naar het depot gebrachte en aldaar opgeslagen tarragrond als afvalstof in de zin van de Wm diende te worden beschouwd en dat het depot een inrichting in de zin van die wet betrof, waarvoor een vergunning in de zin van art. 8.2, tweede lid, van de Wm was vereist.(8)

7.11 Ten tweede heeft de Afdeling overwogen dat voor het uitrijden van de tarragrond over het omliggende akkerbouwperceel geen vergunning in de zin van de Wm was vereist. De Afdeling heeft erop gewezen dat gelet op art. 2.1 lid 1 Ivb, in samenhang met bijlage I categorie 28 onderdeel 28.3 aanhef en onder c van het Ivb geen vergunning krachtens de Wm voor die activiteit (uitrijden van de tarragrond) is vereist, indien er sprake is van een werk als bedoeld in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (Bsb) waarin afvalstoffen als bouwstof worden gebruikt. De Afdeling heeft in dit kader nogmaals aangetekend dat Aviko B.V. zich door het uitrijden en omzetten van de tarragrond heeft ontdaan van afvalstoffen.

7.12 De in het middel geformuleerde klachten zien eraan voorbij dat ter beoordeling van het Hof uitsluitend stond de vraag of voor de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het zonder vergunning in werking hebben van een inrichting voor het opslaan van afvalstoffen, bestaande uit aardappelsorteergrond. Een "werk" als bedoeld in het genoemde Bouwstoffenbesluit levert dat opslaan niet op, zodat het beroep op genoemd onderdeel 28.3, aanhef en sub c faalt. Het Hof was, anders dan het middel wil, niet gehouden te beoordelen of voor de overige binnen de inrichting ten aanzien van de aardappelsorteergrond ondernomen activiteiten (uitrijden, ophogen e.d.) een vergunningplicht ingevolge de Wm bestond.

7.13 Het tweede onderdeel van het eerste middel en het tweede middel falen.

8 Uitzondering op de vergunningplicht? (middel 4)

8.1 Het vierde middel heeft betrekking op de uitzonderingsbepaling die is vervat in art. 8.1, tweede lid Wm. De toepasselijkheid van deze bepaling brengt mee dat, hoewel sprake is van een aangewezen inrichting in de zin van art. 1.1 lid 4 Wm, een vergunning niet is vereist. Voor de inrichting geldt in dat geval een ander regime. De milieueisen zijn dan niet vervat in vergunningsvoorschriften (geen maatwerk), maar in algemene regels vervat in een amvb.

8.2 Art. 8.1 Wm luidde, voor zover hier van belang, ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt:

"1. Het is verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting:

a. op te richten;

b. te veranderen of de werking daarvan te veranderen;

c. in werking te hebben.

2. Het verbod geldt niet met betrekking tot inrichtingen, behorende tot een categorie die bij een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40, eerste lid, is aangewezen, behoudens in gevallen waarin, krachtens de tweede volzin van dat lid, de bij die maatregel gestelde regels niet gelden voor een zodanige inrichting".

8.3 Art. 8.40 lid 1 Wm luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt:

"1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot daarbij aangewezen categorieën van inrichtingen regels worden gesteld, die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Bij de maatregel kan worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven categorieën van gevallen."

8.4 Het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer (Bam) is een algemene maatregel van bestuur uitgevaardigd krachtens artikel 8.40 Wm. In art. 1 onder a Bam zoals dat destijds luidde, wordt "een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt" als volgt gedefinieerd:

"een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die deel uitmaakt van een bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond, voor zover:

(...)

9e. organische mest, niet zijnde dierlijke mest, uitsluitend wordt bewaard voor aanwending ten behoeve van het eigen bedrijf;

10e. bewaring van land- en tuinbouwprodukten plaatsvindt, die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van het eigen bedrijf of aldaar zullen worden aangewend;

(...)."

8.5 Op grond van art. 2 Bam dient degene die een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt drijft, te voldoen aan bepaalde in Bijlage I van het Bam vermelde voorschriften, alsmede aan de krachtens die voorschriften door het bevoegde gezag gestelde nadere eisen. Art. 3 Bam roept een meldingsplicht aan het bevoegd gezag in het leven voor degene die voornemens is een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt op te richten, uit te breiden of te wijzigen.

8.6 De genoemde Bijlage I - zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde luidde - bevat talrijke voorschriften over onder meer de opslag van mest (onder 1 en 2), afvalstoffen (onder 8) en bodembescherming (onder 9). Het meer of minder stilzwijgende uitgangspunt lijkt daarbij te zijn dat het gaat om mest en afvalstoffen die direct gerelateerd zijn aan de akker en tuinbouw die op het desbetreffende bedrijf wordt bedreven (vgl. de onder 8.4 weergegeven definitie, in het bijzonder de onder 9e en 10e vermelde specificaties). Een verbod om op het bedrijf van elders afkomstige afvalstoffen op te slaan, treft men in elk geval niet aan. Illustratief is voorschrift 8.3.: "Afvalstoffen, niet zijnde snoeihout, bladeren en soortgelijke afvalstoffen, moeten op gezette tijden uit de inrichting worden afgevoerd. (...)". Dat afvalstoffen ook zouden kunnen worden aangevoerd, lijkt buiten het blikveld van de regelgever te hebben gelegen. Als aardappeltarra aangemerkt zou moeten worden als een "soortgelijke afvalstof" als snoeihout en bladeren, geldt het het gebod tot geregelde afvoer daarvoor niet.

8.7 In feitelijke aanleg (pleinota pp. 8 e.v.) is het beroep op de toepasselijkheid van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer onder-bouwd met een verwijzing naar een uitspraak van de Raad van State d.d. 18 juni 2003, zaaknr. 200201903/1, gegeven in een beroepsprocedure aangespannen door de onderneming die mede door de verdachte werd gedreven, tegen het college van burgermeester en wethouders van Reimerswaal (ter zake van een tegen de onderneming gericht dwangsom- besluit d.d. 10 september 2001). De Afdeling stond in die zaak voor de vraag welk bestuursorgaan als "bevoegd gezag" in de zin van art. 1 lid 1 onder b en artikel 3 lid 1 Bam had te gelden. De Afdeling heeft in dat kader onder meer overwogen:

"Niet is gebleken dat de inrichting niet valt onder het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten. Bij het beantwoorden van de vraag of de inrichting in hoofdzaak bestemd is voor het verbouwen van akkerbouwproducten op of in de open grond kan een aanwijzing zijn of de nevenactiviteiten, de litigieuze activiteiten met tarragrond, een zodanige omvang hebben dat deze, als afzonderlijke activiteiten beschouwd, zouden hebben te gelden als inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste en vierde lid, van de Wet milieubeheer. In het onderhavige geval overheersen echter de activiteiten die betrekking hebben op het verbouwen van akkerbouwproducten op of in de open grond, gelet op hun aard en omvang, zodanig dat de inrichting reeds daarom geacht moet worden daarvoor in hoofdzaak bestemd te zijn. De Afdeling stelt verder vast dat het innemen van en onttrekken van water aan tarragrond binnen de inrichting niet met zich brengt dat het Besluit ingevolge artikel 1, tweede tot en met het zevende lid, van het Besluit niet van toepassing is. Gelet hierop is het Besluit op de inrichting van toepassing."

8.8 De Raad van State oordeelde dus dat het bedrijf waarin de verdachte participeerde in september 2001 (dat is kort na de bewezenverklaarde periode) voldeed aan de in het Bam opgenomen definitie van een "akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt". Het zou kunnen dat het bedrijf sinds 24 april 2001 ingrijpende veranderingen heeft ondergaan, maar waarschijnlijk lijkt dat niet. In eerste aanleg stelde de OvJ zich op het standpunt dat de verdachte de Raad van State had misleid. De Rechtbank sloot zich daarbij in haar vonnis aan. Tegen die voorstelling van zaken is door de verdediging in hoger beroep gemotiveerd bezwaar gemaakt.

8.9 Het Hof heeft het beroep op de uitzonderingsbepaling van art. 8.2 lid 2 Wm verworpen. De desbetreffende - onder punt 10: Strafbaarheid van het bewezenverklaarde opgenomen - overwegingen luiden:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte van alle rechtsvervolging dient te woorden ontslagen, aangezien het bedrijf valt onder de AMvB Akker- en tuinbouwbedrijven (het hof leest: het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer).

Het hof is van oordeel dat dit besluit niet op het bedrijf van ver-dachte van toepassing is. Het besluit geldt voor akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondteelt; als zodanig worden be-schouwd bedrijven die geheel of in hoofdzaak zijn bestemd voor het verbouwen van akkerbouwprodukten of tuinbouwprodukten op of in de open grond, waarbij voor een aantal aspecten van de betreffende inrichting een bovengrens is aangegeven. Naar het oordeel van het hof is de omvang van de door de verdachte gepleegde opslag van "aardappelsorteergrond" als onder 9 omschreven zodanig, dat niet meer kan worden gesproken van "geheel of in hoofdzaak bestemd" voor het verbouwen van de bedoelde produkten. Daarbij heeft het hof mede acht geslagen op het feit dat het hier een hoeveelheid betreft die op zichzelf valt binnen categorie 28 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit."

8.10 Tegen deze overwegingen keert het middel zich met de klacht dat het Hof aldus ongemotiveerd en "eigenmachtig" het oordeel van de hoogste bestuursrechter heeft gepasseerd. Ook overigens zou de motivering onbegrijpelijk zijn.

8.11 Met betrekking tot de taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter oordeelde de Hoge Raad dat een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter meebrengt, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat in het geval de daartoe bij uitstek aangewezen hoogste bestuursrechter in een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang onherroepelijk de onverbindendheid van een algemeen verbindend voorschrift heeft uitgesproken, de strafrechter in beginsel van dat oordeel van deze bestuursrechter dient uit te gaan en zich niet opnieuw zelfstandig een oordeel over de onverbindendheid van het desbetreffende voorschrift vormt. De Hoge Raad heeft hierbij overigens aangetekend dat onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan een uitzondering op dit oordeel te maken.(9)

8.12 Met betrekking tot de waardering van bewijs geldt dat het de straf-rechter vrijstaat om tot een eigen waardering daarvan te komen, ook als deze afwijkt van de eerder door genoemde bestuursrechter gegeven waardering. De strafrechter kan in een latere uitspraak op basis van nagenoeg hetzelfde feitenmateriaal tot een ander oordeel komen dan de bestuursrechter met betrekking tot een feitelijke vraag. De strafrechter dient zich naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting daarover een zelfstandig oordeel te vormen.(10)

8.13 Minder duidelijk is of en in hoeverre de Hoge Raad zich gebonden acht aan de door de (hoogste) bestuursrechter gegeven wetsuitleg. De Hoge Raad blijkt bereid zich bij gevestigde rechtspraak aan te sluiten(11), maar daarmee is niet gezegd dat hij zich daaraan zonder meer gebonden acht. Zeker als het gaat om de uitleg van wetten die ook strafrechtelijk moeten worden gehandhaafd, is het niet vanzelfsprekend dat het primaat bij de bestuursrechter wordt gelegd.

8.14 In casu gaat het om een overwegend feitelijke kwestie. Op de achtergrond speelt echter de vraag naar de uitleg van de in het Bam gegeven definitie van een "akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt". Is bijvoorbeeld voldoende, zoals de Raad van State schijnt te menen, dat de akkerbouwactiviteiten "overheersen"? Of komt, zoals in de overwegingen van het Hof gelezen zou kunnen worden, aan de omvang van de opslagactiviteiten zelfstandige betekenis toe? Ik meen dat de strafrechter in dit geval - waarin juridisch oordeel en feitelijke waardering samenvloeien - niet aan het oordeel van de bestuursrechter is gebonden. Wel meen ik dat het belang van de voorkoming van tegenstrijdige uitspraken als regel meebrengt, dat de strafrechter in een dergelijk geval, als ter terechtzitting een beroep is gedaan op het oordeel van de bestuursrechter, dient te motiveren waarom hij van dat oordeel afwijkt. Anders gezegd: een beroep op een andersluidend oordeel van de bestuursrechter zal al gauw hebben te gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv waaraan niet zonder nadere redengeving voorbij mag worden gegaan.

8.15 In het bestreden arrest wordt niet expliciet op de uitspraak van de Raad van State ingegaan. Dat zou niet tot cassatie hoeven te leiden als gezegd kan worden dat de uitspraak voldoende gegevens bevat, waarin de vereiste nadere redengeving besloten ligt (vgl HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 rov. 3.8.1). De vraag is of dat het geval is. Ik kan niet zeggen dat de verwerping van het verweer erg helder maakt wat de gedachtegang van het Hof is geweest. Dat in het Bam voor een aantal aspecten van de inrichting een "bovengrens" is aangegeven - het Hof doelt kennelijk op de nadere beperkingen die in de in art. 1 lid 1 sub a Bam gegeven definitie zijn opgenomen - zegt op zich niets, terwijl de gegevens in het arrest niet impliceren dat de bovengrens in casu is overschreden. Het Hof zegt acht geslagen te hebben op het feit dat het hier een hoeveelheid betreft die op zich zelf valt binnen categorie 28 Ivb. Wat daarmee gezegd wil zijn is mij eerlijk gezegd een raadsel, nu een voorwaarde voor de toepasselijkheid van het Bam juist is, dat de inrichting onder één van de categorieën van het Ivb valt. Wat overblijft is de verwijzing naar de omvang van de opslag zoals die uit bewijsoverweging 9 (hiervoor weergegeven onder 6.3) blijkt. Een vergelijking met de omvang van de akkerbouwactiviteiten ontbreekt echter, zodat nog steeds mogelijk is dat die activiteiten - om met de Raad van State te spreken - "overheersen". Ik merk daarbij nog op dat tot de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet bijdraagt dat het Hof de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte voor het bewijs bezigde voor zover inhoudende: "In het kader van de melding AmvB Akker en tuinbedrijven daarentegen gelden het landbouwbedrijf en de BV als één inrichting, waaronder alle activiteiten van die beide bedrijven vallen.". Dat lijkt te betekenen dat het Hof de activiteiten van de BV niet gezien heeft als activiteiten die los staan van het landbouwbedrijf, maar daarvan een onderdeel vormen.

8.16 Toch is daarmee niet alles gezegd. Veel hangt uiteindelijk af van de uitleg die aan de in het Bam gegeven definitie van een "akkerbouw- of tuinbouwbedrijf met open grondsteelt" moet wordeen gegeven. Meer in het bijzonder is de vraag wat daarin onder "deel uitmaken" en onder "uitsluitend of in hoofdzaak bestemd" moet worden verstaan. De Nota van Toelichting bij het Besluit houdt het volgende in:

"Aangezien niet bet volledige bedrijf als een inrichting ingevolge de Wet milieubeheer wordt aangemerkt, wordt in het eerste lid, onder a, gesproken van een inrichting die deel uitmaakt van een bedrijf als in die bepaling omschreven. Het akkerland en de grond alwaar de volle grondstuinbouw plaatsvindt, wordt namelijk in het algemeen niet tot de inrichting gerekend.

Dit brengt me dat in de inrichting zelf in het algemeen gesproken geen produkten als bedoeld worden verbouwd, maar dat zij ten dienste staat aan het bedrijfsgedeelte alwaar het verbouwen van de produkten plaatsvindt en dat niet als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer wordt aangemerkt. In de inrichting zullen met betrekking tot de produkten die op de tot het bedrijf behorende grond, worden verbouwd, voornameiijk activiteiten worden verricht ais het opslaan, behandelen, sorteren, koelen, drogen, verpakken van de produkten.

De zinsnede "uitsluitend of in hoofdzaak" betekent dat in de inrichting in beperkte mate ook andere activiteiten mogen plaatsvinden, waarbij met name dient te worden gedacht aan het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren. Deze activiteiten moeten dan wel plaatsvinden binnen de in het eerste lid, onder a, aangegeven grenzen."(12)

8.17 Deze toelichting bevestigt mijns inziens mijn eerder uitgesproken in-druk dat bij inrichtingen die "deel uitmaken" van een bedrijf dat bestemd is voor de akker- of tuinbouw, uitsluitend gedacht is aan inrichtingen die 'bedrijfseigen' zijn, dat wil zeggen inrichtingen die min of meer inherent zijn aan een akkerbouw- of tuinbouwbedrijf of, nog weer anders gezegd, ten behoeve van de verbouw van akkerbouw- of tuinbouwproducten in werking zijn. Daarbij sluit aan dat de zinsnede "uitsluitend of in hoofdzaak" is gekozen om het Besluit ook toepasselijk te doen zijn op akkerbouw- en tuinbouwbedrijven waarin in beperkte mate activiteiten plaats vinden waarvan niet ongebruikelijk is dat zij met de beoefening van de akker- en tuinbouw samengaan. Blijkens de in de toelichting gegeven opsomming is gedacht aan zogenaamde "gemengde bedrijven". Niet gedacht is aan vormen van bedrijvigheid die niet tot het werk van boeren en tuinders plegen te worden gerekend. Dat verklaart wellicht waarom het Besluit aan dergelijke activiteiten geen beperkingen stelt.

8.18 Doorslaggevend is dit laatste overigens niet. Ook als er vanuit moet worden gegaan dat bij de vraag of een bedrijf "in hoofdzaak" bestemd is voor de akker- of tuinbouw, de aard van de andere activiteiten niet ter zake doet, geldt mijns inziens de eis dat de "inrichting" deel moet uitmaken van het akkerbouw- of tuinbouwbedrijf. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Als een boer, omdat de verbouwde aardappels toch vanzelf groeien, op zijn boerderij ook tegen betaling fietsen repareert, kan wellicht gezegd worden dat, nu de fietsenreparatie maar bijzaak is, het bedrijf in hoofdzaak is bestemd voor de akkerbouw. Toch kan dan mijns inziens niet gezegd worden dat de fietsenreparatie deel uitmaakt van dat in hoofdzaak voor de akkerbouw bestemde bedrijf. Het reparen van fietsen geschiedt immers niet ten behoeve van de aardappelverbouw. De fietsenwerkplaats is dan dus, hoe zeer de akkerbouwactiviteiten op de boerderij ook mogen "overheersen", geen "inrichting" die onder het Bam valt.

8.19 Voor deze strikte uitleg pleit ook de ratio. Wat voor de uitleg van het begrip afvalstoffen geldt, namelijk dat, zoals het HvJ overwoog(13), "rekening moet worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en ervoor moet worden gewaakt, dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid ervan", geldt mijns inziens ook voor de uitleg van de onderhavige regeling. Een effectief toezicht op de stroom afvalproducten zou danig worden gefrustreerd als vuilstortplaatsen die een boer of tuinder op zijn land inricht, niet vergunningplichting zouden zijn.

8.20 Als deze uitleg van het Bam juist is, kan de conclusie mijns inziens zijn dat het Hof het verweer, gezien de in de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging vastgestelde feiten, slechts had kunnen verwerpen. Een eerste aanwijzing dat de opslagplaats geen deel uitmaakte van het landbouwbedrijf vormt het gegeven dat de desbetreffende activiteit in een aparte BV was ondergebracht. Daarbij voegt zich de omvang van de opslagactiviteiten, die wijst op een zelfstandige bedrijvigheid. Daarop wijst ook het feit dat het om afval ging dat niet van het eigen bedrijf afkomstig was. Niet onbelangrijk zou ik tenslotte willen achten dat de tarra bestemd was om het terrein op te hogen, hetgeen - zoals althans door de verdediging is aangevoerd - een "werk" opleverde in de zin van het Bouwstoffenbesluit. Het uitvoeren van dergelijke werken is niet bedrijfseigen aan de akker- en tuinbouw.

8.21 Hoewel dus de motivering van het Hof te wensen overlaat, faalt het middel.

9 Opzet en rechtsdwaling (middelen 5 en 8)

9.1 In feitelijke aanleg (pleitnota p. 15 e.v. en p.75 e.v.) is aangevoerd dat de verdachte niet wist dat zij een milieuvergunning diende te hebben en dat zij er - gelet op de door de gemeente verleende toestemming - op mocht vertrouwen dat zij met een Bam-melding kon volstaan. Een en ander werd gepresenteerd als een bestrijding van de opzet. Het vijfde en het achtste middel hebben hierop betrekking en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

9.2 In het arrest van het Hof in de zaak tegen de verdachte is aan het verweer de volgende overweging gewijd:

"11. Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdachte niet strafbaar is omdat de gemeente de door de verdachte in het kader van het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer gedane melding heeft geaccepteerd, alsmede omdat de provincie voor de betreffende activiteit toestemming heeft verleend.

Het hof verwerpt dit verweer. Uit de ter zake van de melding overgelegde stukken blijkt niet dat deze betrekking hadden op de opslag van "aardappelsorteergrond" als onder 9 omschreven in hoeveelheden als door de verdachte beoogd. Ook uit de betreffende stukken van de provincie Zeeland blijkt niet dat deze betrekking hebben op zodanige opslag, doch slechts op de toepassing van het materiaal voor bodemverbetering, uit oogpunt van toxiciteit. Verder is evenmin aannemelijk geworden dat door de verdachte ter zake van de bedoelde opslag enige informatie is ingewonnen bij een zodanig deskundige persoon of instelling dat hij daaraan het vertrouwen kon ontlenen dat deze opslag was toegestaan.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar."

9.3 Het vijfde middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het zonder daartoe vereiste vergun-ning opslaan van de aardappelsorteergrond.

9.4 De bewijsmiddelen houden dienaangaande het volgende in:

- de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 maart 2005 (bewijsmiddel 1a.):

"Het klopt dat ik in de tenlastegelegde periode droge en natte tarragrond in ontvangst heb genomen van de fritesfabriek en heb afgevoerd. Een deel van deze grond heb ik gelijk gebruikt, een ander deel heb ik opgeslagen. De feiten staan dus vast."

- de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 15 april 2003 (bewijsmiddel 1b.):

"In het tijdvak van 1 januari 1997 tot en met 24 april 2001 was de BV niet in het bezit van een vergunning van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland voor het opslaan van van buiten mijn bedrijf afkomstige afvalstoffen met een capaciteit ten aanzien daarvan van 50 m3 of meer."

9.5 Uit deze bewijsmiddelen valt het vereiste opzet zonder meer af te leiden. De wet eist, anders dan de steller van het middel lijkt te menen, hier geen boos opzet: niet vereist is dat de verdachte wist dat wat zij opsloeg afvalstof in de zin der wet was en dat zij daarvoor een vergunning diende te hebben. Voldoende is dat de verdachte - tenminste in voorwaardelijke vorm - wist dat de tarra aan de kenmerken van een afvalstof voldeed (dus dat het ging om grond waarvan de fritesfabriek zich wenste te ontdoen) en wist dat zij geen vergunning had.(14)

9.6 Het achtste middel, kennelijk aansluiting zoekend bij de wijze waarop het opzetverweer door het Hof werd verworpen, gooit het over de boeg van de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld, zonder daarbij overigens de term rechtsdwaling te noemen.

9.7 Aan een geslaagd beroep op rechtsdwaling plegen hoge eisen te worden gesteld. Dat in aanmerking genomen, komt 's Hofs oordeel zoals hierboven weergegeven mij in het licht van het door de raadsman aangevoerde en de door hem overgelegde stukken waarvan het Hof kennis heeft genomen niet onbegrijpelijk voor, zodat het middel zich daartegen tevergeefs keert. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

9.9 Het vijfde en het achtste middel falen.

10 Ontvankelijkheid OM (middel 3)

10.1 Het derde middel klaagt in de eerste plaats over de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting in hoger beroep door de verdediging gedane verzoek.

10.2 Het Hof heeft ten aanzien van dit verzoek (en de overige door de raadsman gedane verzoeken) in het bestreden arrest het volgende beslist:

"6. Bespreking van verzoeken

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep het verzoek gedaan om:

a. nader onderzoek door de rechter-commissaris naar de stortingen van aardappelsorteergrond in de gemeente Borsele, de provincie en de gemeente;

(...)

Het hof wijst de door de raadsman van de verdachte gedane verzoeken af nu zij onvoldoende gespecificeerd zijn en ook overigens niet noodzakelijk zijn."

10.3 Het Hof heeft - hetgeen in het middel niet wordt bestreden - bij de beoordeling van genoemd verzoek de juiste maatstaf toegepast, namelijk het noodzaakcriterium. In tegenstelling tot de opvatting van de steller van het middel acht ik de door het Hof aan de afwijzing van het desbetreffende verzoek gegeven motivering niet onbegrijpelijk, nu uit de processen-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep noch uit de pleitnota in hoger beroep volgt dat dit verzoek door de raadsman nader met argumenten is onderbouwd.

10.4 Subsidiair - ik begrijp in de tweede plaats - keert het middel zich tegen de verwerping door het Hof van het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens het handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

10.5 Het Hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, omdat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Het storten van tarragrond van de fritesfabrieken in Zeeland wordt door anderen op verschillende landbouwpercelen in Zeeland gestort en het openbaar ministerie laat deze gang van zaken ongemoeid.

Het hof verwerpt dit verweer.

Op grond van het bepaalde in artikel 167, eerste lid van het Wet-boek van Strafvordering komt aan het openbaar ministerie een zelfstandige beslissingsbevoegdheid toe om na een onderzoek vervolging tegen een verdachte in te stellen. Op grond van artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering kan de officier van justitie afzien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. Weliswaar vindt die ruime bevoegdheid zijn begrenzing in (onder andere) het gelijkheidsbeginsel, maar het enkele feit dat - zoals in casu is aangevoerd - een ander niet is vervolgd, brengt nog niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Feiten of omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat zulks in casu wel het geval is, zijn niet aannemelijk geworden."

10.6 Het in het middel aangevoerde vormt een herhaling van de in hoger beroep naar voren gebrachte argumenten, erop neerkomende dat het Openbaar Ministerie de storting van de aardappelsorteergrond door derden in de regio niet heeft belemmerd dan wel heeft toegestaan.

10.7 Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt de enkele aangevoerde omstandigheid dat derden wier gedragingen evenzeer als die van de verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden dienen te zijn ten onrechte niet worden vervolgd, niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging tegen de verdachte.(15) Het in het middel aangevallen oordeel van het Hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

10.8 Het derde middel faalt.

11 Strafmotivering (middelen 9 en 10)

11.1 Het negende middel keert zich tegen de volgende in het kader van de motivering van de opgelegde straf gegeven overweging van het Hof:

"De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de op korte termijn verwachte inwerkingtreding van het Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen. Het hof ziet daartoe geen aanleiding, reeds omdat die regeling gelet op de thans voorziene inhoud ervan geen betrekking zal hebben op een opslag als de onderhavige."

11.2 Het in de overweging en het middel bedoelde besluit is het Besluit van 30 september 2005 tot wijziging van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen met betrekking tot plantenresten en tarragrond alsmede tot intrekking van het Besluit beheer land- en tuinbouwfolie (Stb. 2005, 488, in werking getreden op 15 november 2005). De in genoemd besluit opgenomen wijziging bestaat uit het opnemen van de mogelijkheid om bij ministeriële regeling categorieën van plantenresten en tarragrond (aanhangende grond die vrijkomt bij het behandelen van het gewas na de oogst) aan te wijzen die zijn vrijgesteld van het verbod van artikel 10.2 van de Wm om afvalstoffen te storten of anderszins op of in de bodem te brengen (deze vrijstellingen zijn opgenomen in het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen).

11.3 In de toelichting op het eerstgenoemde besluit staat het volgende vermeld over de tarragrond :

"Onder bepaalde voorwaarden zal het mogelijk worden om tarragrond, zijnde grond van de akkers die meekomt bij het oogsten van aardappelen, suikerbieten of andere gewassen terug te brengen op het land.

(...) Bij ministeriële regeling zullen specifieke categorieën van plantenresten en tarragrond worden aangewezen. Het uitgangspunt hierbij is dat uitsluitend vrijstellingen worden opgenomen die niet leiden tot een significante verspreiding van of belasting met zware metalen en andere contaminanten of mineralen. Dit is een concretisering van het criterium in artikel 10.2 van de Wm dat alleen vrijstelling verleend kan worden "indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet'. Dat brengt onder meer mee dat geen vrijstelling kan worden verleend voor uit milieuoogpunt ongewenste plantaardige afvalstromen (zoals bijvoorbeeld reststromen uit de voedings- of genotmiddelenindustrie)."

11.4 De in het Besluit bedoelde ministeriële regeling betreft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond (Stcrt. 11 november 2005, nr. 220, p. 20). In de toelichting op deze regeling wordt vermeld dat het bij de vrijstelling alleen mag gaan om het terugbrengen van tarragrond dat schoon en onverdacht is naar percelen waar dezelfde gewassen in een voorafgaande periode zijn geteeld.

11.5 De in de toelichting op het middel opgenomen klachten gaan geheel voorbij aan het feit dat het Besluit en de daarin bedoelde vrijstellingen uitsluitend betrekking hebben op het stortverbod van art. 10.2 Wm en dus niet zien op het verbod van art. 8.1 Wm. Inrichtingen voor de opslag van door fritesfabrieken afgedankte aardappelsorteergrond zijn dus nog even ver-gunningplichtig als voorheen. 's Hofs oordeel daaromtrent getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

11.6 Aan de in de toelichting "ten overvloede" gemaakte opmerkingen ga ik voorbij omdat zij berusten op hetzelfde misverstand waaraan ook het tweede middel laboreert.

11.7 Ook het negende middel kan niet tot cassatie leiden.

11.8 Het tiende middel richt zich tegen de volgende overwegingen uit de strafmotivering:

"De verdachte heeft met louter commerciële doeleinden grote hoeveelheden afvalstoffen (aardappelsorteergrond) opgeslagen, ten behoeve van het door haar uitgeoefende landbouwbedrijf, terwijl zij daarvoor geen vergunning ingevolge de Wet milieubeheer had. Door aldus te handelen heeft de verdachte het milieu in gevaar gebracht.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de financiële omstandigheden waarin de verdachte verkeert en met verwevenheid tussen de verdachte en haar mede vervolgde directeur-grootaandeelhouder [medeverdachte 1]."

11.9 In het middel wordt betoogd dat uit het dossier niet volgt dat de verdachte rechtspersoon een landbouwbedrijf exploiteert. Daarom zou het oordeel van het Hof inzake de verwevenheid tussen de verdachte en haar directeur-grootaandeelhouder onvoldoende zijn gemotiveerd.

11.10 Bewezenverklaard is dat het feit begaan is door de verdachte (de BV) samen met een ander, waarmee kennelijk wordt bedoeld op haar vertegenwoordiger [medeverdachte 1], die "privé" het landbouwbedrijf exploiteerde (zie hiervoor, punt 5.6). De steller van het middel kan worden toegegeven dat het Hof zich ongelukkig heeft uitgedrukt door de exploitatie van het landbouwbedrijf aan de verdachte toe te schrijven. Gelet evenwel op de door het Hof aangenomen financiële verwevenheid tussen de verdachte en [medeverdachte 1], doet deze misslag niet wezenlijk afbreuk aan de begrijpelijkheid van de strafmotivering.

11.13 Het tiende middel faalt.

12. De middelen falen en kunnen, met uitzondering van het vierde middel, worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Bijlage I is gewijzigd bij KB van 15 maart 2005, Stb 2005, 193 (inwerkingtreding 29 april 2005). Na deze wijziging zijn gedeputeerde staten pas bevoegd als de capaciteit van de onder 28.4 onder a sub 6e bedoelde inrichting 1.103 m3 of meer bedraagt.

2 De omschrijving in art. 1.1 Wm luidt sinds de wijziging van de Wm van 2001 als volgt:

"alle stoffen, preparaten of andere producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen."

3 Vgl. de uitgebreid gedocumenteerde uiteenzetting in de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse voor HR 14 december 2004, LJN AR4900 (autobanden), punt 3.7. e.v.

4 Omdat de genoemde Bijlage I een restcategorie bevat is de gegeven opsomming van categorieën voor de uitleg van het begrip afvalstoffen van weinig betekenis.

5 Vgl. de al genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Machielse. Zie voor de oude lijn HR 7 april 1998, NJ 1998, 576; HR 13 oktober 1998, NJ 1999, 26.

6 Vgl. HR 14 december 2004, LJN AR4900, r.o. 3.8.; HR 4 oktober 2005, LJN AT3643, r.o.5.7.

7 Zie nader de eerder genoemde conclusie van mijn ambtgenoot Machielse en de daarin genoemde literatuur.

8 R.o. 2.4.e.v. van de aangehaalde uitspraak.

9 HR 24 september 2002, NJ 2003, 80, m.nt. YB; HR 26 november 2002, NJ 2003, 81.

10 HR 11 mei 2004, NJ 2004, 606 m. nt. YB.

11 Zie bijv. HR 25 september 2001, NJ 2002, 229 m.nt. J. Koeman.

12 Nota van Toelichting behorende bij Stb. 1994, 107 (Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer), p. 38-39.

13 Zie rov. 73 van het hiervoor al aangehaalde Arco-arrest.

14 Zie over deze kwestie nader M. Kessler, Subjectieve bestanddelen in bijzondere wetten, Deventer 2001, m.n. p. 148, 149.

15 HR 16 april 1996, NJ 1996, 527, rov. 7.7. en HR 18 december 2001, NJ 2002, 318.