Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ1663

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
00529/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ1663
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak ex art. 552a Sv. Ex art. 23.2 Sv moeten door de raadkamer het OM, verdachte en andere proces-deelnemers worden gehoord, althans hiertoe worden opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Ex art. 552a.6 Sv dient het klaagschrift tijdens een openbare raadkamerzitting te worden behandeld. In art. 25.1 Sv is bepaald dat van het raadkameronderzoek door de griffier een pv moet worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en voorts hetgeen verder bij dat onderzoek is voorgevallen, terwijl dit art. tevens voorschriften bevat t.a.v. de wijze waarop het pv dient te worden ingericht, vastgesteld en ondertekend en bepaalt dat het pv bij de processtukken wordt gevoegd. I.c. heeft geen openbare raadkamerzitting plaatsgehad. Dit verzuim leidt tot nietigheid van de bestreden beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 815
RvdW 2007, 57
JOW 2007, 5
NJB 2007, 222
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 00529/06 B

Mr. Wortel

Zitting:31 oktober 2006

Conclusie inzake:

[Klaagster]

1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Groningen waarbij een namens verzoekster ingediend klaagschrift niet-ontvankelijk is verklaard, waarmee de Rechtbank kennelijk heeft bedoeld dat verzoekster niet-ontvankelijk is in het namens haar ingediende klaagschrift.

2. Namens verzoekster heeft mr H.P. Eckert, advocaat te Groningen, een schriftuur houdende cassatiemiddelen ingediend.

3. Het eerste middel bevat de klacht dat het onderzoek in raadkamer, en daarmee ook de bestreden beschikking, nietig zijn omdat is verzuimd een proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op te maken.

Het tweede middel behelst de klacht dat de Rechtbank het op art. 552a Sv gegronde beklag had dienen aan te merken als een beklag als bedoeld in art. 552b Sv.

De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Naar aanleiding van de klacht in het eerste middel is de Rechtbank verzocht het ontbrekende proces-verbaal alsnog in te zenden. Daarop werd een brief van de Rechtbank ontvangen met de mededeling

"dat er van deze zaak geen proces-verbaal ter terechtzitting is, deze zaak is zonder zitting, dus per beschikking afgedaan"

5. De bestreden beschikking is gegeven op 11 januari 2006.

Bij de stukken bevinden zich dossierexemplaren van oproepingen voor een behandeling in openbare raadkamer van 7 december 2005.

Bij de stukken bevindt zich ook een toelichting van de officier van justitie. Die houdt in dat bij strafvonnis van 20 september 2005, gewezen tegen [betrokkene 1], de auto, waarop het klaagschrift betrekking heeft, verbeurd is verklaard.

6. Als motivering voor de bovengenoemde beslissing houdt de beschikking in:

"Gebleken is dat bij - thans onherroepelijk - vonnis van deze rechtbank van 20 september 2005 in de strafzaak met parketnummer 18/630156-05 tegen [betrokkene 1] onder meer de betreffende auto verbeurd is verklaard. Gelet daarop komt de rechtbank aan de inhoudelijke behandeling van het klaagschrift niet toe, zodat het klaagschrift niet ontvankelijk moet worden verklaard."

7. Kennelijk heeft de Rechtbank geredeneerd dat a) de omstandigheid dat met betrekking tot de auto reeds een beslissing is genomen meebrengt dat verzoekster niet meer tegen (voortduren van) het beslag kan opkomen, en b) nu die uitkomst vaststaat, op het klaagschrift kan worden beslist zonder de zaak ter zitting (in raadkamer) te behandelen.

8. Dat oordeel lijkt mij in beide onderdelen onjuist.

9. In art. 552a Sv in samenhang met de art. 21 tot en met 25 Sv is te vinden dat een klaagschrift als bedoeld in art. 552a niet anders kan worden afgedaan dan met een beschikking, die slechts gegeven mag worden na een behandeling in raadkamer (die in dit geval openbaar moet zijn). Het van de behandeling in raadkamer op te maken proces-verbaal moet uitwijzen of aan de diverse zittingsvoorschriften is voldaan, en daarom accepteert de Hoge Raad niet dat dit proces-verbaal achterwege blijft. Het ontbreken daarvan levert nietigheid op, vgl HR NJ 1998, 838, HR 27 februari 1990, LJN ZC8488, HR 16 juni 1998, LJN ZD1202.

10. Ik zie niet in hoe tegen de achtergrond van de zojuist genoemde wettelijke voorschriften valt te construeren dat van een volledige behandeling kan worden afgezien indien de rechter aanstonds meent te kunnen vaststellen dat aan de voorwaarden voor het in behandeling van een klaagschrift niet is voldaan.

11. Dat klemt in dit geval temeer in verband met de strekking van het beklag. Het verzoek de teruggave aan verzoekster te bevelen stoelt op de stelling dat de eigendom van een inbeslaggenomen auto bij haar berust.

12. Art. 552b Sv strekt ertoe andere belanghebbenden bij inbeslaggenomen voorwerpen dan de veroordeelde een mogelijkheid te bieden alsnog voor hun rechten op te komen indien die door verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zijn aangetast.

Opmerking verdient dat de wet verbeurdverklaring van voorwerpen die toebehoren aan een ander dan de verdachte niet uitsluit, doch beperkt tot de gevallen dat de rechthebbende (kort gezegd) wist of had behoren te weten van het verband tussen het voorwerp en het strafbare feit, vgl. art. 33a, tweede lid onder a Sr.

Opmerking verdient tevens dat bij de behandeling van een beklag tegen strafvorderlijk beslag voor de vraag of iemand als belanghebbende moet worden aangemerkt niet beslissend is of die persoon als eigenaar valt te beschouwen, doch of hij heeft gesteld dit te zijn, vgl. HR NJ 2004, 179.

13. Hieruit vloeit naar mijn inzicht voort dat de Rechtbank, vaststellende dat op de voet van art. 552a Sv de teruggave werd verzocht van een voorwerp dat bij, inmiddels onherroepelijk, vonnis ten laste van een ander was verbeurdverklaard, het beklag had moeten aanmerken en verder behandelen als een op art. 552b Sv gegrond beklag.

14. Het is evenwel de vraag wat dit opgeleverd zou hebben. Op grond van de summiere stukken van deze raadkamerprocedure kan worden vastgesteld dat de bewuste auto in beslag werd genomen op 24 mei 2005, en dat klaagschrift, opgesteld door mr L.S. Wachters, advocaat te Delfzijl, op 20 juni 2005 ter griffie is ingediend. In het klaagschrift is vermeld dat verzoekster samenwoont met bovengenoemde [betrokkene 1]. Als vermeld houdt de nu bestreden beschikking in dat het tegen [betrokkene 1] gewezen vonnis is uitgesproken op 20 september 2005 en korte tijd nadien onherroepelijk geworden. Een kopie van de laatste bladzijde van dit vonnis is bij deze stukken gevoegd, en daaruit blijkt dat [betrokkene 1] tot twee jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Uit een en ander leid ik voorzichtig af dat dit geen 'lopend vonnis' is geweest.

15. Hierin zou de Rechtbank bij de behandeling van het klaagschrift allicht aanleiding hebben gevonden verzoekster te vragen of het menselijkerwijs denkbaar is dat zij niet heeft gemerkt dat de strafzaak tegen haar partner, in verband waarmee de auto in beslag is genomen, ter zitting heeft gediend en tot een vonnis heeft geleid. De volgende vraag zou dan geweest kunnen zijn of denkbaar is dat verzoekster niet op de gedachte is gekomen haar advocaat, die namens haar het klaagschrift heeft ingediend, te vertellen dat die strafzaak speelde. Afhankelijk van het antwoord op deze vragen zou de Rechtbank zich ten slotte hebben kunnen afvragen of van deze advocaat niet (ten minste) verlangd had mogen worden dat hij kort na de vonnisdatum was nagegaan of er iets was beslist met betrekking tot de in die zaak inbeslaggenomen automobiel.

16. Deze vragen kunnen uiteraard alsnog rijzen. Mij lijkt geenszins ondenkbaar dat de antwoorden op die vragen de Rechtbank op de gedachte brengen dat, ofschoon het op art. 552a Sv gegronde klaagschrift vóór de beslissing tot verbeurdverklaring is ingediend, van klaagster en haar advocaat verwacht had kunnen worden dat zij binnen aanvaardbare termijn na het uitspreken van het jegens [betrokkene 1] gewezen vonnis aan de Rechtbank duidelijk hadden gemaakt dat klaagster haar verzoek om teruggave van de auto handhaaft, doch nu in de gedaante van een beklag tegen de verbeurdverklaring. Uiteindelijk zou deze gedachte de Rechtbank tot het oordeel kunnen voeren dat het overschrijden van de in art. 552b, tweede lid, Sv gestelde termijn, gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval, aan verzoekster is toe te rekenen, zodat zij alsnog in haar beklag niet-ontvankelijk verklaard moet worden.

17. Als de zaak daar niet eindigt, komt aan de orde wat er in het tegen de veroordeelde gewezen vonnis precies is vastgesteld ten aanzien van de verbeurd verklaarde auto. Het zou zo maar kunnen zijn dat de Rechtbank in die zaak aannemelijk heeft geacht dat verzoekster op de hoogte is geweest, of moet zijn geweest, van de criminele herkomst of het criminele gebruik van de auto. De steller van het middel zal zijn cliënte kunnen uitleggen dat een dergelijk oordeel bij de behandeling van het klaagschrift kan, en zelfs moet, worden gerespecteerd.

In dat vonnis zou ook kunnen staan dat de Rechtbank heeft aangenomen, alle beweringen van het tegendeel ten spijt, dat de auto in feite aan de veroordeelde toebehoorde. De steller van het middel zal zijn cliënte, desnoods na enige studie, ook kunnen uitleggen dat de strafrechter niet gebonden is aan kentekenregistratie, verzekeringspolis en/of financiering, maar op grond van andere feiten door eigendomspretenties heen kan breken, en vaststellen dat een auto aan de aanstaande veroordeelde toebehoort.

18. En dat alles voor een BMW van een veel voorkomend type, bouwjaar 1994, met als ik het goed begrijp in 2004 al méér dan twee ton op de teller. Als het in deze zaak al ooit zou kunnen komen tot toepassing van art. 552b, vierde lid, jo art. 353, tweede lid onder b, jo art. 119 Sv, zullen de officier van justitie en betrokken rechters zich allicht afvragen of van die auto nog wel een dagwaarde valt te bepalen.

19. Intussen zijn de middelen terecht voorgesteld, hetgeen tot vernietiging van de bestreden beschikking moet voeren. Het lijkt mij dat de Hoge Raad de zaak niet zelf kan afdoen.

20. Het derde middel betreft de omstandigheid dat de officier van justitie in de gelegenheid werd gesteld zijn zienswijze kenbaar te maken zonder dat verzoekster daarop kon reageren. Die klacht gaat op in het eerste middel, en behoeft dus geen verdere bespreking

21. Het vierde middel klaagt over overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van het klaagschrift. Wat er zij van de vraag of die termijn in dit geval is overschreden, de klacht berust kennelijk op het uitgangspunt dat een overschrijding van de redelijke termijn bij het behandelen van een beklag tegen inbeslagneming zonder meer tot opheffing van het beslag en teruggave van het inbeslaggenomen goed moet voeren. Dat uitgangspunt is onzinnig, zodat het middel faalt.

22. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking nietig zal worden verklaard, en het klaagschrift met bijbehorende stukken zal worden teruggezonden naar de Rechtbank te Groningen, opdat het klaagschrift wederom, doch met inachtneming van de beslissingen van de Hoge Raad, zal worden behandeld.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,