Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ1114

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
R06/044HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ1114
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over alimentatie na echtscheiding (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 829
RvdW 2007, 33
NJB 2007, 157
JWB 2006/469
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R06/044HR

Mr. Huydecoper

Parket, 27 oktober 2006

Conclusie inzake

[De man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Deze zaak betreft een geschil over partneralimentatie, in het kader van de tussen partijen gevoerde echtscheidingsprocedure. In die procedure, die door verweerster in cassatie, de vrouw, in gang is gezet, heeft de vrouw mede een bijdrage in haar levensonderhoud verzocht. Na verweer van de kant van de verzoeker tot cassatie, de man, heeft de rechtbank een uitkering ten gunste van de vrouw bepaald van € 50,- per maand. In de beschikking die in de eerste aanleg werd gegeven, wordt overwogen dat van de kant van de vrouw is aangevoerd dat de man excessieve woonlasten "opvoerde"; maar heeft de rechtbank dat argument verworpen op de grond dat de woonlasten van de man als redelijk werden aangemerkt.

2) De man liet hoger beroep instellen, waarin uitsluitend tegen de vastgestelde alimentatie bezwaar werd gemaakt. Hij liet aanvoeren dat zijn draagkracht onvoldoende was om (zelfs) de door de rechtbank vastgestelde uitkering - die men kan kwalificeren als van bescheiden omvang - toe te laten. Namens de vrouw werd een verweerschrift ingediend dat zich ertoe beperkte, te beklemtonen dat de rechtbank aan de hand van een juiste berekening tot een juiste beslissing was gekomen. Zoals aanstonds nader te bespreken, is het argument betreffende de buitensporigheid van de woonlasten van de man bij de mondelinge behandeling in appel wél weer ter sprake gekomen.

3) In de thans in cassatie bestreden beschikking heeft het hof de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe overwoog het hof (in mijn uiterst samengevatte weergave) dat de draagkracht van de man weliswaar onvoldoende was om de toegekende uitkering te rechtvaardigen, maar dat hij excessieve woonlasten opvoerde; en dat wanneer een redelijk bedrag aan woonlasten in aanmerking werd genomen, de toegekende alimentatie aan de wettelijke maatstaven beantwoordde.

4) Namens de man is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(1). Van de kant van de vrouw is geen verweerschrift ingediend.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Het middel voert twee klachten aan. Deze komen er op neer dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd heeft veronachtzaamd omdat - althans in appel - niet ter discussie stond dat de woonlasten van de man excessief zouden zijn; en/of dat 's hofs oordeel met betrekking tot de woonlasten van de man ontoereikend is gemotiveerd.

6) Met betrekking tot de eerste klacht, die van onderdeel A van het middel, stel ik voorop dat blijkens de vaststellingen in de beschikking van de rechtbank waarnaar ik eerder verwees, in de eerste aanleg namens de vrouw wél was aangevoerd dat de woonlasten van de man excessief zouden zijn.

7) Voor de appelinstantie zou dit betekenen dat het hof, wanneer het een bezwaar van de man - die immers als appellant optrad - als gegrond beoordeelde, gehouden was om alsnog de in appel niet prijsgegeven tegenargumenten van de kant van de vrouw te onderzoeken, ook voorzover die in de eerste aanleg waren verworpen (ingevolge het leerstuk dat bekend staat onder de naam "devolutieve werking van het appel"). Daartoe was niet vereist dat de vrouw de bedoelde argumenten in appel opnieuw aan de orde stelde; en was ook niet nodig, dat het hof partijen in de gelegenheid stelde zich daarover nader uit te laten. Partijen moeten er namelijk op verdacht zijn dat de procedure in appel deze bijzonderheid vertoont, en zij behoren daar in hun opstelling rekening mee te houden(2).

Dit alles zou ook het geval zijn geweest als het gaat om het namens de vrouw in de eerste aanleg aangevoerde argument van de (excessieve) woonlasten.

8) Ik vermeld dit ten overvloede; want in feite is het zo dat, zoals ik al even aanstipte, het hier bedoelde argument ook in de appelinstantie expliciet aan de orde is gesteld. Dat blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in appel van 23 november 2005(3), eerste bladzij: namens de vrouw is opnieuw aangevoerd dat de woonlasten van de man "onredelijk hoog" zouden zijn, en van de kant van de man(4) wordt ook op dat argument gereageerd.

Om meer dan een reden beschouw ik de eerste klacht van het middel daarom als ongegrond: men kan niet staande houden dat het argument betreffende de woonlasten van de man in appel niet (meer) aan de orde was..

9) Ook de tweede klacht, neergelegd in onderdeel B, lijkt mij niet gegrond. Die komt er, zoals al aangestipt, op neer dat onbegrijpelijk zou zijn hoe het hof ertoe is gekomen, de als te hoog aangemerkte woonlasten van de man in zijn oordeel te betrekken.

Ik stel voorop dat de rechter bij de beoordeling van de draagkracht van een alimentatieplichtige in beginsel al diens lasten behoort te betrekken. De rechter kan echter aanleiding vinden om bepaalde lasten niet, dan wel in verminderde mate in aanmerking te nemen. Als hij - de rechter - dat doet, moet hij inzicht geven in de gedachtegang die tot deze beslissing heeft geleid(5).

10) Dat inzicht heeft het hof, dunkt mij, wel gegeven met zijn vaststelling(6) dat het de woonlasten van de man aanmerkte als uitgaand boven het plafond van een redelijke woonlast, en met het daarbij gegeven oordeel dat erop neerkomt dat een woonlast van € 500,- per maand wel als redelijk is aan te merken. Gegeven het geheel ontbreken van verdere partijstellingen op dit punt, valt moeilijk in te zien hoe het hof zijn oordeel nader had kunnen, laat staan moeten motiveren.

11) De beoordeling van het hof lijkt mij ook overigens begrijpelijk. Uiteraard weet ik niets van de woonlasten zoals die te verwachten zijn ter plaatse waar partijen wonen (bovendien zou er, ware dit anders, met zulke "feitelijke" informatie toch weinig zijn aan te vangen); maar een aanwijzing voor het wel plausibel zijn van 's hofs oordeel lijkt mij, dat ingevolge art. 13 van de Wet op de huurtoeslag geen huurtoeslag wordt toegekend bij huren - als het een alleenstaande betreft - van meer dan € 331,78 per maand(7),(8).

Ik ben mij er van bewust dat dat maar weinig zegt over wat een partij die urgent woonruimte behoeft in een deel van het land met aanmerkelijke woningschaarste, aan huurprijzen heeft te verwachten - maar het feit dat de in het cassatierekest vermelde woonlast, € 750,- per maand, ruim het dubbele bedraagt van dit wettelijk maximum, kan er toch toe bijdragen dat de beoordeling van het hof niet als dadelijk ongerijmd treft.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De beschikking van het hof is van 12 januari 2006. Het cassatierekest is op 12 april 2006 per fax ter griffie binnengekomen. De volgende dag is een in de gebruikelijke vorm opgesteld en door de advocaat ondertekend exemplaar van het rekest bij de griffie ingediend.

2 HR 12 november 2004, NJ 2005, 24, rov. 3.4.

3 Als dossierstuk nr. 18 aanwezig in het door Mr. Groen overgelegde dossier.

4 De man heeft zelf de mondelinge behandeling niet bijgewoond. Het gaat hier (dus) om een door de raadsman van de man in de feitelijke instanties gevoerd betoog.

5 HR 10 december 1999, NJ 2000, 4, rov. 3.2; zie ook HR 20 november 1998, NJ 1999, 86, rov. 3.3 - 3.5 en HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 91, rov. 3.3; Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, art. 1:157 BW, aant. 2 sub a, 2; Van Mourik - Verstappen, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, 2006, p. 704; en, in het bijzonder met betrekking tot woonlasten, de zgn. "Trema-norm", door mij geraadpleegd bij De Bruijn - Lückers c.s., Memo echtscheiding en alimentatie, 2005, p. 102 e.v.

6 In rov. 4.3 van de beschikking.

7 Situatie in 2006. Het bedrag in kwestie pleegt jaarlijks (zo ongeveer) aan de inflatie te worden aangepast.

8 Zie voor de strekking van art. 13 van de Wet op de huurtoeslag (voorheen art. 16 Wet individuele huursubsidie) bijvoorbeeld de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel voor de Wet individuele huursubsidie, Kamerstukken II 1983 - 1984, 18 539, nr. 3, p. 45 - 47: de regering wilde niet dat huursubsidie werd aangewend in verband met de huur van "dure woningen en wooneenheden met een duidelijk hoog wooncomfort". Ofschoon men bij uitingen van de regering vaak rekening mag houden met de mogelijkheid dat (ook) motieven van bezuiniging een rol spelen - de passage in de MvT die ik zojuist aanhaalde zinspeelt één alinea verder ook op "bezuinigingsmotieven" - lijkt de steller er toch van uit te gaan dat de in art. 16 gestelde grens alleen "dure" en meer dan gewoonlijk comfortabele woningen buiten het bereik van de regeling wil plaatsen.