Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ3878

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
02195/06 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ3878
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolgingsuitlevering aan VS. Het door de rb bedoelde arrestatiebevel houdt als verwijt o.m. in: “bewust en opzettelijk samen te zweren en overeen te komen om, direct en indirect, met anderen overtredingen te begaan tegen de VS, namelijk titel 18, Amerikaans Wetboek van Strafrecht, sectie (…) 2314 (reisfraude)”. Bedoelde wetsbepaling is niet overgelegd. In zoverre is niet voldaan aan het vereiste van art. 9.1.c, van het te dezen toepasselijke NL-VS uitleveringsverdrag. Doende wat de rb had behoren te doen zal de HR de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02195/06 U

Mr. Vellinga

Zitting: 28 november 2006

Conclusie inzake:

[de opgeëiste persoon]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft de gevraagde uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging ter zake van de feiten zoals omschreven in de bestreden uitspraak onder 2.4.2 en voor zover gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot februari 2006 en de gevraagde uitlevering voor het overige ontoelaatbaar verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 02194/06 U, 02195/06 U en 02196/06 U. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

4. Het eerste middel behelst de klacht dat de Rechtbank in haar overweging 2.4.2 ten onrechte niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft vermeld ten aanzien van welke feiten zij de uitlevering heeft toegestaan.

5. De bestreden uitspraak houdt ten aanzien van de aanduiding van de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard het volgende in:

"2.4.1 Feitenomschrijving

De opgeëiste persoon wordt verdacht van betrokkenheid bij een zogenaamd advance fee complot. Via e-mail dan wel per post werden brieven verzonden waarin de opgeëiste persoon (met anderen) op grond van valse informatie en beloftes probeerde mensen te bewegen geld te storten. De opgeëiste persoon en/of (een van) zijn mededader(s) nam vervolgens dat geld op zonder die informatie/beloftes waar te maken. Het gaat om zeer hoge bedragen. Op 19 september 2005 is een opsporingsonderzoek gestart in Nederland, waarin de opgeëiste persoon een van de verdachten is. Omdat het merendeel van de slachtoffers in de Verenigde Staten bleek te wonen, heeft de officier van justitie contact opgenomen met de desbetreffende autoriteiten aldaar. De Amerikaanse justitiële autoriteit heeft daarop een uitleveringsverzoek betreffende de opgeëiste persoon ingediend. De Nederlandse officier van justitie heeft meegedeeld dat hij de opgeëiste persoon niet in Nederland zal vervolgen indien de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de feiten onvoldoende duidelijk zijn omschreven. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de omschrijving van de feiten waarvan de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten wordt verdacht - zoals weergegeven in de telastelegging van het United States District Court, Eastern District of New York van 22 maart 2006 - voldoende concreet is. Deze omschrijving in samenhang met de bij het uitleveringsverzoek gevoegde wetsartikelen laat geen ruimte voor twijfel aan de aard van de verdenking.

2.4.2 Ongenoegzaamheid der stukken

Volgens het arrestatiebevel wordt de opgeëiste persoon ervan beschuldigd dat hij:

A. knowingly and willfully conspired and agreed, directly and indirectly, with others to commit offenses against the United States; namely, title 18, United States code, section 1343 (wire fraud); 1341 (mail fraud); 1344 (bank fraud) and 2314 (travel fraud);

B. knowingly and willfully devised and attempted to devise a sheme and artifice to defraud and to obtain money and property bij means of material false and fraudulent pretenses, representations and promises and executed and attempted to execute the sheme and artifice by transmitting and causing to be transmitted, by means of wire, radio and television communication in interstate and foreign commerce, writings, signs, signals, pictures and sounds;

C. knowingly and willfully devised and attempted to devise a sheme and artifice to defraud and to obtain money and property by means of material false and fraudulent pretenses, representations and promises and to execute and attempt to execute the sheme and artifice by placing and causing to be placed in a post office and an authorized depository for mail matter to be sent and to be delivered by the United States postal service and to deposit and cause to be deposited matter to be sent and delivered by a private and commercial interstate carrier.

Deze beschuldigingen worden geconcretiseerd in de indictment en hebben betrekking op een feitencomplex en niet op afzonderlijke feiten. Anders dan de officier van justitie en overeenkomstig eerdere rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat de feiten die volgens het Amerikaanse recht een conspiracy opleveren, kunnen worden gebracht onder de Nederlandse begrippen "medeplegen" en "medeplichtigheid", zodat de feiten kunnen worden gekwalificeerd zoals hieronder onder 2.5. is weergegeven. De rechtbank merkt hierbij op dat bij de overgelegde artikelen van de Amerikaanse wetgeving het artikel betreffende de criminele organisatie, zoals de Amerikaanse wetgeving die ook kent, ontbreekt. De rechtbank zal de Nederlandse vertaling van zowel het aanhoudingsbevel als de indictment aan deze uitspraak hechten.

(...)

4. Beslissing

Verklaart TOELAATBAAR de door de Amerikaanse autoriteiten verzochte uitlevering van [medeverdachte 1] voornoemd, ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld onder 2.4.2, gepleegd in de periode van 1 januari 2005 tot februari 2006."

6. Aan de bestreden uitspraak is onder meer gehecht de Nederlandse vertaling van de Amerikaanse aanklacht ("indictment") van de "Grand Jury" van de Federale Rechtbank, oostelijk arrondissement van New York (Verenigde Staten van Amerika), van 22 maart 2006. Deze aanklacht houdt ten aanzien van de aanduiding van de feiten het volgende in:

"DE GRAND JURY BRENGT HET VOLGENDE ALS BESCHULDIGING IN:

Op alle momenten die relevant zijn voor deze aanklacht, tenzij anders aangegeven:

1. was de gedaagde [medeverdachte 2], ook gekend als " [alias 1; medeverdachte 2]", " [alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", een staatsburger van Nigeria woonachtig te [woonplaats].

2. was de gedaagde [de opgeëiste persoon], ook gekend als "[alias 1; opgeëiste persoon]", "[alias 2; opgeëiste persoon]" en "[alias 3; opgeëiste persoon]", woonachtig te [woonplaats].

3. was de gedaagde [medeverdachte 1], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 1]", "[alias 2; medeverdachte 1]" en "[alias 3; medeverdachte 1]", een staatsburger van Nigeria woonachtig te [woonplaats].

4. was de gedaagde ONBEKENDE 1, ook gekend als "[alias 1 onbekende 1]" , "[alias 2 onbekende 1]", "[alias 3 onbekende 1]" en "[alias 4 onbekende 1]", een staatsburger van Nigeria woonachtig te [woonplaats].

5. Een "advance-fee" complot is een list waarbij de daders brieven of e-mails sturen en slachtoffers een grote som geld aanbieden, maar op frauduleuze wijze de slachtoffers overtuigen dat zij diverse vergoedingen moeten betalen voordat zij de grote som ontvangen. De daders nemen het door de slachtoffers betaalde geld als vergoedingen, maar betalen de beloofde grote som geld niet.

PUNT EEN VAN AANKLACHT

(Samenzwering)

6. In of rond en tussen 2002 en februari 2006, waarbij beide datums bij benadering zijn gegeven en inclusief zijn, hebben in het oostelijke arrondissement van New York en elders de gedaagden [medeverdachte 2], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 2]", "[alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", [de opgeëiste persoon], ook gekend als "[alias 1; opgeëiste persoon]", "[alias 2; opgeëiste persoon]" en "[alias 3; opgeëiste persoon]", [medeverdachte 1], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 1]", "[alias 2; medeverdachte 1]" en "[alias 3; medeverdachte 1]" en ONBEKENDE 1, ook gekend als "[alias 1 onbekende 1]", "[alias 2 onbekende 1]", "[alias 3 onbekende 1]" en "[alias 4 onbekende 1]", samen met anderen, bewust en opzettelijk samengezworen:

A. om een complot en list op te stellen om personen (hierna "slachtoffers" genoemd) te bedriegen en geld en eigendom van deze slachtoffers te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, en met als doel het uitvoeren van dit complot en list, geschriften, tekens, signalen, foto's en geluiden te versturen en laten versturen, door middel van telegrafische communicatie in handel tussen staten en buitenlandse handel, een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 1343;

B. om een complot en list op te stellen om slachtoffers te bedriegen en geld en eigendom van deze slachtoffers te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, en met als doel om dit complot en list uit te voeren, zaken en dingen te leveren en laten leveren in een postkantoor en erkende bewaarplaatsen voor post om deze te versturen en te laten leveren door de Amerikaanse postdiensten en om zaken en dingen te leveren en te laten leveren bij een privé en commercieel transportbedrijf tussen staten voor verzending en levering, een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 1341;

C. om een complot en list uit te voeren om te bedriegen en geld, fondsen, tegoeden en activa in bezit van en onder beheer van een federaal verzekerde financiële instelling te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 1344 en

D. nadat een complot en list was opgesteld om slachtoffers te bedriegen en geld en eigendom van deze slachtoffers te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, deze slachtoffers te overhalen om te reizen tussen staten en naar het buitenland om dit complot en list uit te voeren om deze slachtoffers geld en eigendom met een waarde van USD 5.000 of meer afhandig te maken, een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 2314.

Doel van de samenzwering

7. Het was een doel van de samenzwering dat de gedaagden [medeverdachte 2], [de opgeëiste persoon], [medeverdachte 1] en ONBEKENDE 1, samen met hun samenzweerders, bekend en onbekend voor de grand jury, zichzelf op onwettelijke wijze hebben verrijkt door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes en door wezenlijke feiten weg te laten en te verbergen, en hierbij de slachtoffers overhaalden om, rechtstreeks en onrechtstreeks, grote sommen geld als vergoedingen naar hen over te schrijven en anderszins te leveren, die volgens de gedaagden vooruitbetalingen waren voor de levering van miljoenen dollars aan de slachtoffers.

Middelen en methoden van de samenzwering

8. Onder de middelen en methoden waarmee de gedaagden [medeverdachte 2], [de opgeëiste persoon], [medeverdachte 1] en ONBEKENDE 1, samen met hun samenzweerders, de samenzwering uitvoerden bevond zich het volgende:

A. Het was een onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden lijsten van duizenden postadressen en e-mail adressen verkregen en in hun bezit hadden, die de gedaagden gebruikten om frauduleuze verzoekbrieven naar mogelijke slachtoffers te zenden.

B. Het was verder een onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden, samen met hun samenzweerders, massale of spam-brieven verstuurden via de post en via e-mail aan duizenden inwoners van de Verenigde Staten en elders. De brieven bevatten een van vele listen die bedoeld waren om slachtoffers te verlokken in een "advance-fee" plan.

C. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat de door gedaagden gebruikte listen om slachtoffers geld afhandig te maken diverse vormen aannamen, waaronder:

i. bij één list die door de gedaagden werd gebruikt was een man met de naam "[alias 2; medeverdachte 2]" ("[alias 2; medeverdachte 2]") betrokken. In deze list stuurden de gedaagden massale e-mails of brieven die naar verluidt van "[alias 2; medeverdachte 2]" kwamen en verklaarden dat hij een staatsburger van Brunei was en momenteel in Groot-Brittannië woonde, en leed aan slokdarmkanker. De verzoekbrieven verklaarden verder op valselijke wijze dat "[alias 2; medeverdachte 2]" ongeveer USD 55 miljoen dollar in deposito had bij een opslag- en veiligheidsbedrijf en dat hij hulp zocht om deze fondsen te verdelen aan liefdadige organisaties. De brieven verklaarden valselijk dat "[alias 2; medeverdachte 2]" de hulp van de slachtoffers nodig had omdat hij te ziek was om zelf het geld te verdelen. Om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen verklaarden de gedaagden dat "[alias 2; medeverdachte 2]" het geld aan liefdadige organisaties wenste te geven omwille van zijn diepe geloof in God en stuurden de slachtoffers foto's van "[alias 2; medeverdachte 2]" in een ziekenhuis terwijl hij werd behandeld voor kanker. De gedaagden boden het slachtoffer of een liefdadige organisatie van zijn keuze een commissie van 20%, als het slachtoffer instemde om te helpen bij het ophalen van de USD 55 miljoen dollar uit opslag en het geld te verdelen volgens de instructies. De gedaagde [medeverdachte 2] gaf zich uit voor "[alias 2; medeverdachte 2]" en communiceerde met de slachtoffers. Tijdens deze gesprekken waarbij [medeverdachte 2] zich uitgaf voor "[alias 2; medeverdachte 2]", probeerde [medeverdachte 2] zijn stem te wijzigen en te vermommen om de indruk te geven dat hij aan keelkanker leed.

ii. bij een tweede list gebruikt door de gedaagden werden brieven verstuurd naar mogelijke slachtoffers die beweerden dat zij een prijs van meerdere miljoenen dollars hadden gewonnen in een "loterij".

D. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat, om het vertrouwen van de slachtoffers te winnen, de gedaagden een of meer frauduleuze documenten naar de slachtoffers stuurden, zoals een "Machtigingsbrief" en een "Verklaring van deposito", waaruit bleek dat de beloofde fondsen beschikbaar waren om naar de slachtoffers te worden verstuurd.

E. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat, wanneer de slachtoffers gunstig reageerden op een van de verzoekbrieven, de gedaagden contact opnamen met de slachtoffers via telefoon, fax of e-mail met gebruik van fictieve identiteiten en beweerden dat zij een contactpersoon waren die de slachtoffers zou helpen bij het verkrijgen van de beloofde fondsen. Deze contactpersoon gaf zich vaak frauduleus uit voor een professional zoals een advocaat, bankier of loterijambtenaar.

F. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden, met gebruik van de fictieve identiteit van de contactpersoon, frauduleus verklaarden aan de slachtoffers dat zij een of meerdere diverse vergoedingen moesten betalen voordat zij de beloofde fondsen ontvingen. De gedaagden verklaarden valselijk en frauduleus dat het doel van de vergoedingen was om items te betalen, waaronder, maar niet beperkt tot de volgende:

i. Goedkeuringsletters;

ii. Verklaringen van eigendom van fondsen;

iii. Belastingen in verband met verzending van de fondsen;

iv. Verklaringen tegen terrorisme/uitklaring van drugs;

v. Commissies bij ondertekening en verwerkingskosten;

vi. Honoraria van advocaten en

vii. Belastingen op loterijwinsten.

G. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden de slachtoffers een naam van een persoon gaven aan wie zij het geld moesten sturen om de diverse vergoedingen te betalen en de slachtoffers de opdracht gaven om de vereiste vergoedingen naar Amsterdam of andere locaties te sturen via Western Union, Money Gram of via banktransfer. De aan de slachtoffers gegeven naam was een alias of valse naam gebruikt door de gedaagden of een van hun samenzweerders om de frauduleus verkregen fondsen te ontvangen.

H. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden, samen met anderen, naar locaties en kantoren van Western Union of Money Gram in Amsterdam gingen en valse paspoorten gebruikten om de fondsen van de slachtoffers op te halen.

I. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat, nadat de slachtoffers de diverse vergoedingen hadden betaald, de gedaagden frauduleuze documenten stuurden naar de slachtoffers, met inbegrip van, maar niet beperkt tot de documenten vermeld in paragraaf 8.F. die volgens de gedaagden vereist waren voordat geld naar de slachtoffers kon worden verstuurd.

J. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat, na het aanvaarden en ontvangen van duizenden dollars in vergoeding van de slachtoffers, de gedaagden de beloofde fondsen niet aan de slachtoffers gaven.

K. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat, als een slachtoffer zei dat hij de fondsen niet had om de vereiste vergoedingen te betalen, de gedaagden valse cheques naar het slachtoffer lieten sturen. De gedaagden gaven het slachtoffer de opdracht om de cheques op hun rekening te zetten en de opbrengsten gedeeltelijk of volledig naar de gedaagden in [woonplaats] en elders te sturen.

L. Het was verder onderdeel van de samenzwering dat de gedaagden en hun samenzweerders zichzelf verrijkten door de opbrengsten van deze fraude te houden en de opbrengsten naar medeplichtigen in Nigeria te sturen.

9. Ter bevordering van de samenzwering en om de doelen ervan te verwezenlijken, in het oostelijke arrondissement van New York en elders, begingen de gedaagden en hun samenzweerders onder andere de volgende:

OPENBARE HANDELINGEN

[Slachtoffer 1]

10. Op of rond 30 september 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar het [slachtoffer 1], een persoon wiens identiteit bekend is voor de grand jury, naar verluidt afkomstig van "[alias 2; medeverdachte 2]", een man die naar verluidt leed aan kanker en hulp zocht voor het verdelen van USD 55 miljoen dollar aan liefdadige organisaties.

11. Op of rond 2 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 2; medeverdachte 2]", waarin werd aangeboden om 20% van USD 55 miljoen dollar aan een door [slachtoffer 1] gekozen clerus te geven als zij instemde om de levering van twee dozen met USD 55 miljoen dollar te accepteren en het geld te verdelen aan liefdadige organisaties.

12. Op of rond 3 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 2; medeverdachte 2]", met foto's van ogenschijnlijk "[alias 2; medeverdachte 2]" in een ziekenhuis en waarin het [slachtoffer 1] werd meegedeeld dat "[alias 2; medeverdachte 2]" wilde dat zijn fondsen aan haar in de Verenigde Staten werden geleverd voordat iets met hem gebeurde.

13. Op of rond 4 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt van "[alias 2; medeverdachte 2]", met valse documenten waaronder een "machtigingsbrief" en een "verklaring van deposito" en waarbij zij de opdracht kreeg om de documenten en USD 4.500 dollar in vergoedingen aan te bieden aan een "veiligheidsbedrijf" in Amsterdam om de dozen met naar verluidt USD 55 miljoen dollar naar haar in de Verenigde Staten te zenden.

14. Op of rond 14 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar het [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 3; medeverdachte 2]", een vertegenwoordiger van [B] in Amsterdam ([B]), waarin het [slachtoffer 1] werd meegedeeld dat haar "diplomatische zendingsvergoeding" werd ontvangen en dat het "veiligheidsbedrijf" de dozen vrijgaf aan het uitklaringskantoor van de luchthaven.

15. Op of rond 16 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 3; medeverdachte 2]", waarin zij werd meegedeeld dat haar zending in beslag werd genomen door de douaneautoriteiten in de luchthaven en dat een "Verklaring tegen terrorisme/uitklaring van drugs" vereist was om de zending vrij te geven.

16. Op of rond 18 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 3; medeverdachte 2]", waarin zij werd meegedeeld dat een vergoeding van USD 75.000 dollar zou vereist zijn voor de vrijgave van de zending.

17. Op of rond 21 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 2; medeverdachte 2]", waarin het [slachtoffer 1] werd meegedeeld dat "[alias 2; medeverdachte 2]" had gehoord dat de zaken vlot verliepen en hij correspondentie had ontvangen van "[alias 3; medeverdachte 2]".

18. Op of rond 24 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 3; medeverdachte 2]", waarin het [slachtoffer 1] werd geïnformeerd dat hij de door haar verstuurde USD 8.000 dollar had ontvangen maar dat hij nog eens USD 38.000 dollar nodig had om betalingen uit te voeren aan een "rechtbank" om de documenten te verkrijgen die vereist waren voor de vrijgave van de "dozen".

19. Op of rond 25 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 1], naar verluidt afkomstig van "[alias 3; medeverdachte 2]", waarin zij de opdracht werd gegeven om USD 15.000 dollar te sturen via Western Union naar "[alias 1 onbekende 1]" en zei: "ik wil dat je me vertrouwt, alles zal goed komen, ik geef je mijn woord. Ik ben ervan overtuigd dat, als alles goed gaat, je de fondsen voor vandaag op je rekening zult hebben.".

20. Op of rond 31 oktober 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] per e-mail een frauduleuze "kennisgeving van betaling van USD 55 miljoen dollar", naar verluidt afkomstig van "[alias 4; medeverdachte 2]", Director of Foreign Operations van de [C], waarbij het [slachtoffer 1] de opdracht kreeg om naar Amsterdam te reizen en haar bankrekeninginformatie moest meebrengen voor de transfer van fondsen en een commissie voor ondertekening/verwerkingskost van USD 18.500 dollar.

21. Op of rond de volgende datums liet de gedaagde [medeverdachte 2] het [slachtoffer 1] overschrijvingen uitvoeren voor de volgende bedragen van Californië naar Amsterdam:

Datum Bedrag Telegrafische Overgeschreven

dienst naar

a. 05/10/05 USD 4.500 Western Union “[alias 3; medeverdachte 2]”

b. 12/10/05 USD 4.500 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

c. 20/10/05 USD 8.000 Western Union “[alias 3; medeverdachte 2]”

d. 25/10/05 USD 9.000 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

e. 26/10/05 USD 1.000 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

f. 03/11/05 USD 6.000 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

g. 08/11/05 USD 2.000 Money Gram "[alias 1 onbekende 1]”

h. 11/11/05 USD 5.200 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

i. 15/11/05 USD 3.000 Money Gram “[alias 1 onbekende 1]”

TOTAAL: USD 43.000

22. Op of rond 21 december 2005 gingen de gedaagden [medeverdachte 2] en ONBEKENDE 1 naar een kantoor van Money Gram in Amsterdam en gebruikten een vals paspoort op naam van "[alias 1 onbekende 1]" om USD 1.780 op te halen die naar Amsterdam werd overgeschreven door Amerikaanse ordehandhavers namens het [slachtoffer 1].

[Slachtoffer 2]

23. Op of rond 21 september 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een kopie van een valse verzoekbrief van "[alias 2; medeverdachte 2]" via e-mail naar [slachtoffer 2], een persoon wiens identiteit bekend is voor de grand jury.

24. Op of rond 22 september 2005, nadat [slachtoffer 2] de verzoekbrief van "[alias 2; medeverdachte 2]" beantwoordde, stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 2], waarin [slachtoffer 2] werd beloofd dat de documenten die hij nodig had om de fondsen van "[alias 2; medeverdachte 2]" van het "veiligheidsbedrijf" te vorderen, zouden worden geleverd.

25. Op 23 september 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar [slachtoffer 2], waarin hij de opdracht kreeg om contact op te nemen met "[alias 3; medeverdachte 2]" in het veiligheidsbedrijf [B]; [alias 3; medeverdachte 2] zou helpen bij de levering van de fondsen aan [slachtoffer 2]. In de bijlage van de e-mail zaten kopieën van een valse "machtigingsbrief" en "verklaring van deposito" voor de USD 55 miljoen van "[alias 2; medeverdachte 2]".

26. Op of rond 25 september 2005 belde de gedaagde [de opgeëiste persoon] de gedaagde [medeverdachte 2] en praatten zij over [slachtoffer 2]. Tijdens het gesprek zei [de opgeëiste persoon] tegen [medeverdachte 2] dat "hij (het slachtoffer) zei dat het voor hem niet uitmaakte hoeveel het hem zou kosten, zolang hij nadien zou worden vergoed. Ik zei hem dat hij onmiddellijk zou worden vergoed.".

27. Op of rond 3 oktober 2005 belde de gedaagde [de opgeëiste persoon] de gedaagde [medeverdachte 2] en praatten zij over hun gesprekken en transacties met [slachtoffer 2]. Tijdens het gesprek zei [de opgeëiste persoon]: "Wij werken samen. U spreekt eerst met hem en nadien spreek ik met hem.".

28. Op 5 oktober 2005 belde de gedaagde [de opgeëiste persoon], met gebruik van de alias "[alias 1; opgeëiste persoon]" het [slachtoffer 2] in [woonplaats] om de belofte van het [slachtoffer 2] op te volgen om USD 100.000 dollar te versturen om "vergoedingen" te betalen die naar verluidt verbonden waren met de "transfer van geërfde fondsen". Tijdens het gesprek deelde [de opgeëiste persoon] het [slachtoffer 2] mee dat, nadat deze betalingen uitgevoerd waren, het [slachtoffer 2] zou worden vergoed voor de met de transfer verbonden vergoedingen en boetes.

29. Op of rond 11 november 2005 stuurde de gedaagde [de opgeëiste persoon], met gebruik van de alias "[alias 1; opgeëiste persoon]" een e-mail naar het [slachtoffer 2] in [woonplaats], en gaf hem de opdracht om USD 72.300 dollar in vergoedingen, waaronder verzendingskosten, over te schrijven naar een bankrekening in Amsterdam.

[Slachtoffer 3]

30. Op of rond 4 december 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een valse verzoekbrief van "[alias 2; medeverdachte 2]" via e-mail naar [slachtoffer 3], een persoon wiens identiteit gekend is voor de grand jury.

31. Op of rond 6 december 2005 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van de alias "[alias 2; medeverdachte 2]" een e-mail naar het [slachtoffer 3], waarin hij beloofde om haar clerus 20% van de vermeende USD 55 miljoen dollar te geven als zij hielp bij het verdelen van het resterende geld aan liefdadige organisaties.

32. Op of rond 13 december 2005, nadat het [slachtoffer 3] de gedaagde [medeverdachte 2] informeerde dat zij de bevraagde vergoeding verbonden met de transfer van de USD 55 miljoen dollar niet kon betalen, liet [medeverdachte 2] een valse cheque voor het bedrag van USD 38.452.22 versturen naar het [slachtoffer 3] in Hawaï. De valse cheque was naar verluidt getrokken op [D] in Brooklyn (New York 11245), een federaal verzekerde financiële instelling, van de rekening van [E], Ltd. in Valhalla (New York).

33. Op of rond 24 december 2005 had de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van een alias, een telefoongesprek met [slachtoffer 3] en gaf haar de opdracht om de valse cheque op haar bankrekening te zetten en de opbrengst ervan over te schrijven naar "[alias 3; medeverdachte 2]" in [woonplaats]. Tijdens het gesprek deelde [medeverdachte 2] het [slachtoffer 3] mee dat, nadat zij de vergoedingen aan "[alias 3; medeverdachte 2]" had betaald, het veiligheidsbedrijf de vereiste documenten zou geven en de fondsen zouden worden vrijgegeven.

Amerikaanse ordehandhaver

34. Op of rond 8 november 2005 stuurden de gedaagden een massale of spam e-mail naar duizenden e-mail adressen naar verluidt van "[alias 2; medeverdachte 2]", een man die leed aan kanker die hulp zocht bij de verdeling van USD 55 miljoen dollar aan liefdadige organisaties.

35. Op of rond 23 november 2005, naar aanleiding van een e-mail verstuurd door een Amerikaanse ordehandhaver met gebruik van de naam "[A]", stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar verluidt van "[alias 2; medeverdachte 2]". De e-mail bood 20% van USD 55 miljoen dollar aan een door "[A]" gekozen clerus als hij instemde om de levering van dozen met het geld te aanvaarden.

36. Op of rond 6 januari 2006 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2], een e-mail, naar verluidt van "[alias 2; medeverdachte 2]" naar "[A]" met foto's van ogenschijnlijk "[alias 2; medeverdachte 2]" in een ziekenhuis en gaf "[A]" de opdracht om contact op te nemen met een advocaat met de naam "[alias 3; medeverdachte 2]" die zou helpen bij het voltooien van de transfer van fondsen van een veiligheidsbedrijf in Amsterdam naar "[A]" in de Verenigde Staten.

37. Op 18 januari 2006 had de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van de alias "[alias 3; medeverdachte 2]", een telefoongesprek met de Amerikaanse ordehandhaver die zich uitgaf voor "[A]" en informeerde "[A]" dat "[alias 2; medeverdachte 2]" was gestorven en dat, om de transfer van fondsen naar de Verenigde Staten te voltooien, hij twee tot drie duizend dollar in vergoeding moest betalen voor de bekrachtiging van een "goedkeuringsbrief".

38. Op of rond 23 januari 2006 sprak de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van de alias "[alias 3; medeverdachte 2]", met "[A]" en beweerde dat "[A]" zijn geld "die week" zou ontvangen.

39. Op of rond de volgende datums verklaarde de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van de volgende aliassen, frauduleus dat de volgende vergoedingen moesten worden betaald zodat "[A]" de vermelde documenten kon verkrijgen en de erfenis van USD 55 miljoen dollar van "[alias 2; medeverdachte 2]" kon ontvangen:

Datum Bedrag Alias Reden voor

“vergoeding”

a. 19/01/06 USD 3.200 “[alias 3; medeverdachte 2]” Betaling aan ambtenaren van

rechtbank voor goedkeuringsbrief

b. 26/01/06 USD 8.970 “[betrokkene 5}” Verklaring van uitklaring voor

zuivere geldbron

c. 02/02/06 USD 4.600 “[betrokkene 3]” Beëdigde verklaring van

eigendom van fondsen

d.13/02/06 USD 55.000 “[betrokkene 3]” Fiscale kosten in verband met

erfenis

40. Op of rond de volgende datums gingen de volgende gedaagden, samen met anderen, naar een kantoor van Western Union in Amsterdam en haalden fondsen op voor de volgende bedragen die Amerikaanse ordehandhavingautoriteiten vanuit New York hadden overgeschreven:

Datum Bedrag Geld Opgehaald door

overgeschreven gedaagde

naar

a. 23/01/06 USD 3.200 “[alias 2; medeverdachte 1]” [medeverdachte 2] en

[medeverdachte 1]

b. 01/02/06 USD 8.970 “[betrokkene 1]” [medeverdachte 2],

[medeverdachte 1]

c. 08/02/06 USD 4.600 “[betrokkene 1]” [medeverdachte 1]

41. Op of rond de volgende datums stuurden de gedaagden, met gebruik van de volgende aliassen, de volgende frauduleuze documenten naar "[A]" of lieten ze versturen:

Datum Alias Soort document

a. 23/01/06 “[alias 3; medeverdachte 2]” Verklaring van deposito voor USD 55 miljoen dollar

b. 23/01/06 “[alias 3; medeverdachte 2]” Goedkeuringsbrief voor erfenis van USD 55 miljoen

dollar

c. 02/02/06 “[betrokkene 2]” Verklaring van uitklaring van zuivere geldbron voor erfenis van

USD 55 miljoen dollar

d. 13/02/06 “[alias 5; medeverdachte 2]” Kennisgeving van niet-betaling van belastingen voor

niet-verblijfhouders

e. 15/02/06 “[alias 3; medeverdachte 1]” Verklaring van erfenis

42. Op of rond 14 februari 2006 telefoneerde de gedaagde [medeverdachte 1], met gebruik van de alias "[alias 3; medeverdachte 1]", de Amerikaanse ordehandhaver die zich uitgaf voor "[A]" en informeerde hem onder andere dat hij de "privé-bankier" van "[A]" was.

43. Op of rond 14 februari 2006 stuurde de gedaagde [medeverdachte 1] een e-mail naar de gedaagde [medeverdachte 2] met de gegevens van een Zwitserse bankrekening die aan "[A]" moesten gegeven worden om de opbrengst van het "advanced-fee" plan te ontvangen.

44. Op of rond 14 februari 2006 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een e-mail naar "[A]" met de gegevens van een Zwitserse bankrekening en de opdracht om USD 55.000 dollar, naar verluidt om fiscale kosten verbonden met een Uitklaring voor belastingen voor niet-verblijfhouders, over te schrijven, te betalen.

Andere slachtoffers

45. Op of rond 15 december 2005 liet de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van de alias "[alias 3; medeverdachte 2]" het [slachtoffer 4], een persoon wiens identiteit gekend is voor de grand jury, USD 3.200 dollar overschrijven naar Amsterdam voor een "goedkeuringsbrief" die vereist was om een erfenis van USD 55 miljoen dollar van "[alias 2; medeverdachte 2]" te ontvangen.

46. Op of rond 30 december 2005 liet de gedaagde [medeverdachte 2] het [slachtoffer 5], een persoon wiens identiteit gekend is voor de grand jury, USD 28.500 dollar versturen naar Amsterdam in verband met het ontvangen van USD 55 miljoen dollar van "[alias 2; medeverdachte 2]".

47. Op of rond 22 januari 2006 belde de gedaagde [medeverdachte 2], met gebruik van het alias "[alias 3; medeverdachte 2]", het [slachtoffer 6], een persoon wiens identiteit gekend is voor de grand jury, om de reis van het [slachtoffer 6] naar Amsterdam te regelen om een verwerkingskost van USD 28.500 dollar in verband met het ontvangen van een erfenis van USD 55 miljoen dollar van "[alias 2; medeverdachte 2]" te ontvangen, te leveren.

(Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 371 en 3551 en volgende)

PUNT TWEE T/M NEGEN VAN AANKLACHT

(Fraude met gebruik van telegraafdiensten)

48. De in paragraaf 1 tot en met 5 en paragraaf 8 tot en met 47 beschreven beschuldigingen worden opnieuw aangevoerd en opgenomen alsof zij volledig werden beschreven in deze paragraaf.

49. In of rond en tussen 2002 en februari 2006, waarbij beide datums bij benadering zijn weergegeven en inclusief zijn, hebben in het oostelijke arrondissement van New York en elders, de gedaagden [medeverdachte 2], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 2]", "[alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", [de opgeëiste persoon], ook gekend als "[alias 1; opgeëiste persoon]", "[alias 2; opgeëiste persoon]" en "[alias 3; opgeëiste persoon].", [medeverdachte 1], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 1]", "[alias 2; medeverdachte 1]" en "[alias 3; medeverdachte 1]" en ONBEKENDE 1, ook gekend als "[alias 1 onbekende 1]", "[alias 2 onbekende 1]", "[alias 3 onbekende 1]" en "[alias 4 onbekende 1]", bewust en opzettelijk een complot en list opgesteld om slachtoffers te bedriegen en geld en eigendom van deze slachtoffers te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes.

50. Op of rond de hierna vermelde datums, met als doel het uitvoeren van dergelijk complot en list en poging om dit te doen, stuurden de gedaagden, door middel van telegrafische communicatie in handel tussen staten en buitenlandse handel, geschriften, tekens, signalen, foto's en geluiden, namelijk, zoals hierna beschreven, of lieten zij dit doen:

Punt van aanklacht Gedaagde Datum Telegram van/naar

2 [medeverdachte 2]; 21/09/05 E-mail van gedaagde [medeverdachte 2]

[de opgeëiste persoon], in [woonplaats] naar [medeverdachte 1], [slachtoffer 2] in [woonplaats]

ONBEKENDE 1

3 [medeverdachte 2]; 22/09/05 E-mail van gedaagde [medeverdachte 2]

[de opgeëiste persoon], in [woonplaats] naar

[medeverdachte 1], [slachtoffer 2] in [woonplaats]

ONBEKENDE 1

4 [medeverdachte 2]; 23/09/05 E-mail van gedaagde [medeverdachte 2]

[de opgeëiste persoon], in [woonplaats] naar

[medeverdachte 1], [slachtoffer 2] in [woonplaats]

ONBEKENDE 1

5 [medeverdachte 2]; 05/10/05 Telefoonoproep van gedaagde [de [de opgeëiste persoon] opgeëiste persoon]

[de opgeeiste persoon] in [woonplaats] naar

[medeverdachte 1] [slachtoffer 2] in [woonplaats]

ONBEKENDE 1

6 [medeverdachte 2]; 10/11/05 E-mail van gedaagde [de opgeeiste [de opgeeiste persoon] persoon] in [woonplaats] [medeverdachte 1] naar

ONBEKENDE 1 [slachtoffer 2] in [woonplaats]

7 [medeverdachte 2] 20/01/06 Telegrafische overschrijving van

[de opgeeiste persoon] USD 3.200 dollar van [medeverdachte 1] Hicksville (New York) naar [woonplaats]

ONBEKENDE 1

8 [medeverdachte 2]; 30/01/06 Telegrafische overschrijving van

[de opgeeiste persoon] USD 8.970 dollar van Queens (New

[medeverdachte 1] York) naar [woonplaats]

ONBEKENDE 1

9 [medeverdachte 2]; 07/02/06 Telegrafische overschrijving van

[de opgeeiste persoon] USD 4.600 van Hicksville (New

[medeverdachte 1] York) naar [woonplaats]

ONBEKENDE 1

PUNT TIEN VAN AANKLACHT

(Fraude met behulp van postdiensten)

51. De in paragraaf 1 tot en met 5 en paragraaf 8 tot en met 47 beschreven beschuldigingen worden opnieuw aangevoerd en opgenomen alsof zij volledig zijn beschreven in deze paragraaf.

52. In of rond en tussen 2002 en februari 2006, waarbij beide datums bij benadering zijn weergegeven en inclusief zijn, hebben in het oostelijke arrondissement van New York en elders, de gedaagden [medeverdachte 2], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 2]", "[alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", [de opgeëiste persoon], ook gekend als "[alias 1; opgeëiste persoon]", "[alias 2; opgeëiste persoon]" en "[alias 3; opgeëiste persoon].", [medeverdachte 1], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 1]", "[alias 2; medeverdachte 1]" en "[alias 3; medeverdachte 1]" en ONBEKENDE 1, ook gekend als "[alias 1 onbekende 1]", "[alias 2 onbekende 1]", "[alias 3 onbekende 1]" en "[alias 4 onbekende 1]", bewust en opzettelijk een complot en list opgesteld om slachtoffers te bedriegen en geld en eigendom van deze slachtoffers te verkrijgen door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, en om dit complot en list uit te voeren en proberen uit te voeren, zaken en dingen te leveren en laten leveren in een postkantoor en erkende bewaarplaatsen voor post om deze te versturen en te laten leveren door de Amerikaanse postdiensten, namelijk, op of rond 3 februari 2006 stuurde de gedaagde [medeverdachte 2] een brief geadresseerd aan [A] per post naar een postbus in [vestigingsplaats], met een vals document, namelijk een "Verklaring van uitklaring van zuivere geldbron" waarbij USD 55 miljoen dollar was betrokken ten gunste van [A].

(Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 1341, 2 en 3551 en volgende)

PUNT ELF VAN AANKLACHT

(Bankfraude)

53. De in paragraaf 1 tot en met 5 en paragraaf 8 tot en met 47 beschreven beschuldigingen worden opnieuw aangevoerd en opgenomen alsof zij volledig zijn beschreven in deze paragraaf.

54. In of rond en tussen 2002 en februari 2006, waarbij beide datums bij benadering zijn weergegeven en inclusief zijn, heeft in het oostelijke arrondissement van New York en elders, de gedaagde [medeverdachte 2], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 2]", "[alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", bewust en opzettelijk een complot en list uitgevoerd en proberen uit te voeren om te bedriegen en geld, fondsen, tegoeden en activa in het bezit van en onder beheer van een federaal verzekerde financiële instelling te verkrijgen, namelijk: [D], door middel van wezenlijk valse en frauduleuze voorwendsels, verklaringen en beloftes, door het feit dat de gedaagde [medeverdachte 2] een valse cheque liet versturen voor een bedrag van USD 38.452.22 dollar naar het [slachtoffer 3] in Hawaï, naar verluidt getrokken op [D] in Brooklyn (New York 11245) van de rekening van [E], Ltd. in Valhalla (New York).

Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 1344, 2 en 3551 en volgende)

AANVOERING VAN STRAFRECHTELIJKE VERBEURING

55. Punt 1 tot en met 11 van deze aanklacht worden door verwijzing hierin opgenomen voor het aanvoeren van verbeuring ingevolge Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 981 (a) (I) (C) en Titel 28, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 2461 (c).

56. Als gevolg van de voorgaande overtredingen aangehaald in punt 1 tot en met 11 van deze aanklacht zullen de gedaagden [medeverdachte 2], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 2]", "[alias 2; medeverdachte 2]", "[alias 3; medeverdachte 2]", "[alias 4; medeverdachte 2]", "[alias 5; medeverdachte 2]", "[alias 6; medeverdachte 2]", "[alias 7; medeverdachte 2]" en "[alias 8; medeverdachte 2]", [de opgeëiste persoon], ook gekend als "[alias 1; opgeëiste persoon]", "[alias 2; opgeëiste persoon]" en "[alias 3; opgeëiste persoon].", [medeverdachte 1], ook gekend als "[alias 1; medeverdachte 1]", "[alias 2; medeverdachte 1]" en "[alias 3; medeverdachte 1]" en ONBEKENDE 1, ook gekend als "[alias 1 onbekende 1]", "[alias 2 onbekende 1]", "[alias 3 onbekende 1]" en "[alias 4 onbekende 1]", alle eigendom, onroerend of persoonlijk, die de opbrengsten vormen of zijn afgeleid van de opbrengsten die, rechtstreeks en onrechtstreeks, terug te voeren zijn op de voormelde overtredingen, verbeuren aan de Verenigde Staten.

57. Als een van de hierboven beschreven eigendommen, onderhevig aan verbeuring ingevolge Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 981 (a) (1) (C) en Titel 28, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 2461 (c), als gevolg van een handeling of weglating van de gedaagden:

(1) niet kan worden gevonden na grondig onderzoek;

(2) is overgedragen of verkocht aan, of gedeponeerd bij een derde persoon;

(3) buiten de rechtsbevoegdheid van de rechtbank is geplaatst;

(4) aanzienlijk is verminderd in waarde of

(5) is vermengd met andere eigendom die niet kan worden verdeeld zonder problemen;

is het de bedoeling van de Verenigde Staten, ingevolge Titel 21, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 853 (p), zoals opgenomen door Titel 28, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 2461 (c), om verbeuring te verkrijgen van enige andere eigendom van de voormelde gedaagden tot de waarde van de bovenvermelde te verbeuren eigendom.

Indien meer dan één gedaagde is schuldig bevonden aan een overtreding, zijn de schuldig bevonden gedaagden hoofdelijk en gezamenlijk aansprakelijk voor het bij deze overtreding betrokken bedrag.

(Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 981 (a) (1) (C); Titel 28, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 2461 (c))"

7. Blijkens de toelichting klaagt het middel er over dat Rechtbank ten onrechte, althans onbegrijpelijk, heeft geoordeeld dat de beschuldigingen worden geconcretiseerd in de "indictment" en betrekking hebben op een feitencomplex en niet op afzonderlijke feiten en dat derhalve de uitspraak van de Rechtbank niet dan wel ontoereikend beschrijft voor welke feiten de uitlevering wordt toegestaan.

8. De Rechtbank heeft overwogen dat de in de "arrest warrant"(1) opgenomen beschuldigingen worden geconcretiseerd in de "indictment"(2) en betrekking hebben op een feitencomplex en niet op afzonderlijke feiten.

9. De "arrest warrant" - onderverdeeld in onderdeel A, B en C - houdt ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht slechts een hoofdzakelijk in kwalificatieve termen vervatte omschrijving in van - kort gezegd - samenzweren om verschillende vormen van fraude te plegen, door middel van allerlei communicatievormen op bedrieglijke wijze geld en eigendom verkrijgen en door middel van postkantoren en postdiensten op bedrieglijke wijze geld en eigendom verkrijgen.

10. De "indictment" - onderverdeeld in 57 genummerde onderdelen en 11 punten van aanklacht (samenzwering, fraude met gebruik van telegraafdiensten en bankfraude) - houdt ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht in een uitgebreide omschrijving van de gedragingen die door de opgeëiste persoon en de andere leden van de samenzwering ([medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en een onbekend gebleven persoon) zijn verricht.

11. Gelet op de inhoud van de "arrest warrant" en de "indictment, is het oordeel van de Rechtbank dat de in de "arrest warrant" opgenomen beschuldigingen worden geconcretiseerd in de "indictment" en betrekking hebben op een feitencomplex, in die zin dat deze opleveren medeplegen van/medeplichtigheid aan (poging tot) oplichting en valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en niet op afzonderlijke, met het oog op de strafbaarheid naar Nederlands recht los van elkaar te beoordelen feiten, niet onbegrijpelijk. In aanmerking dient immers te worden genomen dat de Nederlandse strafwet, anders dan blijkens de bij het uitleveringsverzoek overgelegde strafbepalingen die van de Verenigde Staten, geen afzonderlijke strafbare feiten kent voor de diverse middelen die ter oplichting kunnen worden aangewend dan wel voor de diverse wijzen waarop oplichting kan worden gepleegd. Voor haar opvatting heeft de Rechtbank ook steun kunnen vinden in de aanhef van de "indictment", waar wordt uiteengezet dat de feiten die de opgeëiste persoon en zijn mededaders hadden gepleegd, moeten worden getypeerd als een "advance fee-complot".

12. Gelet op genoemde concretisering van de in de "arrest warrant" vervatte beschuldigingen heeft de Rechtbank met voldoende duidelijkheid aangegeven ter zake van welke feiten de uitlevering wordt toegestaan.

13. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat de Rechtbank niet heeft gemotiveerd waarom zij bij het bepalen van de omvang van het uitleveringsverzoek heeft gekozen voor de "arrest warrant" van 22 maart 2006 (CR 06-188) en niet voor de "arrest warrant" van 10 februari 2006 (M-06-160).

14. Tot de door de verzoekende Staat overgelegde stukken behoort onder meer de Nederlandse vertaling van het Amerikaanse aanhoudingsbevel ("arrest warrant") van 10 februari 2006 (M-06-160). Dit aanhoudingsbevel houdt ten aanzien van de aanduiding van de feiten het volgende in:

"A. BEWUST EN OPZETTELIJK SAMEN TE ZWEREN EN OVEREEN TE KOMEN OM, DIRECT EN INDIRECT, MET ANDEREN OVERTREDINGEN TE BEGAAN TEGEN DE VERENIGDE STATEN, NAMELIJK, TITEL 18, AMERIKAANS WETBOEK VAN STRAFRECHT, SECTIE 1343 (FRAUDE MET GEBRUIK VAN TELEGRAAFDIENSTEN), 1341 (FRAUDE MET GEBRUIK VAN POSTDIENSTEN) EN 1344 (BANKFRAUDE) EN

B. BEWUST EN OPZETTELIJK EEN LIST EN COMPLOT TE BERAMEN EN POGEN TE BERAMEN OM TE BEDRIEGEN EN GELD EN EIGENDOM TE VERKRIJGEN DOOR MIDDEL VAN WEZENLIJK VALSE EN FRAUDULEUZE VOORWENDSELS, VERKLARINGEN EN BELOFTES EN DE LIST EN HET COMPLOT UIT TE VOEREN EN PROBEREN UIT TE VOEREN DOOR COMMUNICATIES VIA TELEGRAFIE, RADIO EN TELEVISIE IN HANDEL TUSSEN STATEN EN BUITENLANDSE HANDEL VAN GESCHRIFTEN, TEKENS, SIGNALEN, FOTO'S EN GELUIDEN TE VERSTUREN EN TE LATEN VERSTUREN.

een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 371, 1343."

15. Voorts behoort tot de door de verzoekende Staat overgelegde stukken de Nederlandse vertaling van het Amerikaanse aanhoudingsbevel ("arrest warrant") van 22 maart 2006 (M-06-188). Dit aanhoudingsbevel houdt ten aanzien van de aanduiding van de feiten het volgende in:

"A. BEWUST EN OPZETTELIJK SAMEN TE ZWEREN EN OVEREEN TE KOMEN OM, DIRECT EN INDIRECT, MET ANDEREN OVERTREDINGEN TE BEGAAN TEGEN DE VERENIGDE STATEN, NAMELIJK, TITEL 18, AMERIKAANS WETBOEK VAN STRAFRECHT, SECTIE 1343 (FRAUDE MET GEBRUIK VAN TELEGRAAFDIENSTEN), 1341 (FRAUDE MET GEBRUIK VAN POSTDIENSTEN), 1344 (BANKFRAUDE) EN 2314 (REISFRAUDE).

B. BEWUST EN OPZETTELIJK EEN LIST EN COMPLOT TE BERAMEN EN POGEN TE BERAMEN OM TE BEDRIEGEN EN GELD EN EIGENDOM TE VERKRIJGEN DOOR MIDDEL VAN WEZENLIJK VALSE EN FRAUDULEUZE VOORWENDSELS, VERKLARINGEN EN BELOFTES EN DE LIST EN HET COMPLOT UIT TE VOEREN EN PROBEREN UIT TE VOEREN DOOR COMMUNICATIES VIA TELEGRAFIE, RADIO EN TELEVISIE IN HANDEL TUSSEN STATEN EN BUITENLANDSE HANDEL VAN GESCHRIFTEN, TEKENS, SIGNALEN, FOTO'S EN GELUIDEN TE VERSTUREN EN TE LATEN VERSTUREN.

C. BEWUST EN OPZETTELIJK EEN LIST EN COMPLOT TE BERAMEN EN POGEN TE BERAMEN OM TE BEDRIEGEN EN GELD EN EIGENDOM TE VERKRIJGEN DOOR MIDDEL VAN WEZENLIJK VALSE EN FRAUDULEUZE VOORWENDSELS, VERKLARINGEN EN BELOFTES EN DE LIST EN HET COMPLOT UIT TE VOEREN EN PROBEREN UIT TE VOEREN DOOR ZAKEN TE LEVEREN EN LATEN LEVEREN IN EEN POSTKANTOOR EN EEN ERKENDE BEWAARPLAATS VOOR POST OM DEZE TE VERSTUREN EN TE LATEN LEVEREN DOOR DE AMERIKAANSE POSTDIENSTEN EN OM ZAKEN TE LEVEREN EN TE LATEN LEVEREN DOOR EEN PRIVÉ EN COMMERCIEEL TRANSPORTBEDRIJF TUSSEN STATEN VOOR VERZENDING EN LEVERING.

een overtreding van Titel 18, Amerikaans wetboek van strafrecht, sectie 371, 1343, 1341, 1344."

16. De uitleg van een uitleveringsverzoek en de daarin opgenomen omschrijving van de feiten is voorbehouden aan de feitenrechter. In zoverre kan een vergelijking worden gemaakt met de uitleg van de tenlastelegging in een gewone strafzaak. Deze uitleg is feitelijk van aard en kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst.(3)

17. De Rechtbank is er klaarblijkelijk vanuit gegaan dat het uitleveringsverzoek omvat de in de "arrest warrant " van 22 maart 2006 genoemde feiten. In aanmerking genomen dat in het verzoek tot uitlevering voor wat betreft de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht uitdrukkelijk wordt verwezen naar genoemde "arrest warrant " en de daarin genoemde feiten - afgezien van reisfraude; zie daarvoor de bespreking van het tweede middel - ook in de "indictment" worden geconcretiseerd is dat oordeel niet onbegrijpelijk en was de Rechtbank anders dan het middel wil niet gehouden een en ander nader te motiveren.

18. Het middel faalt.

19. Het tweede middel bevat de klacht dat de Rechtbank in haar overweging 2.4.2 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn.

20. Blijkens de toelichting klaagt het middel er in de eerste plaats over dat de gepleegde feitelijke gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd naar een Nederlandse delictsomschrijving, nu van elke aanklacht slechts bekend is op welke datum het feit zou zijn begaan, welke verdachte(n) en welk slachtoffer er bij betrokken zijn en op welke wijze contact is gezocht.

21. Aldus gaat het middel er aan voorbij dat de Rechtbank de in de "arrest warrant" en de "indictment" beschreven feiten, zoals zij op de hiervoor onder nr. 11 uiteengezette gronden heeft kunnen doen, als één feitencomplex heeft gezien en dat die feiten dus bij de beoordeling van de strafbaarheid naar Nederlands recht in onderling verband en samenhang dienen te worden beschouwd.

22. Blijkens de toelichting klaagt het middel er voorts over dat het oordeel van de Rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar wordt verklaard ten aanzien van feiten die vóór 1 januari 2005 zijn gepleegd, onbegrijpelijk is, nu voor de vastgestelde datum van 1 januari 2005 ieder redengevend aanknopingspunt in het dossier ontbreekt.

23. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank houdt in dat de raadsman van de opgeëiste persoon aldaar heeft verklaard overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. Deze pleitnotities houden ten aanzien van het op de klacht betrekking hebbende verweer het volgende in:

"Ongenoegzaamheid der stukken

18. Mocht uw rechtbank van mening zijn dat één of meerdere van de aanklachten (1 tot en met 10) gekwalificeerd kunnen worden en dat hiervoor de dubbele strafbaarheid geldt, dan merkt de verdediging op dat de uitlevering deels ontoelaatbaar moet worden verklaard wegens de ongenoegzaamheid der stukken. Artikel 9 lid 3 onder b van het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS bepaalt dat de opeisende Staat bewijsmateriaal verschaft dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd.

19. De verdediging miskent niet dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] naar vaste jurisprudentie voldoende zijn met betrekking tot een aantal feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, maar desalniettemin stelt de verdediging zich op het standpunt dat artikel 9 lid 3 onder b van het verdrag ziet op bewijsmateriaal ten aanzien van de gehele delictsomschrijving. Daarvan is in casu naar mijn overtuiging geen sprake.

20. Uitlevering wordt zoals reeds gezegd verzocht voor in totaal 12 feiten. Mocht u menen dat ten aanzien van de 10 aanklachten (samenzwering, fraude met behulp van post- en/of telegraafdiensten) wat betreft de kwalificatie van de feiten voldaan is aan de vereisten van het verdrag, dan resteert de vraag voor welke periode de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard. Blijkens de aanklachten betreft het uitleveringsverzoek de periode "in of rond en tussen 2002 en februari 2006". Naar de visie van de verdediging is deze periode, in het licht van het aanwezige bewijsmateriaal, te ruim geformuleerd en dient de uitlevering in ieder geval voor een groot gedeelte van deze periode ontoelaatbaar te worden verklaard.

21. Uit de meegezonden informatie van [getuige 2] en de officiële aanklacht blijkt dat de 'openbare handelingen', het feitencomplex waarvoor kennelijk bewijs voorhanden is, allen gepleegd zijn vanaf eind 2005.

a. [Slachtoffer 1] ([...]), startpunt: op of rond 30 september 2005

b. [Slachtoffer 2] ([...]), startpunt: op of rond 21 september 2005

c. [Slachtoffer 3] ([...]), startpunt: op of rond 4 december 2005

d. Het niet bestaande slachtoffer '[A]' (het betrof een Amerikaanse ordehandhaver), startpunt: 8 november 2005

22. Uit het thans voorliggende uitleveringsdossier blijkt op geen enkele wijze enige betrokkenheid van opgeëiste persoon (en zijn mogelijke mededaders) bij de feiten eerder dan op of rond 21 september 2005. De tijdsbepaling 'in of rond en tussen 2002' is dan ook volledig uit de lucht gegrepen en hiervoor ontbreekt ieder bewijs. Daar komt bij dat [getuige 2] ook pas werkzaam was bij de afdeling Fraude in de VS vanaf november 2004. Zij kan nimmer uit eigen wetenschap verklaren over de periode voor haar aantreden.

23. Hetzelfde kan gezegd worden over de verklaring van [getuige 1]. Uit zijn verklaring blijkt dat het Amerikaanse opsporingsonderzoek eerst gestart is nadat het Nederlandse opsporingsteam om informatie verzocht. Blijkens zijn verklaring startte het Amsterdamse onderzoek in september 2005. Voor dat moment liep er dan ook in ieder geval geen opsporingsonderzoek in de VS (en ook niet in Nederland). Ook uit zijn verklaring volgt dat de genoemde slachtoffers op zijn vroegst in september 2005 een e-mail ontvingen die mogelijk kan worden toegerekend aan [medeverdachte 2].

24. De conclusie is dat de uitlevering in ieder geval ontoelaatbaar is voor de periode 2002 tot september 2005, nu hiervoor elk bewijs bij de stukken ontbreekt en het verzoek wat dat betreft niet voldoet aan de vereisten van artikel 9 lid 3 onder b van het verdrag."(4)

24. De Rechtbank heeft voornoemd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De in de Amerikaanse telastelegging genoemde periode 2002 tot februari 2006 zou volgens de raadsman te ruim zijn.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De indictment houdt in dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten in de periode 2002-2006. Echter, de feitenomschrijving en de verwijzing naar de bewijsmiddelen beperken zich tot feitelijkheden in de jaren 2005 en 2006. Voor de periode daarvóór ontbreken een opgave van feitelijkheden en bewijsmiddelen. De stukken zijn derhalve te dien aanzien ongenoegzaam en de rechtbank zal de uitlevering ontoelaatbaar verklaren ten aanzien van de feiten die vóór 1 januari 2005 zijn gepleegd. Als uit nader onderzoek blijkt dat de opgeëiste persoon voor die datum relevante strafbare feiten heeft gepleegd dan zijn artikel 15 van het Verdrag en artikel 12 UW van toepassing en kan de Minister van Justitie om toestemming worden gevraagd voor strafvervolging van die feiten."

25. Tot de door de verzoekende Staat overgelegde stukken behoren, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang:

a. Een beëdigde verklaring ("affidavit in support of request for extradition") van [getuige 2], werkzaam als advocaat bij de Afdeling Fraude van de Divisie Strafzaken van het Amerikaanse Ministerie van Justitie, van 22 maart 2006. Deze verklaring houdt - kort gezegd - in dat uit een onderzoek van de Amerikaanse postinspectie en een daaraan gerelateerd onderzoek van de Amsterdamse politie is gebleken dat de opgeëiste persoon samen met anderen lid was van een samenzwering die een omvangrijke "advance-fee" fraude uitvoerde, waarbij e-mails en brieven werden verstuurd naar honderden mogelijke slachtoffers in de Verenigde Staten van Amerika en elders, waarin zij valselijk beweerden dat zij miljoenen dollars in contanten beheerden in een vreemd land, met het verzoek om deel te nemen aan het "advance-fee" plan.

b. Een beëdigde verklaring ("affidavit in support of the request for extradition") van [getuige 1], werkzaam als inspecteur bij de United States Postal Inspection Service (USPIS) van de Afdeling Fraude in Hicksville, New York, van 3 april 2006. Deze verklaring houdt - kort gezegd - een samenvatting in van het bewijsmateriaal dat door het USPIS is verzameld (nadat de Amsterdamse politie de hulp had gevraagd van de Amerikaanse autoriteiten), betrekking hebbende op het [slachtoffer 1], het [slachtoffer 3], het [slachtoffer 2], andere Amerikaanse slachtoffers en een door de USPIS uitgevoerde geheime operatie in de vorm van de inzet van een inspecteur met de naam "[A]". In de punten 26 tot en met 29 van deze verklaring wordt de rol van de opgeëiste persoon belicht.

26. Als maatstaf bij de beoordeling van de vraag of de uitlevering toelaatbaar kan worden verklaard heeft te gelden of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de tenlastegelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten.(5) Aan deze eis is ook voor wat betreft de periode vóór 21 september 2005 voldaan.

27. De stukken laten immers zien dat de opgeëiste persoon deel uitmaakt van een vanaf 1 januari 2005 opererend samenwerkingsverband tussen personen gericht op oplichting door middel van de in de "indictment" en de onder 25 genoemde stukken opgesomde middelen, ook al zal nader onderzoek nodig zijn om zijn rol vóór 21 september 2005 te concretiseren. Het oordeel van de Rechtbank dat de uitlevering toelaatbaar wordt verklaard ten aanzien van feiten die vanaf 1 januari 2005 zijn gepleegd, is derhalve niet onbegrijpelijk.

28. Tot zover faalt het middel.

29. Blijkens de toelichting klaagt het middel er tenslotte over dat de Rechtbank de uitlevering ter zake van "conspiracy to travel fraud" ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, nu de wetsbepaling betreffende reisfraude in strijd met art. 9, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitleveringsverdrag NL/VS bij de stukken ontbreekt.

30. Ingevolge art. 9, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitleveringsverdrag NL/VS dienen bij het verzoek tot uitlevering te worden gevoegd de wetsbepalingen houdende de wezenlijke elementen en de benaming van het strafbare feit waarvoor uitlevering wordt verzocht.

31. De wetsbepalingen dienen te worden overgelegd opdat de aangezochte Staat kan controleren of de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht naar het recht van de verzoekende Staat voldoen aan de ingevolge het Uitleveringsverdrag NL/VS geldende eisen omtrent strafbaarheid en strafmaximum.(6)

32. Tot de door de verzoekende Staat overgelegde stukken behoren de volgende wetsbepalingen:

a. § 371 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende samenzwering.

b. § 1341 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende fraude met behulp van postdiensten.

c. § 1343 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende fraude met behulp van telegraafdiensten.

d. § 1344 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende bankfraude.

e. § 2 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende medeplichtig zijn aan federale overtreding.

f. § 981 (a) (1) (C) van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht betreffende verbeuring.

33. In de "indictment", waarin - zoals de Rechtbank niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - de in de "arrest warrant" opgenomen beschuldigingen worden geconcretiseerd, worden als punten van aanklacht genoemd samenzwering, fraude met gebruik van telegraafdiensten en bankfraude. Zoals hiervoor onder 32 is uiteengezet heeft de verzoekende Staat de desbetreffende wetsbepalingen bij het uitleveringsverzoek overgelegd.

34. De in de "arrest warrant" opgenomen beschuldiging betreffende reisfraude (§ 2314 van Titel 18 van het Amerikaanse wetboek van strafrecht) wordt niet geconcretiseerd in de "indictment". Daarom heeft de Rechtbank de uitlevering kennelijk niet toelaatbaar willen verklaren ter zake van "reisfraude".

35. Hoewel de Hoge Raad de uitspraak van de Rechtbank op dit punt verbeterd kan lezen in die zin dat de verzochte uitlevering ook ontoelaatbaar wordt verklaard voor wat betreft "reisfraude", meen ik dat het uit een oogpunt van duidelijkheid in het internationale rechtsverkeer de voorkeur verdient dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd voor zover daarbij uitlevering ter zake van reisfraude toelaatbaar is verklaard en dat de uitlevering in zoverre ontoelaatbaar wordt verklaard. Dit betekent dat het middel in zoverre slaagt. Voor het overige faalt het middel.

36. Het derde middel behelst de klacht dat de Rechtbank de uitlevering ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard ter zake van "count 11", nu de Verenigde Staten voor deze aanklacht geen uitlevering van de opgeëiste persoon hebben gevraagd.

37. In de toelichting op het middel wordt ten onrechte gesteld dat in de "arrest warrant" niet wordt gesproken van "bankfraude". Deze wordt vermeld onder A. Het middel faalt overigens op de gronden als hiervoor onder 11 is uiteengezet.

38. De middelen kunnen - afgezien van hetgeen ik onder 34 heb uiteengezet - worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

40. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover daarbij uitlevering ter zake van reisfraude toelaatbaar is verklaard, tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering in zoverre, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De inhoud van de "arrest warrant" is opgenomen in de overwegingen van de Rechtbank.

2 De Nederlandse vertaling van de "indictment" is aan de uitspraak van de Rechtbank gehecht.

3 Vgl. HR 8 december 1987, NJ 1988, 667.

4 Pleitnotitie van mr. N. van der Laan, raadsman van de opgeëiste persoon, overgelegd op de zitting van de Rechtbank, blz. 3-4.

5 Vgl. HR 20 september 2005, nr. 00851/05 UA, HR 19 april 2005, LJN AT4110 en HR 1 februari 1994, NJ 1994, 266.

6 Vgl. N. Keijzer in Handboek strafzaken, par. 91.5.8, oktober 2005 en Tekst en Commentaar Internationaal Strafrecht, onder redactie van C.P.M. Cleiren en J.F. Nijboer, Deventer 2005, art. 18 UW, aant. 4 onder h (art. 18, derde lid, aanhef en onder c, UW komt inhoudelijk gezien overeen met art. 9, tweede lid, aanhef en onder c, van het Uitleveringsverdrag NL/VS).