Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ3092

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
R06/015HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ3092
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging van partneralimentatie die bij echtscheidingsuitspraak overeenkomstig een echtscheidingsconvenant is vastgesteld; beding van niet-wijziging met specifieke aanvulling, derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, ingrijpende wijziging van omstandigheden; draagkracht, bij berekening in aanmerking te nemen inkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 827
NJ 2007, 22
RFR 2007, 28
RvdW 2007, 29
NJB 2007, 144
JWB 2006/449
JPF 2007/27
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/015HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 10 oktober 2006

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Inleiding

Partijen zijn in hun echtscheidingsconvenant een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot de partneralimentatie overeengekomen, evenwel met de bepaling dat onder een 'ingrijpende wijziging van omstandigheden' mede begrepen wordt: het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen.

In cassatie gaat het voornamelijk om de vraag of het hof voldoende begrijpelijk heeft geoordeeld dat een relevante vermindering van 's mans inkomsten ten opzichte van de datum van de ondertekening van het convenant zich niét heeft voorgedaan.

2. Feiten(1)

2.1. Partijen zijn op 11 augustus 1989 gehuwd. Hun huwelijk is op 8 september 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 juli 1997 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [zoon 1] op [geboortedatum] 1990 en [zoon 2] op [geboortedatum] 1995 (hierna ook: de kinderen).

2.2. Partijen hebben voorafgaande aan de echtscheidingsprocedure afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in een echtscheidingsconvenant. Hierin is onder meer bepaald dat de man met ingang van 1 april 1997 f 750 per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kinderen] (kinderalimentatie) en f 4.500 per maand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (partneralimentatie).

2.3. Ten aanzien van de partneralimentatie zijn partijen in artikel 2.1 van genoemd convenant een niet-wijzigingsbeding overeengekomen, met dien verstande dat deze niet bij rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd op grond van wijziging van omstandigheden, behoudens in een geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald, waaronder begrepen het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen.

2.4. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 30 juli 1997 is, voor zover van belang, conform het echtscheidingsconvenant een door de man te betalen partneralimentatie bepaald op f 4.500 per maand en de kinderalimentatie op f 750 per kind per maand.

2.5. Bij beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 26 september 2001 is het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie en vermindering van de kinderalimentatie afgewezen. Deze beschikking is bij beschikking van het gerechtshof te Amsterdam hof van 28 november 2002 bekrachtigd.

2.6. De vrouw is geboren op 10 november 1962. Zij vormt samen met [de kinderen] een eenoudergezin en woont in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk). Zij heeft een eigen woning waarop geen hypotheek rust. Zij is niet verzekerd tegen ziektekosten.

2.7. De man is geboren op 3 augustus 1953. Hij heeft een nieuwe partner, met wie hij deels samenwoont. Hij heeft een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze bedraagt € 705 netto per maand. Blijkens de aanslag Inkomstenbelasting 1996 bedroeg zijn belastbaar inkomen in dat jaar f 105.518. Hij was toen samen met een partner vennoot in de VOF [A]. In 2000 heeft hij de VOF [A] verkocht.

In 2001 ontving hij blijkens de belastingaangifte van dat jaar € 22.520 inkomen uit dienstbetrekking bij vereniging Ons Genoegen en € 17.890 uit overige werkzaamheden. De opbrengst uit onroerende zaken bedroeg € 29.950.

In 2002 ontving hij blijkens de belastingaangifte van dat jaar € 2.069 inkomen uit dienstbetrekking bij vereniging Ons Genoegen, € 20.034 ter zake van arbeidsongeschiktheidsuitkering en € 6.856 uit gokontvangsten. De opbrengst uit onroerende zaken bedroeg € 32.672.

In 2003 ontving hij blijkens de belastingaangifte van dat jaar € 203 inkomen uit dienstbetrekking bij vereniging Ons Genoegen, € 11.620 ter zake van arbeidsongeschiktheidsuitkering en € 7.666,- uit gokontvangsten. De opbrengst uit onroerende zaken bedroeg € 28.613.(2)

Hij heeft €184 per maand aan woonlasten.

Hij betaalt € 600 per jaar aan premie voor een ziektekostenverzekering.

3. Procesverloop(3)

3.1. Bij verzoekschrift ingediend bij de rechtbank te Amsterdam op 24 juni 2004, heeft de man verzocht om wijziging van de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 30 juli 1997, in dier voege dat met ingang van 1 maart 2003 de door hem te betalen partneralimentatie op nihil wordt gesteld en dat de door hem te betalen kinderalimentatie wordt vastgesteld op een bedrag van € 100 per kind per maand, althans op een zodanige bijdrage als in goede justitie te bepalen.

3.2. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.3. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 28 oktober 2004. Na de zitting zijn nog over en weer verschillende stukken overgelegd.

3.4. Bij beschikking van 2 maart 2005 heeft de rechtbank de beschikking van 30 juli 1997 gewijzigd in die zin dat zij, onder meer en kort weergegeven, met ingang van 24 juni 2004 de partneralimentatie op nihil heeft gesteld en de kinderalimentatie op € 100 per kind per maand.

3.5. De vrouw is in hoger beroep gekomen van deze beschikking.

3.6. De man heeft een verweerschrift ingediend en heeft tevens incidenteel appel ingesteld. Hij heeft in incidenteel appel verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de ingangsdatum van de nihilstelling respectievelijk de verlaging van de kinderalimentatie betreft, en deze te bepalen op 1 maart 2003.

3.7. De vrouw heeft in incidenteel appel verweerd gevoerd.

3.8. De zaak is op 26 september 2005 ter terechtzitting van het hof behandeld.

3.9. Bij beschikking van 17 november 2005 heeft het hof de beschikking van de rechtbank waarvan beroep vernietigd en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man afgewezen. Hiertoe heeft het hof onder meer overwogen:

'4.5. [...] In het tussen partijen gesloten convenant is in artikel 2.1 ten aanzien van de door de man te betalen uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw een niet-wijzigingsbeding opgenomen dat overeenstemt met het derde lid van artikel 1:159 BW. Van een wijziging van de overeengekomen alimentatie kan derhalve slechts sprake zijn in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het in het convenant opgenomen beding mag worden gehouden. Van dit laatste zou sprake zijn indien er door een wijziging van de omstandigheden een volkomen wanverhouding ontstaat tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn om de vader onder die omstandigheden aan het beding te houden. Voorts hebben partijen in genoemd artikel vastgelegd dat onder bet begrip "ingrijpende wijziging van omstandigheden" tevens wordt begrepen het geval dat de vader kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen.

4.6. Aan de orde is derhalve de vraag of de inkomsten van de vader op 1 maart 2003, de datum vanaf wanneer de vader wijziging van de alimentatie verzoekt, door omstandigheden buiten zijn toedoen, in relevante mate zijn verminderd ten opzichte van de datum van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant, te weten 1 juli 1997. Het hof overweegt daartoe als volgt.

4.7. In het jaar voorafgaande aan de ondertekening van het echtscheidingsconvenant bedroeg het belastbaar inkomen van de vader blijkens de aanslag Inkomstenbelasting 1996 f 105.518,- (€ 47.882,-). Gelet op het feit dat het echtscheidingsconvenant op 1 juli 1997 door partijen is ondertekend, zal dit bedrag als uitgangspunt voor de bepaling van een eventuele vermindering van de inkomsten van de vader worden gehanteerd. Uit de stukken is gebleken dat het totaal belastbaar inkomen van de vader in 2003 € 48.102,- bedroeg bestaande uit inkomen uit dienstbetrekking bij vereniging Ons Genoegen van € 203,-, een arbeidsongeschiktheidsuitkering van € 11.620,-, gokinkomsten van € 7.666,- en opbrengst uit onroerend goed van € 28.613,-.

4.8. Het hof stelt vast dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat de inkomsten van de vader in 2003 in relevante mate zijn verminderd ten opzichte van zijn inkomsten ten tijde van ondertekening van het echtscheidingsconvenant en dat derhalve ook geen sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden zoals in het convenant is bedoeld. Ook overigens is niet gebleken van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de vader naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het in het convenant opgenomen beding mag worden gehouden. Het verzoek van de vader tot nihilstelling van de uitkering tot het levensonderhoud van de moeder dient dan ook te worden afgewezen.

4.9. Het bovenstaande brengt mee dat evenmin sprake is van een wijziging van omstandigheden welke gevolgen heeft voor de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van [de kinderen], zodat ook dat verzoek van de vader zal worden afgewezen.'

3.10. Van deze beschikking is de man - tijdig(4) - in cassatieberoep gekomen. De vrouw heeft in haar verweerschrift geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.

4. Bespreking van het cassatiemiddel

4.1. Onderdeel 1 van het middel bevat een inleiding. Onderdeel 2 bestrijdt de rov. 4.7, 4.8, 4.9 (alsmede rov. 4.10- 4.11 en het dictum) van 's hofs beschikking. De klachten zijn uitgewerkt in de onderdelen 2.1 (partneralimentatie) en 2.2 (kinderalimentatie).

Onderdeel 2.1 (partneralimentatie)

4.2. Bij beoordeling van het dit onderdeel dient het volgende vooropgesteld te worden.

4.3. Het gaat in dit onderdeel om de door het hof gegeven toepassing aan een bepaling in het echtscheidingsconvenant tussen partijen. Die bepaling (zie hierboven 2.3) is weliswaar benoemd als een niet-wijzigingsbeding, inclusief de verwijzing naar artikel 1:159 lid 3 BW, maar zij mondt in dit geval uit in de nadere bepaling dat onder de '(zo) ingrijpende wijziging van omstandigheden' mede begrepen wordt: het geval 'dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen'.

4.4. In de feitelijke instanties heeft de vrouw betwist dat de door de man gestelde vermindering van inkomsten van de man (indien die werkelijk zou hebben plaatsgevonden) een '(zo) ingrijpende wijziging van omstandigheden' zou opleveren dat daarom (inderdaad) de man 'naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden', zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald. Het hof is aan deze stelling van de vrouw niet toegekomen. Die vraag is ook in cassatie niet aan de orde gesteld, ook niet bij wege van een incidenteel cassatieberoep. Dat verbaast niet, maar met het oog op de afbakening van het geschil in cassatie wil ik het hier geconstateerd hebben.

4.5. De uitleg van het onderhavige beding in het echtscheidingsconvenant is in cassatie dus niet aan de orde, laat staan de uitleg van art. 1:159 lid 3 BW. Aan de ampele jurisprudentie en literatuur daarover meen ik dan ook geheel voorbij te kunnen gaan.(5)

4.6. Het gaat dus enkel om 's hofs toepassing van de clausule 'dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen'.

De vraag naar omstandigheden buiten toedoen van de man is in cassatie trouwens ook niet aan de orde. Daarmee is - zie boven - tussen partijen het debat beperkt tot 's hofs toepassing van de clausule 'dat de man kan aantonen dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd'.

4.7. De taak van de cassatierechter bij het toetsen van de motivering van alimentatiebeschikkingen een beperkte. De motiveringseisen zijn niet hoog. De rechter is, zo blijkt bijv. uit een beschikking van de Hoge Raad van 17 maart 2000, NJ 2000, 313, niet gehouden alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits daaruit voldoende blijkt van welke gegevens de rechter gebruik heeft gemaakt. Ook behoeft de rechter indien partijen van verschillende draagkrachtberekeningen zijn uitgegaan niet aan te geven welke draagkrachtberekening hij aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.(6)

Wordt aan de feitenrechter op dit punt dus een aanzienlijke vrijheid gelaten, de motiveringseisen zijn ook niet nihil.(7) Ook voor alimentatiebeschikkingen geldt dat zij ten minste zodanig moeten worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden, de cassatierechter daaronder begrepen, controleerbaar en aanvaardbaar te maken.

Waar motiveringsklachten tegen alimentatiebeschikkingen in cassatie slagen, betreft het m.i. vaak niet het eigenlijke afwegen en waarderen van bijv. de factoren die de draagkracht of de behoefte bepalen, doch bijv. het, voorafgaand aan die afweging en waardering, passeren van een essentiële stelling of een vergissing bij het vaststellen van de feiten.

4.8. Bij de draagkrachtbepaling(8) dient de rechter, voor zover het gaat om inkomsten uit vermogen, acht slaan op daadwerkelijk rendement (zowel in het geval dat dat lager is dan het fiscaal-forfaitaire rendement, als in het geval dat het hoger is). Het daadwerkelijke rendement bepaalt immers de daadwerkelijke draagkracht van de alimentatieplichtige.(9)

4.9. Ik ga nu in op de klachten van het onderdeel.

4.10. Volgens subonderdeel 2.1.1 heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip belastbaar inkomen in het algemeen, althans in zijn (bijzondere) relatie tot de vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud, door tot het totaal belastbaar inkomen van de man in 2003 (ook) de opbrengst uit onroerend goed van € 28.613 te rekenen en daarmee dat inkomen voor 2003 op € 48.102 te stellen, althans door die tot het belastbaar inkomen van de man te rekenen opbrengst uit onroerend goed op € 28.613 vast te stellen.

De klacht betoogt dat ingevolge de Wet IB 2001 tot het belastbaar inkomen niet (meer) de opbrengst uit onroerend goed wordt gerekend, maar een forfaitair rendement (van 4%) van sparen en beleggen waarvan de grondslag mede wordt bepaald door (de waarde van) de onroerende zaken (art. 5.2 en 5.3 Wet IB 2001). In de (bijzondere) relatie van het (belastbaar) inkomen tot de vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud wordt bij de draagkrachtberekening niet alleen rekening gehouden met het inkomen uit werk en (eigen) woning, maar ook de, voorzover hier relevant, werkelijke inkomsten (na aftrek van kosten) uit (rechten op) onroerende zaken.(10) Het hof heeft evenwel de (in te toelichting op) de aangifte 2001 (lees: 2003, A-G(11)) vermelde bruto opbrengst ad € 28.613 uit onroerend goed in aanmerking genomen, en niét de netto opbrengst, te weten (na aftrek van betaalde rente ad € 11.529) € 17.084.

4.11. Alvorens op deze klacht in te gaan, vermeld ik - met voorbijgaan aan subonderdeel 2.1.2 - hier meteen de klacht van subonderdeel 2.1.3. Daarin wordt geklaagd over een lezing van 's hofs beschikking waarbij het hof heeft bedoeld de werkelijke inkomsten (dus na aftrek van kosten) uit onroerende zaken in aanmerking te nemen bij de vergelijking van het 'belastbaar' inkomen 1996/2003. Het onderdeel betoogt dat het hof zich dan (kennelijk) heeft vergist, althans zijn motivering niet begrijpelijk is, omdat de gedingstukken geen andere uitleg toestaan dan dat die werkelijke (huur-)inkomsten na aftrek van de betaalde rente over 2003 niet € 28.613 belopen maar € 17.084. Het met het belastbaar inkomen over 1996 te hanteren vergelijkingsinkomen over 2003 komt dan uit op € 36.573.

4.12. Deze klachten zijn gegrond. Indien het hof van oordeel was dat als inkomsten uit onroerende zaken de (bruto) opbrengst in aanmerking moet worden genomen, zonder rekening te houden net de daarop drukkende (rente-)kosten, is het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof van oordeel was dat wel rekening gehouden moet worden met bedoelde kosten, is zijn beslissing onbegrijpelijk, omdat hij dat onmiskenbaar niet heeft gedaan. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat het verschil tussen enerzijds een totaal belastbaar inkomen van de man van € 48.102, waarvan het hof in rov. 4.7 is uitgegaan, en anderzijds een belastbaar inkomen van (€ 48.102 - € 11.529) = € 36.573 van dien aard is dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onvoldoende begrijpelijk is dat niet gezegd zou kunnen worden dat het inkomen van de man in 2003 in relevante mate zou zijn verminderd ten opzichte van zijn inkomen (€ 47.782) ten tijde van de ondertekening van het echtscheidingsconvenant.

4.13. Aan het vorenstaande doet - anders dan de vrouw in cassatie heeft doen betogen - niet af dat op de helderheid van de presentatie van de berekeningen van de man enige kritiek mogelijk is. Die kritiek kan er niet aan afdoen dat (i) voorop dient te staan dat het in het kader van de draagkrachtberekening bij inkomsten als hier bedoeld vanzelfsprekend om netto inkomsten (bruto inkomsten na aftrek van de kosten) dient te gaan; (ii) dat de door de man als opbrengsten gepresenteerde bedrag ad € 28.613(12) niet als netto opbrengst is gepresenteerd; (iii) dat de man daarnaast de aftrekpost voor betaalde rente ad € 11.529 op een daartoe niet onlogische plaats in zijn berekeningen hééft vermeld(13); en - last but not least - (iv) dat de vrouw (evenals eerder de rechtbank(14)) een en ander ook zo heeft begrepen. Dat de vrouw een en ander zo heeft begrepen blijkt uit de in subonderdeel 2.1.2 van het middel vermelde vindplaatsen(15), welk subonderdeel overigens geen behandeling behoeft.

4.14. Na vernietiging en verwijzing zal alsnog beoordeeld moeten worden of de man heeft aangetoond dat zijn inkomsten in relevante mate zijn verminderd. Ook zullen de nog niet beoordeelde verdere verweren van de vrouw tegen het verzoek van de man alsnog beoordeeld moeten worden.

Onderdeel 2.2 (kinderalimentatie)

4.15. Subonderdeel 2.2.1 geeft aan dat bij het slagen van onderdeel 2.1 ook de beslissing van het hof over de kinderalimentatie in rov. 4.9 niet in stand kan blijven.

Subonderdeel 2.2.2 gaat uit van een lezing van rov. 4.9 waarbij het hof het verzoek van de man (de vader) tot vermindering van de kinderalimentatie heeft afgewezen omdat geen sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Volgens het onderdeel heeft het hof zich dan vergist, omdat het niet-wijzigingsbeding slechts betrekking heeft op de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en niet op de kinderen.

Subonderdeel 2.2.3 gaat uit van de lezing van rov. 4.9 waarbij het hof het verzoek van de man (de vader) op zichzelf beoordeeld heeft. In dat geval is zonder nadere toelichting onvoldoende begrijpelijk dat 's hofs beslissing dat geen sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden (zoals in het convenant bedoeld) meebrengt dat er evenmin sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 BW, welke gevolgen heeft voor de bijdragen van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.

4.16. Onderdeel 2.2 slaagt, omdat de gegrondbevinding van onderdeel 2.1 meebrengt dat, zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook ten aanzien van de kinderalimentatie onvoldoende begrijpelijk is dat er geen sprake zou kunnen zijn van een relevante wijziging van omstandigheden in de draagkracht van de man (de vader) in 2003 in vergelijking tot het tijdstip (de ondertekening van het echtscheidingsconvenant) waarop de kinderalimentatie op f 750 per kind per maand werd bepaald. Ik verwijs naar nr. 4.12.

De subonderdelen behoeven voor het overige geen behandeling.

4.17. Na vernietiging en verwijzing zal alsnog beoordeeld moeten worden of er ten deze sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden aan de zijde van de man (de vader) in de zin van art. 1:401 BW. Daarbij zullen ook de nog niet beoordeelde verweren van de vrouw (de moeder) tegen het verzoek van de man (de vader) alsnog beoordeeld moeten worden.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de bestreden beschikking, blz. 2, 3 en 4. Evenals in de bestreden beschikking van het hof zijn de bedragen doorgaans afgerond.

2 Deze feitenvaststelling laat open of het in de jaren 2001, 2002 en 2003 gaat om bruto dan wel netto opbrengst uit onroerende zaken (A-G).

3 Ontleend aan de bestreden beschikking, blz. 1 en 2.

4 Het cassatieverzoekschrift is op 15 februari 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

5 Ik verwijs wat dit betreft nog wél naar de recente beschikking van HR 8 september 2006, nr. R05/123, NJ 2006, 491 na conclusie A-G Huydecoper met daarin talrijke verdere gegevens.

6 Zie HR 23 september 1983, NJ 1984, 90.

7 Vgl. Asser-De Boer (2002), nr. 620, en zie voorts bijv. nrs. 2.5-2.9 van de conclusie van A-G Bakels voor HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.

8 Of, in omgekeerd geval, de behoeftebepaling.

9 Vgl. in deze zin Rapport werkroep Alimentatienormen (Tremarapport) versie januari 2006, punt 102. Weliswaar binden de 'Tremanormen' de rechter niet, maar het t.a.p. gestelde moet zonder meer juist geacht worden.

10 De man verwijst in dit verband naar het NVvR Rapport Alimentatienormen (Tremarapport) 2006, par. 102.

11 '2001' is een kennelijke verschrijving; vgl. par. 1.5, par. 2, de aanhef van onderdeel 2.1.1, voetnoot 7 bij onderdeel 2.1.1, en onderdeel 2.1.3.

12 Het hof heeft het bedrag van € 28.613 klaarblijkelijk overgenomen uit de 'Toelichting inkomen 2003', als toegezonden aan de rechtbank bij brief van [de man]s advocaat mr. Du Bois d.d. 15 oktober 2004 (gedingstuk 3; bijna aan het eind). Zie blad 5 van dat document.

13 Nl. (in even bedoeld document) in de rubriek 'Inkomen uit beleggen en sparen, bezittingen en schulden', op de derde bladzijde daarvan (= blad 6) onder 'Schulden', na de door het hof klaarblijkelijk wél geraadpleegde eerste en tweede bladzijde daarvan (= bladen 4 en 5), waarop nog geen schulden voorkomen.

14 Vgl. blz. 4, voorlaatste alinea, van de beschikking van 2 maart 2005.

15 Dat de vrouw de stelling ook betwist heeft, doet daaraan niet af.