Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:AU8199

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-05-2007
Datum publicatie
11-05-2007
Zaaknummer
41674
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2004:AR8579
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AU8199
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

- artikelen 29, 32 en 33, CDW

- douanewaarde

- inkoopcommissie

- verzoek om terugbetaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2007/261 met annotatie van G.J. van Slooten
FutD 2005-2450
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 41 674

Mr. De Wit

Derde Kamer A

Verzoek om terugbetaling

3 november 2005

Conclusie inzake

X1 B.V.

tegen

Staatssecretaris van Financiën

1. Feiten en procesverloop

1.1. A Inc. (A), een Delaware corporation, gevestigd te Q in R (VS), heeft met B Inc., gevestigd te S in T (VS) een licentieovereenkomst gesloten op grond waarvan zij schoenen onder de merknaam C in de handel mag brengen. De schoenen worden in landen in het Verre Oosten gefabriceerd door niet met A gelieerde ondernemingen.

1.2. D Inc., ook gevestigd in R, vormt de zogeheten 'sourcing division' van A. Tot de gedingstukken behoort een brief, gedateerd 6 december 2000, afkomstig van A, waarin het volgende omtrent de werkzaamheden van D Inc. is vermeld:

"D, Inc. ("D'), a R, USA company and wholly owned subsidiary of A, Inc ("A"), provides a variety of services in the Far East relating to locally produced footwear. These services are provided through D's Taiwan branch and include the following:

- Developing and commercializing technical and non-technical aspects of footwear.

- Coordinating the order and production process including all steps from reservation of factory space through shipping.

- Arranging delivery of footwear products.

- Reporting as necessary to purchasers.

- Establishing raw material standards and requirements and coordinating purchases and interaction between vendors and factories.

- Negotiating specification and cost sheets for footwear products.

- Evaluation and assuring the quality of major components in pre-production.

- Inspecting finished production and verifying quality.

- Establishing standards for packaging and box artwork and monitoring compliance.

- Providing technical production assistance.

In return for these services D receives a fee based on the FOB price. This fee is included in cost sheets paid by Overland to factories producing certain footwear for Overland and the factories remit this amount to A."

1.3. A heeft op 31 december 1993 een distributie- en licentieovereenkomst gesloten met Overland Footwear Ltd. (voorheen: Overland Shoes Ltd), hierna aangeduid als Overland, gevestigd te U (Verenigd Koninkrijk). Overland is groothandelaar in schoenen, met name werk- en veiligheidschoenen en -laarzen, alsmede laarzen en schoenen voor sportieve doeleinden. Ingevolge deze overeenkomst mag Overland met goedkeuring van A geproduceerd schoeisel onder de merknaam C in bepaalde landen binnen de Europese Unie (met name het Verenigd Koninkrijk en Nederland), in de handel brengen. De overeenkomst geldt vanaf 1 januari 1994. In deze overeenkomst is ondermeer het volgende opgenomen:

"SECTION 1. DEFINITIONS.

In this agreement:

1.1 "Authorized manufacturer' means a company, firm, or corporation that A designates to Overland from whom Overland may purchase Products during the term of this Agreement.

(...)

1.9 "First Cost" of a Product shall mean 105% of the Factory Cost of the Product.

(...)

1.14 "Service Fee" has the meaning specified in Section 5.1.

(...)

SECTION 2. PURCHASE AND SALE OF PRODUCTS

2.1. A grants to Overland the exclusive right during the term of this Agreement to:

A. Sell Products to Retailers and wholesalers located in the United Kingdom and Ireland;

B. Sell Products to Sub-Distributors located in the Territory, for resale to Retailers and end-users located in the Territory;

C. (...)

D. (...)

on the term and subject to the conditions set forth in this Agreement.

2.2 Overland shall purchase all Products from one or more Authorized Manufacturers as provided in Section 10 of this Agreement.

(...)

SECTION 5. PAYMENTS

5.1 Payment Of Service Fees. With respect to each Product purchased by Overland, Overland will pay to A an amount equal to fifteen percent (15%) of the First Cost of the Product ("Service Fees"). A will invoice Overland for Service Fees with respect to Products purchased by Overland when a freight forwarder of freight consolidator issues an FCR with respect to shipment of the products by the Authorized Manufacturer.

(...)

SECTION 9. PRODUCT LINE AND PRODUCT QUALITY

9.1 Product. The "Products" will consist of work, safety and outdoor footwear bearing the Trademarks of various styles and models approved by A and B from time

to time. A shall periodically notify Overland of the Products that are available from Authorized Manufactures. All styles, designs, lasts, patterns, and product specifications shall be the property of A or B, even if developed by Overland or a Sub-Distributor. A reserves the right to change styles, lasts, patterns, and materials at any time without notice. All confirmed orders shall be manufactured, to the extent possible, according to the specifications in effect on the date the factory issues the pro forma invoice, except that Product specifications may be changed to meet A's quality requirements or the availability of materials.

9.2. Ouality. Overland shall not sell and shall not permit a Sub-Distributor to sell a Product unless the Product meets high safety and structural standards, is fit for its intended use, and is of a style, appearance, quality and consistency that meet A's quality standards and may be properly regarded as "First Quality" goods. A will perform quality control inspections before shipments of Products and will approve or disapprove Products pursuant to establish quality control standards of A and B. Overland agrees tot inspect all Products for damage incurred after the FCR date before offering them for sale and will not permit the sale of any Products properly classified as "Irregular" or "Seconds" of which are otherwise less than "First Quality" goods. Similarly, Overland will not offer for sale any goods in which the promotional and packaging materials, or any other materials bearing the Trademarks are damaged, defective, "Irregular", "Seconds", or otherwise fail to qualify as "First Quality".

SECTION 10. ORDERS, PRODUCTION, DEL IVERIES AND PAYMENTS

10.1. Sourcing. From time to time, A shall select and notify Overland of one or more Authorized Manufactures from whom Overland may purchase Products. If a given Authorized Manufacturer is not authorized to manufacture and sell all of the products, A will inform Overland as to which Products the Authorized Manufacturer is authorized to manufacture and sell.

10.2. Orders and Production. Although Overland shall purchase all Products directly from an Authorized Manufacturer and although each purchase order shall be made out to an Authorized Manufacturer, Overland shall send or deliver each purchase order to A for A's review and approval. If A approves the purchase order, it shall send or deliver it to the Authorized Manufacturer. Overland shall submit a separate purchase order for each model number of a Product that it orders. If A assigns to a purchase order a production number identifying the order, then Overland shall include that production number on all correspondence and accounting entries relating to that order. An order shall be considered "confirmed" when the Authorized Manufacturer issues a pro forma invoice containing the price, quantity, and delivery date.

(...)".

1.4. Op 15 april 1998 heeft X1 B.V. (belanghebbende), douane-expediteur, in opdracht van Overland bij de douane te P 250 kartons (3000 paar) herenschoenen, afkomstig uit China, voor het vrije verkeer aangegeven onder nummer IM-0004. Op de aangifte is tariefpost 6403 9116 (8% douanerechten) vermeld en als douanewaarde is aangegeven f 105.617,00. De goederen zijn dezelfde dag ter beschikking van de aangever gesteld, nadat aan haar een uitnodiging tot betaling van f 8.449,40 aan douanerechten was uitgereikt. Bij de aangifte was een factuur, gedateerd 19 maart 1998, overgelegd afkomstig van H Inc. te Hong Kong (H) ter zake van de levering van 3000 paar schoenen 'for account & risk of Overland Shoes Ltd.'. Op deze factuur zijn de goederen gespecificeerd onder ordernummers (vijf in totaal) en per ordernummer is een 'unit price' vermeld. De totale factuurprijs bedraagt US $ 50,958,00.

1.5. Op 10 december 1998 heeft de inspecteur een verzoek om terugbetaling ten bedrage van f 335,10 ontvangen met betrekking tot de op 15 april 1998 geheven douanerechten voor de sub 1.4. vermelde invoeraangifte. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen.

1.6. Tegen deze afwijzing heeft belanghebbende op 23 maart 1999 bezwaar ingediend. Het bezwaar is door de Inspecteur(1) bij uitspraak van 21 mei 2001 afgewezen. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak beroep ingesteld bij de Tariefcommissie te Amsterdam.(2)

1.7. Op grond van artikel XI van de Wet van 14 september 2001, Stb. 419, is met ingang van 1 januari 2002 de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam (de Douanekamer) in de plaats getreden van de Tariefcommissie.

1.8. De Douanekamer heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.(3) Belanghebbende heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris) heeft schriftelijk verweer gevoerd.

2. Uitspraak van de Douanekamer

2.1. Tussen partijen was voor de Douanekamer in geding het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggave van douanerechten, omdat bij de vaststelling van de douanewaarde ten onrechte geen rekening is gehouden met een vermindering van 4% ter zake van een betaling van een inkoopcommissie. De Douanekamer overweegt dienaangaande:

"6.1.2. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar artikel 33 CDW dat de douanewaarde te hoog is vastgesteld. Een deel van de aan de leverancier gedane betaling zou met ter voldoening van een bedongen prijs maar om een andere reden zijn gedaan, te weten als vergoeding voor door een derde, in casu D, verrichte werkzaamheden als inkoopagent. Daarmee stelt belanghebbende in wezen dat de goederen zijn gekocht voor een lagere prijs dan op de factuur is vermeld. Deze laatste stelling heeft belanghebbende naar het oordeel van de Douanekamer niet aannemelijk gemaakt. Er zijn geen bescheiden overgelegd op grond waarvan aannemelijk is dat de leverancier bij de verkoop van het schoeisel een andere, lagere prijs heeft bedongen als voorwaarde voor de verkoop dan die op de factuur was vermeld.

6.1.3. Dat door de leverancier een lagere prijs zou zijn bedongen, kan ook niet uit andere omstandigheden of uit de gedingstukken worden afgeleid. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat tussen Overland en D een overeenkomst is gesloten op grond waarvan D namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland optreedt bij de aankoop van de onderhavige goederen. Uit de sub 2.3. vermelde distributie- en licentieovereenkomst concludeert de Douanekamer veeleer dat D de diensten genoemd in de sub 2.2. vermelde brief verricht uit hoofde van een overeenkomst met A, met het oog op uitvoering van de licentieovereenkomst tussen A en B. In genoemde brief staat ook niet D doch A vermeld als degene die uiteindelijk van de fabrikanten een bedrag ter zake van de in die brief genoemde diensten ("services") ontvangt.

Er zijn ook verder geen feiten of omstandigheden gesteld en gebleken die aannemelijk maken dat in het onderhavige geval H Inc. aan D een bedrag zou hebben betaald namens of voor rekening van Overland.

Gelet op het vorenstaande is derhalve niet aannemelijk gemaakt dat in de vastgestelde douanewaarde elementen zijn begrepen, in het bijzonder inkoopcommissies, die op grond van artikel 33, onderdeel e, CDW geen deel hoeven uit te maken van de douanewaarde."

2.2. Belanghebbende heeft zich voor de Douanekamer voorts nog beroepen op artikel 250 van het Communautair douanewetboek (CDW). Dienaangaande overweegt de Douanekamer:

"6.2. De strekking van artikel 250 CDW

Het is redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar dat artikel 250 CDW betrekking heeft op de situatie waarin een en dezelfde douaneregeling als bedoeld in artikel 4, punt 16, CDW in verscheidene lidstaten wordt gebruikt. Nu de onderhavige douaneaangifte voor het brengen in het vrije verkeer uitsluitend ziet op in Nederland in het vrije verkeer gebrachte goederen, kunnen aan de door de Engelse douane tijdens controles gedane vaststellingen met betrekking tot andere, in Engeland gedane douaneaangiften geen bewijskracht als bedoeld in artikel 250 CDW worden ontleend, hetgeen derhalve in casu met zich brengt dat de ambtenaren de heffingsmaatstaf naar eigen bevinden met toepassing van de sub 6.1. besproken wettelijke bepalingen konden vaststellen."

2.3. De Douanekamer oordeelt vervolgens dat belanghebbende geen recht op terugbetaling van douanerechten heeft en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

3. Geding in cassatie

3.1. Belanghebbende heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betoogt dat de Douanekamer met het oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat in de vastgestelde douanewaarde elementen zijn begrepen die geen deel hoeven uit te maken van de douanewaarde, buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.

3.2. Het tweede middel richt zich met een rechts- en motiveringskracht tegen de in onderdeel 6.1.2 en 6.1.3. van de uitspraak opgenomen oordelen, met het betoog dat de Douanekamer ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd voorbij is gegaan aan de door belanghebbende ter zake ingenomen stellingen en ingebrachte bescheiden.

3.3. Het derde middel tot slot bestrijdt het oordeel van de Douanekamer omtrent de strekking van artikel 250 CDW, als verwoord in onderdeel 6.2. van de uitspraak.

4. Behandeling van het eerste middel

4.1. Zoals hiervoor vermeld, richt het eerste middel zich tegen het oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat in de vastgestelde douanewaarde elementen zijn begrepen, in het bijzonder inkoopcommissies, die op grond van artikel 33, onderdeel e, CDW geen deel hoeven uit te maken van de douanewaarde. Door aldus te oordelen zou de Douanekamer buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden.

4.2. Bij beoordeling van de vraag of de rechter daadwerkelijk buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden, is in de eerste plaats uiteraard relevant hoe partijen het geschil opvatten. Dit zal overigens niet altijd even duidelijk blijken uit de geschilomschrijving zoals deze door partijen (of de rechter) wordt vermeld. In voorkomend geval wordt een geschilomschrijving door partijen immers geheel niet opgenomen of juist zeer ruim geformuleerd. Om in dergelijke gevallen dus na te gaan ten aanzien van welke geschilpunten partijen het oordeel van de rechter wensen, zullen de diverse gedingstukken integraal moeten worden bestudeerd.

4.3. De rechter is echter niet gehouden aan een eventuele onjuiste rechtsopvatting die partijen delen. Opgemerkt zij dan ook dat het hiervoor vermelde met name ziet op hetgeen partijen hebben ingebracht omtrent de feiten, ofwel de "feitenstrijd".(4) Dit brengt met zich dat de rechter zich dient te onthouden van een oordeel over feiten waarover partijen niet van mening verschillen. Het kan immers niet zo zijn dat een partij wordt verweten bepaalde feiten niet aannemelijk te hebben gemaakt, terwijl deze voor partijen geen onderdeel van het geschil uitmaakten. Meyes c.s. verwoordt het als volgt: (5)

"Wat de rechter verboden is, is aan de feitelijke tegenstellingen tussen de partijstandpunten uitbreiding te geven. Hij mag dus in zijn beslissing geen punten betrekken die van feitelijke aard zijn, indien de partijen daarover geen strijd voeren, en hij moet zich onthouden van een toetsing van de in het geding zijnde beslissing op onderdelen waartegen geen bezwaren zijn aangevoerd."

4.4. Met betrekking tot de omvang van het geschil in onderhavige zaak, geldt het volgende. Belanghebbende heeft bij herhaling de feitelijke stelling ingenomen dat door Overland bedragen zijn betaald aan de verkoper (H), dat deze bedragen vervolgens weer zijn doorbetaalt aan D, en dat deze bedragen een vergoeding vormen voor diensten verricht door D ten behoeve van Overland. Wat heeft de Inspecteur hieromtrent in de loop van de procedure gesteld?

4.5. In de uitspraak op bezwaar van 21 mei 2001 vermeldt de Inspecteur het volgende:(6)

"Primair wordt gesteld, dat op basis van de ons ter beschikking staande gegevens niet is aangetoond dat het bedrag, zijnde 4% van de factuurwaarde dat, via de fabrikant, aan D wordt betaald inkoopcommissie is.

Secundair wordt gesteld dat, indien wordt aangetoond dat het wel inkoopcommissie betreft, in artikel 33 Verordening (EEG) nr. 2913/92 is bepaald dat de daar genoemde elementen, zoals inkoopcommissie, geel deel uit maken van de douanewaarde op voorwaarde dat zij van de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn te onderscheiden. In dit geval is de betaalde commissie niet te onderscheiden van de voor de ingevoerde goederen betaalde prijs. (...)"

Hieruit kan mijns inziens niet worden opgemaakt dat de Inspecteur de feitelijke stelling van belanghebbende, dat een bedrag ten behoeve van D aan de verkoper wordt betaald, weerspreekt. De Inspecteur merkt slechts op dat het bedrag niet ziet op inkoopactiviteiten dan wel dat het bedrag niet is onderscheiden.

4.6. In zijn verweerschrift neemt de Inspecteur min of meer hetzelfde standpunt in:

"Uit nader ontvangen informatie blijkt dat D een groot aantal verschillende diensten verleent in het Verre Oosten in relatie met aldaar geproduceerd schoeisel(7) Zo houdt deze zich onder meer bezig met ontwikkeling en vercommercialisering van technische en niet- technische aspecten van schoeisel, met coördinatie van productie en alle tussenliggende stappen tot en met verscheping, met rapportage, tot en met technische productiebijstand.

(...)

De betaalde vergoedingen kunnen naar ik meen dan ook niet worden aangemerkt als inkoopcommissies. Nu er geen sprake is van inkoopcommissies kom ik niet toe aan toepassing van artikel 33, letter e, CDW en kan ik niet overgaan tot vermindering van de douanewaarde.

Mocht uw Kamer echter van mening zijn dat er overwegingen zijn die er toe nopen de werkzaamheden van D aan te merken als die van een inkoopagent, dan zal ik hierna uiteenzetten waarom ik dan toch van mening blijf dat de betaalde vergoeding niet in mindering gebracht kan worden op de douanewaarde.

Zoals hiervoor al is aangegeven kan inkoopcommissie slechts buiten de douanewaarde worden gelaten als deze is te onderscheiden van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs.

(...)"

4.7. Duidelijk is dat de Inspecteur ook hier op geen enkele wijze de stelling van belanghebbende bestrijdt dat een vergoeding - via de verkoper - aan D is betaald. De Inspecteur bestrijdt primair namelijk alleen de aard van de diensten waarvoor de vergoeding wordt betaald. Bovengenoemd standpunt wordt door de Inspecteur in zijn pleitnota wederom herhaald. Blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting heeft de Inspecteur hier nog aan toegevoegd: "Belanghebbende heeft ter zake van de door D verrichte diensten geen onderscheid gemaakt tussen de diensten die tot de 'inkoop' kunnen worden gerekend en andere diensten. (...)".

4.8. In zijn verweerschrift betoogt de staatssecretaris evenwel dat de Douanekamer - gelet op het standpunt van de Inspecteur dat een inkoopcommissie slechts buiten de douanewaarde kan worden gelaten als deze is te onderscheiden van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs - mocht onderzoeken of de betaalde prijs de transactiewaarde is. De staatssecretaris trekt het hiervoor verwoorde standpunt van de Inspecteur mijns inziens enigszins uit zijn verband. Dit standpunt ziet namelijk niet op de hiervoor besproken feitelijke stellingname van belanghebbende omtrent de daadwerkelijke betaling aan D door belanghebbende, maar heeft slechts betrekking op de bij de aangifte overgelegde bescheiden (een louter formeel standpunt zo men wil). Dit kan eenvoudig worden opgemaakt uit het vervolg van het betoog van de Inspecteur:

"Op de bij de aangifte ten invoer nr. 0004 overgelegde factuur, welke invoeraangifte de basis vormde voor het onderzoek om terugbetaling genoemd in punt 2.1, is geen afzonderlijk bedrag opgenomen voor inkoopcommissie. Mocht er al sprake zijn van een inkoopcommissie, dan nog zal er geen aftrek kunnen plaatsvinden, daar deze inkoopcommissie niet is te onderscheiden van de betaalde prijs."

4.9. Gezien het voorgaande meen ik met belanghebbende dat de Douanekamer buiten de rechtstrijd is getreden door belanghebbendes niet weersproken stelling dat de leverancier bij de verkoop van het schoeisel een andere, lagere prijs heeft bedongen als voorwaarde voor de verkoop dan die op de factuur was vermeld, te beoordelen. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van het oordeel dat verder geen feiten of omstandigheden zijn gesteld en gebleken die aannemelijk maken dat in het onderhavige geval H aan D een bedrag zou hebben betaald namens of voor rekening van Overland (voorlaatste alinea van onderdeel 6.1.3. van de uitspraak). In zoverre slaagt het eerste middel.

4.10. De vraag is evenwel of het slagen van het eerste middel tot cassatie van de uitspraak moet leiden. De hiervoor besproken gewraakte oordelen omsluiten namelijk het volgende oordeel:

"Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat tussen Overland en D een overeenkomst is gesloten op grond waarvan D namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland optreedt bij de aankoop van de onderhavige goederen. Uit de sub 2.3. vermelde distributie- en licentieovereenkomst concludeert de Douanekamer veeleer dat D de diensten genoemd in de sub 2.2. vermelde brief verricht uit hoofde van een overeenkomst met A, met het oog op uitvoering van de licentieovereenkomst tussen A en B. In genoemde brief staat ook niet D doch A vermeld als degene die uiteindelijk van de fabrikanten een bedrag ter zake van de in die brief genoemde diensten ("services") ontvangt."

Met name tegen deze oordelen richt zich het tweede middel, dat hierna zal worden behandeld.

5. Behandeling van het tweede middel

5.1. In het licht van de bij het eerste cassatiemiddel bereikte conclusie, zal in cassatie als uitgangspunt hebben te gelden dat vaststaat dat de fabrikant, H, 4% van de factuurwaarde heeft betaald aan D. Daarvan uitgaande, kan ik met betrekking tot de in het tweede middel opgenomen rechtsklacht ten aanzien van de artikelen 29 en 33 van het CDW kort zijn. De Douanekamer heeft voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een inkoopcommissie onderzocht of tussen Overland en D een overeenkomst is gesloten op grond waarvan D namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland optreedt bij de aankoop van de onderhavige goederen. De met dit oordeel gehanteerde maatstaf geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (Vgl. artikel 32, lid 4, CDW jo. HvJ EG C-299/90 (Gebr. Hepp), Jur. EG 1991, blz. I-4301).

5.2. Duidelijk zal zijn dat op belanghebbende de bewijslast rust om aan te tonen dat het bedrag dat door Overland via H wordt betaald aan D, valt aan te merken als een inkoopcommissie. Het is immers belanghebbende die in het onderhavige geval heeft verzocht om een herziening van de door haar ingediende aangifte. In dit kader kan worden gewezen op r.o's 67 en 68 van het arrest Overland Footwear Ltd. II van het HvJ EG.(8)

5.3. In de toelichting op het tweede middel betoogt belanghebbende dat de Douanekamer ten onrechte is voorbij gegaan aan de door belanghebbende ingebrachte stellingen en bescheiden. In het kader van dat betoog, volgt hierna een weergave van hetgeen partijen met betrekking tot de activiteiten van D ten behoeve van Overland naar voren hebben gebracht.

5.4. In de motivering van het beroepschrift merkt belanghebbende allereerst op:

"We hebben reeds op 18 december 2000 aan L van de douane, district P bewijs voorgelegd dat aantoont dat D als inkoopagent overzee voor Overland handelt. Ik zie er niet de noodzaak van in om deze zaken weer in deze brief te herhalen, want u heeft de desbetreffende documenten reeds in handen."

Het lijkt erop dat belanghebbende zich vergist wat betreft de dossiervorming bij - destijds - de Tariefcommissie. De documenten waar belanghebbende op doelt, konden zich op dat moment immers (nog) niet in het dossier bevinden. Die documenten werden de Tariefcommissie vermoedelijk eerst toegezonden als bijlagen bij het verweerschrift van de Inspecteur.

5.5. In het vervolg van de motivering van het beroepschrift wijst belanghebbende op een uitspraak van de Londen VAT and Duties Tribunal, waarvan een afschrift was bijgevoegd. In die uitspraak, die heeft geleid het arrest Overland Footwear Ltd. van het HvJ EG,(9) is o.a. het volgende vermeld:

" The Facts

3. The following statement of facts was agreed:

(...)

(2) D acts as Overland's buying agent in the Far East.

(3) Overland pays A a buying commission for A's services as a buying agent. The commission paid by Overland is a fixed percentage of the selling price of the goods Overland pays tot the manufacturer of the goods, who passes the buying commission to A in Overland's behalf."

Het is duidelijk dat de door het Tribunal weergegeven feitencomplex overeenkomt met de door belanghebbende in onderhavige zaak naar voren gebrachte stellingen.

5.6. Tevens kan worden gewezen op een brief, gedateerd 6 december 2000, afkomstig van D Inc., die een uiteenzetting bevat van de werkzaamheden van D Inc. en de wijze waarop deze worden vergoed (Bijlage 5 van het verweerschrift, opgenomen in onderdeel 1.2 van deze conclusie).

5.7. In haar pleitnota zet belanghebbende uiteen dat de overeenkomst tussen D en Overland tot het verlenen van enige diensten mondeling is gesloten en verder niet schriftelijk is vastgelegd. Voorts wordt er op gewezen dat de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk een diepgravend onderzoek hebben verricht. Bij de pleitnota is in dat kader een afschrift gevoegd van een brief van de douane van het Verenigd Koninkrijk van 28 augustus 1997 waarin wordt aangegeven: "the 4% fee of D is a "buying commission" and therefore will attract VAT only". Daarnaast zijn bij de pleitnota stukken gevoegd met betrekking tot de in het Verenigd Koninkrijk door Overland gevoerde procedure (zie tevens onderdeel 5.5. hiervoor).

5.8. In zijn pleitnota merkt de Inspecteur op dat de rol van A veel verder gaat dan het zijn van inkoopagent. Gewezen wordt in dat verband op de eigen verklaring van A (als genoemd in onderdeel 5.6. hiervoor). Voorts wijst de Inspecteur op hetgeen is bepaald in de distributie- en licentieovereenkomst tussen A en Overland.

5.9. Na de zitting heeft de Inspecteur op verzoek van de Douanekamer nog enkele stukken ingezonden, waaronder het verzoek om terugbetaling van 8 december 1998. Als bijlage bij dat verzoek is een afschrift van een brief gevoegd van M van N en O central excise, waarin het volgende wordt verklaard:

" Dear Sir,

I would confirm that following an in depth review of your Contracts and Agreements with B and D, the Department accepts that inbuilt into the selling price of shoes manufactured in the Far East, by any supplier, is an element of 4% Buying Commission which only attracts Import VAT.

Your Freight Agents should be advised to attach a copy of this letter to every entry presented to support the exclusion of the 4% for Ad Valorem Duty Purposes."

5.10. Tevens heeft de Inspecteur op verzoek van de Douanekamer een afschrift van de distributie- en licentieovereenkomst tussen A en Overland ingezonden. Citaten uit die overeenkomst zijn in onderdeel 1.3. hiervoor opgenomen.

5.11. Op basis van de hiervoor vermelde feitelijke informatie, heeft de Douanekamer geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen Overland en D een overeenkomst is gesloten op grond waarvan D namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland optreedt bij de aankoop van de onderhavige goederen. De overgelegde informatie wijst er in de visie van de Douanekamer veeleer op dat D de diensten verricht uit hoofde van een overeenkomst met A, met het oog op uitvoering van de licentieovereenkomst tussen A en B.

5.12. Kennelijk acht de Douanekamer hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, mede gezien de distributie- en licentieovereenkomst, onvoldoende ter onderbouwing van haar - door de Inspecteur weersproken - stelling. Het betoog dat de Douanekamer ten onrechte is voorbij gegaan aan hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, onderschrijf ik dan ook niet. Hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht met betrekking tot de relatie tussen Overland en D daar waar het gaat om de gewraakte inkoopactiviteiten, is karig te noemen. Ik kan me voorstellen dat partijen in goed vertrouwen besluiten om het overeengekomene niet nader schriftelijk vast te leggen. Dat is hun goed recht. Indien de aard van hetgeen aldus is overeengekomen - al dan niet door derden - wordt betwist, kan echter niet worden volstaan met de enkele opmerking dat sprake is van een overeenkomst die niet schriftelijk is vastgelegd. Hetgeen is overeengekomen zal dan op andere wijze aannemelijk moeten worden gemaakt. Het oordeel is in dit licht bezien niet onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk. Voor het overige berust het op een aan de Douanekamer voorbehouden waardering van bewijsmiddelen.

5.13. Voor zover het middel nog betoogt dat de Douanekamer, in een geval als het onderhavige, is gebonden aan het oordeel van het VAT and Duties Tribunal Centre, faalt het eveneens. Belanghebbende beroept zich immers op een "statement of facts", hetgeen erop duidt dat het VAT and Duties Tribunal Centre als vaststaand feit heeft aangenomen dat het betreffende bedrag een 'inkoopcommissie' is. De conclusie dat dat bedrag in mindering komt op de douanewaarde volgt logischerwijze uit de vaststelling van dit feit. Het betreft een feitenvaststelling waarover partijen kennelijk niet van mening verschilden. Van een oordeel hierover door het VAT and Duties Tribunal Centre is dan ook geen sprake.

5.14. Het komt mij voor dat de Nederlandse rechter niet gebonden is aan de feitenvaststelling verricht door een rechter uit een andere lidstaat, zeker niet nu het VAT and Duties Tribunal Centre van deze feiten is uitgegaan omdat partijen (de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk en Overland) daarover niet van mening verschilden. In de onderhavige procedure, die volgens belanghebbende eenzelfde feitencomplex betreft, verschillen partijen nu juist wel van mening over de feiten. Zij verschillen specifiek van mening over de vraag terzake van welke activiteiten het bedrag door Overland via H aan D wordt betaald. Onder die omstandigheden stond het de Douanekamer vrij voorbij te gaan aan de feitenvaststelling van het VAT and Duties Tribunal Centre. Het gewicht dat aan het oordeel van de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk moet worden toegekend, komt overigens nog specifiek aan de orde bij behandeling van het derde middel.

6. Behandeling van het derde middel

6.1. Het derde middel richt zich tegen de uitleg die de Douanekamer heeft gegeven aan artikel 250 van het CDW. Sinds invoering van het CDW luidt deze bepaling:

"HOOFDSTUK II

Rechtsgevolgen in een Lid-Staat van in een andere Lid-Staat getroffen maatregelen, van aldaar afgegeven documenten en aldaar gedane vaststellingen.

Artikel 250

Indien een douaneregeling in verscheidene Lid-Staten wordt gebruikt,

- hebben de door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat genomen besluiten, getroffen of aanvaarde identificatiemaatregelen en afgegeven documenten in de andere Lid-Staten dezelfde rechtsgevolgen als door de douaneautoriteiten van elk van deze Lid-Staten genomen besluiten, getroffen maatregelen en afgegeven documenten;

- hebben de door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat tijdens controles gedane vaststellingen in de andere Lid-Staten dezelfde bewijskracht als door de douaneautoriteiten van elk van deze Lid-Staten gedane vaststellingen."

6.2. De Douanekamer heeft geoordeeld dat redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat dit artikel betrekking heeft op de situatie waarin een en dezelfde douaneregeling in verscheidene lidstaten wordt gebruikt. Belanghebbende bestrijdt dit oordeel met het betoog dat deze bepaling eveneens geldt indien gebruik wordt gemaakt van één en dezelfde douaneregeling (brengen in het vrije verkeer), terwijl het verschillende zendingen betreft.

6.3. Dit betoog kan niet worden aanvaard. De aanhef en strekking van genoemd artikel is overduidelijk. De regeling ziet op een specifieke plaatsing van goederen onder een douaneregeling, niet op het gebruik van eenzelfde douaneregeling voor diverse zendingen. Ook het derde middel faalt.

6.4. Hoewel bij behandeling van het eerste middel is gebleken dat de Douanekamer met enkele feitelijke oordelen buiten de rechtsstrijd is getreden, kom ik na bespreking van de overige middelen tot de slotsom dat het oordeel van de Douanekamer dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen Overland en D een overeenkomst is gesloten op grond waarvan D namens en voor rekening van Overland dan wel op eigen naam maar voor rekening van Overland optreedt bij de aankoop van de onderhavige goederen, niet met vrucht is bestreden. Dit oordeel kan de conclusie van de Douanekamer dat geen recht op terugbetaling van douanerechten bestaat, dragen. Het eerste middel kan op zichzelf niet tot cassatie van de uitspraak leiden.

7. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep ongegrond te verklaren.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Hoofd douanedistrict P.

2 Uit de uitspraak blijkt overigens dat een tweetal verzoeken om terugbetaling is ingediend (één ten name van X2 B.V.), waarop afwijzend is beschikt. Na gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur twee uitspraken gedaan. De Tariefcommissie heeft het tegen die uitspraken ingestelde beroep vervolgens gesplitst. Het beroep geregistreerd onder nummer 01/90169 is ingetrokken.

3 Hof Amsterdam 14 december 2004, nr. 01/90168 DK (voorheen: nr. 0168/2001), te vinden op www.rechtspraak.nl. Een samenvatting van de uitspraak is opgenomen in Douane Update 2005/54.

4 Zie hieromtrent de vaak aangehaalde uiteenzetting van Aardema bij HR 20 juni 1990, nr. 26 204 in Fed 1990/643.

5 Meyes, Van Soest, Van den Berge, Van Gelderen, Fiscaal procesrecht, Kluwer-Deventer 1997, blz. 99.

6 Bijlage 2 van het beroepschrift.

7 Noot Inspecteur: Zie de brief welke als bijlage 4 bij mijn verweer is gevoegd.

8 HvJ EG, 20 oktober 2005, zaak C-468/03, (Overland Footwear II), te vinden op www.curia.eu.int.

9 HvJ EG 5 december 2002, C-379/00 (Overland Footwear ), Pb EG 2002, blz. I-11133.