Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2006:AZ0699

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
03641/05 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2006:AZ0699
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Glen Mills School geen particuliere inrichting a.b.i. Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen (Bjj) 2. Termijn ex art. 77z.2 Sr. Ad 1. Uit het samenstel van art. 77x.1 en 77z Sr en art. 1, 3a en 3b.1 Bjj volgt dat het opnemen in een particuliere inrichting a.b.i. de art. 1, 3a en 3b Bjj niet als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke pij kan worden opgelegd. Aangenomen moet worden dat de Glen Mills School niet een dergelijke door de MvJ aangewezen particuliere inrichting is. Ad 2. Art. 77z.2 Sr schrijft voor dat de rechter bij het opleggen van de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting, de termijn daarvan dient te bepalen. Het hof heeft echter verzuimd deze termijn te bepalen en dat kennelijk overgelaten aan de inrichting. Dit leidt tot vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2006, 788
NJ 2007, 14
RvdW 2007, 21
VA 2008/22 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03641/05 J

Mr. Knigge

Zitting: 17 oktober 2006 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 2 augustus 2005 wegens een aantal gekwalificeerde diefstallen en twee gevallen van openlijke geweldpleging veroordeeld tot 254 dagen jeugddetentie en tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met de hierna te noemen bijzondere voorwaarden. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Naar aanleiding van een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf heeft het Hof de desbetreffende proeftijd verlengd.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel bevat de klacht dat het Hof een bijzondere voorwaarde heeft opgelegd die in strijd is met art. 77z, tweede lid, Sr, althans die onverenigbaar is met het wettelijk systeem. Gelet op de toelichting gaat het daarbij in feite om twee te onderscheiden klachten. De meest verstrekkende klacht is dat plaatsing in de onderhavige jeugdinrichting niet bij wege van bijzondere voorwaarde had mogen worden opgelegd. De tweede klacht is dat het Hof ten onrechte heeft nagelaten de duur van de intramurale behandeling te bepalen.

4. Het dictum van de bestreden uitspraak luidt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt:

"HET HOF(...)

Veroordeelt de verdachte [...] tot:

(...)

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor de duur van twee jaren;

beveelt dat de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Jeugdreclassering en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling;

bepaalt dat dit toezicht door genoemde instelling reeds tijdens de proeftijd kan worden beëindigd;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- dat de veroordeelde een behandeling volgt in de Glen Mills School in [plaats A], overeenkomstig de aanwijzingen, hem te geven door de leiding van die instelling, gedurende de periode die voor hem wordt vastgesteld;"

5. Ik begin met de meest verstrekkende klacht. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat de Glen Mills School te [plaats A] een particuliere jeugdinrichting is als bedoeld in art. 3b Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, zodat een opname in deze inrichting ingevolge art. 77z, tweede lid, Sr niet in de vorm van een bijzondere voorwaarde kan worden opgelegd.

6. De relevante wettelijke bepalingen luiden, voorzover voor de beoordeling van belang, als volgt:

- art. 77z Sr

"1. Toepassing van artikel 77x geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Bovendien kunnen bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, worden gesteld. Deze mogen de vrijheid van de veroordeelde zijn godsdienst of levensovertuiging te belijden en de staatkundige vrijheid niet beperken. De rechter kan de werking van de bijzondere voorwaarden beperken tot een bij de uitspraak te bepalen tijdsduur binnen de proeftijd.

2. Als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting, niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, gedurende een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd."

- art. 1 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen:

"In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

b. inrichting: justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 3a;

c. particuliere inrichting: een inrichting die door Onze Minister wordt gesubsidieerd;

d. rijksinrichting: een inrichting die door Onze Minister in stand wordt gehouden;"

- art. 3a Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen:

"1. Onze Minister subsidieert of houdt in stand landelijke voorzieningen van residentiële hulpverlening bestemd voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen als bedoeld in de artikelen 77h van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 261 en 305, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

2. De inrichtingen worden onderscheiden in rijksinrichtingen en particuliere inrichtingen."

Art. 3b, eerste lid, Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen:

"1. Particuliere inrichtingen zijn in de Europese Economische Ruimte gevestigde rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid tot wier doelstelling opvang en behandeling van jeugdigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel f, behoren en die daartoe door Onze Minister zijn aangewezen."

7. De Memorie van Toelichting bij de laatste wijziging(1) van art. 77z, tweede lid, Sr, waarbij de zinsnede "niet zijnde een inrichting als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen" is ingevoegd, houdt het volgende in:

"Het gebruik van de term "inrichting" in artikel 77z, tweede lid, Sr laat toe dat daaronder een justitiële jeugdinrichting in de zin van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen wordt begrepen. Dat is echter niet de bedoeling. De rechter kan opneming in een justitiële jeugdinrichting als zelfstandige maatregel of straf opleggen, maar niet als voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling tot jeugddetentie, geldboete of plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op grond van artikel 77x Sr."

8. Uit de hiervoor weergegeven bepalingen in onderling verband beschouwd volgt inderdaad dat de opneming in een particuliere jeugdinrichting als bedoeld in art. 3b Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen niet als voorwaarde bij een voorwaardelijke PIJ kan worden opgelegd. Maar de vraag is of in casu sprake is van een dergelijke inrchting. Daarvoor is nodig, zo blijkt uit genoemd art. 3b, dat de inrichting door Onze Minister is aangewezen. Of dat het geval is, is naar het mij voorkomt een feitelijke vraag, die zich in cassatie moeilijk laat beantwoorden. Ik meen dat het kennelijke oordeel van het Hof dat van een dergelijke inrichting geen sprake is, in cassatie voor juist moet worden gehouden, tenzij uit hetgeen van algemene bekendheid moet worden geacht of op grond van stukken waarvan de Hoge Raad kennis kan nemen het ernstige vermoeden rijst dat het wél gaat om een particuliere inrichting als bedoeld in art. 3b Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.

9. De stelling dat het hier gaat om een jeugdinrichting als hiervoor bedoeld, is door de steller van het middel niet met bescheiden gestaafd, terwijl daarvoor ook in de gedingstukken geen aanknopingspunt is te vinden. Dat brengt mijns inziens mee dat de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie zal kunnen leiden.

10. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Uit namens mij bij het Ministerie van Justitie ingewonnen inlichtingen volgt dat de Glen Mills School te [plaats A] geen justitiële jeugdinrichting is als hiervoor bedoeld. Het is geen rijksinrichting en evenmin een door de Minister aangewezen particuliere inrichting. Er worden door het ministerie plaatsen ingekocht bij de Glen Mills School, maar dat is wat anders.

11. De hiervoor bedoelde door [betrokkene 1], medewerker juridische zaken, Dienst Justitiële Inrichtingen, Sectordirectie Justitiële Jeugdinrichtingen, Afdeling Uitvoeringsbeleid, verstrekte informatie behelst onder meer het volgende:

"DJI heeft de mogelijkheid om jeugdigen onder te brengen in rijksinrichtingen, particuliere inrichtingen of de zogenaamde 'inkoopplaatsen'. Met betrekking tot de rijks- en particuliere inrichtingen geldt dat hiervoor een besluit van de Minister van Justitie nodig is, waarin aangegeven wordt welke aanwijzing een jeugdinrichting krijgt. De Raad voor de Strafrechtstoepassing & Jeugdbescherming ontvangt van deze besluiten een kopie.

De inkoopplaatsen vallen onder het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn & Sport. Hiervoor zijn plaatsingsovereenkomsten gesloten. DJI heeft bij de Glen Mills School inkoopplaatsen. Hiervoor is een plaatsingsovereenkomst opgesteld."

12. Ik kom nu toe aan de bespreking van de tweede klacht. Het hiervoor weergegeven tweede lid van art. 77z Sr houdt in dat opneming in een inrichting als bijzondere voorwaarde mogelijk is "gedurende een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd". Het arrest van het Hof schrijft behandeling in de Glen Mills School voor "gedurende de periode die voor hem wordt vastgesteld". Daarmee is in elk geval op het eerste gezicht niet voldaan aan de wettelijke eis.

13. Ik heb mij afgevraagd of aan deze gevolgtrekking valt te ontkomen door een welwillende lezing van de gestelde voorwaarde. In aanmerking genomen dat het Hof de duur van de voorwaardelijk opgelegde pij-maatregel heeft bepaald op twee jaar, zou "gedurende de periode die voor hem wordt vastgesteld" gelezen kunnen worden als: "gedurende twee jaar, of zoveel korter als de leiding van de Glen Mills School verantwoord mocht achten".

14. Deze oplossing stuit op twee problemen. Het eerste probleem is dat de duur van de opname volgens de letter van de wet korter dient te zijn dan de proeftijd. Het tweede probleem is dat de wettelijke formulering mogelijk geen ruimte biedt voor een constructie waarbij de rechter enkel de maximale duur bepaalt maar waarbij de feitelijke duur van de opname in handen wordt gelegd van de inrichting. Op beide problemen ga ik in het onderstaande betrekkelijk uitvoerig in. Dit mede omdat het mij dienstig voorkomt dat de Hoge Raad op beide punten duidelijkheid verschaft.

15. Ik begin met het eerste probleem. Aanvankelijk hield art. 77z, vierde lid, Sr in dat als bijzondere voorwaarde niet kon worden gesteld dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting. Bij Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 528 is art. 77z gewijzigd. Het tweede lid kwam toen te luiden dat als bijzondere voorwaarde kon worden gesteld dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting "gedurende een door de rechter te bepalen termijn, korter dan de proeftijd".

16. De MvT houdt met betrekking tot deze wijziging onder meer het volgende in:(2)

"Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat als bijzondere voorwaarde kan worden gesteld dat de veroordeelde zich zal laten opnemen in een inrichting. Dit is in afwijking van het bestaande recht (artikel 77z, vierde lid) en het voorstel van de commissie Anneveldt (artikel 77m, vierde lid), doch sluit aan bij het commune strafrecht, zoals dit op dit punt is geregeld in artikel 14c, tweede lid, onder 2e. (...) De afweging van voor- en nadelen heeft ons tot de conclusie gebracht dat ook op dit onderdeel een bijzondere regeling voor jeugdigen niet meer op zijn plaats is."

17. Uit het vorenstaande kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd aan te sluiten bij de regeling in art. 14c, tweede lid, onder 2° Sr. Die bepaling luidde destijds en luidt ook thans nog als volgt:

"2. Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

(...)2°. opneming van de veroordeelde in een inrichting ter verpleging gedurende een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd;"

18. Waarom in afwijking van de tekst van art. 14c, tweede lid onder 2° Sr ("ten hoogste gelijk aan de proeftijd"), in art. 77z, tweede lid, Sr is gekozen voor de woorden "korter dan de proeftijd", is in de wetsgeschiedenis niet gemotiveerd. Wellicht heeft de wetgever zich laten leiden door art. 14c, tweede lid, onder 1°, Sr, waarin de woorden "korter dan de proeftijd" wél voorkomen. Pompe's Handboek van het Nederlandsche strafrecht (5e druk, 1959, p. 401) houdt hieromtrent het volgende in:

"Bestaat de bijzondere voorwaarde in schadevergoeding, dan moet de rechter de geldingsduur korter dan de proeftijd bepalen (art. 14c, eerste lid). Zou de geldingsduur bij deze voorwaarde even lang als de proeftijd wezen, dan zou immers eerst na afloop van de proeftijd kunnen beslist worden, of de veroordeelde zich aan deze voorwaarde had gehouden. In de oorspronkelijke redactie van art. 14h, tweede lid, zou dan bij overtreding dezer bijzondere voorwaarde nooit last tot tenuitvoerlegging der straf kunnen gegeven worden. Nadat in 1929 een termijn van drie maanden na afloop van de proeftijd in art. 14h, tweede lid is toegevoegd, is de imperatief voorgeschreven beperking van de geldingsduur der bijzondere voorwaarde in art. 14c, eerste lid, strikt genomen niet meer noodzakelijk."

19. De termijn van drie maanden na het verstrijken van de proeftijd waarbinnen het openbaar ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging kan worden ontvangen, is thans neergelegd in art. 14g, vijfde lid, Sr. Deze bepaling is in art. 77dd, tweede lid, Sr van overeenkomstige toepassing verklaard.(3) Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het argument dat tot de tekst van art. 14a, tweede lid onder 1°, Sr heeft geleid, voor de bijzondere voorwaarde van art. 77z, tweede lid, Sr toch al van weinig betekenis was, kan met Bleichrodt gesteld worden dat het hiervoor gesignaleerde tekstuele verschil tussen 14c Sr en 77z Sr deugdelijke grondslag mist.(4)

20. Er valt dan ook wat voor te zeggen om art. 77z, tweede lid Sr met een beroep op het feit dat de wetgever in 1994 heeft willen aansluiten bij art. 14, tweede lid onder 2° Sr, in weerwil van de wettekst aldus uit te leggen dat de door de rechter te bepalen termijn van opneming in een inrichting de duur van de proeftijd niet mag overschrijden. Aan die koninklijke weg geef ik de voorkeur boven een sluiproute waarbij een termijn die één dag korter is dan de proeftijd in overeenstemming met de wet wordt geacht.

21. Indien deze interpretatie van art. 77z, tweede lid Sr door de Hoge Raad voor juist zou worden gehouden, verzet de tekst van deze bepaling zich niet tegen de hiervoor geopperde welwillende lezing van 's Hofs arrest, voor zover die meebrengt dat het Hof de duur van de opname op twee jaar heeft gesteld.

22. Zoals gezegd was daarnaast de vraag of de wet ruimte biedt voor een constructie waarbij aan de inrichting wordt overgelaten om te bezien of de door de rechter bepaalde verblijfsduur kan worden verkort. Bleichrodt schrijft daarover het volgende:(5)

"De beslissing of en, zo ja, voor welke periode de veroordeelde dient te worden opgenomen is voorbehouden aan de rechter en kan derhalve niet aan de reclassering of aan de inrichting worden overgelaten. De wet laat zelfs niet toe dat de opneming eerder wordt beëindigd dan de rechter heeft bepaald. Hoewel er uit praktische overwegingen veel voor is te zeggen de door de rechter bepaalde termijn aan te merken als een maximumtermijn, biedt de strikte formulering van de bepaling daarvoor geen ruimte. Hoewel deze termijn derhalve slechts in een procedure ex art. 14f, lid 2 kan worden verkort, komt het in de praktijk voor dat de mogelijkheid wordt opengelaten dat de inrichting in overleg met de reclassering de opneming beëindigt."

23. Ik meen dat niet alleen de strikte formulering van de wet meebrengt dat aan praktische overwegingen moet worden voorbijgegaan. Ook de ratio, de achterliggende grondgedachte - die ook spreekt uit het door de steller van het middel genoemde arrest HR 6 november 1991, NJ 1991, 274, m.nt. GEM - pleit daarvoor. Die grondgedachte is dat vrijheidsbeneming dermate ingrijpend is, dat de beslissing daarover in handen van de rechter dient te liggen. Van die gedachte blijft weinig over als de rechter slechts de maximumduur vaststelt. Praktische overwegingen kunnen er dan maar al te snel toe leiden dat de duur standaard op twee jaar wordt gesteld, met als gevolg dat de beslissing over de werkelijke verblijfsduur in feite bij de (particuliere) inrichting komt te liggen. Van de wettelijke waarborg blijft dan niet veel over. Art. 77cc Sr biedt het wettelijk kader waarin een nauwe betrokkenheid van de rechter bij de duur van de bijzondere voorwaarde vorm kan krijgen. Volgens die bepaling kan de proeftijd onder meer verkort en verlengd worden.

24. Dit brengt mij tot de slotsom dat de bestreden uitspraak niet door een welwillende lezing ervan kan worden gered. De tweede klacht van het middel slaagt derhalve.

25. Ik meen overigens dat de vernietiging beperkt kan blijven tot de duur van de gestelde bijzondere voorwaarde en dat de Hoge Raad, om doelmatigheidsredenen doende wat het Hof had behoren te doen, vervolgens zelf die duur opnieuw kan bepalen. Daarbij zou gedacht kunnen worden aan een termijn van achttien maanden.(6)

26. Ik merk daarbij nog het volgende op. Het zou kunnen zijn dat een opname in de Glen Mills School, vanwege de tijd die de behandeling van het onderhavige cassatieberoep heeft geduurd, niet langer zinvol is. Een argument om de zaak te verwijzen of terug te wijzen levert dat mijns inziens echter niet op. Op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van de veroordeelde kan de gestelde voorwaarde immers alsnog worden gewijzigd (art. 77cc Sr).

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch alleen voor wat de duur betreft van de bij wege van bijzondere voorwaarde opgelegde opname in de Glen Mills School en, om doelmatigheidsredenen doende wat het Hof had behoren te doen, die duur zal bepalen op een door de Hoge Raad vast te stellen aantal maanden. Deze conclusie strekt voorts tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Wet van 7 april 2005 (Stb. 2005, 194), in werking treden op 1 juli 2005 (Stb. 2005, 300).

2 Kamerstukken II, 1989-90, 21 327, p. 38.

3 In 1961 (Wet van 9 november 1961, Stb. 403) was nog uitdrukkelijk afgezien van overneming van de termijn van drie maanden. Als de jeugdige aan het einde van de proeftijd een nieuw feit beging, zou oplegging van een straf voor dat feit begrijpelijker zijn voor de jeugdige dan tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf (zie Kamerstukken II 1955-56, 4141, nr. 3 (MvT), p. 21. Dat standpunt is dus in 1994 verlaten.

4 F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde, (diss.) p. 105.

5 A.w., p. 75.

6 Ter terechtzitting van het hof verklaarde mevrouw Keizer, die namens de Raad voor de Kinderbescherming was verschenen, dat het traject Glen Mills "normaliter anderhalf jaar duurt".